Boekverslag : Connie Palmen - De Wetten : Roman
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3675 woorden.


Amsterdam januari 1991 (eerste druk)

Samenwerkende Uitgeverijen Prometheus/Bert Bakker/Ooievaar

De wetten

Connie Palmen

Geboren: 25 november 1955

Debuut: De wetten (1991, roman)

Genres: Roman, non-fictie

Bijzonderheid:


Op 14 februari 1998 verscheen de roman I.M. die ze schreef over haar relatie met de in 1995 overleden Ischa Meijer. Die dag is behalve Valentijnsdag de verjaardag én sterfdag van Ischa Meijer.

Citaat:


'Tot afgrijzen van menige vrouw schrijf ik in De wetten dat ik schrijven een mannelijk beroep vind. Dat vind ik ook. Alleen mannen hebben daar de tijd voor. Vrouwen moeten kinderen krijgen, veel bij hen zijn, lekker koken. Het ís ook het mooiste wat er is, het dragen, het baren en het zorgen voor kinderen. Maar al zal ik zelf het woordelijke baren nooit boven het vleselijke baren stellen, ik vind het prachtig dat je aan zo'n natuurdrift geen gehoor meer hoeft te geven.' (Geletterde vrouwen, 1996)

Recent werk: De vriendschap (1995, roman), I.M. (1998, roman), De erfenis (1999, Boekenweekgeschenk), Echt contact is niet de bedoeling (2000)

Ik heb dit boek gekozen omdat, hoewel het enige wat ik ervan wist de hoofdpersoon een studente filosofie was, de titel mij nieuwsgierig maakte en ik wist dat het boek zou aansluiten bij het onderwerp van mijn literatuurdossier.

De voorkant bestaat uit een zwarte achtergrond met daarop vier goedkleurige blokken met de tekst CONNIE PALMEN DE WETTEN, een woord per blok. Op de achterkant staat slechts het citaat ‘De wetten is een grote schatkamer waaruit je naar hartelust citaten kunt halen die het verdienen onthouden te worden.’ uit een recensie van het nrc Handelsblad en een grote foto van de schrijfster.

Samenvatting


Hoofdstuk I ‘De astroloog’ De astroloog ontmoette ik voor het eerst toen ik aan het werk was in een modern antiquariaat in de zomer van 1980, vrijdag de dertiende. De kleine, gedrongen man met een volle baard en zo’n halve bril ergerde me, waardoor ik merkte dat ik een slecht humeur had. ‘Boogschutter-Schorpioen’, zei hij. Klopt. De astroloog blijkt een eenzame, op het eerste gezicht afstotende man, getekend door een liefdeloze jeugd. De astrologie is voor hem een manier om zijn leven (en dat van anderen) zin te geven door middel van kosmische verbanden. Hij kan 'de onverschilligheid van het lot' niet verdragen en zoekt daarom steun door zichzelf op te noemen in 'een groot verhaal'. Hij noemt me 'monsieur Lune'.

Hoofdstuk II ‘De epilepticus’ Tijdens een college over Thomas Mann (in 1981) ontmoet ik de epilepticus Daniël Daalmeyer. Ik belandde naast een donkerharige jongen aan wie ik geen aandacht besteedde tot het moment waarop hij me om een pen vroeg. Ik heb alleen mooie pennen. Ik leen mijn pennen niet graag uit. Door zich te concentreren op zijn bijzondere ziekte gaf Daniel zijn leven structuur. Het filosoferen over de 'betekenis' van verschillende ziektes is voor hem een levensvervulling geworden. Hij noemt haar 'Theresa'.

Hoofdstuk III ‘De filosoof’Vanaf 1982 volg ik de filosofiecolleges van professor De Waeterlinck, een man die me aanvankelijk imponeert doordat hij 'het gezicht' heeft. Guido is helemaal gek op Hegel , een oud filosoof . In tegenstelling tot haar bewondering voor Foucault , wil hij niets van moderne filosofen weten. Ze wil net zo leren schrijven als hij. Ze leert van hem dat taal en wetenschap een grote invloed op het doen en laten van iemand heeft. Nog een ander verschil tussen haar en Guido met betrekking tot filosofie: hij is erin geïnteresseerd hoe je moet sterven terwijl zij juist wil weten hoe je leert te leven.

Hoofdstuk IV ‘De priester’ Het is een zondagmiddag in maart 1983 wanneer ik aan bel bij Clemens Brandt. Nadat ik de belknop ingedrukt heb,veeg ik mijn rechterhand af aan mijn rok en probeer haar zo lang mogelijk droog te houden. Als hij de deur opent zie ik de lelijkste man die ooit gezien heb. Clemens Brandt is een ex-geestelijke en een uitmuntend filosoof. Ze discussiëren over wat literatuur nou eigenlijk literatuur maakt. Hij noemt haar 'Em'. Tijdens de tweede ontmoeting vertelt de gebochelde man dat hij zich van tijd tot tijd door de hoeren laat afranselen. Later kleedt 'Em' hem liefdevol uit. De volgende ochtend voelt ze alleen walging.

Hoofdstuk V ‘De fysicus’ De pijn om mij de astroloog te herinneren,onze uren, onze gesprekken,zijn treurige ogen, het gebogen lichaam, zijn tranen en zijn gekte,werd doorkruist door het opwindende vooruitzicht eindelijk kennis te maken met een echte fysicus en beta-man. En dat deed ze. Als ze hem vier dagen voor de begrafenis ontmoet bewondert ze zijn kalmte en is gefascineerd door zijn beweging. Hij legt haar uit dat de moderne natuurkunde geen vaste wetten meer kent. Ze vraagt of hij haar leermeester in de liefde wil zijn, alsof ze nog maagd is. Tot op de dag van de begrafenis van hun gezamenlijke vriend woont hij bij haar. Daarna gaat hij terug naar Frankrijk; dit betekent het einde van de verhouding.

Hoofdstuk VI ‘De kunstenaar’ De ik-figuur, die Marie Deniet blijkt te heten, ging zitten en schreef, dagenlang, weken achtereen. Ze belt ‘de filosoof’, en verteld hem huilen dat ze het af heeft en dat ze eindelijk weet wat schrijven is. Ik keek hem aan, ik kon niet anders. Hij liep op me af. ‘Moet ik jou kennen?’vroeg hij. ‘Nee’, zei ik, ‘Ik ken jou.’ Daarna zei ik: ‘Ik zoek je al heel lang’.De ontmoeting met de door haar bewonderde kunstenaar Lucas Asbeek vindt plaats vlak na haar doctoraalexamen. Hij is wanhopig, want hij wil niet meer dat anderen betekenis geven aan zijn werk. Marie probeert hem duidelijk te maken dat mensen betekenisdieren zijn en dat geen mens zich dus kan onttrekken aan de betekenistoekenning. Maar Lucas weigert een personage te worden in een boek (zoals Socrates dat werd in Marie Deniets afstudeerscriptie). Hij meent dat taal - dat wil zeggen: het betekenis geven - het zicht op de werkelijkheid juist blokkeert. Zij lijdt onder dit gedrag. Doordat Lucas zich blijft terugtrekken, moet Marie uiteindelijk door fysieke uitputting de strijd opgeven.

Hoofdstuk VII ‘De psychiater’ Het laatste hoofdstuk bestaat uit stukken monoloog van Marie tegenover een psychiater. Eigenlijk bent u zoiets als een professionele lezer. Zij heeft hulp ingeroepen omdat ze geen betekenis meer kan geven aan haar eigen leven, ze kan er geen verhaal meer van maken. Zijn het dan alleen de anderen die haar bestaan betekenis moeten geven? Ze zet zich af tegen de mannen die de wetten maken. Ze dankt de psychiater (de professionele lezer) dat hij haar heeft laten schrijven en nog meer voor 'het wonder' dat hij aan haar verhaal een betekenis heeft kunnen geven.

Welke wetten worden bedoeld?


Met de wetten worden de wetten bedoeld die door de mannen die de hoofdpersoon ontmoet heeft gemaakt zijn.

Welke betekenis hebben de wetten?


De wetten die deze mannen gemaakt hebben gelden voor het leven. De mannen hebben over het leven ieder een eigen opvatting, visie, een wet, die voor hen geldt.

Wat doen de wetten met de hoofdpersoon?


Marie Deniet is op zoek naar het onbekende waar ze al jaren vruchteloos naar op zoek was (blz. 68; r.14-17), naar de wetten van het leven. Door de ontmoetingen met verschillende mannen probeert ze die wetten te vinden en te begrijpen. Uiteindelijk leidt het tot afzetting tegen de wetten die ze van de ontmoette mannen geleerd heeft, omdat ze niet kan bevatten dat het blijkbaar alleen de anderen een rol spelen bij de betekenis van haar bestaan.

Motto


Het motto van dit boek is niet in een zin samen te vatten. Maar waar het op neer komt is dat iedereen zijn eigen levenswetten maakt, en moet maken. Ieder individu streeft naar het naleven van zijn eigen visie op de betekenis van zijn of haar leven. De gedachte erachter is volgens mij ook dat ze er in het boek achterkomt dat ze niet de levenswetten van anderen over kan nemen, als uitkomst van haar zoektocht. Ze moet eigen levenswetten samenstellen. Dat is de reden dat de zich aan het einde van haar zoektocht ook afzet tegen de wetten van de mannen die ze heeft leren kennen. Of ik het nu over de schrijfster of de hoofdpersoon heb, is mijzelf eigenlijk ook niet duidelijk. Dat komt misschien doordat het boek in een stijl geschreven heeft die veel op een autobiografie lijkt. Maar het verband tussen het motto en het thema is de conclusie op haar zoektocht en de zoektocht naar de levenswetten zelf.

Personages


Marie Deniet
De karaktereigenschappen van Marie Deniet zijn heel erg duidelijk beschreven. Het verhaal is doordrenkt met uitspraken als “Ik kan er gewoon niet tegen als de dingen niet lopen zoals ik mij van tevoren bedacht heb.”(Blz. 53; r.16-17), of ‘Ik kan pas liegen als ik mij er dagen van tevoren op voorbereid heb.’(Blz. 49; r.1-2. Niet alleen doordat ze uitvoerig eerste indrukken van mensen beschrijft en haar eigen gedachten en emoties uitvoerig uitlegt, maar ook door de interpretaties van de mensen om haar heen op haar daden en woorden kom je veel te weten over haar karaktereigenschappen. Ze is erg intelligent en welbespraakt, waardoor ze zoals het op mij overkomt snel een goede indruk op mensen maakt. Ze houdt ervan om helemaal op te gaan in wat haar gesprekspartner zegt. Luisteren is volgens haar vaak beter dan zelf spreken. Ze wil niet schrijven als ze niet alle kennis heeft waarover ze wil beschikken en is nieuwsgierig naar eigenlijk alles. Ze heeft er, zoals ze zelf zegt, plezier in om zoveel mogelijk theorieën los te laten op welk vraagstuk dan ook (blz. 31).
Over haar uiterlijk wordt vrij weinig gezegd terwijl de verschijningen van de personen uit haar omgeving wel uitvoerig beschreven worden. Het enige wat ik weet is dat ze blond is. Dat weet ik omdat ze bij een flashback naar haar jeugd verteld dat haar iemand haar de bijnaam ‘witte’ gaf, daarbij lichtte ze haar haarkleur toe.

Ik krijg de indruk dat haar dialogen met andere mensen altijd ergens over gaan. Dat ze altijd weet waar ze over praat en niet bang is om te zeggen wat ze kwijt wil. Het komt vaak voor dat ze zich uitdagend opstelt tegenover haar gesprekspartner. Haar probleem is, zoals eerder genoemd, haar zoektocht naar de wetten van het leven.

Ze woont in een appartementje dat praktisch volgestouwd is met boeken in de Pijp in Amsterdam. Marie kan zich niet identificeren met vrouwen. De hoofdpersoon lijkt me erg interessant. Ik denk niet dat ‘aardig’ de juiste benaming voor haar zou zijn. Ze is denk ik wel vriendelijk, maar aardig is een verkeerd woord.

Er zijn zoveel dingen die ik niet zou doen als ik de hoofdpersoon zou zijn. Hoewel ik me in sommige opzichten wel kan verplaatsen in de hoofdpersoon, ben ik totaal anders dan zij. Ik zou om te beginnen nooit een verhouding beginnen met een leraar. Ik kan mezelf gewoon niet verplaatsen in de situaties waarin zij vaak zit. Zoals het overspel dat de getrouwde fysicus pleegt door haar ‘leermeester in de liefde’ te worden. Ze heeft het niet op vrouwen, terwijl de meeste van mijn vrienden vrouwen zijn.

De ontwikkeling die de hoofdpersoon doormaakt is duidelijk aanwezig, het speelt een rol in het thema en het motto. Marie is op zoek naar het onbekende, de levenswetten. De volgende ontwikkeling is mijn interpretatie ervan. Ze leert steeds meer en krijgt meer en meer kennis over allerlei zaken, maar wat uiteindelijk het resultaat van die kennisvergaring is, is eigenlijk een voor haar onlogisch resultaat. Hoe meer ze ‘dichterbij het antwoord’ komt, hoe verder weg ze is van wat ze verwacht had. Ze wil kunnen schrijven vanuit een alwetende positie en verwacht die te kunnen krijgen door te leren van ‘de wetten’ van anderen. Hoe meer ze daarvan leert, hoe meer ze het idee krijgt dat ze dichterbij komt. Terwijl het verhaal volgens mij lijdt tot een onverwachte conclusie: ze kan niet ‘alwetend’ worden door anderen. Je bent (het lijkt mij alleen voor je gevoel) alwetend als je jouw ‘wetten’ na kunt leven. Ze komt er dus uiteindelijk ook achter dat ze zelf haar ‘wetten’ moet vormen. Dat is ook het punt dat haar op mij overkomende stabiele persoonlijkheid veranderd in een labiele persoonlijkheid. Ze weet het niet meer en heeft meer vragen dan in het begin van haar zoektocht.



De belangrijkste bijpersonen zijn natuurlijk de mannen die ze ontmoet, behalve de psychiater. Hij is meer een manier om tot conclusie te komen en bovendien niet te beschrijven omdat het enige wat ik van hem weet zijn beroep is.

De astroloog, Miel van Eysden. Hij ervaart zijn leven als een worsteling en is ook ontevreden over zijn leven. "Het is mijn leven, maar ik consumeer het niet." (blz. 30). Sterren en planeten bepalen het leven en vertellen over het leven; de persoonlijkheid van de mensen staat vast, zo gelooft hij. De zoektocht naar de betekenis van het leven zoekt hij vaak in Frankrijk en is ook gericht op de liefde. Hij analyseert de mensen die hij tegenkomt ,in de hoop iemand te vinden waarbij het thema overeenkomt met dat van hem. Hij zoekt een lotgeval. De epilepticus, Daniël Daalmeyer. Hij heeft sinds negen jaar epilepsie en praat enorm veel, "…onafgebroken woordenstroom." (blz. 51). Hij zag zijn epilepsie als "…een kleine venijnige elf die op de rand van zijn hypofyse zit en zich schaterend op de dijen slaat." (blz. 46; r.9-11). Hij is blij met zijn ziekte. Hij heeft een opmerkelijk visie op ziektes van mensen. Hij brengt de ziekte in verband met de persoonlijkheid, sterker nog: de ziekte is de oorzaak van de persoonlijkheid. Zijn stelling: "De ziekte blijkt steeds onderuit gehaald te worden door iets dat hij juist nodig had om zijn meest kwetsbare plek te beschermen. Hegels list van het leven is de blauwdruk van de biografie van de ziekte." (blz. 51).

De filosoof, Guido de Waeterlinck. Hij is een professor filosofie waar Marie Deniet colleges bij volgt. Hij begeleidt Marie bij het schrijven van haar scriptie. Het is een rustige man.

De priester, Clemens Brandt. Hij is een bekend filosofisch schrijver en tevens ook priester, qua uiterlijk een oude, kleine lelijke man met bochel. Zijn priesterschap is echter een formaliteit geworden. Hij beoefent zijn functie al geruime tijd niet meer. Hij heeft slechte tafelmanieren en komt niet zo aardig over. Hij is echter wel gepassioneerd door de filosofie. Hij analyseert Maries karakter dan ook uitgebreid, waarbij hij zijn analyse ondersteunt met citaten van allerlei filosofen. Hij raakt verliefd op Marie. Door zijn liefde voor haar laat de priester zich van een gevoeligere en uiterst open kant zien.

De fysicus, Hugo Montard. Hij is astronoom en een jeugdvriend van de astronoom. Ze waren buurjongens. Hugo is een hele kalme man. Hij werkt met zijn vrouw in Parijs. Ondanks zijn getrouwd zijn heeft hij toch een kortstondige relatie met Marie.

De kunstenaar, Lucas Asbeek. Hij is een kunstenaar. Hij is waar Marie al de tijd (onbewust) naar heeft gezocht. De man met het perfecte gezicht. Hij heeft in een depressie gezeten, waar Marie alles vanaf lijkt te weten. Ze analyseert Lucas. De analyses klinken als waarheid in Lucas' oren alleen begrijpt hij ze niet altijd. Hij vindt Marie net een orakel. Hij kan dit en hoe de rest van de relatie verloopt echter niet aan en verlaat Marie.



Het is hier geen kwestie van (bewuste) tegenwerking. Het zou logisch zijn om te zeggen dat de belangrijkste bijpersonen haar juist helpen, maar je zou het natuurlijk ook anders opvatten. Ze helpen haar zich af te zetten tegen de wetten van anderen, maar je zou ook kunnen zeggen dat ze haar, zoals ze zelf achteraf min of meer beweerd, tegengewerkt hebben. Ze zegt dat ze haar ‘geest verkracht’ hebben. Ze heeft het gevoel nergens grip meer op te hebben, alles gaat buiten haar om. Dat zou je ook op kunnen vatten als tegenwerking. Maar nogmaals, het is geen kwestie van hulp of tegenwerking. Het overkwam haar zonder dat daar een bedoeling van personen achter zit.

Het verhaal begint bij de ontmoeting met de astroloog Miel van Eysden. Er zitten redelijk wat terugblikken in het boek. Heel hoofdstuk II ‘de epilepticus’ bijvoorbeeld is een grote terugblik. Ze vertelt over de ontmoeting met Daniël Daalmeyer terwijl ze naar een hoorcollege van Guido de Waeterlinck gaat. Hoofdstuk III ’de filosoof’ gaat dan ook verder waar het in hoofdstuk II ‘ de epilepticus’ was overgegaan op die terugblik. Marie Deniet is op het einde van het verhaal bij een psychiater geweest, waar ze terugblikte op haar leven dat beschreven wordt in het boek. Na afloop van de sessies is ze er weer bovenop en is ze van har writersblock af. Een open plek blijft wel wat er met haar gebeurt nadat ze van haar depressie is verlost, maar het is geen belangrijke openstaande vraag, omdat de belangrijke vraag van het boek, haar probleem, haar zoektocht, behandeld is, afgesloten. Dus het is een gesloten einde en daar ben ik het mee eens.

Plaats en tijd


Het verhaal speelt zich af van de zomer van 1980, vrijdag de dertiende tot 6 oktober 1986. dat heeft verder geen invloed op het verloop van het verhaal in grote lijnen of de manier waarop de mensen met elkaar omgaan, het gaat om de zoektocht naar de wetten van het leven en dat is oneindig, denk ik. De keuze van de tijd (het boek kwam uit in 1991) is te verklaren aan de hand van het autobiografisch karakter van het verhaal. De auteur, Connie Palmen, komt namelijk in vele opzichten overheen met hoofdpersonage Marie Deniet. Beiden hebben een grote interesse voor de filosofie en hebben ervaring met het schrijversschap. Daarbij komt nog dat beiden een voorkeur hebben voor oudere mannen als liefdespartner. Ook zijn ze volgens mij beide geboren in Limburg.
Het speelt zich voornamelijk af in Amsterdam en een enkele keer in het noorden, als ze bij Clemens Brandt op bezoek gaat. Een keer voor de begrafenis van Miel in het oosten en tijdens haar flashbacks naar haar jeugd in het zuiden. Dat heeft verder ook niets met het verloop van het verhaal te maken. Het thema is tijdloos, plaatsloos en oneindig.

Perspectief


Het vertelperspectief is de ikvorm. Het effect op de lezer was bij mij doordat het verhaal dus veel autobiografische elementen had erg groot. Als lezer ga je door haar beschrijvingen, gedachten en emoties je inleven in haar probleem. Opmerkelijk is dat de naam van de ik-figuur heel erg laat bekend wordt gemaakt. Vanaf blz. 98 is bekend dat ze M.Deniet heet. En pas vanaf blz. 153 is duidelijk dat de ikfiguur Marie Deniet heet. Dit is denk ik bewust gedaan en ik geloof dat dit gedaan is om dichter bij de ik-figuur te kunnen staan, wat overigens werkt.

Titel


Mijn interpretatie van de titel en het motto komt overeen met wat ik daar eerder over heb gezegd.

Belangrijke motieven


Het schrijversschap. Marie Deniet wil schrijven maar zit met de angst vanuit een onwetendheid te schrijven. Haar schrijversschap komt meerder malen naar voren in de kandidaatsscriptie, het essay voor Carmens Brandt, het writersblock.

Filosofie. Dit komt naar voren in de filosofische analyses die vooral Marie van de mannen maakt, maar ook in de visies van de mannen op Marie. Verschillende filosofen als Derrida, Foucalt, Sartre, Kierkegaard en Kafka worden daarbij gebruikt. Vooral Carmens Brandt gebruikt bij de analyse van Marie citaten van verschillende filosofen.

Worsteling met het leven. Miel van Eysden, de astroloog, vertelt over zijn worsteling in het leven, zoals hij dat ervaart, gezien vanuit een astrologisch perspectief, sterke waarde hechtend aan symboliek en met name aan numerologie. Hij is ontevreden met zijn leven. Marie Deniet worstelt ook met het leven. Ten eerste in relatie met het schrijversschap, wat door haar ook als een worsteling ervaren wordt. Maar ook in het algemeen. Ze was op zoek naar het eeuwige, de liefde met Lucas. Dit wordt duidelijk gemaakt in de zoektocht naar het in eerste instantie onbekende. Die onbekende drang, die uiteindelijk dus in de vorm van Lucas Asbeek bleek verklaard te worden, bracht problemen met zich mee als onzekerheid ook over de eigen persoonlijkheid. Marie had niet duidelijk voor haar wat ze wilde. De worsteling met het leven komt vooral naar voren in de relatie met Lucas Asbeek en de sessies met psychiater Daalmeyer. Daar uit zij haar verdriet over hoe haar leven tot dan toe is verlopen, waardoor die worsteling duidelijker wordt.

Thema


Het thema van De Wetten is de zin van het leven. Marie leert over deze zin door naar de mannen die ze tegenkomt te luisteren en van ze te leren. Zij hebben een verschillende kijk op het leven. Er wordt door hen gekeken vanuit de astronomie, filosofie, theologie en fysica.
Filosofie is nogal algemeen, maar het thema van dit boek bestond er naar mijn gevoel helemaal uit. Het klinkt misschien vreemd, maar ik ben niet veel wijzer geworden over het probleem en de oplossing daarvan. Ik heb wel veel geleerd van het boek, maar het lezen van dit boek bevestigde eigenlijk een beetje wat ik dacht en wat de hoofdpersoon ook ervaart. Dat is dat je hoe meer je over de zin van het leven en de ‘levenswetten’ na gaat denken, hoe verwarrender het wordt. En ik denk er misschien wel veel over na, maar ik ben er nooit echt diep op in gegaan, en het is misschien ook beter als ik dat niet doe. De hoofdpersoon krijgt steeds meer mogelijke visies op zaken, dat ze uiteindelijk het gevoel heeft geen ‘baas te zijn van het toeval dat haar treft’. Ze krijgt het gevoel dat alles buiten haar om gaat en dat iemand, ze neemt aan dat die persoon een hij is, de dingen bepaalt zonder dat zij daar inspraak in heeft. Dat vind ik best vreemd. Het lijkt er haast op dat je als je dichterbij ‘het antwoord’ komt, dat hetgeen waar jij ‘geen inspraak’ in hebt, er voor zorgt dat je het nooit te weten kan komen. Dat je bijvoorbeeld zoals de hoofdpersoon in grote verwarring wordt gebracht. In ieder geval kan je dus wel zeggen dat het boek me aan het denken heeft gezet. Ik vond het literair erg goed, omdat er veel mooie citaten inzaten en de gedachten en emoties worden zo goed geformuleerd, dat ik me overal wel iets bij kon voorstellen.




Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen