U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : J. Slauerhoff - Schuim En Asch.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/2092 en is laatst upgedate op 03/08/1999.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3010 woorden.

Titel

Schuim en asch



Auteur

J. Slauerhoff



De erfgenaam

Kasem Hassein was heel arm en werkte in een heet havenkantoor voor een laag loon. Hij bad veel tot Allah. In één van zijn gebeden, die hij eens van een schriftgeleerde had gekocht, zei hij dat hij rijk wilde zijn om te bewijzen dat rijkdom hem niets doet en dat hij Allah altijd zal aanbidden. Hassein was opgevoed door zijn zuster, omdat zijn moeder bij zijn geboorte gestorven was. Zijn vader had zijn moeder al in de steek gelaten, voordat hij geboren was. Yezi Azid, zijn oom, wilde niets met hem te maken hebben, omdat Hassein zijn zus gedood had. Yezi Azid vervloekte ook de vader van Hassein en Allah, die dit toegelaten had. In plaats van de koran las hij het werk van Voltaire en door de burgers van Bassora werd hij bespot. Op een dag werd Hassein betrapt in de harem van Yezi Azid. Hij kon vluchten, maar zo was Hassein op zijn zestiende al een verjaagde. Toen Yezi Azid stierf, erfde Hassein alles, omdat zijn oom geen testament had en hij de enige bloedverwant was. Nu was Hassein rijk en hij wilde naar Mekka gaan, maar omdat hij dat te gevaarlijk vond, ging hij naar Stamboel. Daar werd hij beroofd. Toen hij terug kwam in Bassora, moest hij bij de sultan komen. Hij werd oppertuinman, daarna speelde hij met sultan Omar guajaphé en schaak. Daar verloor hij veel geld mee. Tenslotte werd hij admiraal van de vloot van de sultan. Daarmee raakte hij de rest van zijn geld kwijt. "Kasem Hassein deed thans datgene waarmee hij had moeten beginnen: hij kocht een simpel kalendergewaad en begaf zich op weg naar Mekka. Dezelfde dag waarop hij de oosterpoort van Makalla uitging, toen het hete zand zijn voetzolen begon te schroeien en het droge stof zijn keel, hield sultan Omar, die de ijdelste der menselijke ijdelheden tot hun ware zwakte wist te brengen, een beraadslaging met Ibn Saäd, de scherpzinnige en welingelichte schatmeester, die het vermogen zijner onderdanen tot op duizend piasters nauwkeurig aansloeg..."



Vertelsituatie: Er is geen ik-figuur. Er zijn alleen hij-figuren.

Personages: Hassein is de hoofdpersoon. In het begin is hij heel arm en gelovig. Als hij rijk is, vindt hij Allah steeds minder belangrijk en hij bid bijna nooit meer. Als hij weer arm is, gaat hij naar Mekka.

Tijd: Het hele verhaal is in de verleden tijd geschreven.

Plaats: Het verhaal speelt zich af in het Midden-Oosten, waarschijnlijk vooral in Jemen. De plaats is belangrijk, omdat Hassein islamitisch is.

Stijl: Er worden veel korte zinnen gebruikt. Het is niet moeilijk te lezen.

Aandachtspunt: Er wordt negatief gesproken over westerlingen, bijv. "christenhonden", "haar hondetaal" (Frans).



Het eind van het lied

There is some system in his madness

De ik-figuur begint met te vertellen dat hij schuldig is, maar dat hij niet gestraft kan worden, omdat hij "ver buiten het bereik der aardse gerechtigheid" is en hem niets vreselijkers kan overkomen dan hij reeds beleefde. Hij had zijn vrouw verlaten en zwierf. In de oorlog was hij gewond geraakt. Toen hij na de oorlog in Moskou kwam, vertelde Alexei hem dat N...a met verschillende mannen was geweest en nu in een klooster zat. Een maand later ging hij naar zijn landgoed waar hij in geen drie jaar geweest was. Hij dronk veel. Op een keer toen hij sliep, hoorde hij: 'Sta op en ga haar zoeken.' Toen hij een bijbel opensloeg, zag hij daarin als bladwijzer een reisgids naar het Maggioro-meer in Zwitserland. Daar ging hij naar toe. Hij ontmoette daar een meisje, dat Feodora heette. Op een keer, toen ze gingen varen, verdronk ze bijna, terwijl hij sliep en hij kon haar net op tijd redden. Later ging hij naar de bergen, toen naar Italië. Hij zag daar Japanse toeristen en hij had een nachtmerrie over de oorlog. Toen hij op weg was naar Konstantinopel, wilde hij liever naar Kreta gaan. Daar ontmoette hij een bedelmonnik die hem het land liet zien. Hij vroeg de monnik of hij een klooster wist waar iets te zien was, dat nergens anders meer bestond. De monnik zei hem dat hij naar een klooster in het K... gebergte moest gaan, twee dagreizen van Feodosia af. Hij vroeg hem of hij een gouden beeldje mee wilde nemen en de monnik de waarde van het goud dan later terug wilde geven. In het klooster mocht hij een nacht blijven en hij werd in een cel gebracht. 'Door de deur waar wij zijn binnengegaan, is het niet. Maar als het voor u bestemd is, zullen de muren zich openen, al waren er tien tussen u en wat gij zien wilt. Leg u neer en wacht, slapend of wakend, dat is hetzelfde. Velen waren hier een nacht, sliepen niet, zagen niets, en gingen heen, overtuigd dat zij waren bedrogen. Enkelen zagen en werden dood gevonden. Wilt gij nog terug?', zei de monnik die hem in zijn cel bracht. 's Nachts zag hij in de muur heiligen, madonna's en maagden. Zij stonden als voor een graflegging. "En de aarde opende zich - alsof op het weke donker in hun midden een grote bloedvlek snel en grillig zich uitbreidde, toen een gat, golvend rond als de mond van een oerdier. Een zwarte harenkrans dreef, en daaronder een gelaat (werd Gij weer geboren, maar niet uit de lichtgroen vliedende zee, neen, uit de zwarte aarde van deze tijden?) - haar gelaat, hoe schoon, hoe gefolterd! Haar grote ogen. Troebel en gesperd in deze baringsangst." Terwijl zij uit de aarde kwam, zongen de monniken. Maar toen de monniken stopten met zingen, ging zij weer terug in de aarde. Hij probeerde haar tegen te houden, maar het lukte niet. Toen hij de monnik in het klooster weer sprak, zei hij dat hij haar uit de grond wilde redden, maar de monnik zei dat hij dan het eind van het lied moest zoeken, want de monniken stopten met zingen, omdat ze het eind niet wisten. Maar hij ging niet zoeken in de archieven; hij ging naar zijn slot achter Samara. In zijn slot slaapt hij in alle vertrekken. "Vannacht zal ik het horen, het eind van het lied. De aarde zal het mij zingen. De aarde zal mij haar geheim uitleveren, maar mij meteen tot zich nemen voorgoed." Hij wil naar haar toe, maar hij is bang dat iemand anders het eind van het lied zal vinden en haar terug zal halen op aarde, terwijl hij moet blijven. "Ach, ik hoop dat deze angst en wraak niet meer nodig zullen zijn, en dat wij eenvoudig samen voorgoed het rijk van het duister kunnen blijven bewonen. Misschien wijst het lied ons de levenswijs der doden. Vannacht zal ik het horen, het eind van het lied."



Vertelsituatie: Ik-figuur. De ik-figuur vertelt wat hij meegemaakt heeft / meemaakt.

Tijd: Tot en met de tijd in de cel wordt de verleden tijd gebruikt, in het deel daarna de tegenwoordige tijd en in de laatste twee alinea's de toekomde tijd. De oorlog waar hij over spreekt is waarschijnlijk ongeveer in 1904.

Plaats: Het verhaal speelt zich af in Azië en Europa, vooral in Rusland, Zwitserland en Griekenland.

Stijl: Er worden veel korte zinnen gebruikt, veel moeilijke woorden en veel plaatsnamen.

Aandachtspunt: Ook hier wordt er negatief gesproken over westerlingen, bijv. "Florence was weerzinwekkend, volkomen verengelst. De andere kleinere [steden] waren nog erger. De musea waren zo volgepropt met kunstschatten dat alles vulgair werd, een uitstalling in de stoffige vitrines, omstuwd door drommen Amerikaanse en Duitse toeristen met hoogrode koppen en op- en neergaande kaken of perkamentachtige wangen en slappe lichamen, als waren allen rijkgeworden slagers of maagkankerlijders. Hun vrouwen met goggles of faces-a-main voor de fletse of stekende ogen walgden mij meer dan een vijand ooit."



De laatste reis van de Nyborg

Een groot zeilschip, een viermastbark met hulpstoomvermogen, was de Golden Gate uitgegaan en voer op de Zuidzee. De bemanning bestond voornamelijk uit Noren. Toen Soden, de eerste stuurman, 's avonds de ronde moest doen, hoorde hij beneden, waar de grafkisten stonden, gerommel. Hij haalde de kapitein, Fröbom. Fröbom was niet zo bang als Soden en ging kijken. Hij brak de kist die rommelde open en er zaten stenen in. Hij pakte een steen en gooide die weg als een kegelbal. Toen hij weer naar boven ging, bedacht hij dat hij de steen mee moest nemen om te bewijzen dat spoken niet bestaan. Hij kon de steen echter niet meer vinden. De volgende dag nam hij Soden mee in het ruim, maar de stenen waren niet meer te vinden. Later op de morgen begon de storm. Het schip was niet meer te bevaren. Toen de storm was gaan liggen, kwam het schip kapot en met een voedseltekort in de buurt van een eilandengroep. De bemanning wilde aan land, maar de kapitein vond het te gevaarlijk en voer eromheen. Toen de bemanning erachter kwam, bonden ze de kapitein vast en werden ze dronken. Met de hulp van Soden, de tweede stuurman en de kok werden alle andere mannen in het ruim gegooid. Toen het ochtend werd, voer de Nyborg stuurloos langs een eiland. Uit de baai kwam een prauw (boot) en probeerde het schip in te halen. De kapitein haalde de bemanning weer uit het ruim. Hij liet de prauw naderen en liet de mannen aan boord. Jefferson had de leiding. Hij had op het eiland een plantage gesticht en hij had dit jaar voor het eerst een grote oogst rubber. Hij wilde dat het schip het naar Adelaïde zou brengen. Maar het schip moest met Chinese kadavers uit Frisco naar Foochow. En de schipper vond dat hij de lading moest brengen waar hij zijn moest en dat de doden met eerbied behandeld moesten worden. Maar Jefferson zei dat de lijken in één ruim opgestapeld konden worden. Hij bood de kapitein veel geld en de kapitein ondertekende dronken het contract. In de baai werd het schip hersteld. De naam werd veranderd in Aarhuus, Kopenhagen. De arbeiders hadden een paar koppen gestolen. Nadat het schip in Adelaïde geweest was, was de machine kapot gegaan en de kapitein vond het vanwege de riffen te gevaarlijk om Jefferson af te zetten op de Paoemoetoes (eilanden). Toen het schip bijna op zijn bestemming was, liet de kapitein een luik openhakken om de verloren lijken (waar de hoofden van afgehaald waren) te verklaren. Maar toen stak een storm op. Het water kwam in het ruim terecht en de kisten dreven op het dek. De matrozen waren dronken. De lijken dreven tussen de bemanning. Soden was al over boord gesprongen, toen de eerste kisten tevoorschijn kwamen. "De wind was naar het graveneiland, zodat sommigen hun bestemming toch bereikten. De kustbewoners vonden in de loop van de volgende dagen twaalf kisten die nog gesloten waren - de rijksten hadden het hechtste hout - en wrakstukken, waaraan in laatste doodstrijd zich lichamen hadden geklemd. Men scheidde niet wat de dood verenigd had, maar groef een grote kuil en wierp er alles in. Zo kwam Fröbom met een deel van zijn lading in de vette aarde te liggen, in plaats van ter ruste te gaan in het karkas van zijn schip, dat zweefde tussen wind en water, door de diepten, bij de Japanse kust, waar nog geen peillood grond heeft gevonden..."



Vertelsituatie: Er is geen ik-figuur. Er zijn alleen hij-figuren.

Personages: Fröbom is de kapitein. Hij doet zijn best om zijn schip heel te houden en hij is moedig. Soden is de eerste stuurman. Hij is bang voor de doden in het ruim. Kirgaard is de machinist. Hij is dronken en bang voor de dood.

Tijd: Het verhaal is chronologisch en in de verleden tijd verteld.

Plaats: Het verhaal speelt zich af op de Grote Oceaan, op het schip.

Aandachtspunt: Er spelen geen vrouwen in het verhaal.



Larrios

De ik-figuur begint met vragen: of het toeval was dat hij haar telkens ontmoette, waarom hij haar telkens vond en haar toch iedere keer reddeloos verloor. Hij heeft haar vier keer ontmoet. De eerste keer was hij op reis in Europa. Hij reed in de trein en op een veranda in Burgos stond zij en ze groette hem. In Vittoria zou hij uitstappen en teruglopen, want hij had geen geld. Maar hij was te moe en hij twijfelde. Hij had alleen nog een biljet naar Bordeaux. Daar ging hij aan boord op een schip naar Seattle. Tien maanden later ging hij naar Burgos, maar hij kon Larrios niet meer vinden. Hij dwaalde en kwam haar tegen in een andere stad. Ze was naaister. Hij bleef bij haar slapen en de volgende morgen was ze weg. Hij scheepte in op de Glenmore. Boven zijn hangmat had hij haar gezicht in het hout gesneden. Omdat hij bang was dat iemand anders het zou zien, had hij er een plaatje overheen gehangen van iemand die op haar leek. Toen de Glenmore door een aanvaring in het dok moest, nam hij de portretten mee en ging hij op de Elefanta naar het oosten. Daar ontmoette hij Jorgen, aan wie hij de portretten liet zien. Hij zei dat hij haar kende en wist waar ze was. Ze gingen Shanghai in en kwamen bij een vervallen gebouw. Ze zochten haar op in een boek en hij ging naar haar toe. Hij liet haar zijn kleren aantrekken, zodat zij kon vluchten. Een Ier die ook naar Larrios toe wilde, hielp hem. Larrios was naar Manila gegaan en hij was daar blij om. "Zolang zij in Shanghai zit, is ze een prostituée. In Manila is ze weer de Spaanse vrouw uit Burgos, uit Malaga." In Manila kon hij haar niet vinden, totdat hij op een dag de heuvels in ging, waar de landhuizen stonden. Daar zag hij haar in een tuin. Ze had een nieuwe 'eigenaar'. Ze bood aan het geld van de bootreis terug te betalen, maar dan moest hij 's avonds terugkomen, want hij zag er te armoedig uit. Het leek hem niet nodig om zelfmoord te plegen, want hij vond dat hij in de oude vieze schepen "onder de lage balken, in de smalle kooi, malm hout tegen het hoofd en voeten en boven mijn lichaam" al praktisch dood was. "En als ik, de eerste nacht van land af, een stuk hout [portret] dat mij jarenlang na was als een deel van mijn lichaam, samenbind met een steen en dat neer laat vallen van de plecht: één, twee, drie, voor eeuwig, - is dat niet evengoed als een touw om mijn hals, of een roosterbaar aan de voeten? Alles kan zo blijven. Wat is er eigenlijk ook veranderd?"



Vertelsituatie: Ik-figuur.

Tijd: Het grootste gedeelte wordt achteraf verteld. De inleiding (de vragen) is in de verleden tijd, dan komt "Het begon lang geleden...". Vanaf dat hij haar ontmoet in Shanghai wordt vooral de tegenwoordige, maar ook nog wel de verleden tijd gebruikt. Het einde is in de tegenwoordige tijd.

Personages: De ik-figuur zoekt Larrios, maar als hij haar ontmoet, is dat toeval.

Plaats: Van Europa, Spanje via China, Sjanghai naar Manila.

Stijl: Veel korte zinnen, niet moeilijk te lezen.

Aandachtspunt: De tekst is opgedeeld in vijf gedeelten: ·

de ontmoeting in Burgos (Spanje), ·

(tien maanden later terug in Burgos) ontmoeting in een andere stad ·

ontmoeting in Shanghai ·

ontmoeting buiten Manila ·

slot



Such is life in China

's Morgens vroeg in een baai varen twee boten op elkaar af. Talman en Ibsen, die de boten besturen, spreken om elf uur af bij Josiah. Ibsen is een goede loods, die niet kan werken als hij niet gedronken heeft. Hij moet een schip de haven in brengen. Hij laat de gele vlag, die laat zien dat er cholera aan boord is, weghalen, want in de stad heerst er ook cholera. Eddy Talman werkt op een kantoor. Hij is manager van de South China Bank en honorair consul van Letland, Holland, Oostenrijk en nog paar kleinere naties. Hij werkt hard om op tijd bij Josiah te zijn. Als hij op weg gaat, komt hij Bruce tegen. Bruce is een arts van de Amerikaanse missie, die christenen en heidenen met dezelfde toewijding helpt. Talman probeert Bruce mee te krijgen, maar Bruce heeft haast. Hij belooft later te komen, nadat Talman gezegd heeft dat de nieuwe scheepsarts, een Schot, ook zal komen. Als Bruce bij Josiah komt, wil hij koffie, maar dat krijgt hij niet. Hij krijgt drank en voelt zich meer op zijn gemak dan in het hospitaal, waar hij heel weinig heeft of thuis bij Mrs Bruce en zijn zes kinderen, waar het nog kariger is. Die avond hield Talman in zijn villa Toplight, die van achter aan de rand van de hoogste rots van het eiland grensde, een feest. Young, de kapitein van de Glenmore, en de Schotse scheepsdokter twijfelden of ze zouden gaan. Ze gingen eerst naar de villa van Ibsen, waar Dupérier ook was. Emile Dupérier was importeur van Amer Picon en consul van Frankrijk en Andorra, op het punt van religie de tolerantie zelve, maar de meest fanatieke Engelsenhater op de kust. Samen gingen ze naar Talman. Iets later kwam Bruce ook. De volgende ochtend was Bruce niet in de kerk en Reverend Rissler werd boos op Mrs Bruce. Ondertussen was Bruce in het hospitaal. Hij wilde weg, maar hij wist niet waarheen. Hij ging, nadat hij nog wat zieken bezocht had, naar huis. Het verhaal eindigt met een beschrijving van de baai, waar Ibsen naar een schip vaart en Talman naar zijn kantoor gaat, terwijl Dupérier in zijn tuin zit en erover denkt om naar Frankrijk terug te gaan.



Vertelsituatie: Er zijn alleen hij-figuren.

Personages: Bruce drinkt niet veel. Hij probeert zijn werk als arts goed te doen. Josiah is de waard, "een oude Yank, log en traag".

Tijd: De vertelde tijd omvat zaterdag, zondag en maandagochtend. Het hele verhaal is in de tegenwoordige tijd.

Plaats: Langs de kust van China.

Aandachtspunt: "Wat zou er gemist worden als de zon eens niet meer kwam? Maar zij komt toch, en daarmee ook dit verhaal te voorschijn."
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen