U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : J. Bernlef - Hersenschimmen.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=1726 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1279 woorden.

Uitgeverij Querido, 35e druk 1991.

Iets over de schrijver.

J. Bernlef, pseudoniem van Hendrik Jan Marsman, is geboren in Sint Pancras in 1937. Na de lagere school doorliep hij de HBS. Hij werd op het spoor van de literatuur gezet door zijn leraar Nederlands en zijn vrienden Gerard Stigter en Gerard Bron, die beiden ook gingen schrijven onder de pseudoniemen K. Schippers en G. Brands. Marsman heeft een pseudoniem genomen om verwarring met de Friese dichter Marsman uit de achttiende eeuw, te voorkomen.
Terugkerende thema's in het werk van Bernlef zijn: waarnemen, vergeten, herinneren, verdwijnenen en afwezigheid. Enkele bekende boeken van hem zijn: 'Hersenschimmen', 'Cellojaren', 'Publiek geheim' en 'Onder ijsbergen'.

Titel.

De titel komt één keer letterlijk voor in het boek. (Blz. 158) In deze passage vraagt Maarten zich af waar het leven gebleven is: "… is er wel zoiets?… of was gewoon alles inbeelding van het hoofd?… hersenschimmen?" Hersenschimmen zijn waandenkbeelden. Er wordt door de schrijver gesuggereerd dat er van het leven, hoe mooi het ook is geweest, niets over blijft dan wat vage bewustzijnstoestanden die niet meer kunnen verbergen dat ieder idee op zelfbedrog berust en dat de mens maar een incident in de natuur is. Dit blijkt ook duidelijk uit een passage (Blz. 95) waarin Maarten tegen Dr. Eardly en Vera zegt dat de mens een zinvol leven denkt te leiden, maar in werkelijkheid blijkt dat een waandenkbeeld te zijn: als je het universeler ziet, zijn we niets anders dan mannelijke en vrouwelijke deeltjes die rondzwerven en toevallig samenkomen en versmelten.

Inhoud.

Op een winterse zondagmiddag merkt de 71-jarige Maarten Klein dat hij dementeert: hij vergeet allerlei dingen zoals de dag van de week en dat hij hout zou halen. Hij slaapt die nacht slecht en gaat aangekleed, midden in de nacht, beneden zitten puzzelen. Ook de volgende dag maakt hij allerlei vergissingen en hij raakt in verwarring. Hij zwerft een halve dag rond, raakt zijn hond kwijt en wordt uiteindelijk gevonden door zijn ongeruste vrouw, Vera.
Aan de vergissingen komt geen einde. Op dinsdag wil hij opeens weer naar zijn werk gaan voor een vergadering van de IMCO, een organisatie voor zeevisserij. Hij breekt de deur van een zomerhuisje open en houdt een redevoering. Plotseling beseft hij waar hij mee bezig is en gaat vlug naar huis. Woensdag wil Vera niet dat Maarten naar buiten gaat omdat ze bang is dat hem iets overkomt. Ze wordt echter gek van Maarten die kinderachtig steeds maar vraagt of hij naar buiten mag. Ze laat hem alleen thuis. Als Maarten de hond buiten hoort blaffen en geen mogelijkheid ziet om de deur open te doen, gooit hij zonder twijfel een stoel door de ruit. Vera kan het niet meer aan en donderdag komt er een verpleegster, Phil, om haar een beetje te ontlasten. Maarten vraagt keer op keer wie de verpleegster is: een vriendin van zijn dochter, de pianolerares?
Tenslotte wordt Maarten op zaterdag opgenomen in een 'witte' kliniek. Hij kan nauwelijks meer denken, alleen nog maar wat stamelen en waarnemen zonder verbanden te zien: hij is mentaal geheel afgetakeld.

Motto.

(Stond niet in deze druk)

"Ä touching dream to which we all are lulled.
But wake from separately."
Uit: 'The Building' van Philip Larkin.

Vertaald staat er het volgende: "een mooie droom waar iedereen wordt ingewiegd en elk apart uit wakker wordt." Volgens Bernlef staat het hele leven in teken van de dood, leven is langzaam sterven. Maarten verwijt zijn toenemende verwarring aan het winterseizoen. Hij kijkt uit naar de lente. Het is een geruststellende gedachte. De lente staat voor de dood. Het naderende voorjaar is een aanduiding van het onomkeerbare proces dat Maarten door gaat. Zo blijkt dat het hele verhaal in teken staat van de dood.

Psychologische laag.

Maarten klein gaat in een paar dagen mentaal heel hard achteruit. In het begin vergeet hij alleen de tijd maar uiteindelijk vergeet hij zijn herinneringen en kan alleen nog maar wat bazelen zonder enig verband.

Thematische laag.

Hersenschimmen zijn waandenkbeelden. Er wordt door de schrijver gesuggereerd dat er van het leven, hoe mooi het ook is geweest, niets over blijft dan wat vage bewustzijnstoestanden die niet meer kunnen verbergen dat ieder idee op zelfbedrog berust en dat de mens maar een incident in de natuur is. De mens is ervan overtuigd dat er een heel systeem achter alles zit. Zo ook de vader van Maarten. Hij registreerde altijd de temperatuur en andere weersaspecten. (Blz. 9) Hij zei alleen feiten te registreren, maar daarachter vermoedde hij een systeem dat we ons niet voor kunnen stellen. De werkelijkheid laat zich blijkbaar niet achterhalen of in een systeem van cijfers en getallen dwingen, want geen van de prognoses van Maarten voor de IMCO waren ooit uitgekomen.
Sneeuw is een vrij belangrijk symbool in Bernlefs werk en ook in dit boek. Sneeuw staat voor de dood. In de winter lijkt het ook alsof de natuur dood is. Sneeuw zorgt ervoor dat de sporen verdwijnen. Maarten wijst de sneeuw en de winter aan als oorzaak van zijn dementie. Er valt namelijk steeds meer sneeuw en zijn herinneringen raken ook steeds meer weg. Maarten verlangt dan ook naar de lente, omdat hij merkt dat hij deel uit maakt van een grotere beweging die hem uiteindelijk zal doen opgaan in de witte omgeving. Uiteindelijk komt hij in een 'witte' kliniek terecht.
Uiteindelijk zijn al zijn herinneringen bedekt en daardoor bestaat hij als het ware niet meer: hij is voor zichzelf en anderen een ander persoon. (Depersonalisatie) Hij vergeet zichzelf. Eerst vertelt hij in de ik-persoon en later in de hij-persoon. Hij vertelt over een ander persoon. Mensen leven van hun herinneringen. Als die er niet meer zijn, is er niets meer. (Blz.105-106) Hij bestaat dus niet meer als de persoon die hij was. Alles wat hem tot Maarten Klein maakt wordt weggedrukt. Dit lichaam drukt mij eruit. Als een drol word ik uit mijzelf geperst, zegt hij. (Blz.143)
Meeuwen hebben ook een symbolische functie in het verhaal: de meeuw symboliseert een trots soort onverschilligheid ten opzichte van het leven. Ze stellen de onbeperkte vrijheid voor. Ze cirkelen boven het land zonder last te hebben van dit soort dingen als dementie. Ook honden en in het bijzonder Robert, de hond van Maarten, hebben dit: ze gaan niet in totale verwarring ten onder. Honden hebben zonder dat ze het zelf weten een ingebouwde klok, zoals Maarten zegt. (Blz. 91) Ze hebben steeds hetzelfde levenspatroon, zonder verwarring.
Het belangrijkste thema in dit boek is het reductiethema. (Het verdwijnen en vergeten)De leefwereld van Maarten wordt steeds kleiner. Hij wil dit tegengaan door naar buiten te gaan. Vera houdt hem hierin tegen door hem binnen te houden en hij probeert dit te doorbreken door een ruit kapot te gooien. Langzamerhand verdwijnt hij zelf: voor de spiegel ziet hij zichzelf niet meer, de spiegel is wit. (Blz. 126)
In het verhaal bevindt zich ook een vooruitwijzing. Maarten heeft nooit het einde van de 'IJswoestijn' van Jules Verne vergeten. Kapitein Hatteras is op zoek naar de noordpool. Hij werd gek van al dat wit. Hij kwam in een gesticht terecht. Daar liep hij alsmaar naar het noorden. Tot hij niet verder kon. Als hij dit vertelt aan Phil, de verpleegster, kan hij nog niet vermoeden dat dit slot verassend veel overeenkomsten vertoont met zijn eigen slot.

Secundaire literatuur.

Memoreeks, "hoofdstuk IV. Analyse", blz. 17-32.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen