U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : G.a. Bredero - De Klucht Van De Koe.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=10303 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1455 woorden.

1. Motto

‘De klucht van de koe’ heeft geen motto.



2. Schrijver

Gerbrant Adriaensz Bredero (1585 – 1618) groeide op in het bloeiende Amsterdam, waar ook zijn verhalen afspelen. In tegenstelling tot vele letterkundige tijdgenoten heeft Bredero geen ‘geleerde’ opvoeding gehad. Hierdoor was hij niet in staat de klassieke Griekse en Romeinse literatuur, die in de Renaissance zo vaak als voorbeeld diende, in de oorspronkelijke taal te bestuderen. Deze omstandigheid, samen met zijn natuurlijke aanleg en belangstelling voor het Amsterdamse straatleven heeft ertoe geleid dat Bredero zowel in keuze van zijn onderwerpen als in zijn taalgebruik en vormgeving eenvoudiger is gebleven dan de meeste schrijvers uit zijn tijd.



3. Thema

Bredero schreef lyriek en toneelstukken, met name kluchten en blijspelen. De kracht van zijn werk ligt met name in de beschrijving van de volksfiguren en de dialogen. Een terugkomend thema in zijn werk is het Amsterdamse straatleven, het leven van een doorsnee Amsterdammer.



4. Aansprekend fragment

Het fragment dat mij aansprak en ook typerend is voor het stuk, was op het moment dat de boer, de gauwdief, de optrekker en de waardin Giertje met zijn allen in het café zaten. De dief doet zich nog steeds voor als een nette heer en biedt de andere aan om een maaltijd te gaan halen. De anderen hebben daar wel trek in en, om hem te helpen, geeft Giertje hem twee grote schalen en de optrekker hem zijn mantel. De dief loopt hiermee weg om nooit meer terug te keren. (r. 554 t/m 578)

Het spreekt mij aan omdat je als lezer al weet dat de dief tot niets goeds in staat is en je door de dialoog heel goed kunt zien hoe hij de anderen voor de gek houdt en ze zelfs zover weet te krijgen dat ze hem dingen meegeven. Het fragment is ook typerend voor het gehele stuk vanwege het gebruik van de dialoog om de lezer dingen duidelijk te maken en de vlotte manier waarop het stuk geschreven is.



5. Bijgebleven fragmenten

Het eerste fragment dat mij is bijgebleven is het fragment waarop de dief de (van de boer gestolen) koe laat zien aan de boer. De boer herkent het dier niet als zijn koe, mede dankzij de mooie praatjes van de gauwdief. (r. 386 – 417)

Het verbaasde mij erg dat de boer niet zag dat het zijn eigen dier was. Mede omdat hij zo op het dier gesteld was.

Het tweede fragment dat mij ook goed is bijgebleven is het fragment waarop de lezer voor het eerst kennis maakt met waardin Giertje en de optrekker in het café. (r. 166 t/m 223)

Ik had niet verwacht dat in een verhaal uit de Renaissance zo in detail verteld werd over het zuipen en flirten van een man met een vrouw.



6. Herkenning bij personages

Ik herken mezelf wel in de oplichter, de gauwdief. Hij is best inventief en kan goed liegen (zichzelf voordoen als een nette heer). Ik denk dat die eigenschappen ook bij mij passen. Ik zou het vast ver kunnen brengen als dief!

In de andere personages herken ik mezelf niet, maar er zullen wel massa’s mensen zijn zoals de inhalige Giertje, de goedgelovige boer of de optrekker (= fuifnummer).





7. Onderwerp

Het onderwerp van deze klucht is het stelen en verhandelen van een koe. Dit wordt gedaan door een gauwdief, die met zijn vlotte praatjes iedereen erin tuint.



8. Symboliek en beeldspraak

De koe uit deze klucht staat niet alleen voor vruchtbaarheid en productie van voeding maar ook voor het gehele bezit van de boer.

De boer zelf vertegenwoordigt de goedgelovige mens en de gauwdief de gehaaide mens. De terugkeer van de optrekker naar zijn vrouw staat symbool voor de verslagenheid van de optrekker door de wrede wereld, zodat hij weer naar zijn veilige huis en haard gaat en zelfs zijn gemene vrouw op de koop toe neemt.



9. Zelf de hoofdpersoon

Wanneer ik de gauwdief zou zijn geweest, zou ik de koe van wel stelen, maar vervolgens niet met het dier weer naar de boer gaan. Ik zou dit een te groot risico vinden, de boer zal hoogstwaarschijnlijk zijn eigen koe wel herkennen. Toch is dit natuurlijk wel een van de leuke gebeurtenissen van dit verhaal, en hoe de dief vervolgens handelt kan ik heel goed begrijpen en zou ik ook zelf hebben gedaan.



10. Climax / anticlimax

De climax van dit verhaal is op het moment dat de optrekker en Giertje hun spullen meegeven aan de gauwdief. De anticlimax is op het moment dat Keesje (het zoontje van de boer) binnenkomt stormen met het nieuws dat de koe is gejat, en de omstanders dus doorhebben dat ze allemaal bestolen zijn. De boer zegt achteraf nog ‘En toch kan ik waarachtig dit bedrog nog wel waarderen.’



11. Hoofdpersonen

De hoofdpersoon is Gijsje, de gauwdief. Gijsje is nog een jonge jongen, maar al een ervaren dief en oplichter. Hij nog nooit tegen de lamp gelopen, wat mede komt doordat hij inventief en een goed acteur is. Met een slimme list heeft hij al de inhoud van een rederijkerskist weten te bemachtigen, en in deze klucht weet hij (in één keer) drie mensen te bestelen.

Een ander belangrijk persoon is Dirck Thyssen, de boer. Hij is goedgelovig van aard en brengt de gauwdief, door zijn geklets over zijn mooie koe, op het idee om deze koe van hem te gaan stelen.

Dan hebben we nog Giertje van Friesland, de waardin van herberg ‘’t Zwarte Paard’. Haar man is op reis waardoor zij het alleen moet zien te redden. Ze is erg inhalig en kattig wanneer één van de mannen opmerkingen over haar maakt.

Ten slotte is er Joosje de optrekker (=fuifnummer). Deze man heeft een ontzettende vervelende vrouw en is daarom weggelopen en zich gaan volzuipen in ’t Zwarte Paard. Hij zou wel graag met Giertje het bed in willen duiken maar die wijst hem af.



12. Ontwikkeling personages

De gauwdief heeft na het stelen van veel geld uit een rederijkerskist wel zin in wat bier en klopt aan bij de boer. De boer vertelt de dief over zijn prachtige koe en brengt de dief op het idee om deze te gaan stelen. De boer en de dief gaan samen op pad naar Amsterdam en nemen de koe mee (de boer krijgt geen argwaan door de list van de dief). De boer verkoopt de koe voor de dief en overhandigt de dief het geld wat hij voor haar gekregen heeft. Samen zijn zij in de herberg waar ook Giertje en de optrekker zijn. Deze worden ook bestolen door de dief en hebben dit pas door als de vogel reeds gevlogen is. De boer en de optrekker komen hier nog slechter vanaf, zij moeten ook nog eens hun eigen drankgebruik betalen én dat van de dief.





13. Samenvatting

Een zelfbewuste dief overnacht op weg naar Amsterdam bij een boer. Deze boer heeft een prachtkoe in zijn bezit en de dief besluit die te stelen. De dief vervolgt de volgende dag zijn weg naar Amsterdam samen met de boer. Door de boer te vertellen dat hij een koe heeft gekregen als afbetaling van iemand die nog bij hem in de schulden stond, weet de dief de boer te overtuigen zijn eigen koe mee naar Amsterdam te nemen en vervolgens het dier ook nog eens te verkopen. In een herberg wacht de dief de boer op en krijgt van de boer de opbrengst van de koe. Daar zijn ook waardin Giertje en een optrekker. De dief zit kans door de anderen een maaltijd te beloven ook nog eens twee schalen van Giertje en de mantel van de optrekker te jatten. Wanneer de dief weg is komen de anderen er pas achter dat ze geslaagd zijn.

’t Kan verkeren.



14. Aanbeveling

Ik zou dit boek zeker aanbevelen aan iedereen die verplicht een boek uit de Renaissance moet lezen. Het is een leuk verhaal, het verloopt niet erg voorspelbaar en er worden grappige opmerkingen gemaakt die ik in zo’n oud stuk niet verwachtte. Het leest vlot omdat het in de burgertaal is geschreven en zeker niet hoogdravend is. Het verhaal zit logisch in elkaar en is niet lang.



15. Overige vragen

Hoe komt het dat de boer zijn eigen koe niet herkende? Het is zijn pronkstuk waar hij erg op gesteld is.

Waarom krijgt de boer geen argwaan als hij de dief op weg naar Amsterdam moet begeleiden? De dief maakt hem dan wel wijs dat hij uit Keulen komt, maar hij vertelt hem ook dat hij vaak in Amsterdam komt en zelfs nog iemand in de beurt kent die hem geld verschuldigd is.

Waarom leent de optrekker zijn mantel aan de dief uit? De dief vraagt het met de volgende reden ‘Als ik zo (zonder mantel) over straat ga, zullen de mensen naar mij roepen: Kijk, daar loopt een lekkerbek, die gaat heerlijk snoepen.’ Ik zie niet in waarom dat een reden zou zijn om je mantel uit te lenen.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen