![]() |
|
Boekverslag : Gerard Reve - De Vierde Man
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 5266 woorden. |
1e druk 1981. Voorschrift: Voor Perkin Walker. SamenvattingGerard vertelt aan zijn vriend Ronald dat hij jaren geleden een verhouding had "met een jonge weduwe van het vrouwelijke geslacht". Dan volgt in de hoofdstukken 2 tot en met 10 het verhaal van die verhouding en de verwikkelingen eromheen.De schrijver is uitgenodigt om in de Zuidnederlandse havenplaats V.(-lissingen?) een lezing te houden voor de plaatselijke notabelen. Hij gaat erheen met de trein en valt door het regelmatige ritme van de wielen in slaap. Hij droomt akelig van een lange gang waarin een kloppend geluid naderbij komt "zoals in een film de nadering van gevaar" wordt aangekondigd.De lezing verloopt goed, de schrijver meent zelfs dat hij heel geestig is geweest die avond. Na afloop heeft hij weinig zin om in een plaatselijk hotel te overnachten. Dat komt goed uit want de penningmeester van de vereniging die hem voor de lezing had gevraagd, nodigt hem uit bij haar te logeren. De penningmeester heet Christine en ze is een mooie, jonge en aantrekkelijke vrouw. Gerard raakt er opgewonden van, hoewel hij een homofiel is. Christine blijkt in een groot huis naast haar kapperszaak te wonen. Het idee dat ze misschien ook nog rijk was, wondt Gerard nog meer op. Ze gaan met elkaar naar bed en ondanks Gerards betrekkelijke ervaring op het gebied van de hetero-sexuele liefde, zijn Gerard en Christine zeer voldaan. 's Nachts heeft hij weer een nare droom, nu van een magere, zwarte man (de Dood) met een sleutel die zingt: "Tierelierelier....wie is nummer vier....?" De volgende ochtend ziet hij op het bureau van Christine een brief van een knappe jongen. Direct wordt hij op deze jongen verliefd. Deze Herman uit Düsseldorf móét en zál hij bezitten. Christine zal hem daarbij moeten helpen. Als Christine hem vraagt of hij het volgende weekend op, tegen betaling, op haar huis wil passen, zegt hij dat meteen toe, want op die manier meent hij met die mooie Herman in contact te kunnen komen. Het volgende weekend zal Christine naar Herman toe gaan, maar als Gerard bij haar is , aarzelt ze met het vertrekken. Ze is niet zo zeker van Herman. Hij is welliswaar al lang verliefd op haar maar hij drinkt veel (net als Gerard) en is in bed nogal snel en woest. Gerard went occulte (=geheime, verborgen) gaven voor om allerlei dingen van Herman te weten te komen (Het verhoor motief) en stelt voor dat ze Herman meeneemt naar huis oder het voorwendsel dat hij met zijn helderziende gaven wellicht van dienst kan zijn bij het bepalen van hun onderlinge verhouding. In werkelijkheid barst Gerard van verlangen om Herman in levenden lijve te aanschouwen. Als Christine zaterdagochtend is vertrokken, probeert Gerard te gaan schrijven, maar het grote, lege huis benauwt hem. Hij gaat een wandeling maken in de hoop de jongen te ontmoeten die hij de vorige dag in de Kamperfoeliestraat heeft gezien. Deze jongen komt hij niet tegen, maar voor de plaatselijke bioscoop pikt hij Laurens op, een lieve, blonde knaap die hij meeneemt naar het huis van Christine. In een klein logeerkamertje vrijen ze met elkaar waarna Laurens weer weg gaat. In het kamertje achter een stapelt kappersvakbladen vindt Gerard een rechthoekig kistje. Met een sleutel zoals hij die in zijn droom in handen van de Dood had gezien, maakte hij het kistje open. Hij vindt papieren, brieven en foto's van drie overleden minnaars van Christine. Alle drie vertonen grote gelijkenis met Gerard en alle drie waren ineens dood! Gerard vlucht in paniek terug naar zijn eigen huis in A., zich realiserend dat zijn dromen hem al gewaarschuwd hebben. Christine belt hem later op en vertelt dat ze Herman inderdaad heeft meegenomen. Ook vertelt ze dat Herman in V. een zwaar auto-ongeluk heeft gehad. Hij is tegen een schip gereden met de auto van Christine, hij is zwaar verminkt en mist één oog. Gerard herinnert zich, dat hij van dit ongeluk een visioen heeft gehad, toen hij voor Christine de helderziende speelde. Hij is de dans dus bijtijds ontsprongen. Weer later verneemt hij dat Christine met een Canadees is getrouwd, van wie ze ook al weer weduwe is. Dan is het verhaal uit en in hoofdtuk 11, het laatste, vraagt hij aan Ronald wat die ervan vindt. Alleen het versje dat de Dood zong is hem ontschoten!Het oordeel van Ronald komen we overigens niet te weten. Belangrijke passagesBlz.8: En toch: ik geloof niet, dat het de ongeloofwaardigheid van het gebeuren of het beschamende van mijn gedrag is, dat mij belet heeft over die episode zovele jaren het stilzwijgen te bewaren. Neen: er is iets geheimzinnigs - een even zinvol als angstaanjagend numinosum (?) - in het gebeuren, dat mij, in een bijna bijgelovige schroom, belet heeft het eerder aan het papier toe te vertrouwen. Blz.11: Ik dommelde in, en begon te dromen. Het ritmiese kloppen van de wielen veranderde, in mijn droom, in het geluid van een diepe gong die op een onheilspellende wijze iets aankondigde, zoals in een film de nadering van het gevaar of het onheil. Ik ging een trap op. Ik kwam in een lange gang, waarvan het einde zich in schemer verloor. Waar was ik? Een hotel, naar alle waarschijnlijkheid....Er was niemand te zien, maar het langzame, alarmerende kloppen zwol aan, en naderde....Ik moest maken dat ik wegkwam, maar waarheen?.... Blz.17: "Het zelfmoordpercentage is in hotels het hoogst", vertelde ik deskundig. "Wat blijft er over? In bed de Bijbel lezen? Ja, of je eigen liggen afrukken, natuurlijk." Blz.25: De idee dat ze misschien welgesteld was, wond mij op: ze was rijk, maar daarbij natuurlijk "zeer eenzaam": zo behoorde dat, en ze "hunkerde" dan ook naar liefde. Blz.27: "De maan is onze moeder", sprak ik met zachte nadruk, "dat kan toch iedereen zien?....Zij beschermt ons....Zij waakt over ons....". "Ja?....Zie je dat zo, Gerard?...."zeide Christine zacht. Ik dacht nu aan iets anders. Was er werkelijk niemand anders in het huis? Bestond er geen echtgenoot die op reis was, bijvoorbeeld? Dan was het niet fraai, wat ik in de zin had, want ik keurde het niet goed - toen net zo min als nu - omwille van een even kortstondig als zondig zingenot iemands geluk te vernielen. Blz.28: "Ik vind je erg lief"....sprak ik zacht. Blz.29: De dwanggedachten aangaande een pijniging van haar weerloze lichaam lieten zich niet geheel het zwijgen opleggen, maar daarbij liet ook de rede zich horen: Christine was heel wat meer dan een domme slet of een lichamelijke automaat: ze kon "echte warmte schenken", hield ik mijzelf plechtig voor, jawel. Blz.30-31: Een kosmies noodlot? Neen, maar toch waren wij beiden nauwelijks door eigen wil en wel degelijk door een beschikking waarover wij geen zeggenschap hadden, tot elkaar gevoerd. Ik gevoelde mij sentimenteel worden. "Ik dacht....", sprak ik, en wachtte even. "Zullen we vannacht maar bij elkaar slapen?" Blz.34: "Je bent wèl mooi", sprak ik op een van vertedering bijna verwijtende toon. "Je hebt....alles....Je hebt ook wel iets van....van - "Ik aarzelde opeens. "Ook iets van wat....?" wilde Christine nieuwsgierig weten. Nu ja, al die omzichtigheid...."Je hebt ook iets van een hele mooie jongen...." deelde ik haar mede. Het was mij ontsnapt, en er was zelfs iets van waar.... Blz.35: Het kon in de wereld vreemd toegaan. Ik was anders dan anderen, maar zelfs binnen dat anders zijn was ik anders. Want hoewel mijn geaardheid mijn liefdesverlangen en werelijke begeerte zich uitsluitend tot een jongen of een man deed richten, koesterde ik jegens vrouwen geenzins - zoals dat helaas bij vele van mijn "gevoelsgenoten" wèl het geval was - gevoelens van verachting, haat of angst. Blz.36: En aldus, zo lief en zo mooi als zij mocht zijn, was het mij niet gegeven haar werkelijk te kunnen begeren of verliefd op haar te geraken. Ik gevoelde dit als een smartelijk onrecht dat ik, zonder dat ik zulks wilde of goedkeurde, haar in gehoorzaamheid aan een duister lot moest aandoen. Het lot, jawel; of, met een ander woord: God. Was het onrecht uit God? Dat wil zeggen: kwam het onrecht rechtstreeks, en in overeenstemming met Zijn eigen goddelijke en vrije Wil, uit Hem voort? Het was zondig, zulk een vraag toe te laten, maar je kon er niet altijd omheen. Blz.38: Met alle moed die ik kon vergaren, durfde ik achter mij te kijken....Een gestalte was boven aan de trap verschenen, en in die gestalte was dat geluid, dat kloppen....Ik stond verlamd van angst. De gestalte schreed door de gang in mijn richting, en opeens hield het kloppen op. De gedaante hield op enkele passen van mij stil. En nu zag ik, terwijl ik herademde, dat er eigenlijk niets schrikwekkends aan de gestalte was: het was een broodmagere, oude man in een gitzwart, net kostuum en een keurig wit overhemd....De gérant van het hotel?....De man diepte iets op uit zijn kolbertzak, iets als een staafje of buisje dat hij nu, misschien onopzettelijk, op mij richtte....Ik keek opeens bijna recht in de holte van dat buisje, als in....een loop....de loop van....? Blz.41: Ik schoof over de ondiepe afscheiding tussen de beide bedhelften heen en rukte het dek van Christine haar naakte lichaam....Als ze mij nù afwees, mij nù de toegang weigerde, dan....zoude dat haar dood betekenen....: dan was het bewijs geleverd, dat zij in tovertrance lag, en een heks was....dan zouden mijn vingers, mijn duimen, zich om haar keel sluiten.... Blz.44: "Eigenlijk wil ik alleen jou, schat. Ik zou zó weer aan kunnen vallen, weet je dat?...." Blz.47: Als het Christine haar bedoeling was geweest dat ik mij op dit moment blijvend bij haar vestigde en mij van nu af aan in haar holletje installeerde, dan was ze niet nu reeds met die overhemden te voorschijn gekomen, waar of niet?....Wie weet, zat ik hier heel goed, maar niet als ik nu, meteen, bleef plakken.... Blz.48: Een natuurkind, zij, gewoon een warm, ademend dier, hoe heet het, niets dan warmte en bloed....Een moeder die tien jaar jonger was dan ik, en met wie ik het gratis mocht doen....Ik wist helemaal niet wat Christine deed en hoe ze aan de kost kwam, maar het zat goed, helemaal goed.... Blz.53: Het plaatsnemen in de kapstoel, en het mij nu toevertrouwen aan Christine haar vakkundige handelingen, bracht een dromerige opwinding bij mij teweeg. In zedeloze fotoblaadjes, die het natuurlijke schaamtegevoel en de huwelijksmoraal ondermijnden en die toen - maar toen waren heel wat dingen beterdan thans - nog door de polietsie in beslag werden genomen, werden de meest ongehoorde handelingen in kapstoelen afgebeeld, waarbij een kapster een fantasieloze handelsreiziger in het kruis ontblootte en op niet nader te beschrijven wijze diens lust bevredigde. Ja, lust gevoelde ik nu ook, maar, en niet slechts door de gedachte aan de onsmakelijke boekjes - die pure godslastering waren omdat ze de schepping van de mens naar Gods gelijkenis loochenden - bij die lust ook een besef van het leugenachtige van alles wat ik deed. Ik speelde de stoere man die voor de grap tussen de dames in een kapslon ging zitten, maar het was geen grap en geen spel: zich door vrouwen laten verwennen en als een jongetje gekapt, gestreeld, gewassen en aangekleed te worden en het zoete, eindeloze vrouwengeklap over niets aan te horen en als nektar te drinken - dat was de geheime waarheid van mijn verlangen, zoals ik ook heimelijk hoopte dat Christine mijn lippen mooi donkerrood zoude aanzetten en mij ogen fraai zoude beschaduwen en mijn haar in een teder pony model zoude knippen, waar het helaas niet sluik genoeg voor was....Ja, daarna zoude ik weder de man spelen, en haar over de knie leggen omdat zij gepoogd had mij als man te onttronen en te vernederen. Blz.59: "Een armme dichter mee naar huis nemen en boven op je te trekken, voor tijdverdrijf, om je lust te dienen", mompelde ik bij mijzelf, "meer is het toch niet?...." Moest ik nu de wanhopige aanbidder gaan spelen, of het onverzadigbare, brute dier dat man heette? Opgewonden was ik wel, mede door de dwingende suggestie die van onze opgeslotenheid in het kleine, onpersoonlijke, afgelegen vertrekje uitging, en ruggemergsap had ik nog voldoende in voorraad. Als ik haar nu greep....haar tegen het buro duwde....haar fraaie geplisseerde rokje van haar, haar....zeg het maar....naar beneden trok en haar dan "nam", zo heette dat toch?....Zoude ze schreeuwen of schandaal maken?....Neen, denkelijk niet, zo vlak aan de straat....en ze was niet zo gauw van haar stuk te brengen: ze wist van wanten.... Hoeveel mannen of jongens zoals ik had ze gehad, voor niks en alsof het vanzelf sprak?...Als ik maar iets wist van haar, maar ik wist niets, absoluut niets....alsof ze niet eens een naam had....Ja, Onderdijk of zulk een soort naam had ik gemeend haar door de telefoon te horen zeggen, jawel: onder aan de dijk in de struiken het met alle jongens doen, op zwoele zomeravonden, die slet.... Blz.61: Al mijn gedachten aan en over Christine zelf waren verdwenen of op zijn minst futiel (nietig) geworden. Die jongen....zijn gezicht....zijn kleren....:alles was in deze enkele sekonden als in een donkere kamer voor altijd in mijn hart afgedrukt, als het ware het geëtst....Hoe iemand in zijn vrije tijd tot zulke gedachten kon komen, bleef onverklaarbaar, maar het was wèl zo: het was, alsof die foto eeuwig was, en altijd bestaan had, net als de jongen zelf....Hoe kon iemand zoiets denken?....Deze jongen was mijn leven, of mijn dood, wat hetzelfde was.... Blz.63: "Hoor eens, zijn naam en adres, en gauw, het is een zaak van leven en dood.... Nee, niet wat jij denkt, ik doe die jongen geen kwaad. Leven of dood, ja....maar niet van hem: joúw leven of jouw dood, schatje, als je mij zijn naam en adres wel of niet geeft, zie je...." Ze zoude denken dat ik jaloers op hem was, allicht....Jaloers? Misschien, ja, maar niet op hem, dacht je dat Blz.65: "Ik wou dat ik bij je kon blijven, konijntje", fluisterde ik. "Maar ik kom terug. Volgend weekeinde? Is dat goed, schat?...."Het wond mij op, op een toon van smeking te bezigen, en afhankelijk en onderwerping voor het te wenden....voor het doel, het grote doel....het heilige doel....Nooit in de wereldgeschiedenis was een aanbidder zo volhardend en onstuimig geweest als ik bij haar....Ik kwam terug, hier....o ja.... Blz.70: (Men heeft wel beweerd, dat ik een losbandig mens zoude zijn, en de "vrije" sexualiteit zoude prediken - alsod zoiets werkelijk zoude bestaan - maar ik heb altijd beseft, zoals ik het ook getuigd heb, dat de sexuele daad zondig is wanneer men niet bereid is aan de ander zijn liefde en vriendschap te wijden. Maar dit terzijde, en : niet tobben.) Blz.84: (Ik moet hierbij zeggen dat ik toen nog niet, zoals nu, inzag dat onbeholpen of in clichétermen verwoorde gevoelens desondanks best echt en diep kunnen zijn.) Blz.87: Ik hoopte nu op het ontstaan, tussen ons, van een eventegennatuurlijke als "hoogstaande" vertrouwelijkheid, waarbij ik de nobele minnaar zoude spelen, die geheel belangeloos, uitsluitend het geluk, en niets anders, van zijn geliefde voor ogen had. Blz.95: Ik schoof duizelend van verrukking, mijn deel in haar liefdesgrot naar binnen, die zíjn angel, zíjn liefdesdolk ontvangen en gediend had....Ja, door haar en in haar, tot hèm...."Door Maria tot Jesus..." dacht ik vol vervloering. Blz.99: Ik dacht niet dat ik in dit kamertje zoude kunnen slapen of mijn solospel der liefde "hem overeind" zoude kunnen krijgen als ik die lul zijn domme smoel op het kastje liet staan: neen, die duwde ik wel een lade in....Hij was dood, maar ik nog lang niet, bedacht ik, zonder dat het mij duidelijk was waarom ik zulk een aggresieve afkeer jegens de onschuldige overledene koesterde. Blz.100: Iedereen moest dood, Christine in de eerste plaats, en ik ook, maar vooral die geweldige "Herman", die het bij Christine "veel te vlug" deed, maar op wie ik, hoe verzon ik het, nog zo idioot was geweest geil te worden, en voor wie ik me als een portier of een butler in een zijkamertje weg liet stoppen....Hoe was het mogelijk....Zijn strot afknijpen, of zijn kop middendoor klieven, met een bijl, dat moest ik, inplaats van mij morgenavond, hoe heet het, zeg maar gewoon af te liggen rukken terwijl ik naar de geluiden van hun beider domme gekrik en bandenplakkerij luisterde....Flikker of niet, maar daarom kon je toch nog wel een man zijn?.... Blz.103: Elk belangrijk gegeven in het leven was volgens mij een vierkant, althans een driehoek, of althans viervoudig. Wie zaten er in de vier hoeken? In de ene hoek: Christine. In de andere: ik. In de derde hoek: Herman. Maar wie of wat zat er in de vierde hoek? Niemand....Zie je, en daarom klopt er niets van....In het midden van het Vierkant zat de Dood, allicht, maar die zat altijd in het midden, van ieder vierkant, dat was niets bijzonders. Maar wat was een vierkant met éém lege hoek? Onzin.... Blz.106: Ja, intussen lag daar ook nog, vlak vóór mij, de foto van "Mijn" Herman. Ik nam haar op en betuurde haar. Hoe het kwam zoude niemand kunnen uitleggen, maar hij was, net als op het eerste ogenblik dat ik zijn beeltenis aanschouwd had, alles....het leven zelf....leven en dood.... Blz.114: Jawel hoor, het gelukte, en alles zoude verder als een trein lopen, maar, zoals iedere vertegenwoordiger van het geslacht der mensen het zich onmiddelijk als iets gelukt is afvraagt, zo ook vroeg ik mij nu af: wàt was er eindelijk gelulkt, tegenover de zekerheids Doods met hoogstens "de onzekerheid van de ure van dien", en wat stelde het gelukte ooit voor, op de drempel van de oneindige en ondoorgrondelijke nacht? Blz.116: "....Volgen....Hoe bedoel je...." "Hem volgen. Die van Zichzelf gezegd heeft. Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven" sprak ik nuchter, alsof het een overschrijving van een belegging betrof. "Die ken ik niet." "Wie Hem kent moet van hem houden." Blz.122: Een nichtenhand was gauw gevuld....Maar als alle mensen nog ergens echt plezier in hadden, wat was daar dan tegen?.... Waarom waren niet allen flikkers zoasl hij, inplaats van almaar man te willen spelen?....Nu ja, dat zoude meteen broodroof voor de psychiaters betekenen.... Blz.128: ....Deze sleutel....was dat niet de sleutel die de man in het hotel, die enge magere man in die droom, de eerste nacht dat ik hier in huis sliep, in zijn hand gehouden en op mij gericht had....ja, met het holle einde naar mij toe, dat op de loop van een vuurwapen had geleken?....Ja, toch?....En....dit kistje....het deksel ervan....dat was toch precies, in het klein, die deur, die die kerel, in de droom op een kier open had edaan: de deur van die kamer....op die donkere gang? Blz.136: Intussen beefde ik aardig, terwijl ik, als iemand die voor het eerst van zijn leven een lijk aflegt, dit gehele archief van de dood met pijnlijke preciesie in dezelfde orde ging terugbrengen als waarin ik het gevonden had....Jawel, daar kiepte ik ook nog mijn drankje om....Dat was het ergste niet....Maar nu alles in het kistje terug, alles....Zij in hun kist, of kistje, en ik de deur uit, weg uit dit gezellige huis....Neen, ik was niet bijgelovig, maar ze was me toch te veel een groot- verbruikster....Of toch....een heks?....Zoude ze die twee laatste, die geheel onverwachts en die plotseling tot onze grote droefheid....zoude ze die voor het gemak niet vergiftigd hebben? ....Of betoverd....Of met fijn gestampt glas door hun eten - Blz.136: Maar moest ik niet een briefje achterlaten?....Waarom? Ja, toch....ik moest een nietszeggend, geen enkele verdenking wekkend episteltje laten liggen, anders vloog ze me misschien achterna, op een bezemsteel.... Blz.142: Maar....eh....hij was dus één oog kwijt?.... Blz.143: "En die kerel in die droom, op de gang, die knipoogde toch ook?...In dat hotel....?" "Dus je vindt het wel een verhaal?" "Nou....als je het goed vertelt, met alles er op en er aan....dan....dan zie je toch dat het met elkaar te maken heeft:....die droom....die sleutel....die doos...." Blz.146: "Die dood van pierela, die magere hein, in dat zwarte pak op de gang....Wis en zeker zingt die iets....Hij zong ìets, dat herinner ik me heel goed....En ik weet heel zeker, dat in de droom, dat ik het toen verstond....Het waren woorden, heel duidelijk....Maar al sla je me dood....Het was een soort treiterend liedje....een kinderversje....iets dergelijks....een rijmpje....iets héél onbenuuligs....Misschien dat ik het daarom niet onthouden heb....ik ben het kwijt" Karakter hoofdperso(o)n(en), karakterontwikkeling.Zoals in het meeste werk van Reve, is hij zelf de hoofdfiguur. De andere personages zijn niet meer dan schimmen die een ondergeschikte funktie hebben in dit verhaal. De ik-figuur, Gerard, is auteur en homofiel die zich aanvankelijk aangetrokken voelt tot Christine. Maar al gauw komt zijn voorkeur voor mannelijke liefdespartners naar boven. Hij heeft veel en veelal wrede fatasieën, door hem zelf "Revisties" denken genoemd. Daarbij is hij alcoholist.
Stroming, karakteristiek voor die tijd?Hij is een romantisch-decadent schrijver.Romantisch;
Decadent; Innerlijk raakt in verval, overdreven verfijning zonder innerlijke kracht. vb: doelgericht bezig je rijk op te bouwen, bent nu aan de top, dan zakt het weer af. Dit blijkt uit;
Opvattingen / WereldbeeldZie citaten blz.27 en blz.70 en blz.80.OpbouwHet is een raamvertelling. de schrijver, staande aan het raam (!) vertelt in enkele uren tijd aan zijn Indische vriend Ronald hetgeen hem in de jaren 60 is overkomen. Het verhaal duurt 8 dagen. Van vrijdagavond tot zaterdagmiddag een week later. Vrijdagen en zaterdagen uitvoerig beschreven. Vrijwel uitsluitend in de verleden tijd. Het speelt zich af in V. in het 19e eeuws huis van Christine. Bijouterie "Sphinx" en kapsalon "Modern", bij elkaar moderne sphinx ! (femme fatale!).ThemaThema: "De angst voor de onafwendbare dood"MotievenZwarte humor, met de dood te maken.
TitelverklaringChristine, de jeugdige weduwe bij wie Gerard in huis is, blijkt drie minnaars te hebben gehad die alle drie vroegtijdig zijn gestorven. Omdat ze allemaal op hem lijken vreest hij de vierde man te zijn die abrupt aan zijn einde zal komen en verlaat hals-over-kop het huis van zijn gastvrouw. Later blijkt een ander, een Canadees de vierde man te zijn nadat Herman een vriend van Christine niet gestorven is maar alleen maar gewond. |
|
Andere boeken van deze auteur: |
Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen |