U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Godfried Bomans - Erik Of Het Kleine Insectenboek.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=12300 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1290 woorden.

Erik Pinksterblom herhaalt in bed nog wat leerstof over de insekten uit het leerboek van 'Solms' Beknopte Natuurlijke Historie' (p. 20). Hij kijkt daarbij naar een schilderij, dat hij Wollewei heeft genoemd. En dan gebeurt het wonder: de portretten van zijn grootouders komen tot leven. Hij heeft met hen een leuk gesprek dat uitloopt op een wens: 'lieve grootmama... laat mij naar het land van Wollwei' (p. 21). Hij wordt zeer klein, slaagt erin over de schilderijlijst te komen en met een grote boog valt hij 'in het frisse, zachte gras' (p.32)

De eerste die hij ontmoet, is een wesp, mijnheer Van Vliesvleugel. Deze nodigt hem uit met zijn gezin 'de lunch te willen gebruiken' (p.36). Op zijn rug vliegt Erik naar diens 'home' (p.38), gevestigd in een 'rode chrysant' (p. 38). De wespen hechten zeer veel belang aan hun adelijke afkomst. Ze hebben nog nooit van mensen gehoord, mevrouw vraagt meteen of die van adel zijn en dan 'is dit mijn vraag: dragen zij een angel?' (p. 43). Het etentje verloopt ongemakkelijk, vooral ook omdat Erik argwanend wordt bekeken door de heer P. 'een der rijkste wespen in den omtrek, zwijgzaam van aard, en enigzins jichtig in een zijner achterpoten' (p. 48). De jongen verknoeit de situatie volledig als hij een loflied zingt op de nijvere bijen, die volgens de Vliesvleugels echter 'tot den arbeidenstand waren afgezakt en dienstegevolge alllen tezamen in één huis woonden' (p.51). Het etentje word afgesloten met 'een uurtje muziek, voor de spijsvertering'(p. 53). De instrumenten bestaan uit levende bromvliegen. Eriks bromvlieg zet zich dermate in dat ze sterft. Derhalve is het afscheid 'zeer koeltjes (p. 56). Erik vliegt weg op de rug van een hommel.

De hommel bezit het boek Schiksal der Gegenwart, dat ook in de kast van Eriks vader staat. Het insekt kijkt echter alleen af en toe naar de titel en gaat dan vanzelf 'een beetje dieper denken' (p. 61). Hij leert er veel insekten uit Solms in levende lijve kennen. Vol ontzag luisteren ze toe als Erik iets van zijn kennis te berde brengt. Hij verwerft een grote faam, ook omdat hij hen op de hoogte brengt van het wonderbaarlijke verschijnsel dat de rups zich inspint tot pop om vlinder te worden. Toch beeft hij dat de insekten veel knapper zijn dan hijzelf, 'Ik leer een hele avond over zo'n hoofdstukje, voor ik het weet, en zij doen precies wat er instaat, zonder het ooit gelezen te hebben. Het is toch maar een mooi ding, zo'n instinct. Ik wou dat ik het had' (p. 80). De dagen in het hotel zijn 'in den beginne' (p. 81) erg aardig. Het insektenwereldje is zeer wonderlijk, al moet Erik er soms om lachen. Als hij 's zaterdags in bad gaat, zijn de insecten erover verwonderd dat hij zijn vel kan afstropen en er dan nog eenje overhoudt. Voor gesprekken over het brgrip zedelijkheid en over de vraag wie God is, zijn de insekten duidelijk niet vatbaar. Erik maakt ook kennis met de beperktheden van de insekten en met hun zelfgenoegzaamheid. Geleidelijk aan voelt hij zich meer en meer alleen en op een ochtend, als hij toch al besloten heeft te vertrekken, komt de vlinder, 'de oude rups' (p. 81), de ontbijtkamer binnen. Erik zal op zijn rug wegvliegen 'de zon tegemoet' (p. 91), ondanks de wijze raad van een glimworm dat hij zich toch maar beter 'bij den grond' (p. 89) zou hebben.

Erik beleeft nu weer 'lichte zorgeloze dagen' (p. 93). Op een morgen ziet de vlinder een soortgenoot en begint 'eensklaps over haar gehele lijf te beven' (p. 94). Erik, 'die genoeg uit het leven van zijn oudste broer wist om te begrijpen wat er aan de hand was' (p. 94), realiseert zich dat zijn vriend verliefd is. Hij peilt nu de diepte 'ener vlinderliefde en bemerkt dat hier ten onrechte veel kwaad van word gesproken' (p. 93). Om het vlindermeisje te bekoren, maken ze samen een gedicht. Eindelijk na lang wachten, krijgen ze van vader vlinder een uitnodiging 'tot een ernstig onderhoud, gevolgd door een intiem maal' (p. 99). Er word een rijkelijke maaltijd geserveerd, volgens mevrouw vlinder een eenvoudig hapje' (p. 101). Tijdens het gezellige etendje moet Erik toch ervaren dat ook vlinders in de eerste plaats bezorgd zijn om materiel bezit. Als hij goedmoedig plagend verteld dat zijn vlindervriend vroeger wel eens een vlindermeisje onder de kin kietelde, valt dat niet in goede aarde. Vader vlinder maakt echter geen bezwaar tegen het huwelijk; hij heeft nog twaalf dochters! Het bruidspaar vliegt weg en Erik blijft alleen.

Hoe hongerige en havelozer hij op zijn eenzame tocht word, des te brutaler komen de insecten op hem af. Hij beleeft een hachelijk avontuur met een spin, die hij moet doden; zelfs verliest hij het bewustzijn. Als hij wakker wordt, staat er een groep doodgravers om hem heen. Zij vinden het jammer dat Erik niet dood is; toch nodigt één van hen hem uit om te komen eten.

Tijdens het eten licht de doodgraver zijn theorie toe over de werkelijke zin van het leven: 'alle insecten zijn alleen maar bezig door te gaan ... alle zijn ze op weg naar mijn tafel' (p. 126). Het is in zijn belang dat iedereen goed eet en dik wordt. Een mol, die blijkbaar eendere principes heeft, zoekt zijn weg door de woning en vreet alles op. Slechts een schoongelikte vloer blijft achter. Erik kan zich redden en herinnert zich de woorden van de doodgraver: 'de dood is een rechtvaardige zaak, en vroeg of laat steken wij alleen onze pootjes omhoog' (p. 127).

Erik probeert weer boven de grond te komen. Op zijn onderaards tocht ontmoet hij een worm. Het diertje praat erg eigenwijs, het kronkelt van zelfgenoegzaamheid, maar raakt daardoor in zichzelf verstrikt. Erik tracht hem te ontwarren, maar slaagt daarin niet, want 'telkens als er één lus was vrijgemaakt glipte hij in een nieuwe' (p. 137).

Een passerende mier brengt Erik naar boven en leidt hem naar zijn kolonie. Vooraf echter belooft Erik aan de worm hulp te zenden. Het blijkt nu dat vele insekten, ook de mieren erover piekeren of ze alles 'wel doen zoals in Solms staat' (p. 140). Erik krijgt de faam alles te weten. 'Hij geeft voorlichting aan jonge moeders en aan ieder die zijn hulp nodig heeft, doch beseft al spoedig de ontoereikendheid van Solms 'Beknopte Natuurlijke Historie' (p. 139). Een groep werkmieren gaat op voorstel van Erik naar de worm om hem te helpen. Ze brengen hem in wel honderd stukjes bij Erik, die de worm dan maar aan de mieren geeft om hem op te eten. Hij mag vernemen dat hem een 'achtstemmige jubelcanate'(p. 152) zal worden aangeboden. De miskende dirigent-componist beklaagt zich erover dat hij door zijn soortgenoten niet wordt begrepen. Over zijn eigen leven vertelt Erik niets, omdat de insekten slechts belangstelling hebben in zichzelf. Ook de mierene geloven vooral in de eigen voortreffelijkheid. Toch lijkt het erop dat ze wel het verlangen kennen naar een nieuwe wereld. Ze zullen met Erik meetrekken over de lijst van het schilderij heen; maar hun eigenlijke bedoeling is een ander mierenleger te bestrijden. De legers treffen elkaar, er ontbrandt een hevige strijd waarbij Erik een straal mierenzuur in de ogen krijgt. Terwijl hij zich in de ogen wrijft, gebeurt er iets wonderlijks met hem, de wereld wordt wijder en wijder' (p. 167), de zon straalt in zijn gezicht en hij wordt wakker. Het is ochtend en alles is weer gewoon. Zijn proefwerk over de insekten maakt hij niet goed. Zijn lerares vindt dat hij wartaal uitkraamt. De jongen houdt er meningen op na die geheel en al tegen Solms indruisen' (p. 170). Hij verlangt weer klein te mogen worden 'om dan nooit meer terug te keren in deze ondankbare wereld' (p. 170).


Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen