U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Jean Ure - Plague 99.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/5786 en is laatst upgedate op 12/08/2001.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 5537 woorden.

-Korte inhoud

Frances Latimer kwam met een schok terug in de bewoonde wereld. Ze was op een overlevingskamp vier weken lang volstrekt afgezonderd geweest van de rest van de mensheid. Geen kranten, geen tv, geen radio, geen post. Helemaal geïsoleerd. Nu stond ze stil op het pad naar huis. Een versperring van prikkeldraad sloot de weg af. Ze keek er verontwaardigd naar. Ze konden toch niet zomaar het pad afsluiten! Het was de openbare weg! Dit was onwettig… Achter Fran klonk een gedempt stemmetje, de stem van een kind. Het zei: ‘Je kan er niet door. Dat is verboden.’

Fran draaide zich met een ruk om. Twee kinderen, een jongen en een meisje, waren haar stilletjes gevolgd en stonden nu vanachter een masker plechtig naar haar te kijken. Zeker doktertje aan het spelen, dacht Fran toen. Helaas… De twee kinderen vertelden haar om beurten het afschuwelijke relaas van de voorbije weken: Tijdens Frans afwezigheid was in Londen en andere grote steden een onbekende ziekte uitgebroken en de soldaten hadden veiligheidshalve de toegang tot de grootste besmettingshaarden afgesloten. Wie erin wou werd zonder pardon doodgeschoten.

Frans hoop werd de grond ingeboord. Ze draaide zich om en liep naar de versperring toe. Het waren maar een paar honderd meter, meer niet, die haar scheidden van pappa en mam. Maar zo onbereikbaar, ze wou, ze moest…

Iemand plukte aan haar mouw. Het was het jongetje. ‘Ik weet wel hoe je d’r in kan komen. In dat huis daar.’ Hij wees. ‘Je kan het trappetje af en dan aan de andere kant d’r weer uit.’ Voor het jongetje verder kon praten, verscheen er een vrouw. Ze greep de kinderen bij de hand en duwde hen gauw een huis binnen. De blik die ze Fran toewierp was er een van haat. Haat en… doodsangst. Pas toen de vrouw en de kinderen uit het gezicht waren verdwenen, besefte Fran dat de vrouw moest hebben gedacht dat ze van daarginder was gekomen…

Fran vervolgde haar weg zoals het jongetje beschreven had. De kelder was griezelig geweest, maar nu stond ze weer in de zonneschijn aan de andere kant van de versperring. Alles zag er zo normaal uit! Wie weet had het kind gewoon een spelletje met haar gespeeld. Met wat nieuwe moed ging ze door, maar hoe dichter ze bij huis kwam, hoe beangstigender het werd. Er was niemand. De straat was verlaten. Niemand werkte in de tuin of stond de auto te wassen. Er speelden geen kinderen in het plantsoentje aan het eind van de straat. Maar het was de afwezigheid van geluid die haar nog harder aangreep dan de afwezigheid van mensen. Mensen konden tenslotte ook nog binnen zitten. Maar geen radio, geen televisie, geen verkeer…

‘Mammie, o, mammie!’ Fran stootte het hekje open, struikelde het pad op en liet zich tegen de voordeur vallen. ‘Mam!’ riep ze. ‘Mammie, laat me erin!’ Op haar wanhopig gebons kwam geen antwoord. Het huis leek verlaten. Misschien… misschien waren ze gewoon in de achtertuin en hadden ze haar niet gehoord. ‘Mam?’ Ook de achtertuin was verlaten. Ze zag, zonder dat het werkelijk tot haar doordrong, dat pappa’s dierbare bloemperken er verdroogd en onverzorgd bij lagen. Fran wierp zich tegen de keukendeur en rammelde aan de knop, maar de deur was op slot. Er was een reservesleutel aan het haakje…

Haar hand beefde zodat ze de sleutel bijna niet in het slot kreeg. De keuken zag eruit als altijd, netjes opgeruimd, schoon en geschrobd. Er was maar één ding dat er niet thuishoorde en dat was een pot marmelade die midden op de keukentafel stond. Hij had ten doel een paar velletjes schrijfpapier op hun plaats te houden. Een brief… Het was haar moeders handschrift:



Mijn allerliefste Fran...

Ik weet niet of je ooit terug zult komen en dit zult lezen,

maar ik schrijf dit toch voor jou, voor het geval dat. Ik zouhet vreselijk vinden heen te gaan zonder jou waarwel te

hebben gezegd. Pappa is gisteren gestorven... p.44




Fran ging zitten terwijl de tranen over haar wangen stroomden. Ze keek naar de datum bovenaan de brief. Woensdag 11 augustus. Meer dan twee weken geleden. Wat zou zij toen aan het doen zijn? Brandhout zoeken, terwijl mam hier zo zat te schrijven…

Fran depte haar ogen met haar sweater en stond op. Ze moest doorgaan. Mam wou het. In een plotse opwelling stormde ze naar boven. Mam en pap waren in de slaapkamer, nou ja, ze moesten het zijn want ze hadden hun kleren aan. Verder waren ze onherkenbaar, zwart…

Fran kokhalsde en rende naar de telefoon. Zouden er nog meer mensen leven? Willekeurig begon ze nummers te draaien. Nergens werd er opgenomen, behalve ergens een kleuter die om zijn mama huilde. Verslagen draaide Fran het nummer van haar beste vriendin, Harriet Somers. De telefoon bleef maar overgaan tot het ophield. Iemand had aan de andere kant de hoorn opgelicht. Fran huilde van opluchting. Harry leefde nog! Maar hoe? Harriette was volledig verward en had in geen tijden nog iets te eten gezien. Haar ouders waren eveneens dood maar Harry scheen zich niets meer te kunnen herinneren. Vrolijk snaterend hing ze aan de telefoon, vertellend over de nieuwe collectie kleren die was toegekomen voor de kledingszaak van haar ouders. Fran moest naar haar toekomen om die collectie te bewonderen! Ongerust over de toestand van haar vriendin hing Fran op. Was het mogelijk dat Harry, die vroeger al gekke Jetje werd genoemd, door deze ramp haar geheugen was kwijtgeraakt? Toen Fran bij Harry thuis stond, werden haar vermoedens bevestigd. Het meisje was inderdaad compleet krankzinnig. Ze was gekleed als voor een feestje in een Victoriaanse jurk, met een hoepelrok en ruisende witte onderrok die eronderuit kwam als een roesje langs de rand. Zwierig walste ze rond Fran en vroeg haar de oren van het hoofd over het zomerkamp. Fran stond er wat onwennig bij en probeerde Harry te overreden zich normaal te gedragen of op zijn minst andere kleren aan te trekken. Harry moest hiervan niet weten en ging pruilend voor de televisie zitten, die toen alleen nog maar heruitzendingen van kaskrakers te bieden had, terwijl Fran in de keuken op zoek ging naar iets eetbaars. Naast een blikje rijst bleek de provisiekast zo goed als leeg te zijn.

Die nacht sliepen ze in de kelder. Harry had alle dekens die ze kon vinden bijeengebracht zodat het wel een nest leek. In normale omstandigheden zouden de meisjes tot in de vroege uurtjes hebben gebabbeld maar nu was het stil, en na een tijdje viel Harry in slaap zodat Fran alleen achterbleef. Onder haar dekens voelde ze iets hards; het dagboek van haar vriendin… Ze keek eens naar Harry, zag dat deze diep in slaap was en opende het boekje. Met een beklemmend gevoel begon ze te lezen. Het verhaal startte met het uitbreken van de epidemie, alle angsten die Harry had moeten doorstaan en het verdriet bij de dood van haar moeder. Daar hield het dagboek op. Harriettes laatste woorden waren een citaat van Shakespeare:

“De stralende dag is heen; ons wacht het duister.”

Langzaam legde Fran het boek terug in zijn bergplaats onder de dekens; ze begreep ineens veel meer van het absurde gedrag van haar vriendin; ze besefte plots dat het niet alleen haar ouders betrof maar miljoenen mensen, miljoenen kinderen die alleen overbleven. Ze dacht aan het kleutertje aan de telefoon, zo eenzaam. Hoe zouden zij zich redden? Fran piekerde de hele nacht door over wat haar te doen stond en besloot Harry mee te nemen naar haar huis, waar er vast nog wel eten was. Maar met iemand als Harriet was alles gemakkelijker gezegd dan gedaan. Harry weigerde die dag weer eens te eten en ze wou niets anders aan dan de Victoriaanse jurk. Fran liet haar maar bekoelen en ging op zoek naar een nieuwsuitzending op de televisie. Een onbekende nieuwslezer vertelde dat naast Londen nog 8 andere grootsteden definitief zijn afgesloten, dat de ziekte kon vermeden worden als men maar uit de buurt van besmet materiaal bleef, het leidingwater kookte, zijn masker aanhield, niet buitenshuis kwam,… Verder meldde de regering dat er geen reden was tot paniek.

Fran zakte op de grond. ‘Waar was die regering nou? Waarom deden ze niets? Als…

Nee, niet verder denken, ga Harry halen en ga naar huis.’

Deze keer wou Harry wel weg, zij het dan in haar gekke jurk en met een vleesmes in haar handen. In de eerste straat kwamen ze geen levende ziel tegen, maar toen ze over de heuvel wilden, hoorden ze geritsel. Ratten? Harriette bleef stokstijf staan en toen er boven een muurtje 2 fonkelende oogjes verschenen, trok ze haar mes. Het enige wat Fran nog zag was het blikkeren van metaal. Ze gilde. Het mes viel op de grond. Iemand had Harry bij de arm genomen en haar gewelddadige reactie op een paar magere straatkinderen verhinderd. Die iemand was Shahid Khan, een jongen van hun school die een paar jaar hoger zat dan zij. Shahids vader was de dag voordien aan de Londense Koorts gestorven en ook hij stond er nu alleen voor. Fran, die het vreselijk vond om de hele tijd achter gekke Harry aan te zeulen, bood Shahid dankbaar aan om mee te gaan naar haar huis. Na enige aarzeling zei hij dat hij zelf onderweg was naar zijn broer in Barnet. Als ze wilden mochten ze wel meegaan. Zijn broer had voor de ramp immers een groothandel in voedsel gehad, en kon best wat missen. Het enig probleem was om Harry te overtuigen. Nu ze bijna bij Frans huis waren was Harry immers gaan lopen om als eerste aan te komen en het leek er niet op dat ze zich van dat idee zou laten afbrengen. Fran en Shahid gingen haar daarom maar achterna en troffen Harry ten slotte vrolijk draaiend met haar hoepelrok aan in de tuin. De drie tieners, die vanaf dan op elkaar waren aangewezen, verbleven nog een dag in Frans huis en togen toen met hernieuwde moed op weg naar Barnet. De duur van de tocht werd voorzien op 2 dagen…

De eerst halve dag schoten ze goed op maar naarmate het later werd begon Harry te zeuren. Ze besloten ergens te rusten en te kijken of er bij de plaatselijke fietsenwinkel niets meer te vinden was; een gedachte die blijkbaar al bij veel mensen

was opgekomen daar er maar één exemplaar meer stond. Een fiets met een verwrongen stuurvork, wat nu niet bepaald een handig vervoermiddel is.

Als onderkomen voor de nacht zocht het trio een boekhandel uit, waar Shahid handig een kraak neerzette. Fran kon zich nog steeds niet met het idee verzoenen dat iedereen dood was en dat alle overtredingen van de wet nu toegelaten zijn,want, wie zou immers de wet controleren?

‘s Avonds werd Shahid ziek. Algauw bleek dat hij de ongeneeslijke Londense Koorts had opgelopen. Hij was niet meer in staat een zinnig woord uit te brengen en lag als verlamd op de grond. Om de zoveel tijd kwam er een stroom zwart, stinkend braaksel uit zijn mond. Harry opperde harteloos Shahid achter te laten, maar Fran kon dit niet over haar hart krijgen. Zij was vastbesloten Shahid te blijven bijstaan tot het bittere einde. Met een beetje chloor dat ze in de winkel had gevonden, behandelde ze al het ondergekotste gerief in de hoop dat de kiemen zich niet op haar zouden loslaten. Hun tocht zou nu wel enkele dagen vertraging oplopen.

De volgende ochtend werd Fran wakker met een knagend gevoel van onrust. Shahid had in de voorbije nacht weer verschillende keren overgegeven en reageerde zelfs niet meer op haar stem. Bovendien bleek Harriette juist die ochtend uitgezocht te hebben om ervandoor te gaan, volgens het briefje dat ze had achtergelaten om naar een feestje te gaan. Fran barstte in een luid snikken uit. Alles ontglipte haar: eerst haar ouders, dan Shahid en nu ook nog Harry. Straks was ze helemaal alleen.

Enkele dagen gingen voorbij. Om de verveling te verdrijven begon Fran een dagboek bij te houden, losse vodjes papier beschreven met een gevonden stompje potlood. De eerste dagen was ze verstard geweest van angst en durfde ze niet naar buiten, maar het voedsel was op en uiteindelijk moest ze wel. Shahid had immers nood aan gezond voedsel om er weer bovenop te komen. Diep in haar hart wist Fran wel dat het zinloos was om nog verder te strijden, iedereen ging immers dood. Maar als zij twee nu eens overlevingstypes waren? Als ze het zouden halen? Als…

Zorgzaam kweet ze zich iedere ochtend van haar moeilijke taak. Ze kuiste de rommel die Shahid gemaakt had op en liet wat water in zijn mond sijpelen. En warempel, na een dag of 6 leek het wel alsof het beter was met Shahid. Hij had minder overgegeven en kreunde toen ze hem wat vocht toediende. Maar Fran wist ondertussen beter, ze mocht niet te veel hopen, ze mocht niet, maar toch…?

Op haar dagelijkse strooptochten naar voedsel kwam ze nu geregeld mensen tegen, en het werden er steeds meer. Laatst had ze zelfs een auto zien rijden! Maar niemand maakte aanstalten om contact te leggen, de mensen stapten gehaast voort, als schaduwen tegen een grauwe spookstad. Het was een spel van ieder voor zich, zorg dat je overleeft.

Ook Shahid overleefde, een wonder, want de Londense Koorts was dodelijk. Een voorteken? Fran geloofde van wel, zij twee gingen overleven, het moest gewoon. Als ze maar bij Shahids broer geraakten, dan zou het beter gaan.

Enkele dagen later waren ze weer op weg naar Barnet. Shahid was wel nog wat zwakjes, maar hij gaf niet toe en tegen de avond bereikten ze het huis van zijn broer. Een maand later dan voorspeld. Veel te laat. Het huis was vernield, in de as gelegd en de toekomstdroom van de tieners aan diggelen geslagen. Andermaal stonden ze er alleen voor, geen huis, geen eten, geen… Niets…

Shahid deed zijn best de scherven van zijn eigenwaarde bij elkaar te zoeken. Als hij haar niet had meegesleept tot hier, als hij maar niet ziek was geworden, als hij…

‘We gaan naar Cornwall’, zei Fran vastberaden. ‘Naar het huis van mijn oma.’

Het was waanzin, dat lag er dik bovenop. Het zou hen minstens weken kosten, en dan moesten ze eerst nog langs die prikkeldraadversperringen raken, maar wat moesten ze anders doen? Voor hen, een honderd meter verderop, stond een Land Rover van het leger dwars op de weg geparkeerd. Achter het stuur zat een soldaat. Ze konden hem duidelijk zien, en ook het fonkelen van de zon op de loop van zijn geweer. Dwars over de weg lag een witte paal op twee schragen. Ze begonnen op de slagboom af te lopen. Niemand riep er ‘stop’. Niemand hield hen tegen, niemand schoot. Ze liepen om de slagboom heen en verder de weg af. Ze holden tot ze niet meer konden. ‘Het is ons gelukt. Ik wist wel dat hij ons niet zou doodschieten. Hij liet ons door! Ik zei het toch! Wij zijn overlevingstypes!’ hijgde Fran triomfantelijk.

Dat hij niet op hen had geschoten, kwam doordat hij dood was.

‘Geloof je me nu?’

Hoe kon hij, Shahid nou zeggen van niet? Hij pakte haar hand.

‘Vooruit,’ zei hij. ‘Laten we naar Cornwall gaan.’



-Opbouw van het verhaal

Het verhaal is duidelijk opgebouwd uit hoofdstukken. Ieder hoofdstuk bevat ongeveer een tweetal uren tot een halve dag, behalve dan de hoofdstukken waar fragmenten uit een dagboek werden weergegeven, zoals hoofdstuk 12 (periode van 22 dagen). Het boek werd zo goed als helemaal chronologisch geschreven. Bij de eerste 7 hoofdstukken werd er wel regelmatig overgesprongen van het decor ‘Fran en Hariet’ naar dat van Shahid, die op dat moment nog niets met de twee meisjes van doen had. Vanaf het eerste contact wordt de draad van het verhaal nergens meer doorbroken en gaat de lezer zonder omwegen recht op het einde af.

Het boek heeft een open einde, wat heel normaal is bij een boek over een realistisch toekomstbeeld. Denk maar aan boeken als ‘Als de bom barst’ van Robert Swindells of ‘Het zesde zegel’ van Henri van Daele.

Ook het vertrouwde rollenpatroon bij dergelijke boeken is in dit boek terug te vinden: het is altijd een meisje en een oudere jongen die overblijven, zelden of nooit andersom. Het boek bevat ook talrijke kleine climaxen die worden afgebroken en dan weer opgebouwd. Zo wordt het effect van de wisselende hoop en stemming van de tieners uit het verhaal ook duidelijk ervaren door de lezers.



Karakterisering

Karakter van Frances Latimer:

  • Ze is erg verlegen, ze durft niet gauw spontaan naar iemand gaan of iemand aan te spreken. vb. In de eerste bladzijden van het boek wordt gezegd dat ze, nadat haar beste vriendin Harriet niet meeging naar het zomerkamp ook niet wou gaan, waarschijnlijk omdat ze dan geen bekende mensen om zich heeft. Verder wordt op pag. 103 letterlijk gezegd: ‘Soms hadden ze bij dezelfde halte op de bus staan wachten, ’s ochtends, en dan had Fran geglimlacht en geknikt alvorens onder te duiken in een boek of met gefronst voorhoofd een stuk huiswerk door te nemen, om maar niet te hoeven praten. Het bracht haar altijd in verlegenheid als ze moest praten; ze wist nooit wat ze zeggen moest. Voor mensen als Harry was het makkelijk zat. Die hoefden hun mond maar open te doen en kirrend te lachte en dan lachte iedereen mee en vond ze reuze vermakelijk. Als Fran probeerde te kirren, dan keken de mensen haar aan of ze gek geworden was.’

    Het feit dat Fran hier de manieren van Harriet wil nabootsen, wil toch wel zeggen dat ze ergens een heel klein beetje jaloers is op haar vriendin en dat ze zich toch wel wat eenzaam voelt.



  • Fran is heel praktisch ingesteld. Terwijl Hariet zit te dromen of niets doet, zorgt zij er altijd voor dat alles in orde is. Ze ziet er altijd op toe dat alles voor de toekomst geregeld is. Vb. Op pag. 118 staan de drie klaar om te vertrekken naar Barnet. Fran is de enige die er aan denkt om wat eten of zo mee te nemen.



  • Ze is niet erg dapper maar geeft toch niet op als ze bang is. Vb. Toen het kleine jongetje haar de weg aldoor de kelder had gewezen, durfde ze eerst niet in de donkere ruimte binnengaan. Omdat er niets anders op zat heeft ze het uitendelijk toch gedaan, alhoewel ze doodsbang was. En toen Shahid ziek was geworden en Harriet was weggelopen, durfde Fran niet meer de straat op te gaan. Uit pure noodzaak moest ze iedere keer haar angst om een gebouw binnen te gaan en de leegte te moeten ervaren, overwinnen. Ze heeft dit ook volgehouden tot Shahid genezen was. Ze is dus wel een doorbijtertje.



  • Ze is wat men noemt een echte huismus. Vb. Eerst wou ze niet naar het zomerkamp gaan omdat ze daar eenzaam zou zijn en tijdens het kamp heeft ze heimwee naar huis en ze verlangt echt om weer naar huis te gaan. Als ze thuis is, is ze ook direct druk in de weer met schoonmaken,… Allemaal zaken die wegens de omstandigheden eigenlijk volkomen onbenullig waren geworden.



  • Ze is erg gehecht aan vrienden/gezelschap en kan zonder hen moeilijk functioneren. Ze klampt zich echt vast aan de mening en plannen van anderen. In de loop van het verhaal verandert dit wel en komt ze vastberaden en zelfstandig voor de dag. Vb. In het begin van het verhaal nam Fran wel de praktisch beslissingen, maar als het erop aankwam was het nog altijd Harriet die de loop van de omstandigheden bepaalde. Aan het einde van het verhaal (de laatste twee bladzijden) is het Fran die het initiatief neemt om de prikkeldraadversperringen te omzeilen. Shahid komt achter haar aanlopen.



  • Ze is trouw tegenover haar vrienden en laat hen nooit in de steek. Vb. Toen Shahid de besmettelijke Londense Koorts kreeg, was het Fran die besloot bij hem te blijven, al was dat negen kansen op tien in haar eigen nadeel geweest.



  • Ze is heel bezorgd en meelevend, al ziet ze soms niet de volledige omvang van het gebeurde. Vb. Op pag. 98 tot 100, vertelt ze al huilend aan Shahid de gebeurtenissen die Harry heeft moeten doorstaan (haar moeders dood,…). Ze is op dat ogenblik zodanig bezig met het leed van haar vriendin dat ze niet inziet dat Harriet slechts een van de vele kinderen is die dit moesten doorstaan en de Shahids vader ook is overleden.



  • Ze is soms nog kinderlijk en naïef, ze gelooft ook niets vooraleer ze het met haar eigen ogen heeft kunnen zien. Vb. Pag. 48: Wanneer ze thuiskomt en verneemt dat haar ouders allebei zijn gestorven stormt ze onbesuisd de trap op om te gaan kijken in haar ouders kamer. En op pagina 126 vraagt Shahid haar of ze de fietsenzaak weet zijn en Fran vraagt hem doodserieus of die wel open zou zijn. Alsof het er op dat moment nog iets toe deed.



  • Ze is heel netjes en kan het niet verdragen als er iets niet op zijn plaats ligt. Vb. op pag. 119-120 begint Fran de koelkast leeg te maken omdat haar moeder vast niet had gewild dat die er zo bij stond en als Shahid haar niet had tegengehouden zou ze nog beginnen afwassen en kuisen zijn ook.



  • Ze heeft absoluut geen gevoel voor humor. Vb. Op pag. 101 vertelt Shahid wat zwarte humor en Fran kan er absoluut niet om lachen. Verder staat op dezelfde bladzijde nog een voorval dat Shahid zich herinnert, waarin iedereen moest lachen om een bepaalde grap terwijl Fran zat te kijken alsof ze iets zuurs in haar mond had gehad.



  • Ze is niet autoritair genoeg in sommige situaties. Vb. Op pag. 122 toen Harriet rondliep in die Victoriaanse jurk, was het enige wat Fran deed eens met Harry gaan praten. De commentaar van Shahid was toen: ‘Wat valt er te praten? Zeg het gewoon.’ Hiervoor was Fran veel te zacht, met het gevolg dat Harry bleef rondlopen zoals ze was.



  • Ze velt heel gauw een oordeel over iemand. Zo staat er vb. op pag. 103: ‘Fran had op school nooit veel met Shahid Khan van doen gehad. Als je haar ernaar gevraagd had, zou ze waarschijnlijk hebben gezegd dat hij heerszuchtig en verwaand was, hoewel, als ze terugkeek kon ze zich niet meer herinneren ooit meer dan twee woorden met hem te hebben gewisseld, in al die tijd dat ze op school zat.’



    Frans uiterlijk:

  • Hieromtrent wordt in het boek weinig gezegd. Het enige wat er vermeld wordt is dat ze muisbruin haar heeft en ogen die amper een vleugje kleur vertoonden onder bleekblonde wimpers, waardoor ze Shahid altijd aan een angorakonijn had doen denken. Ooit had Shahid gezegd dat ze een papgezicht had (wit en vormeloos), maar aan het einde moet hij deze woorden terug nemen. Verder veronderstel ik dat ze niet echt mager was, want er staat ergens dat er best wat kilootjes afmochten. Haar favoriete outfit is een korte short en T-shirt.

    Karakter van Harriet M. Somers:



  • Harriet is de karikatuur van een verwend kind dat altijd zijn zin heeft gekregen.



  • Ze is vershrikkelijk ongeduldig, wanneer iets niet naar haar zin is of te lang duurt, begint ze als een klein kind te pruilen. Vb. toen Fran absoluut het nieuws wou zien omdat ze toch een maand uit de bewoonde wereld was weggeweest, begon Harry te huilen en wou naderhand helemaal niets meer doen wat Fran haar vroeg.



  • Ze is nonchalant en denkt niet na bij hetgene wat ze doet. Vb. Op pagina 96 komen Fran en Harriet enkele magere straatjochies tegen en het eerste wat Harriet doet wanneer een van de kinderen haar zakje met kleren wil nemen, is gaan zwaaien met het vleesmes dat ze in haar handen had. Als Shahid toen niet achter haar had gestaan om het mes af te pakken had ze een moord op haar geweten gehad. Op pagina 111 getuigt het gedrag van Harry ook weer van weinig inzicht. Haar vrienden hadden haar nog zo gezegd zuinig om te springen met het eten en Harry kieperde er zomaar een bord perzik in het bloemperk omdat ze er geen zin meer in had.



  • Iedereen zegt dat ze gek is. Op school had ze al de bijnaam gekke Jetje en uit haar gedrag tijdens het verhaal zou dit ook wel duidelijk moeten blijken. Vb. zie ook het voorbeeld met het mes. Dit voorval zou nu misschien nog te rechtvaardigen zijn, maar haar eigenaardige gedrag vervolgt zich doorheen het hele verhaal. Wie anders zou er in een situatie als deze (ouders dood, geen eten meer, kans op besmetting…) het in zijn hoofd halen om kleren te gaan passen en ganse dagen rond te lopen in een Victoriaans kleed met hoepelrok. Laten we dit nog als normaal aannemen, maar is het nog normaal wanneer je dan ook nog staat te dansen en te zingen terwijl boven je hoofd het lijk van je moeder ligt weg te rotten?



  • De vraag of Harry al dan niet intelligent is, is moeilijk te beantwoorden. Enerzijds kan zij zich nog vele dingen herinneren uit het verleden (vb. pag. 75 het citaat van Shakespeare) maar intelligent? Ik denk het niet.



  • Harry is zeer naïef, en ze bekijkt het leven langs de zonnige kant. Vb. Wanneer ze op weg zijn naar Barnet en er een groep opgeschoten jongens voorbij komt rijden in een grote wagen, staat Harry al klaar om mee te gaan; doorheen het hele verhaal sluit ze zich op in haar eigen wereldje waar alles blijkbaar veel leuker is want ze staat altijd te dansen en te zingen. Op pag. 157 wil Harry mensen bellen om te kijken waar er nog iemand in leven is, maar omdat de enige nummers die ze uit het hoofd kent die van haar en Fran zijn, begint ze met die te draaien.



  • Ze is zeer koppig ingesteld. Als iets haar verboden wordt of ze er geen zin in heeft, doet ze alsof ze het niet hoort en gaat verder met haar eigen bezigheid: dansen en zingen. Vb. Fran en Shahid willen niet dat ze dat Victoriaanse kleed nog langer aandoet. Harry weigert het uit te trekken.



  • Ze is wel sportief. Op pag. 118 staat. ‘Een ding moest je gekke Jetje nageven, ze was altijd reuze sportief geweest. Hij herinnerde zich dat hij haar korfbal had zien spelen, haar heen en weer had zien flitsen over het veld in haar groene schoolshort en witte gympen.’



  • Harry is gauw bevooroordeeld. Omdat ze in het verleden weinig op had met Shahid blijft ze hem nog een hele tijd negeren.



  • Uit een paar zinnetjes blijkt ook dat Harry racistisch is. Op pag. 125 staat: ‘ “Ik ga niet naar Brixton!” klonk Harriets schelle stem in de stilte van de straat. “Daar wonen allemaal zwarten in Brixton.”



  • Harry is erg onredelijk in haar reacties. Zo ook bijvoorbeeld toen Shahid beide meisje eerst meenam naar het restaurant van zijn vader. Harry had zich al verheugd op een heerlijk maal, maar daar aangekomen bleek er van het restaurant niet veel meer over te blijven. Hongerige mensen hadden het geplunderd. Harry begon toen te roepen dat ze Shahid haatte en dat hij een vuile opschepper was om zo over zijn restaurant te praten terwijl er niet eens iets te eten was.



  • Uit alle vorige karaktertrekken kan men waarschijnlijk al besluiten dat Harry bovendien zeer egoïstisch was. Het volgende voorbeeld zal dat wel nog verduidelijken: Toen Shahid zo ziek was door de dodelijke epidemie opperde Harry doodleuk dat het veel beter zou zijn om hem achter te laten want ‘hij ging toch dood’. Omdat Fran dit niet wou, bleef Harry nog enkele dagen maar liep toen weg met het enige vervoermiddel dat de drie hadden: de fiets met de verwrongen stuurvork. Ze liet enkel de boodschap achter dat ze naar een feestje was. Ze bedankte de anderen zelfs niet eens voor hun moeite die ze hadden gedaan om Harry bij zich te houden en haar mee te nemen!



    Harriets uiterlijk:

  • Harriet moet een mooi meisje geweest zijn want op pag. 148 zijn de drie jongelui bezig met herinneringen op te halen aan een schoolopvoering van Macbeth, waarin Harry de heks had moeten spelen. Harry vertelt nu dat de lerares haar alleen maar had aangewezen omdat ze haar er lelijk wou laten uitzien. Tussen haakjes staat daarbij vermeld: ‘Hoewel niets ter wereld haar lelijk had kunnen maken.’



  • Over het uiterlijk van Harry: Ze had zwart, krullerig haar, sprankelend vol leven. Harry was in het begin al niet dik en tijdens het verhaal vermagerde ze zodanig dat ze weer in de jurk kon die op haar dertiende te klein was geworden.

    (De expliciete leeftijd van de personages wordt niet vermeld maar ik vermoed dat Harriet en Fran ongeveer 16 zijn en Shahid 18)



    Karakter van Shahid Khan:

  • Hij is autoritair en bazig, een karaktertrek die hij waarschijnlijk heeft door zijn vader Sajjad Khan. Al kind werd Shahid altijd autoritair behandeld; De Khans waren afkomstig van Bangladesh maar Shahid is in Engeland geboren. Vanaf hij oud genoeg was om te werken moest hij in zijn vrije tijd bijspringen in het restaurant van zijn vader. Alhoewel Shahid vloeiend Engels kon spreken, mocht hij dit niet doen in het bijzijn van zijn vader. Vaak werd hij ook door zijn eigen vader vernederd in het bijzijn van klanten. Shahid, die dolgraag wou wopgenomen worden in de Engelse maatschappij, had zich zijn hele leven voor zijn familie geschaamd en kon zich op school enkel door een bazig gedrag staande houden. Toen Shahid dan ook moest waken bij zijn stervende vader, kostte het hem veel moeite die niet in de steek te laten. In het boek wordt de vader van Shahid door de jongen zelf altijd oneerbiedig aangeduid als ‘de ouwe’ (pag.32) of ‘het ding’ (pag.30)



  • Shahid is vol schuldgevoelens jegens de twee meisjes (aan het einde maar een meer), omdat hij hen overal mee naartoe sleept en dan telkens moet vaststellen dat het een vergissing was. Hij zit eigenlijk vol goede bedoelingen maar op de een of andere manier mislukken die altijd.



  • Hij heeft een bijtend gevoel voor humor en sarcastische opmerkingen. Zo laat hij op pag. 101 een staaltje zwarte humor zien: ‘Het ergste is dat er geen maatschappilijke conventies meer zijn. Als je iemand tegenkomt op straat, zoals ik jullie nu, dan weet je niet meer wat je moet zeggen; “Hallo,lekker weertje vandaag,hé? Al op vakantie geweest?” Nee, wat we nu nodig hebben is iets volslagen nieuws. “Ha, jij leeft dus ook nog.” En als je uit elkaar gaat, dan zou je iets kunnen zeggen als: “Nou, sterf ze,hé!”’

    Op pag.133 is het rio belan in het Victoria Station, dat er natuurlijk verlaten bijlag. Shahid besluit toch eens een kijkje te nemen, maar moet met lege handen terugkomen. Wanneer Harriet hem vraagt of hij iets gevonden heeft, want dat ze zich had verheugd op een dagje Brighton, antwoordt Shahid: “Ja, zo zie je maar weer”, waarop Harriet vraagt “Wat dan?”, en Shahid weer zegt “Dat je op de spoorwegen kan wachten tot je doodvalt.”



  • Shahid is de enige van het gezelschap die nog min of meer zelfstandig is, behalve dan tijdens zijn ziekte. Hij moet de anderen er dan ook dikwijls op wijzen dat ze iets absurds doen, zoals bijvoorbeeld toen Fran begon af te wassen, of wanneer Harry wou meegaan met die bende jongens die kwam langsrijden. Moest Shahid er niet geweest zijn, zou het samenzijn van de twee meisjes compleet in het honderd hebben gelopen.



    De setting

    De setting speelt in het een zeer belangrijke rol. Omdat de schrijfster afkomstig is uit Croydon, speelt het verhaal zich ook in de streek rond Londen af. Hiermee wil Jean Ure vooral haar landgenoten waarschuwen voor het ‘boven-ons-hoofd-hangende’ gevaar van een milieuramp. Het is dus nogal logisch dat haar boek zich bijna in haar achtertuin afspeelt.

    Qua tijdsaanduidingen kan men aanduiden dat het zich allemaal voordoet in de zomer (augustus-september) van, hoe kon het ook anders, het jaar 1999.

    Voor de plaatsbepalingen kunnen we exact meekijken op de kaart (bijgevoegd op de volgende bladzijde): Fran komt naar huis van het zomerkamp via de M1, rond Londen via de M25 en wordt afgezet in Purley, een stad even ten zuiden van haar thuishaven, South Croydon, in het administratief gebied Surrey. Frans thuis was Raglan Court 10. (De terugreis werd op de kaart aangeduid met groen)

    De tocht die ze samen met Harriet en Shahid heeft ondernomen loopt door Brixton, naar het Noorden van Barnet. (deze reis is aangeduid met geel).

    De prikkeldraadversperringen werden aangebracht rond het hele gebied van Londen en de omringende voorsteden.

    De 10 overige afgesloten steden zijn: Birmingham, Liverpool, Manchester, Leeds, Glasgow, Edinburgh, Cardiff, Bristol, Sheffield en Nottingham:

    Frans oma woont in Cornwall:



    De auteur

    Over de auteur, Jean Ure, is maar weinig bekend. Ze begon te schrijven toen ze vijf jaar was. Haar eerst boek ‘Dance for two’ werd gepubliceerd toen ze veertien was: het was een soort troost voor het feit dat ze niet op ballet mocht. Ze volgde twee jaar de toneelschool, om daarna met een theatergezelschap door Engeland te toeren. Ze woont nu in Croydon met haar man, twee katten en drie honden. Het boek 1999 (de oorspronkelijke versie ‘Plague 99’ werd uitgegeven in 1989) was een van haar enige werken die werkelijk succes genoot en bovendien werd vertaald, in 1997 . Het werd bekroond met Lancashire Book Award.

    De Engelstalige pers:

    “A cross between ‘Lord of the Flies’ and ‘Days of the Triffids’…

    better written than anything by Wyndham and I prefer her characters to Golding’s unconvincing schoolboys” – The Guardian.
    Andere boeken van deze auteur:


    Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen