Boekverslag : Maarten 't Hart - De Jacobsladder
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 8396 woorden.

De Jacobsladder



Maarten ’t Hart – De Jacobsladder

Uitgeverij de Arbeiderspers

206 bladzijden



Motivatie



Omdat ik nog boeken voor school moest lezen ben ik naar de mediatheek gegaan op zoek naar een boek. Hier kwam ik na wat zoeken bij de boeken van Maarten ’t Hart tegen, waarvan ik al eerder boeken had gelezen en die waren mij goed bevallen. Na wat rond kijken kwam ik bij het boek De jacobsladder, omdat het verhaal zich afspeelt in de omgeving waar ik heel lang gewoond heb. Hierdoor dacht ik dat ik wat makkelijk door het verhaal opgenomen zou worden.



Verwachting



Toen ik het boek pakte herkende ik een beetje hoe het vroeger was in Rotterdam, kleine riviertjes met kleine scheepjes en een hoop ( voor die tijd) hoge gebouwen op de achtergrond. Het boek ziet er opzich hierdoor wel erg saai uit, de voorkant is ook een beetje dof, maar dat komt omdat de voorkant een kopie is van een olieverfschilderij. De letters van de titel zijn ook even dof en zakelijk afgedrukt. Hierdoor toont het boek echt saai, maar het tegendeel is waar.



De achterkant is anders als de meeste boeken. Hij is niet echt een samenvatting van het boek, maar meer een verhaaltje over het boek en de schrijver. Het is ook niet dat er een kleine inleiding wordt gegeven van het boek en dat de lezer zelf overal achter moet komen maar het einde wordt bijna ook al helemaal verklapt. Je weet na op de achterkant gelezen te hebben al in grote lijnen alles wat Adriaan gaat doen. Toch heb ik dit niet als hinderlijk opgevat.



Eerste reactie



Mijn verwachting, een boek dat gaat over het vroegere leven in de omgeving van Rotterdam, is aardig uitgekomen. Toch zaten er ook dingen in die ik niet echt had verwacht, ik had er in ieder geval geen idee van, hoe de mensen toen tegenover het leven stond en hoe serieus het leven vroeger was met de kerk. Ik snap nu ook beter waarom er in sommige gemeentes zoveel verschillende kerken staan in plaats van 2.



Samenvatting



Adriaan Vroklage (11 jaar) met de veerboot over naar het eiland Rozenburg. Daar ontmoet hij Klaske, het dochtertje van tante Sjaan en heeft daar een paradijselijke middag. Bij thuiskomst echter blijkt dat zijn ouders dachten dat hij dood was geraakt door te vallen in de schroef van een marinevaartuig. Dat was echter Jan Ruygveen, zoon van de streng protestante Ruygveen. Adriaan voelt zich schuldig, omdat hij vindt dat hij in zijn plaats had moeten sterven. Hij blijft zitten en komt in dezelfde klas als Jans broer, Anton. Hij wil bevriend raken met hem om over Jan te praten. Dat lukt alleen wordt in de familie Ruygveen Jan doodgezwegen. Het "kerken" van de Ruygveens is helemaal in Delft en als Adriaan een keer meegaat is hij erg onder de indruk van de toren van de Nieuwe Kerk. In de kerk van Adriaans ouders ontstaat onenigheid nadat een nieuwe predikant een andere manier van dopen heeft ingevoerd. Antons vader maakt daar handig gebruik van door in Maassluis een strenge Calvinistische kerk op te richten. Tijdens de eerste bijeenkomst is Adriaan er samen met zijn grootvader. Voor Adriaan is zijn grootvader erg belangrijk, met hem bespreekt hij alles.



Als Adriaan samen met Anton op de lts zit ontdekt hij dat Anton condooms koopt. Adriaan vraagt waarom hij dat doet en Anton vertelt dat hij samen met Job seks met Hendrikje (het zusje van Anton) heeft. Adriaan verbreekt alle contact. Na afloop van de lts gaat Adriaan als universeel slijper werken, een geestdodend werk. Hij maakt 's avonds lange tochten met zijn fiets om alles te vergeten. Een keer krijgt hij ruzie onderweg en maakt een jongen kreupel. Anton, die hem toevallig ontmoette, vraagt Adriaan om te gaan kijken of Hendrikje prostituee in Den Haag is geworden. Adriaan moet kijken of het klopt. Het is inderdaad waar en Job pleegt zelfmoord. Adriaan geeft zichzelf de schuld. Op de fabriek gebeuren twee ongelukken. De eerste is dat iemand een mes tegen zijn pols krijgt en daarom ander werk in de fabriek moet gaan doen. Op die plaats wordt hij echter getroffen door een beitel als iemand vergeet zijn magneet uit te zetten. Adriaan wordt de schuld aangepraat en gaat bij de marine. Tijdens een reis pleegt een majoor zelfmoord. Ook hieraan voelt Adriaan zich schuldig. Het eiland Saba, waar hij enige tijd verblijft ervaart hij als een paradijs. Als hij terugkomt wacht zijn hele familie hem op, zelfs Anton met wie hij nooit meer contact heeft gehad. Na zijn thuiskomst heeft Adriaan een gesprek met zijn grootvader over de zin van het leven. Zijn opa kan hem echter niet vertellen wat Adriaan wil weten. Hierna ontmoet Adriaan Klaske weer. Ze vraagt hem te komen solliciteren bij een kliniek voor geestelijk gestoorden. Tijdens het sollicitatiegesprek wordt een patiënt agressief, maar Adriaan maant hem door zijn kracht en rust weer tot kalmte. Adriaan gaat nu vrij intensief met Klaske om en vertelt haar over zijn schuldgevoel en boetedoening t.o.v Jan Ruygveen. Ze begrijpt hem niet en zegt dat het zijn schuld niet is, ze kan hem alleen niet overtuigen. Vader Ruygveen wordt opgenomen in de kliniek. Adriaan heeft een gesprek met hem, die hem vertelt dat de dood van Jan een zelfmoord was. Hierdoor heeft Adriaan zich dus voor niks schuldig gevoeld. Het kost hem toch moeite zijn schuldgevoel te laten varen, het is een deel van zijn leven geworden. Hij kon afstand houden van iedereen, zich nergens bij betrokken hoefen voelend. Klaske voegt zich bij hen en vader Ruygveen laat Adriaan een hand om haar middel leggen een tekst uit Jesaja citerend:" Hij heeft mijn ziel liefelijk omhelsd."



Bron: http://tinyurl.com/ja398



Eindoordeel



Onderwerp:



Allereerst een verklaring van de titel: De Jacobsladder



ja•kobs•lad•der (de ~)

1 [Bijb.] de zeer lange ladder die aartsvader Jakob in een droom zag



Dit slaat dus op de droom die Adriaan heeft gehad, namelijk de droom dat hij Ruygeveen bovenaan een trap stond die hem wenkte om hem te volgen, hij heeft dus Adriaan eigenlijk de weg gewezen.



Adriaan was de weg kwijt, er gebeurden veel zelfmoorden en een ongeluk waar hij mee te maken had, en hij trok zich dit heel erg aan en dacht dat het zijn schuld is, of de schuld werd hem aangepraat. Hierdoor raakt hij heel erg in de war, hij ging heel veel fietsen ’s avonds om dat gevoel een beetje kwijt te raken en na te denken. Maar ook dit werkt niet, op een avond als hij gaat fietsen wordt hij achternagezeten en maakt uiteindelijk een jongen kreupel, die kan zijn leven lang niet meer lopen.



Op het einde komt Adriaan achter, dat het ongeluk waarmee zijn schuldgevoelens eigenlijk allemaal mee begonnen zijn, geen ongeluk was maar een zelfmoord. Hierdoor vindt Adriaan weer zijn zin van het leven terug.



Gebeurtenissen:



De meeste en belangrijkste gebeurtenissen in het boek zijn toch eigenlijk de zelfmoorden en ongelukken, die heel centraal staan, en die ook voor het grootste deel Adriaans leven bepalen. In heb begin van het boek gaat Adriaan naar een tante toe om zuivelproducten te kopen. Als hij weer thuiskomt denken zijn ouders dat is hij omgekomen bij een ongeluk in de haven, waar een jongen tussen wal en schip is gevallen. Nu het dus een andere jongen blijkt te zijn zoekt hij contact met de familie van de jongen die is omgekomen, en een broertje van hem blijkt bij hem op school te zitten. Hij voelt zich heel erg schuldig dat hij niet is omgekomen maar die andere jongen.



Om zijn gevoelens een beetje te vergeten en om over het leven na te denken fiets Adriaan hele lang tochten. Op een keer wordt hij achtervolgd door studenten in een auto, hij gaat de confrontatie uit de weg maar hij wordt klemgereden. Hierdoor zoekt hij een uitweg wat ook lukt, maar hij maakt wel een jongen kreupel. Dit gevoel blijft ook bij hem zitten, hij voelt zich weer schuldig.



Anton, het broertje van de omgekomen jongen, vraagt op een dag of Adriaan naar Den Haag kan fietsen, om te kijken of zijn oudere zus die van huis is weggelopen daar prostituee is geworden. Dit blijkt zo te zijn en Adriaan vertelt dit aan Anton. Nadat Anton dit aan zijn andere broer Job vertelt heeft pleegt Job zelfmoord. Adriaan geeft zichzelf de schuld.



Adriaan gaat na zijn school op een fabriek werken waar 2 ongelukken gebeuren waarbij een keer iemand gewond raakt en een keer iemand doodgaat. Het andere personeel van de fabriek waar hij werkt praat hem de schuld aan, en met succes.

Nu wilt Adriaan weg, hij wilt vluchten. Hij zoekt een baan bij de marine en krijgt werk bij een onderzeebootjager en gaat op reis over de wereld heen. Hier ontmoet hij een Majoor, waarmee hij een gesprek heeft. Op deze reis pleegt de Majoor ook zelfmoord en Adriaan voelt zichzelf weer schuldig, al heeft hij hiermee eigenlijk niks mee te maken.



Adriaan gaat na de reis werken bij een verpleeghuis, als verpleger. Hier komt hij Meneer Ruygeveen tegen, die hem vertelt dat zijn zoon niet tussen wal en schip was gevallen, maar dat het een zelfmoord was. Hiermee valt dus het begin van alle schuldgevoelens van Adriaan weg, de schuldgevoelens waarmee het allemaal begon. Hierdoor verandert Adriaans leven.



Personages:



Adriaan Vroklage is de hoofdpersoon, het boek wordt vertelt vanuit zijn ik persoon. Het is een gewone jongen, die zich dingen teveel aantrekt. Hierdoor raakt zijn leven drastisch in de war.



Johannes Ruygeveen is de vader van de omgekomen jongen uit het begin van het boek, waar alle schuldgevoelens mee begonnen. Het boek vertelt over hem, vanaf zijn opkomst met zijn eigen succesvolle kerk, tot zijn ondergang als hij in een verzorgingstehuis zit en helemaal in de war is.



Opa Vroklage is Adriaans grootste raadpersoon. De gesprekken van Adriaan met zijn opa maken veel voor hem helder, het vrolijkt zijn leven op. Ook kan hij beter de scheidingen en ruzie’s om de kerken vergeten.



Opbouw:



Het boek verloopt geheel chronologisch, maar dit komt ook omdat het een leven vertelt van een jonge vanaf zijn jonge jaren totdat hij volwassen is. Als het boek flashbacks zou hebben zou juist de charme van het boek verdwenen zijn, als je het leest dan wil je juist weten wat er hierna gebeurt, en je wilt en verwacht geen flashbacks. Doordat het boek zo chronologisch verloopt is het ook supermakkelijk te begrijpen, totaal geen moeite mee. Wat wel zo is dat Adriaan soms terugdenkt aan wat er is gebeurd, maar dit zijn niet echte flashbacks.



Thematiek:



Het thema is het dagelijks leven van een jongen in Rotterdam na de 2e wereldoorlog. Hier heeft ook de kerk veel mee te maken, de vele scheuringen in die tijd zorgde voor veel onrust in de samenleving en het dus ook veel met het dagelijks leven van Adriaan te maken. Adriaan probeert ook de gebeurtenissen uit zijn dagelijks leven in verband te brengen met het geloof maar dit werkt ook niet goed.



Taalgebruik:



Het taalgebruik is heel makkelijk, met soms kerkelijke teksten erin, maar er zitten over het algemeen echt zeer weinig moeilijke woorden in verwerkt. Ik denk echt dat dit boek goed is te lezen voor iedereen, ongeacht of hij wel goed is in moeilijke woorden of niet.



Recencies



Schrijver Hart, Maarten 't

Titel Jacobsladder, De : roman

Jaar van uitgave 1986

Bron Vrij Nederland

Publicatiedatum 20-09-1986

Recensent Carel Peeters

Recensietitel Tobben op de Jacobsladder : De Jacobsladder: roman over een karakter





'Een soort etnologische verbazing, dat zoiets op aarde nog mogelijk is', schreef Vestdijk over het calvinisme in de romans De Waterman, De Rijke man en Een Hollandsch drama van Arthur van Schendel. Zo verbaas ik mij over de bijbelse haarkloverijen en het gereformeerde leven in de romans en verhalen van Maarten 't Hart. Men wordt verplaatst in een folklore waarin het volksdansen vervangen is door het oudtestamentisch citeren van bijbelteksten, het vendelzwaaien door de periodieke scheuringen en afscheidingen. De 'noodlottige domheid' (Vestdijk) van het calvinisme waarmee de hoofdpersonen van Van Schendel te maken krijgen, is in het werk van Maarten 't Hart echter veel minder drukkend. Dat 't Hart er toch steeds weer over schrijft, heeft te maken met het feit dat dit nu eenmaal tot 1960 zijn leven heeft bepaald (zoals beschreven in Het roer kan nog zesmaal om) en omdat het materiaal biedt voor even dramatische als absurde verhalen.



In het werk van 't Hart wordt niet tegen het calvinisme gerebelleerd zoals door Maarten Rossaart in Van Schendels De Waterman: 'Loop naar de duivel met de dominee en zijn bijbel,' zegt die tegen zijn zuster, een zin die men bij Maarten 't Hart niet gauw zal tegenkomen. Het afscheidsproces verloopt bij Maarten 't Hart veel meer langs redeneringen en innerlijke tweegesprekken. Dat het calvinisme bij 't Hart veel minder drukkend is dan bij Van Schendel moet iets te maken hebben met zijn 'monterheid', een karaktertrek waarover hij het in Het roer kan nog zesmaal om heeft. Daardoor kan hij het calvinisme veel meer als materiaal beschouwen: de klappen die hij regelmatig van zijn vader krijgt maken helemaal geen dramatische indruk, ze worden bijna laconiek beschreven, je denkt: zo ging dat daar. Dat is wel anders bij Maarten Rossaart; die wordt door zijn vader elke dag achter de deur opgewacht met een stok en de kastijding die dan volgt veroorzaakt bij mij een siddering, bij hem een enorme wrok. Een vader als die van Maarten 't Hart zal men bij Van Schendel evenmin aantreffen: hoewel een aanhanger van het alles verdoemende calvinisme is hij nogal opgewekt en op een harde manier geestig. Deze combinatie van monterheid en calvinisme is in de Nederlandse literatuur alleen bij 't Hart te vinden. Het verschijnsel is voor hemzelf kennelijk ook zo bijzonder dat het verschil tussen vrolijke en sombere mensen in een streng gereformeerd milieu de kern van De Jacobsladder is gaan uitmaken.



Het calvinisme in De Jacobsladder speelt zich vooral buiten de hoofdpersoon Adriaan Vroklage af: zijn vader is weliswaar koster en hij hoort elke dag gesprekken en discussies over scheuringen en bijbelteksten, maar hevig aangedaan door het geloof is hij zelf niet. Alleen de sfeer in de kerk en de manier waarop het licht erin kan vallen, bevalt hem. Het calvinisme is het even toevallige als onvermijdelijke decor van zijn leven. Dat blijkt uit de gesprekken met zijn grootvader, een uiterst godsdienstig maar ook vrolijk heer met een intense belangstelling voor scheuringen in de kerk, maar dan vooral vanwege het vermaak dat ze bieden. Deze grootvader is wat in andere romans en verhalen meestal de vader is: een oneerbiedige gelovige, op het non-conformistische af. Dat Adriaan niet als een vrolijke jongen door het leven gaat is niet zijn schuld.



Verwisseling



Er is één gebeurtenis waar alles in de roman uit voortvloeit. Op een dag moet Adriaan, elf jaar, voor zijn moeder naar zijn tante op het eiland Rozenburg om daar eieren en boter te kopen. Hij gaat er met de veerboot naar toe. Als hij op het havenhoofd is, staat daar nog een andere jongen naar de schepen te kijken. Hij spreekt hem niet aan maar springt op het laatste moment nog op de veerboot, een gevaarlijke manoeuvre die hem op een scheldpartij van de bootsman komt te staan. De tante op Rozenburg heeft hij nog nooit gezien; ze behoort tot een tak van de familie waar ze geen contact mee hebben omdat ze tot een andere splinter van het geloof behoort. Als ze hem ziet is ze ontroerd omdat hij zo op zijn grootvader lijkt waarmee ze ooit heeft willen trouwen (een familieconstructie die nogal ingewikkeld is, maar verwijst naar Genesis 28, het boek waarin Jacob van de ladder droomt). Zijn nichtje Klaske ziet al snel iets in Adriaan en wil later met hem trouwen, omdat hij zo sterk is dat hij de geit in bedwang kan houden en haar over een plas kan tillen.



Wanneer Adriaan later dan was afgesproken van zijn bezoek aan Rozenburg thuiskomt vindt hij zijn ouders in tranen. Die middag is er een jongen uit de haven gedregd die in het water was gevallen, verminkt door de schroef van een schip. Bij de identificatie had zijn vader genoeg aan het zien van het litteken op zijn knie - maar een dergelijk litteken had Jan Ruygveen, de andere jongen op het havenhoofd, ook. Deze kortstondige verwisseling bezorgt Adriaan een groot schuldgevoel, alsof hij en niet Jan Ruygveen had moeten verongelukken, hij was immers nogal roekeloos geweest. Hij raakt in zichzelf gekeerd, houdt zich in de buurt van het huis van de familie Ruygveen op, begint op school rare taalfouten te maken. De Ruygveens zijn strenger dan streng in het geloof, zodat hij aanvankelijk niemand van hen te spreken krijgt om van zijn schuldgevoel af te komen. Zijn schoolprestaties leiden tot een bezoek aan de kamer van de hoofdonderwijzer dat hij zich nog jaren in zijn dromen zal herinneren.



De Jacobsladder is gecomponeerd volgens het principe dat er geen mus van het dak valt of hij heeft een functie. De dood van Jan Ruygveen heeft ook iets in Adriaan gedood: hij gaat niet meer terug naar Rozenburg, hoewel hem daar veel vrolijkheid en genegenheid zouden wachten. In plaats daarvan zoekt hij contact met de Ruygveens, een somber stelletje dat helemaal vanuit Maassluis naar Delft loopt om naar de kerk te gaan. Over de dode Jan wordt echter nooit gepraat. In de loop van de roman begint het gezin Ruygveen te desintegreren: de vader begint een eigen kerk, dochter Hendrikje (waar Adriaan verliefd op is) vlucht het huis uit, zoon Anton is een smeerpijp als alle andere jongens en andere zoon Job pleegt zelfmoord, waarschijnlijk nadat hij gehoord heeft dat Hendrikje als hoer in Den Haag zit. Ook voor al dit ongeluk voelt Adriaan zich vaag schuldig.



Vanaf de dag van Jans dood wordt Adriaan besprongen door de dwanggedachte dat hij schuldig is aan het ongeluk en de dood van anderen. Het is eenzelfde dwanggedachte die de hoofdpersoon in Een vlucht regenwulpen laat denken dat hij gauw dood gaat. Er is heel wat literaire overtuigingskracht voor nodig om zo'n idee waarschijnlijk te maken. Is het een puur schuldgevoel, hoe ingebeeld dan ook? Is het een verinnerlijkte 'verdoemenis' volgens het gereformeerde geloof, dat zegt dat er maar weinig uitverkorenen zijn en vele verdoemden? Leeft hij zijn verdoemenis? 't Hart laat Adriaan een leven tegen zijn zin leiden: hij gaat tegen zijn zin naar de lts, gaat tegen zijn zin op een fabriek werken als machinebankwerker en gaat tegen zijn zin in dienst bij de marine. Wanneer er iemand op zijn werk een ongeluk krijgt, denkt hij dat het zijn schuld is en ook zijn collega's rekenen het hem aan. Als er een sergeant overboord springt, herinnert hij zich ineens veelbetekende woorden die misschien ook wel op zijn schuld zouden kunnen wijzen.



Aanslag In Het roer kan nog zesmaal om schreef 't Hart: 'Natuurlijk, was ik in een joods milieu opgegroeid, dan zou alles anders zijn geweest, maar dan nog zou mijn tegelijkertijd montere en tobberige verbeeldingskracht ook daaruit genoeg hebben weten te halen om mijzelf te kwellen.' Het is duidelijk dat De Jacobsladder over de tobberige kant van zijn verbeeldingskracht gaat. Niet het gereformeerde milieu, waarin elke levensvreugde de nek om wordt gedraaid, veroorzaakt die tobberigheid: in het gezin van Adriaan is men nogal verlicht. Niettemin ontzegt hij zich gedurende jaren allerlei genoegens en maakt hij geen enkele vriend. Het enige wat hij doet is dagelijks kilometers fietsen door het Hollandse landschap rond Maassluis, waarbij hij het zich zo moeilijk mogelijk maakt. Dezelfde verbeeldingskracht bezorgt hem halfbewuste gewaarwordingen die op een of andere manier iets te maken hebben met de betekenis van de Jacobsladder, dat 'middel tot gemeenschapsoefening met de hemel', zoals het in de Van Dale heet. Die emoties worden bijvoorbeeld opgewekt bij het zien van de toren van de grote kerk van Delft, een gevoel dat wellicht versterkt wordt door het feit dat hij daar met Hendrikje is. Of bij het zien van de fontein aan water die opspuit als er op het schip waarop hij zijn dienstplicht vervult met dieptebommen wordt geoefend.



Waaruit die 'hemel' waarnaar de toren en de fonteinen verwijzen bestaat, is de vraag. Is het de plaats waar men niet tobberig, maar vrolijk is? Is het de plaats waar hij zonder schuldgevoel kan zijn? Degene die weigert te tobben is zijn grootvader. Met hem praat hij 'als met een oudere broer'. 'Leer toch om alles te lachen, dat is de enige manier om een beetje dragelijk te leven,' krijgt hij van hem te horen. Zijn grootvader beweert ook dat er twee soorten mensen zijn: sombere en vrolijke. Somberheid is niet de zondige staat van de mens omdat er maar weinig 'uitverkoren' zijn, 'alles is slechts een kwestie van karakter'.



De Jacobsladder eindigt, als Adriaan eenentwintig jaar is met een 'aanslagslot'. Dat is een slot waarin alles anders blijkt te zijn dan de hoofdpersoon gedurende de roman heeft gedacht - zoals in De aanslag van Harry Mulisch. Op een van zijn fietstochten ontmoet Adriaan een meisje dat zich na veel omtrekkende bewegingen ontpopt als de Klaske uit zijn jeugd. In de psychiatrische inrichting waar ze werkt ontmoet hij de vader van Jan, wiens godsdienstig fanatisme hem boven het hoofd is gegroeid. Van hem hoort hij dat Jan indertijd helemaal niet verongelukt is, maar zelfmoord heeft gepleegd. Die onthulling doet een aanslag op tien jaar van zijn leven: 'Dan had ik de afgelopen tien jaar anders kunnen leven, dan had ik vrolijk kunnen zijn,' denkt hij. Als de Jacobsladder het symbool was voor de lange weg van het inlossen van schuld dan is dat voor niets geweest. 'Een mens weet zo weinig van zichzelf. En niets van anderen,' denkt Adriaan. Bovendien zegt hij tegen zijn grootvader: 'Ik begrijp niets van de wereld,' wat niet verwonderlijk is in een milieu waarin elk bijbelwoord op tien verschillende manieren gelezen kan worden.



Bij vlagen is 't Harts proza in De Jacobsladder weer heel soepel, maar ook staan er dialogen in, en worden er situaties geschapen die bedacht en gewrongen zijn. Het lukt mij niet me helemaal te verplaatsen in het dwangmatig tobberige bestaan van Adriaan, hoezeer 't Hart alles ook 'kloppend' heeft gemaakt. Verbazingwekkend is het gemak waarmee hij de taal van machinebankwerkers en van soldaten op een schip beheerst, alsof hij in beide branches stage heeft gelopen voor deze roman.



Schrijver: Hart, Maarten 't

Titel Jacobsladder, De: roman

Jaar van uitgave 1986

Bron NRC Handelsblad

Publicatiedatum 17-10-1986

Recensent Rudy Kousbroek

Recensietitel Meesterwerken : naverteld door een schooljongen



Soms, wanneer ik een roman heel mooi vind, herlees ik hem onmiddellijk: niet uit enige overweging van close reading, niet om ditmaal 'beter' te lezen, maar louter en alleen omdat ik geen afscheid kan nemen van de sfeer en de personages. Ik zie dan treurig de voorraad nog te lezen bladzijden slinken en tracht vertwijfeld vast te houden aan het gevoel dat het boek bij mij oproept.



Een roman waarmee mij dat kortgeleden overkwam is De Jacobsladder van Maarten 't Hart. Zal 't Hart op de duur een van onze grootste schrijvers blijken te zijn? Die status wordt hem, zo heb ik de indruk, vooralsnog onthouden: hij is het voorbeeld van een schrijver die weliswaar veel wordt gelezen, maar desondanks niet voor vol wordt aangezien. Ik heb lang niet alles wat er over hem geschreven wordt gelezen, maar ik denk dat ik de meeste recensies van zijn werk ook nog zou herkennen als zijn naam er in onleesbaar was gemaakt; de toon is merkwaardig dezelfde: welwillend, begunstigend, zoals van een onderwijzer over een middelmatig begaafde leerling die wel heel hard zijn best doet.



En als het eens omgekeerd was? Ik ben me er van bewust dat ik er zelf ook niet in slaag om aan die toon te ontsnappen; dat is trouwens wat me nieuwsgierig maakt en aanzet me er verder in te verdiepen: wat schort er dan toch aan de boeken van Maarten 't Hart? Niet het feit dat zij hoge oplagen bereiken: dat wordt in de literaire wereld (en bepaald niet alleen in Nederland) namelijk vaak uitgelegd als een bewijs dat een schrijver onmogelijk echt goed kan zijn. Die opvatting berust in de regel op een of meer van de volgende argumenten: 1. kwaliteit is zeldzaam; 2. de smaak van het grote publiek is berucht slecht; 3. genieën worden in hun eigen tijd niet herkend. Een successchrijver kan dat dan weer afdoen als de smoesjes van afgunstige collega's die de zon niet in het water kunnen zien schijnen en zo is er voor iedereen hoop. Maar er is op dat gebied geen gelijk: die argumenten zijn niet omkeerbaar en hoge oplagen bewijzen niets, noch te gunste, noch ten nadele. Het feit dat Maarten 't Hart niet is te vergelijken met Olaf J. de Landell moet aan andere criteria worden ontleend.



Er kan geloof ik geen verschil van mening bestaan over het terrein waarop de moeilijkheden liggen: het taalgebruik. Maar wat daarmee bij 't Hart loos is heb ik nooit ergens bevredigend omschreven gezien. Ik ken een paar mensen die bij het noemen van zijn naam een gekweld gezicht zetten en zeggen: 'nee, dat kan ik niet lezen, die man schrijft als een bakvis', of woorden van soortgelijke strekking. Zo'n purist ben ik blijkbaar niet - en gelukkig maar, want ik zou een paar aangrijpende boeken hebben gemist; maar ik zou liegen als ik beweerde niet te begrijpen waar zulke opmerkingen op sloegen. De formule: 'een prachtig verhaal, naverteld door een schooljongen' is meer dan eens bij mij opgekomen en met de essays is het al niet anders: als zoiets mocht en ik er de tijd voor had zou ik ze eigenlijk het liefst willen herschrijven.

Ik weet geen betere manier om duidelijk te maken hoe knap en stimulerend ik die essays vind en hoe ze me tegelijkertijd kregel kunnen maken door net-niet-rake formuleringen, de half afgemaakte gedachten, de non-sequiturs, de vergalopperingen als gevolg van haast of slordigheid, de gemakzuchtige clichés. Mijn vingers jeuken dan om aan het werk te gaan met een rood potlood. Niet uit hovaardij maar gewoon uit liefde voor het vak, uit verlangen er iets van te maken dat niet alleen belangwekkend maar ook gaaf en af is en daardoor beter tot zijn recht komt. Maarten 't Hart doet mij denken aan een uitvinder die de meest ingenieuze machines bedenkt, maar ze zo onzorgvuldig bouwt dat ze haperen en rammelen.



Muziek



Rammelen, dat is het woord. Het is raar om dat te zeggen over iemand die de muziek boven alles stelt, ('voor Le Nozze di Figaro van Mozart mogen ze van mij alle schilderijen ter wereld hebben'), de schrijver die na Vestdijk het meest over muziek heeft geschreven en die de beste pianist is onder alle mij bekende schrijvers, maar het is of het 't Hart ontbreekt aan muzikaal gevoel, of hij niet hoort wat hij schrijft, zoals iemand die zijn auto probeert te starten terwijl de motor al loopt.



Een voorbeeld: schrijvend over muziek beklaagt Maarten 't Hart zich over de naijver en de geringe verbale vermogens van de beroepsmusici - inderdaad een opvallend verschijnsel dat ik ook uit eigen ervaring ken.



"...rampzalig is het", schrijft hij, "om naar truttige, beuzelachtige praatjes van musici te luisteren; het is of zij juist niet begrijpen waarom het in de muziek gaat. Ze gaan met de toonkunst om zoals begrafenisondernemers met de dood. Ze dulden niet dat iemand er echt van houdt of er op een andere toon over schrijft dan de toon van iemand die met een vette knipoog een schuine mop vertelt. Zij, die zichzelf zien als 'beroeps' en met onbedaarlijke minachting spreken over het plebs dat zij met oneindige geringschatting krampachtig betitelen als 'amateurs', boeleren met de muziek. Zij verlangen naar luidruchtig applaus in plaats van naar de in stilte weggepinkte traan. Hoewel zij doorgaans ten enenmale het vermogen missen om ook maar één goede zin op papier te krijgen zullen zij uit nijd daarover elke 'amateur' die schrijven kan en iets van muziek weet het recht ontzeggen er ook maar één uitspraak over te doen. Zie maar wat Vestdijk is overkomen. Lomp, grof, boosaardig volk, de vele goeden niet te na gesproken..." Bij zo'n passage overvalt me een zeer speciaal gevoel dat vooral bestaat uit spijt ('wat jammer'), zoals wanneer het afweergeschut een van de eigen vliegtuigen heeft neergehaald. Spijt dat iets wat ik zo graag scherp en dodelijk geformuleerd had willen zien zo machteloos blijft en niet uitkomt boven het niveau van datgene waartegen het gericht is, terwijl het zo makkelijk beter had gekund. De overbodige herhalingen er uit: 'oneindige geringschatting' zo vlak na 'onbedaarlijke (sic) minachting' en dan nog eens 'krampachtig' er bovenop; idem met 'ten enenmale...ook maar één en dan nog eens 'ook maar één'; ervoor zorgen dat de beeldspraak beter klopt: uit wat er nu staat volgt formeel dat begrafenisondernemers niet dulden dat iemand echt van de dood houdt. Ook buitengewoon onhandig is de toevoeging als 'de vele goeden niet te na gesproken' - zoiets begrijpt een zinnig mens ook wel zonder dat het erbij wordt verteld; het lijkt nu of hij van zijn eigen woorden is geschrokken en die nu ongedaan wil maken. Verder houd ik niet van vlinderdaswoorden als 'truttig', 'toonkunst', 'boeleren', maar verreweg het verschrikkelijkste is wat mij betreft die 'in stilte weggepinkte traan'.



Hoe 't Hart zo'n ellendig cliché uit zijn pen krijgt is tot op zekere hoogte al een raadsel. Tot op zekere hoogte, want zoals James Thurber eens heeft bekend is wat in allereerste versie op papier komt soms zo beschamend dat je niet begrijpt hoe je het op hebt kunnen schrijven; maar dat zoiets na herlezing blijft staan, dat is wat ik niet kan begrijpen. Er is eigenlijk maar één bevredigende verklaring, die hoewel in tegenspraak met wat hij er zelf (1) over schrijft ook goed is te rijmen met zijn hoge produktie, en dat is dat 't Hart nooit iets overleest en niets ooit herschrijft - en dat zijn manuscripten ongelezen naar de drukker gaan. Dat is, de Arbeiderspers en haar merry men kennende, een vreemde veronderstelling; maar de gedachte dat die ze wèl zouden hebben gelezen is nog veel ongerijmder.



Het merkwaardige is dat die in stilte weggepinkte traan nu juist heel karakteristiek is voor de manier waarop musici zelf over muziek schrijven: het zou zo van Theo Olof kunnen zijn. In zulke gevallen tracht men dat te verklaren uit de geringe belezenheid en het volstrekte gebrek aan humor en zelfspot dat musici kenmerkt ('de vele goeden niet te na gesproken'). Wat er over dat laatste ook is te zeggen, er is in ieder geval één ding dat 't Hart onmogelijk kan worden aangewreven en dat is onbelezenheid. Daarvan getuigt de inhoud van zijn essays en kritieken en allerlei verdere geschriften. Maar wat er niet van getuigt is zijn manier van schrijven. Het is weer net als met die muzikaliteit - en misschien is het ook wel hetzelfde probleem in een andere gedaante: hoe te verklaren dat een zo uitgebreide kennis van de wereldliteratuur niet de minste invloed heeft gehad op 't Harts taalgebruik en stijlgevoel - zomin als trouwens het Oude Testament dat lijkt te hebben gedaan. Vooral met dat laatste heb ik moeite. Je leest een fragment als het eerder geciteerde: en dat zou geschreven moeten zijn door iemand die werd grootgebracht in de tale Kanaäns? Het lijkt veeleer afkomstig te zijn van zo'n slappe oecumenist waar 't Hart zelf zo het land aan zegt te hebben.



Welke versie van de Bijbel werd gebruikt in het milieu waarin 't Hart is opgegroeid? Daarover worden wij uitvoerig ingelicht in het boeiende (ondanks het taalgebruik) autobiografische werk Het roer kan nog zesmaal om. Hoewel bij de maaltijden werd gelezen uit de Kinderbijbel van Anne de Vries begon de jeugdige Maarten al gauw in de 'Grote Bijbel' en dat moet, te oordelen naar de intense afkeer waarmee vader 't Hart reageerde op de Nieuwe Vertaling, gevolgd door de berijming Haspers, de Nieuwe Liturgie en de Nieuwe Berijming, de Statenvertaling zijn geweest. Het Oude Testament moet er bij Maarten met gereformeerde grondigheid zijn ingestampt en hij laat zich in al zijn boeken, zowel essays als romans, ook voorstaan op zijn Bijbelkennis. Waar komt dan toch dat vormloze, onstevig, grote-jongens-met-blote-knieën-Hollands vandaan dat zijn werk soms bijna onleesbaar maakt?



Onliterair



Wat bij 't Hart ontbreekt is iedere vorm van raffinement - niet wat betreft de inhoud van zijn boeken: de constructie, de compositie van zijn romans is wel degelijk geraffineerd - maar op het niveau van de taal. Dat is voor een deel ongetwijfeld opzet: het is ondenkbaar dat iemand van die intelligentie en met die belezenheid voor honderd procent de gevangene zou zijn van zijn naïviteit; hij is met andere woorden ook bewust 'onliterair'.



Deze instelling is duidelijk verwant aan een levenshouding die 't Hart in vrijwel al zijn boeken beschrijft, toelicht en verdedigt, steeds weer opnieuw, zodat zelfs bij de meest argeloze lezer wel de gedachte moet opkomen aan verdringing: een fanatieke cultus van de eenzaamheid, het afwijzen van gezelschap, de weigering om lid te worden van enige club of vereniging, 'het toppunt van zwakte en lamlendigheid'; de telkens herhaalde verheerlijking van het 'moederziel alleen' fietsen of lopen, ergens. De versie daarvan die mij werkelijk kan aangrijpen en ontroeren is de winterse versie: 's morgens heel vroeg, schaatsend, alleen op het ijs; een mistige zonsopgang in een winterlandschap; eenzaamheid bij helder vriesweer. De zomerse variant wordt voor mij meestal bedorven door naar het lachwekkende neigende opsommingen van dieren - en (vooral) plantennamen - weer die kwestie van belezenheid en zelfspot: je zou denken dat iemand die de gepersifleerde en gefingeerde plantennamen van Thurber wel eens onder ogen heeft gehad het karikaturale van zulke opsommingen zou moeten aanvoelen en vrezen, maar ook De Jacobsladder bevat weer bladzijden vol fluitekruid en zuring en de hele verdere schoolflora, afgerateld zonder enige humor als een van buiten geleerde les.



Iemand die, zoals 't Hart telkens met grote nadruk over zichzelf vermeldt, altijd monter, vrolijk en opgewekt is komt niet gauw op de gedachte dat iets belachelijk kan zijn; een gevoel van humor is iets dat eerder wortelt in zwartgalligheid, in twijfel en vertwijfeling, het is de tegenpool van het permanente goede humeur waarin Maarten 't Hart naar zijn zeggen verkeert. Dat brengt mij weer terug bij zijn verheerlijking der eenzaamheid, die voor mij afkomstig is uit een andere wereld. Neem een passage als de volgende: "Dan waren er ook altijd jaargenoten die 's avonds eens langs wilden komen. Leiderdorp, ofschoon slechts een kwartier fietsen van Leiden, bleek voor velen gelukkig te ver. De enkeling die toch doorzette schrok zich al bijna dood van de inrichting van mijn kamer. Eén werktafel, één stoel, één bed, één boekenkast, één neonbuis, niets aan de muur, geen planten in het raamkozijn. 'Wat is het hier ongezellig', zeiden ze altijd. Hadden ze enige tijd op de enige stoel gezeten (ik nam plaats op het bed) dan drong het tot hen door dat de kamer onverwarmd was. Vooral in de eerste maanden van 1963, toen het van 2 januari tot half maart soms wel twintig graden vroor, kon het best koud zijn in mijn kamer. Niet dat ik daar ooit last van had; het 'koud' hebben is een subjectief gevoel. Men kan bovendien altijd een extra trui aantrekken. Maar ja, al die door en door verwende studenten begonnen al na enkele ogenblikken te rillen en te huiveren. En dat ik hen ook nooit een consumptie aanbood was doorslaggevend. De meesten waren al na een half uur verdwenen en kwamen nooit meer terug, op één vriend na, wiens volharding mij gaandeweg voor hem innam." (Het roer kan nog vijfmaal om, blz. 57).



Ach, hoe ik dat herken, Nederland zoals ik het zag in de eerste weken (maanden, jaren) na onze repatriëring: die zuinige Hollanders met hun barre koppen, kassar, communicerend in monosyllaben; dat coquetteren met bestand zijn tegen kou (het 'koud' hebben is een subjectief gevoel zei de boer en liet zijn hond doodvriezen), die zogenaamde gehardheid en die onverholen lust om alle 'verwende' mensen te straffen - de Romeinen in hun verwarmde villa's werden ook al 'zwak' en 'verwijfd' genoemd door de Batavieren, Kaninefaten en wat er in deze onherbergzame streken verder ronddraafde aan vrolijke, uit de schedels van hun overwonnen vijanden (ongetwijfeld in verenigingsverband) bierdrinkende barbaren. Mijn sympathie ligt bij de Romeinen. Die waren het ook die boeken lazen.



Wat ik in die onthullende passage herken is niet alleen Holland zoals (viel me bij het lezen in) ook de Indonesische studenten tussen de oorlogen het moeten hebben gezien, maar ook datgene waar ik moeite mee heb in 't Harts taalgebruik. Ik bedoel nu niet het taalgebruik in die passage, (dat kan er mee door) maar de inhoud ervan als datgene wat die manier van schrijven oproept; het harkerige van wat ik beschreef als bewust onliterair. Het equivalent van die kale kamer met het buislicht en het nooit aanbieden van een 'consumptie'. Het moedwillige, het weigeren van communicatie, want dat is het eigenlijk: een afwijzing.



Bevlogen



In Het roer kan nog vier maal om wordt met onverholen weerzin een literaire onderafdeling van een studentenvereniging beschreven, waarvan de leden 'weliswaar wekelijks boven enkele gedichten bevlogen bij elkaar zaten, maar nauwelijks iets gelezen hadden'.

Zou het ooit bij van 't Hart zijn opgekomen dat die studenten misschien, heel misschien, bevlogen zouden kunnen zijn van iets dat hij niet kon begrijpen - dat zij genoten van iets waar hij, ook al had hij duizend keer meer gelezen, geen notie en geen vermoeden van had; dat er op het gebied van de literatuur, die hij in zijn zak dacht te hebben, een dimensie zou kunnen bestaan die ontoegankelijk voor hem was? Ik vrees dat dat inderdaad niet bij hem opkwam: montere mensen hebben geen last van zulke vermoedens. En die ontoegankelijkheid, hoe zit het daarmee? Ik vrees alweer: niet anders. Er is inderdaad iets in al het prachtigs dat Maarten 't Hart moet hebben gelezen dat je in zijn werk niet terugvindt. Het is of hij alleen reageert op de inhoud van het geschrevene, of hij datgene wat verlokt en meesleept bij een schrijver, ondanks of soms zelfs in weerwil van de inhoud, niet telt - niet ziet, niet hoort. Vandaar misschien dat hij zo weinig op heeft met Multatuli, dat hij de polemieken van Du Perron (Ter Braak kan ik me nog voorstellen) afdoet als 'bleekzuchtig'. Heeft 't Hart ooit een periode gehad dat hij zo dweepte met een schrijver dat hij zelf ook zo ging schrijven als het bewonderde voorbeeld, omdat hij eenvoudig niet anders kon? Hoe komt het dat hij, bij een zo omvangrijke belezenheid, zo zelden verrast met een citaat? Als hij al citeert is dat meestal of iets heel bekends, of iets heel onbenulligs.



Nog intrigerender is de geschiedenis van 't Harts bekering tot autobiografische fictie, zoals die te lezen staat in Het roer kan nog driemaal om; "Biesheuvels succes had nog andere gevolgen. Altijd was ik van mening geweest dat men geen verhalen doch romans moest schrijven en dat men zich verre diende te houden van autobiografische fictie...Maar ziedaar, Bies schreef verhalen en ze waren, zo goed kende ik hem wel, verbluffend autobiografisch. En zo begon ik, gedreven door een even inspirerende als kleinzielige jaloezie, ook verhalen te schrijven over voorvallen uit mijn eigen leven." Hoe nu? Moest iemand die met zo'n uitgebreide kennis van de wereldliteratuur gemakkelijk de meest illustere voorbeelden kon kiezen van zowel schrijvers van korte verhalen als van autobiografische fictie wachten - met alle respect voor Biesheuvel - op inspiratie door een nationaal en eigenlijk niet specifiek literair voorbeeld? Dit blijft ook van kracht als men aanvaardt dat jaloezie, of de wens om anderen te overtreffen, voor een schrijver een reële drijfveer vormt. Bekendheid met grote buitenlandse voorbeelden geeft in die gevallen juist een grotere voorsprong, dat is in de Nederlandse literatuur geen onbekend verschijnsel. Wat deze geschiedenis opnieuw illustreert is dat 't Hart dan wel buitengewoon belezen was, en dat op een leeftijd waarop menig ander nog maar pas over de rand van het nest kijkt, maar dat hij er niet meer plezier van lijkt te hebben gehad dan een blinde van het naaktstrand.



Talent en milieu



Wat hier langzamerhand in zicht komt is de oude vraag naar de invloed van aanleg en milieu en de nog bekendere moeilijkheid om vast te stellen wat nu aanleg is en wat milieu. In hoeverre wordt een schrijver bevoordeeld of gehandicapt door de omgeving waarin hij opgroeit, en welke rol speelt zijn aangeboren talent in het te boven komen of profiteren van de omstandigheden? Hierover, maar dan met betrekking tot de muziek, bestaat een fascinerend autobiografisch opstel van Maarten 't Hart zelf; ik bedoel het hoofdstuk: 'Opent uwen mond' in Het roer kan nog tweemaal om.



Dat hoofdstuk heet zo omdat de eerste muziek die de vierjarige Maarten met één vinger op het harmonium leerde spelen de melodie was van 'Psalm 81, Opent uwen mond' (Vreemd: mijn Statenvertaling gepakt en Psalm 81 opgezocht, maar die woorden komen in die hele Psalm niet voor; er staat: 'Zingt vrolijk Gode, onze sterkte'. Maar ik ken slecht de weg in het gereformeerde Serail waarin 't Hart werd grootgebracht en waarover hij in dat zelfde boek, in het hoofdstuk: 'De Man Gods uit Juda', en nu weer in De Jacobsladder, zoveel lugubere bijzonderheden vertelt; dus misschien is er een eenvoudige verklaring).



Maarten blijkt muzikaal begaafd te zijn: "al spoedig waagde ik het erop met één vinger van de linkerhand een eenvoudige begeleiding toe te voegen... na een paar weken ontdekte ik dat het echter begon te klinken als ik, met een tweede vinger van de rechterhand nu eens een terts, dan weer een kwint lager greep..." Al spoedig speelt hij 'het gehele psalmvers zomaar uit het hoofd', en een oom die in tweedehands harmoniums handelt neemt hem vaak mee als hij ergens een instrument wil kopen; hij laat hem dan spelen, de verkoper is ontroerd en dat scheelt in de prijs.



"De verkopers zeiden altijd dat ik 'les' moest nemen, maar hoe zou dat ooit gekund hebben?" Er was thuis geen instrument en zijn vader vindt het overbodig: "Ik speelde de psalmen immers al, waartoe dan hoger gestreefd?" Later parkeert de handelende oom vaak een harmonium in huize 't Hart en de jeugdige Maarten leert zichzelf 'geheel op eigen kracht' Klavarskribo spelen.



Maar het blijft tegen de wind in behangen; de ouders geven niets om muziek, les is overbodig, niets dan tegenwerking. De geschiedenis is weer tegelijk boeiend en doortrokken van een aan het onmogelijke of karikaturale grenzende naïviteit: zo weet Maarten op zijn achtste jaar nog niet dat er ook andere muziek bestaat dan kinderliedjes, Sinterklaasliedjes en psalmen en gezangen; hoe is dat te rijmen met het feit dat hij zich op die leeftijd al à raison van vijf boeken per dag door de uitleenbibliotheek heenlas blijft onduidelijk; dat waren dus blijkbaar allemaal boeken waar geen enkele verwijzing naar andere muziek in voorkwam. En hoe voorkwam men, als men er in slaagde om te verhinderen dat er uit de radio ooit iets anders kwam dan kinderliedjes etc., dat de radio van de buren of achter een open raam op een van zijn vele eenzame zwerftochten hem uit de droom hielp? Een ander raadsel is dat Maarten zelfs op de HBS, waar hij 'eenmaal per week een uur muziek kreeg van mijnheer Ackema', en ondanks zijn enorme leeshonger en geregeld bibliotheekbezoek, er maar niet achter kan komen hoe het gewone notenschrift correspondeert met een klavier. Waarom vroeg hij 't niet aan mijnheer Ackema? Enfin, zo is er nog meer, maar tenslotte weet Maarten al deze handicaps te boven te komen. Hij is daar terecht heel trots op, maar er is meer: hij ziet het ook als de onvermijdelijke triomf van aanleg over milieu. "Nu", schrijft hij op blz. 82 van Het roer kan nog éénmaal om, "als het waar is wat de feministen ons wijs willen maken, namelijk dat datgene wat wij doen en nalaten gedaan en nagelaten wordt omdat we in onze jeugd al dan niet 'aangemoedigd' zijn, zou mijn liefde voor klassieke muziek geen lang leven hebben gehad. Niets is in het milieu waar ik ben opgegroeid stelselmatiger en met groter inzet van alle beschikbare krachten en middelen tegengewerkt en verdacht en belachelijk gemaakt als (sic - was er niemand meer wakker bij de Arbeiderspers?) het beluisteren van klassieke muziek. Mijn vader heeft er alles aan gedaan om het mij tegen te maken en mijn moeder begon soms zelfs te huilen als er klassieke muziek opklonk..." (Dat gebeurde dus blijkbaar toch wel eens: dan klonk het op).



"...Was ik 'aangemoedigd' dan zou ik misschien wel lang niet zo veel van muziek houden. Door aanmoediging is trouwens nog nooit iets tot stand gebracht, heeft nog nooit één kind iets gedaan of iets gekozen dat het anders niet gedaan of niet gekozen zou hebben. Juist tegenwerking, spot, weerstand, pesterij maken het mogelijk om de zelfgekozen koers hardnekkig vast te houden..."



Meisjeshuid



De reden dat ik dit zo uitvoerig citeer is dat Maarten 't Hart, net als iedereen trouwens, zijn talent de eer geeft als hij de omstandigheden heeft overwonnen, en de omstandigheden de schuld krijgen wanneer dat niet is gelukt. "Als er iets is dat ik diep betreur", schrijft hij op blz. 76, "dan is het wel dat ik als kind nooit les heb gehad en dat ik voor het bereiken van een behoorlijk spelpeil de beste jaren van mijn leven heb verknoeid met het spelen van psalmen uit het hoofd en Klavarskribo van blad, zodat mijn handen, zelfs als ze een meisjeshuid strelen, onmiddellijk in psalmenstand krom gaan liggen en ik, bij het pianospelen, blindelings kies voor foute vingerzettingen omdat die er met de melodieën bij woorden als 'opdat ik niet gerekend word met die in 't graf zijn neergestort' ingehamerd zijn. Al wat ik misschien had kunnen bereiken, zou ik als kind les hebben gehad, is in het graf neergestort dankzij de psalmen Davids..." Laten we het niet hebben over wat er allemaal 'in de psalmenstand krom kan gaan staan', maar het heeft er wel veel van of 't Hart dat verschijnsel niet ziet als een 'zelfgekozen koers' waaraan hij juist dankzij tegenwerking en weerstand 'hardnekkig vast heeft gehouden'. Integendeel, je zou haast zeggen dat hij denkt dat wat aanmoediging hier geen kwaad had gekund.



Waaraan dankt Maarten 't Hart nu zijn liefde voor klassieke muziek en hoe komt het dat hij het niet tot concertpianist heeft gebracht? Is het één te danken aan zijn aanleg en het andere te wijten aan de omstandigheden? Het is moeilijk hier niet te denken aan Karel van het Reve, die zich vrolijk maakte over de schutkleur van sommige dieren, die volgens de biologen diende om ze te verbergen voor hun natuurlijke vijanden, terwijl het witte staartje weer een andere functie had: dat diende om op een afstand herkenbaar te zijn voor de jongen. Ook Aldous Huxley hekelde al het feit, o.a. in Brave New World, dat de mensen hun eigen prestaties toeschrijven aan hun talent, dat zich tegen de verdrukking in een weg heeft weten te banen, terwijl dezelfde prestatie van een ander niet telt omdat die te danken is aan opvoeding en milieu.



Iets dergelijks spreekt uit het literaire werk van Maarten 't hart. Het maakt op mij soms de indruk of dat de sleutel is tot zijn speciale taalgebruik, of hij er mee wilde zeggen: ik ben maar een gewone jongen, die zich heeft opgewerkt uit een streng gereformeerd arbeidersmilieu. Daarom schrijf ik ongekunsteld, onbevangen, onliterair, want op die manier toon ik dat ik mijn talent van mijzelf heb. De behoefte om op die manier, op de voet bewonderd te worden blijkt ook uit allerlei andere details, die voortdurende nadruk op het feit het allemaal alleen te hebben gedaan, het zelf altijd alleen te hebben gerooid, gemaakt, geleerd, ontdekt; altijd voorlijk te zijn geweest, niet te zijn zoals die verwende anderen die er nooit iets voor hebben hoeven te doen, 100% talent en 0% milieu.



En tegelijk is duidelijk dat de evolutie in zijn stijl van barbaars naar gecultiveerd zich toch voltrekt, deels door een onvermijdelijke aanpassing aan de vereisten van zijn steeds dieper gravende romans, maar voor een deel ook door de invloed van omgeving en aangeleerde smaak. Hoe recenter het werk, hoe beter het is geschreven; De Jacobsladder is niet alleen een aangrijpend en prachtig verhaal, heel knap van compositie, maar het is ook grotendeels vrij van het taalgebruik waarmee ik me in dit artikel heb beziggehouden, en dan wordt een eigen toon hoorbaar, anders dan van enige schrijver in Nederland. Zowaar: muziek. Dan zal ik eindelijk verlost zijn van die vermoeiende behoefte om het werk van Maarten 't Hart te herschrijven. De koers staat dan vast: het roer kan niet meer om.



Maar ik voorzie wel één consequentie: die eeuwige vrolijkheid, dat altijd monter zijn, dat is Maarten 't Hart dan voorgoed kwijt - een offer van de natuur aan de cultuur.



Reactie Recensies



Recensie Vrij Nederland:



De recensent is positief over het boek, een gedachte die ik ook met hem deel. Onze meningen komen overeen met elkaar, en zeker in de laatste alinea vind ik iets van mezelf terug. De recensent kan zich moeilijk voorstellen hoe Adriaan zich al die ongelukken aantrok, dit is zeker te begrijpen want soms is het gewoon wat moeilijk om jezelf in die situatie in te leven, ook al is het objectief gezien wel een beetje begrijpelijk.



Recensie NRC Handelsblad:



Hij is niet duidelijk positief over het boek. Hij citeert veelvuldig dingen die hij dan een beetje afkraakt, iets wat voor iemand die het boek niet heeft gelezen dus meteen een afknapper zal zijn. Ik vind dat je niet zo dingen eruit moet pikken, je moet het lezen als een verhaal, en als het verhaal goed is vallen je zulke dingen meestal ook niet op.



Uitsmijter



Is dit boek een aanrader voor je medestudenten? Aan de ene kant wel, aan de andere kant niet. Het is maar net wat voor een lezer je bent. Ik vond de informatie die over de kerken bijvoorbeeld werd gegeven wel veel, maar toch wel interessant. Toch kan dit voor sommige mensen een afknapper zijn omdat ze het veel te langdradig vinden. Maar, als je geschiedenis leuk vindt, en een beetje van de geschiedenis van dit land wilt leren, wat vanuit een ik persoon wordt verteld, is dit boek toch zeker een aanrader. Voor het taalgebruik hoef je het boek ook niet te laten liggen, het boek is in een zeer makkelijk Nederlands geschreven.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen