Boekverslag : Eva Bentis - De Engel En Het Zwaard
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 5047 woorden.

Over Eva Bentis



Eva Bentis werd 1951 in Bennekom op de Veluwe geboren. Ze studeerde criminologie in Amsterdam, een studie die zich onder andere op de vraag richt hoe het komt dat iemand zich afwijkend opstelt ten opzichte van de groep. Deze vraag komt in het werk van Bentis steeds opnieuw naar voren; een eensluidend antwoord is niet te vinden, elke roman beeldt een nieuwe wereld uit waarin de hoofdpersoon door de auteur als het ware in een vacuüm wordt geplaatst. Haar hoofdfiguren kijken vanaf de zijlijn toe maar worden soms meegetrokken in beklemmende verwikkelingen.

Sinds 1978 woont Eva Bentis in Oosterhout en al houdt ze niet van carnaval, ze voelt zich een Brabantse, die de streek niet graag zou willen verlaten. Brabant is steeds het decor van de verhalen voor Inpakken & wegwezen de jaarlijkse verzamelbundel van uitgeverij Contact. Ook speelt de roman Maskerade zich af in Breda. Zo wordt La Bohème, de beroemde bonbonnerie, erin genoemd.

Eva Bentis is getrouwd en heeft een zoon en een dochter, die het ouderlijk huis al op jonge leeftijd hebben verlaten, waarna zij zich met des te meer enthousiasme op het schrijven heeft gestort.



Bibliografie



Moeders en dochters (1989)

Maskerade (1991)

De engel en het zwaard (1994)

Het gif kraait koning in mijn hoofd (1996)

Het meisje in het marmer (1997)



INHOUD

Nederland

De Roemeense Irina Stanescu is uit Boekarest per vliegtuig naar Nederland

vertrokken, met de bedoeling politiek asiel aan te vragen. Ze heeft alleen wat

handbagage bij zich, op haar borsten verbergt ze dollars, een geschenk van haar

moeder. Opvallend is dat ze een hoofddoek draagt. Na haar aankomst op Schiphol

gaat ze naar Amsterdam om een hotel te zoeken. De eerste alinea van het boek

beschrijft de kennismaking met een westerse stad van iemand die gewend is aan

het grauwe en schaars verlichte Boekarest. 'Angstig van geluk. Langzaam dringt

tot me door waar ik me bevind; niet thuis in bed of op de brits in de gevangenis

maar in een vreemde hotelkamer in een onbekende stad. Een stad in feesttooi,

waar reclamelampen aan- en uitschieten als bliksem- flitsen in de nacht (...).

Op de bruggen en gevels zijn schijnwerpers gericht, die de bladeren van de bomen

langs de gracht in bladgoud zetten. Mijn ogen tranen van zoveel overdaad.'

De volgende ochtend meldt ze zich vol bange vermoedens bij de vreemde-

lingendienst in Amsterdam; zij brengt de wachttijd door in een park, waar zij

het gevoel heeft dat ze geschaduwd wordt. Angstig ondergaat ze het eerste

gesprek met agent Robert Jansen, die tot haar verbazing geen uniform draagt.

Tijdens het (in het Engels gevoerde) gesprek moet ze denken aan verhoren die ze

in Roemenië heeft ondergaan, ze raakt in paniek. Als er foto's en

vingerafdrukken van haar worden genomen, vreest ze dat zo de Securitate, de

voormalige Roemeense geheime dienst, haar op het spoor zal komen.

Per trein reist ze naar Valkenburg, daar moet ze samen met dertig andere

Roemenen en wat Iraniërs wachten op ambtelijke beslissingen. De hoteleigenaar is

hartelijk, hij ziet met lede ogen aan hoe weinig Irina van zijn kostelijke eten

wil nemen. Met haar landgenoten bemoeit Irina zich zo weinig mogelijk, die

benijden elkaar eventuele kansen op het verkrijgen van een status als

asielzoeker. Irina is de enige van hen die een Roemeense gevangenis van binnen

heeft gezien; zij vreest dat er onder haar mede-asielzoekers verklikkers zijn.

Ze brengt haar tijd door met haar herinneringen, die onafgebroken door haar

hoofd malen. Aan contact heeft ze geen behoefte. Wel zou ze graag iets onder

handen hebben, maar zo lang asielzoekers nog geen status hebben (officiële

erkenning als vluchteling) mogen ze niet studeren of werken.

Al na drie weken krijgt ze zelfstandige woonruimte in Amsterdam aangeboden, iets

wat niet vaak voorkomt. Vlak daarvoor heeft ze voor het eerst een brief naar

huis geschreven. Irina reist weer per trein en wordt bij de Sociale Dienst van

Amsterdam ontvangen door medewerker Frans-Jan, die haar naar een kleine flat

brengt. In de hierop volgende periode ondergaat ze, bijgestaan door een

vrijwilliger van Vluchtelingenwerk, een interview met een contactambtenaar van

het Ministerie van Justitie. Een tolk vertaalt haar Roemeens. De ambtenaar zegt

dat de toestand in Roemnië sinds de val van Ceausescu sterk verbeterd is.

Achteraf hoort ze dat ze vanwege de val van diens bewind niet de status van

politiek vluchteling heeft gekregen; tegen dit oordeel mag ze in hoger beroep

gaan. Frans-Jan bespreekt dit met haar. Volgens haar is het gevaar voor Roemenië

nog helemaal niet geweken en dreigt er voor heel Europa onrust. Het Westen laat

zich in slaap zussen, zegt ze tegen Frans-Jan, die haar te somber vindt. Ze laat

hem zien waarom ze een hoofddoek draagt: ze is geheel kaal.

Bezigheden heeft Irina niet, ze mag niets doen. De enige onderbrekingen zijn de

gesprekken met Frans-Jan, die haar echter ook niet altijd begrijpt. Ze schrijft

brieven naar haar moeder, al verzwijgt ze daarin wat haar kwelt; antwoord

ontvangt ze niet. In haar flat staart ze uren lang voor zich uit of kijkt ze tv.

Slapen kan ze niet, 's nachts komen gruwelijke herinneringen in haar op. Ze

gedraagt zich in wezen vreemd, heeft last van achtervolgingswaanzin, raakt

verstrikt in eindeloos gepieker. Alleen in de bibliotheek voelt ze zich prettig,

ze leest Franse boeken en moet denken aan de bibliotheek van Boekarest.

Ze bezit een brief uit 1933 die Nederlanders aan haar grootmoeder, Diana de

Boer, hebben geschreven. Vanwege de Nederlandse grootmoeder heeft ze dit land

uitgekozen. Ze zoekt de familie De Boer op, het briefadres uit Abcoude wordt nog

steeds door een De Boer bewoond: een oude man. Diana de Boer is in de jaren '20

naar de Sovjet-Unie gegaan om te helpen het land op te bouwen, daar heeft ze

kennis gemaakt met een Roemeen. Hun kind is de moeder van Irina. In de familie

is Diana altijd een buitenbeentje gebleven, nu nog maakt de oude man zich kwaad

over haar avonturendrang. Later nodigt de kleindochter, die het gesprek vertaald

heeft, Irina uit voor een tweede bezoek, ook dat is geen succes. De

vriendelijkheid van de familie is afgemeten. Nog eenmaal is ze daar, uitgenodigd

voor een familiefeest. De gasten negeren Irina.

Irina wordt ziek, maar uit angst dat een consult van een arts haar kansen op een

status zal verkleinen bezoekt ze geen arts. Haar advocaat stuurt haar echter

naar een huisarts.

In deze maanden leert ze zichzelf wat Nederlands aan. Verder begint ze door

Amsterdam te lopen, daarbij ontdekt ze het Rijksmuseum - heimwee overvalt haar.

Toch bezoekt ze het museum vaker. Op een dag ontdekt ze dat een voorzichtig

begin van haargroei, langzaam ontstaat op haar kale schedel een donslaagje. Ten

slotte kan ze haar hoofddoek aflaten: ze heeft weer haar, zij het grijs en nog

zeer kort. Ze merkt dat de mensen op straat nu minder vreemd naar haar kijken.

Nu pas koop ze westerse kleding. Al die tijd heeft ze haar oude Roemeense, in

Nederland uit de toon vallende jurken en vest gedragen. Op dezelfde dag ontvangt

ze voor het eerste een brief uit Roemenië: Mariana, haar zus, schrijft dat het

leven in Roemenië steeds armzaliger wordt. Dana, haar moeder, is na Irina's

vertrek geestelijk ingestort. Omdat Mariana en haar man geen tijd hebben om haar

te verzorgen, is Diana naar een inrichting gebracht. De verzorging is zeer

slecht. Verder schrijft ze dat Irina een baan is aangeboden als wetenschappelijk

medewerkster in het Roemeense Cluj-Napoca.

Het boek eindigt met een bezoek aan het inmiddels vertrouwde museum. Staande

voor een schilderij met madonna overweegt Irina of ze terug zal keren naar haar

moederland.



Roemenië

Jeugd en familie Irina bracht haar jeugd door in Boekarest, waar zij met haar

moeder woonde, Dana Stanescu, en haar zus Mariana. Ze behoorde tot de

bevolkingslaag die het naar verhouding goed had. Haar moeder, trouw lid van de

communistische partij, is directrice van een grote staalfabriek. De fabriek is

buiten Boekarest gevestigd. Elke zomer was Irina weken lang bij haar vader, Ion

Marcu. Een norse man die pas ontdooide tijdens de ruwe bergtochten die Irina

leerden ontberingen te verdragen. Hij protesteerde vaak tegen de

collectivisering van het platteland, wat tot ruzies met Dana leidde.

Uiteindelijk verliet hij zijn gezin. Met zijn dochter maakte hij 's zomers

tochten die haar uithoudingsvermogen vergrootten. Ze verbleven ook wel op de

boerderij van zijn ouders, in de Karpaten (Roemeens berggebied). Irina's

grootvader dronk veel tuica en vertelde sprookjes. Op de boerderij werden

zomerfeesten gehouden. Na zo'n zomer kwam ze verwilderd en ongetemd bij Dana en

Mariana terug. Toen Irina volwassen was, overleed haar vader aan kanker. Later

bleek de boerderij van haar grootouders volledig verdwenen te zijn.

Haar grootvader van moeders zijde, Ipu, had als opstandig jong ingenieur in de

gevangenis gezeten. In de jaren twintig was hij in Siberië geweest, als helper

van de Sovjets. Daar leerde hij Diana de Boer kennen, die van hem een kind

kreeg. Terwijl hij zelf in Moskou verbleef, overleed Diana van de honger; het

kind, Dana, werd door een Roemeense vrouw verzorgd: Elvira. Met haar keerde hij

terug in Roemenië, uit veiligheidsoverwegingen stelden zij Dana als Elvira's

eigen kind voor. Met Elvira als grootmoeder is Irina opgegroeid. Nog steeds

ontvangt Irina's grootvader elk jaar een kerstkaart uit Nederland. Als aandenken

geeft hij Irina de Nederlandse bijbel die Diana de Boer 'uit sentimentele

overwegingen' had meegenomen en een aan Diana gerichte brief uit Abcoude.

Ipu was minister onder dictator Dej, de voorganger van Ceausescu, todat Dej zijn

getrouwen liet oppakken. Opnieuw bracht Ipu jaren in de gevangenis door. De

laatste maanden van zijn leven dementeert hij, nu zit hij 'in zichzelf

gevangen'. Als oud-minister geniet hij enige voorrechten, maar niet genoeg om

een ziekenhuisopname mogelijk te maken als hij ernstig ziek is. Hij sterft.

Irina's moeder woont in een flat aan de Calea Victoriei, de voornaamste

winkelstraat van Boekarest, met haar twee dochters, die onderling vaak ruzie

hebben. Amerikanen die de fabriek en haar flat bezoeken geven haar dollars, die

bewaart ze. Als fabrieksdirecteur moet ze ervoor zorgen dat de staalproduktie

althans op papier groeit. Er zijn ernstige klachten over de luchtvervuiling die

de fabriek veroorzaakt, Dana is niet bij machte de situatie te veranderen, ze

schrijft wel brieven naar de overheid, maar de roem van haar vader, de

ex-minister, is na zijn dood verbleekt, zodat haar invloed afneemt. Een

biologieleraar die als eerste in de klas de milieuproblematiek behandelt, wordt

ontslagen. Irina denkt dat ze hem verraden heeft door thuis zijn les na te

vertellen.

Le roman de Chantecler Irina betrekt als volwassene een eigen flat, maar

verblijft ook vaak in de flat van haar moeder. Tijdens het Ceausescu-regime is

vrijheid van meningsuiting een ongekend goed. Irina weet dat zelfs de muren oren

hebben. Om niet afgeluisterd te kunnen worden spreken zij en Dana bij een

lopende douche.

Vasile is op Irina verliefd, maar zij wijst hem af. Op aanraden van Dana trouwt

hij met Mariana, maar hij kan Irina niet vergeten. Mariana en Vasile krijgen

veel kinderen.

Irina, een mooie, blonde vrouw, leeft in betrekkelijke rust. Ze negeert de

politieke onderdrukking waaronder veel landgenoten lijden ('het was mij tot een

tweede natuur geworden voorbij te gaan aan alles wat met een waas was bedekt'),

liever probeert ze Franse mode na te maken, samen met haar vriendin Elisabeta.

Irina is wetenschappelijk medewerkster middeleeuwse Franse Letterkunde aan de

universiteit van Boekarest. Vaak loopt ze het museum vlakbij de universiteit

binnen, vooral op ‚‚n schilderij is ze erg gesteld. Het stelt een engel voor,

met een zwaard. Bij toeval ontdekt ze in de Universiteitsbibliotheek tussen

vergeelde papieren een oud handschrift, een Frans, middeleeuws dierdicht over

een protserige haan, Le roman de Chantecler. Iedereen is bang voor de haan en

praat hem naar de mond, behalve de wouw, die moet zijn spot met de dood bekopen.

Iemand heeft het verstopt, blijkbaar is deze persoon plotseling met het werk aan

dit document opgehouden. Irina besluit het letter voor letter over te schrijven.

Haar moeder verstopt het afschrift. In de hoop een artikel over dit geschrift

naar het buitenland te kunnen smokkelen werkt Irina eraan, zonder haar

superieuren in te lichten. Uiteindelijk is zij uit op een baan in het buitenland

als universitair docente Franse letterkunde. Daarvoor is het wel nodig haar

artikel in het net te typen. Aangezien zij daar zelf niet handig genoeg in is,

vraagt zij haar zwager Vasile, eveneens verbonden aan de faculteit der letteren,

dit in het geheim te doen.

Ook Andrei weet van het dierdicht af. Hij is haar minnaar, met wie ze in haar

flat naar bed gaat. Voor het eerst heeft ze hem bij Elisabeta ontmoet. Zijn

vrouw heeft Irina verteld dat haar man onvruchtbaar is. Irina blijkt echter in

verwachting te zijn. De onverwachte zwangerschap verheugt haar, zij wil graag

een kind. Zij rekent uit dat Andrei de vader moet zijn, het kind moet in zijn

slaapkamer verwekt zijn in de periode dat zijn vrouw haar zieke ouders in

Transsylvanië opzocht. Wat zij zichzelf aanvankelijk niet toegeeft, is dat zij

ook zwanger zou kunnen zijn van haar zwager Vasile. Toen zijn vrouw, haar zus

Mariana, voor de zoveelste bevalling naar het ziekenhuis moest, paste Irina op

de kinderen. 's Nachts kwam Vasile thuis en ging bij de slapende Irina in bed

liggen. Zij protesteerde slechts voor de vorm, misschien omdat ze met haar

gedachten bij Andrei was.

Op de dag van haar arrestatie ontmoet ze Andrei zoals gewoonlijk in het museum,

altijd kijken ze naar het schilderij met de engel. Ze is vanwege haar

zwangerschap uitbundig, maar wil Andrei nog niet vertellen waarom. Zelfs maakt

ze grappen over spionnen van de Securitate in het museum. Andrei waarschuwt

haar: je kunt in dit land zelfs je eigen moeder niet vertrouwen. Als ze naar

buiten gaan, staat Marin Zoltanescu bij de ingang te wachten, zoals elke dag.

Hij heeft Irina mee uit eten gevraagd, zij heeft dat afgeslagen. Zij begroet hem

spottend. Het valt haar op dat Andrei vandaag niet linksaf slaat, maar de andere

kant oploopt. Zelf gaat ze naar de bibliotheek, waar ze verder werkt aan haar

artikel. Opeens voelt ze een hand op haar schouder, die haar de bibliotheek uit

stuurt, naar de overkant van het plein, waar de vijfde directie zetelt, de

lijfwacht van Ceausescu.

Tijdens een verhoor door een kolonel, waarop ze uren moet wachten, ziet ze haar

artikel over Le roman de Chantecler. De Securitate beschuldigt haar ervan dat

haar artikel over dit dierdicht Ceausescu belachelijk maakt en dat zij het naar

het buitenland wil smokkelen. Bovendien hebben ze in haar bureau een bijbel in

een kapitalistische taal gevonden.

Aanvankelijk neemt ze de beschuldigingen niet serieus, maar de ondervragers

zetten haar steeds meer onder druk. Zij doet haar uiterste best de naam van haar

minnaar, Andrei, niet te laten vallen. Ze wordt naakt gefouilleerd, moet haar

sieraden afgeven. Opgesloten in een cel verwacht zij, kleindochter van een

oud-minister, spoedige vrijlating. Ze mag niet naar het toilet, wordt tijdens

een volgend verhoor gedwongen haar uitwerpselen op te likken. Haar zwangerschap

houdt haar tijdens de niet zachtzinnige verhoren en de eenzame opsluiting

overeind. Voor haar kind wil ze overleven, houdt ze zich voor. De derde dag

wordt ze opgesloten in de lucifersdoos, een hok waarin alleen ruimte is om te

staan, 'een rechtopstaande doodskist'. In deze cel krijgt ze een miskraam. Dat

weet ze niet te verbergen, vervolgens wordt ze van abortus beschuldigd.

Blijkbaar voldoet die aandacht meer dan de beschuldigingen aangaande het

dierdicht. Volgens Irina zit er iets anders achter, alsof achter de schermen

iemand een persoonlijk conclict op haar verhaalt. Ze blijven haar verhoren.

Irina stort in en noemt als verwekker de decaan van haar faculteit, een naam die

haar door haar verhoorders is ingefluisterd. Haar leugens over een verkrachting

worden gretig genoteerd.

Irina wordt geheel kaal. Uit haar rok scheurt ze een hoofddoek. Dan wordt ze met

de zwaar toegetakelde decaan geconfronteerd. Tevergeefs schreeuwt ze dat haar

beschuldigingen gelogen zijn, de decaan ondertekent de aanklacht. Irina's

isolement is voorbij, ze belandt in een vrouwencel. Als ze weken later uit het

gebouw van de lijfwacht wordt gehaald, is het vermoedelijk augustus. Van Dana

heeft ze een zending benodigdheden ontvangen, o.a. twee hoofddoeken. Na een

lange rit belandt ze in cel 2 van de Zabrele, een gevangenis op het platteland.

De gevangenis De cel bevindt zich in een aarden wal; door kieren in het luik is

een met gras begroeid, acht meter hoog talud te zien. Er zijn slaapplaatsen in

drie lagen boven elkaar. Op elk matras, gevuld met harde rietstengels, moeten

twee vrouwen slapen. Een ton achter een afschot dient als toilet, een andere ton

bevat drinkwater. De cel blijkt bevolkt te zijn met schimmige, broodmagere

vrouwen. Aan Irina wordt door Ana, die door de rest als leidster wordt gezien,

een slaapplaats toegewezen naast Margareta. Ogenblikkelijk stelen vrouwen

ondergoed uit Irina's plunjezak.

Het regime in de Zabrele is hard, maar het is te overleven. Het appel vindt bij

weer en wind plaats op het plein. De bewaarsters zijn van stokken voorzien, soms

treiteren ze de gevangenen. Die hebben niets te doen, ze vertellen elkaar

eindeloos over hun lotgevallen. Irina zwijgt over haar verblijf in het gebouw

van de vijfde directie. Maria, een bewaarster die humeurig kan zijn, wijst vaak

Ana en Irina aan als de ton met uitwerpselen geleegd moet worden in de beerput

buiten. Eenmaal per veertien dagen mogen ze zich douchen. Het voedsel bestaat

uit wat brood en waterige soep. Clio, een celgenoot, deelt altijd het eten uit,

waarbij ze Irina consequent de dunste soep en het minste brood geeft. Dat

verdraagt Irina, ze ziet het als inlossing van haar schuld aan de decaan. Zo

gaat de winter voorbij, de barre kou dringt door in de cel, die slechts door wat

houtvuur verwarmd wordt.

Op een dag in het voorjaar ontvangt Irina een jurk, gezonden door Dana,

vermoedelijk omdat ze voor de rechter moet komen. Het proces is een

schijnvertoning, haar advocaat stelt niets voor. Niemand van haar familie is

aanwezig. Beschuldigd van abortus wordt ze tot drie jaar veroordeeld, met aftrek

van voorarrest zijn dat 28 maanden. Terug in de cel wordt ze getroost door

Margareta, die haar voorhoudt dat ze zich te introvert gedraagt en te weinig

doet om te overleven. 'Zet van je af wat je dwarszit.' Irina blijft echter in

zichzelf gekeerd. Soms ontvangt ze een kort briefje van Dana, die klaagt over

haar knie‰n en Mariana's drukte.

Tegen het aanbreken van de tweede winter is Margareta's straftijd afgelopen. Na

haar vertrek wordt een nieuwe gevangene in de cel gezet, een luidruchtige

zigeunerin, Zoia, die op soldatenschoenen loopt. Zoia laat niet met zich sollen,

gedraagt zich onafhankelijk. Ana geeft haar de plek naast Irina. Als Irina 's

avonds gedichten van Verlaine mompelt, zegt Zoia dat ze ook Frans wil leren.

Al heeft Zoia geen opleiding gehad, ze blijkt leergierig en intelligent, ze

krijgt elke dag les van Irina en onthoudt alles wat haar wordt aangeleerd. Als

tegenprestatie verwacht ze dat Irina haar nachtelijke liefkozingen ondergaat.

Ook leert ze Zoia strofe voor strofe Le roman Chantecler uit het hoofd opzeggen.

Later zeggen de vrouwen gezamenlijk zulke strofen op, Zoia heeft hen ertoe

aangezet dat na tien uur 's avonds te doen, als ze volstrekt stil zouden moeten

zijn. Het dierdicht wordt zo tot een geuzenlied. Zoia zorgt er ook voor dat

Irina genoeg brood en soep krijgt, ze leert Irina zichzelf te overleven. Al moet

Irina weinig van Zoia's aanhalingen hebben, ze gaat meer en meer om haar geven.

Zoia vertelt haar trieste levensverhaal. Ondanks de Roemeense afkeer van

zigeuners wordt Zoia ook door de andere vrouwen in de cel gewaardeerd. Aan haar

vertelt Irina wie ze ervan verdenkt haar verraden te hebben; ook vertelt ze van

de decaan. Zoia zegt haar dat iedere gevangene wel iemand heeft moeten verraden.



Omstreeks Kerst dringen geruchten over een omwenteling door in de cel. De

bewaarsters lijken iets vriendelijker te worden. Intussen gaan de vrouwen door

met het repereteren van een door Irina bedachte kerstvoorstelling. De dag voor

Kerst worden ze vrij gelaten door de gevangenisdirecteur. Alleen Zoia niet, zij

wordt op transport gezet naar een andere bestemming, naar later blijkt komt ze

uiteindelijk terecht in een werkkamp in Moldavië. Voor het afscheid krijgt Irina

Zoia's mooie zigeunerhoofddoek. Na het vertrek van Zoia is bij Irina de

feeststemming weg. Als Clio haar ermee treitert, treedt Irina hard tegen haar

op. In een open vrachtwagen worden de vrouwen naar het station van Boekarest

gebracht. Ze zijn nu vrij.

Terug in Boekarest Irina loopt naar haar moeders huis aan de Calea Victoriei,

waar niemand opendoet. In haar gevangeniskleding loopt ze tussen enthousiaste

mensen die revolutionaire leuzen schreeuwen, het bewind is gevallen. Het doet

haar niets. Ze gaat midden op een groot plein staan, wat vroeger niemand mocht.

Men waarschuwt haar echter voor sluipschutters. De bibliotheek blijkt met

vlammenwerpers uitgebrand te zijn, ook het museum is aangetast: op de plaats

waar het schilderij met de engel hing is nu een kogelgat te zien.

Als ze weer aanbelt, is Dana thuis. De ontmoeting valt tegen, Dana is vies van

Irina's gevangenislucht en -plunje en Irina krijgt geen woord over haar

belevenissen over de lippen. De dagen daarna zwerft Irina bevreemd door de stad.

Elisabeta en andere vrienden van vroeger zeggen haar niets meer, niemand

begrijpt iets van haar ervaringen. Ze hoort dat haar eigen flat is opgezegd, de

meubels zijn verkocht om eten voor Marina's kinderen te kunnen kopen, haar

kleren zijn vermaakt voor de kinderen. Later merkt ze dat Marina haar meubels

heeft gehouden.

Dana is na de arrestatie van haar dochter haar baan kwijtgeraakt. Nu werkt ze in

haar eigen fabriek als arbeidster. Door het ruwe werk zijn haar handen

kaoptgegaan. Toch is ze ook opgelucht: ze hoeft geen cijfers meer te vervalsen.

Wel is het nu voor iedereen moeilijk om aan voedsel te komen, Dana staat 's

morgens vroeg en 's avonds uren in de rij. Nog steeds lukt het Irina niet aan

Dana iets te vertellen, hoezeer Dana ook haar best doet. Ze zegt wel dat er een

zigeunerin bij hen zal komen wonen, Dana moet daar niets van hebben. Het komt

Irina voor dat haar geheugen gaten vertoont, ze heeft haar gevangeniservaringen

verdrongen. Dagenlang kijkt ze voor zich uit, terwijl de tv geluidloos aanstaat.

De nieuwe leider, Iliescu, is volgens haar een pseudo-democraat, de revolutie

een paleisrevolutie. Op de tv zien ze hoe Ceausescu wordt ge‰xecuteerd.

In de zigeunerwijk zoekt Irina Stefan op, de broer van Zoia. Zoia heeft hem over

Irina verteld. Ze schrijft, zegt haar broer, vanuit haar nieuwe gevangenis

tevergeefs brieven naar de minister met verzoeken haar vrij te laten. Ook zoekt

Irina de faculteit der letteren op, tot tweemaal toe, om haar vroegere baan op

te eisen. Die baan is haar zonder offici‰le bevestiging afgenomen, hoort ze nu,

evenals bij Vasile het geval was, kans op herbenoeming is er niet.

Belangrijker dan haar baan en de revolutie is voor Irina het achterhalen van de

waarheid. Wie heeft haar verraden? Verraad blijkt zich op verraad te hebben

gestapeld. Haar moeder heeft in vertrouwen aan de pope, de geestelijke, die ze

heimelijk bezocht, verteld over Irina's artikel. Dana vertelt ook dat

securitisten (geheim agenten) na de arrestatie een huiszoeking hebben gedaan,

het originele manuscript had zij echter goed verstopt: in Mariana's huis, wat

die tot haar grote woede pas achteraf te weten komt. De securitisten hadden haar

bezoek aan Irina verboden. Na veel aandringen van Dana zoekt Irina Mariana op.

Vasile en Mariana hebben huwelijksproblemen gehad, ze zijn weer samen. Mariana

heeft nu een goede baan, Vasile heeft ook weer een baantje gevonden.

Uiteindelijk geeft Mariana toe dat zij uit wraak vanwege Vasiles overspel met

Irina haar spullen heeft ingepikt. Maar haar wraak is verder gegaan. Vanwege de

ziekte van hun kind Doina hebben ze hartspecialist Marin Zoltanescu

ingeschakeld. Marin had ook begrip voor Mariana's andere problemen; aan hem

heeft ze over Irina's overspel, haar artikel en het dierdicht verteld. Irina

bedenkt onder Mariana's bekentenis hoeveel pijn zij in de verhoorperiode heeft

verdragen zonder iemand van haar familie ook maar te noemen.

Ook Andrei ontmoet ze. Ze vindt hem niet meer aantrekkelijk, hij toont zich

geschokt over haar kaalheid. Ze vertelt hoe het in de gevangenis was. Hij legt

uit waarom hij de dag van haar arrestatie een andere kant op liep: hij had een

afspraak met Marin, die naar Irina informeerde, aan hem had hij over het

dierdicht verteld. Andrei is van plan naar China te emigreren, Irina mag mee.

Zij weigert.

Vasile krijgt ze niet te zien, maar ze wacht hem bij zijn werk op. Hij vertaalt

uit het westen gestolen bedrijfsgeheimen. Hij blijkt nog steeds van haar te

houden. Maar ook hij heeft Irina verraden: hij heeft het typoscript van haar

artikel aan Marin gegeven. Marin bleek hevig verliefd te zijn op Irina en

jaloers op haar minnaar Andrei, een veel oudere man. Toen Vasile en Mariana

ruzie hadden, heeft Vasile een poos in Marins huis gewoond. Irina zet nu de

laatste stap: ze besluit Marin zelf op te zoeken. Daartoe waagt ze zich in de

burelen van de voormalige Securitate, nu SRI geheten. Met enige moeite dringt ze

door in een kantoorvertrek, waar men Marin blijkt te kennen. Verder wil men

niets zeggen, maar Irina weet nu zeker dat Marin een securitist is. Na haar

bezoek aan de SRI ontvangt Irina telkens dreigende telefoontjes, hoewel de

telefoonlijn van haar moeder afgesloten is.

Op een dag trekken duizenden mijnwerkers Boekarest binnen. De gewelddadigheden

dreigen zich ook tot Irina te richten; zij wordt weer telefonisch bedreigd,

waarop ze het telefoonsnoer stuk trekt. Mijnwerkers beuken de voordeur in. Maar

dan ziet zij aan de overkant van de straat Marin staan, vermomd als mijnwerker.

Hij kijkt naar haar raam, stuurt de mijnwerkers weg. Na deze gebeurtenis besluit

Irina het land te verlaten. Ze zoekt ten slotte de decaan op, die haar mild

ontvangt. Hij was juist blij met haar beschuldiging, die aanklacht voorkwam dat

hij belastende informatie zou prijsgeven, bijna was hij onder de druk van

martelingen doorgeslagen. Na dit gesprek beseft Irina dat Marin genoeg gestraft

is: hij zal verder moeten leven met zijn haat. Van Andreis vrouw hoort ze dat

hij naar China is vertrokken.

Irina vraagt een visum aan. Ze neemt de dollars, legt een briefje neer voor Dana

en vertrekt zonder afscheid te nemen naar de luchthaven.





Over het boek



De engel en het zwaard van Eva Bentis telt 328 pagina's, is verschenen in 1994

bij Contact in Amsterdam. De hoofdpersoon is een Roemeense, Irina Stanescu, zij

woonde in Boekarest.



Voorin het boek staat ook een soort dankwoord:



“De voorbereiding van dit boek werd mede mogelijk gemaakt door een bijdrage van de Stichting Fonds voor de Letteren .



Ik wil graag Jan Willem Bos bedanken voor zijn waardevolle adviezen, Maria Dragne, Micaela Ghitesco en Elsa Anco voor hun vertrouwen en hun verhalen. De stimulans van Reintje Gianotten was mij tot steun bij het opzetten van De engel en het zwaard en op inspirerende wijze heeft Eva Cossée mij terzijde gestaan tijdens het schrijven en afwerken van de Roman. Hun enthousiaste belangstelling is een bron van aanmoediging geweest”.



Thema



In de roman wordt verteld wat er in haar omgaat tijdens

haar verblijf in Nederland, waar zij na de mijnwerkersrellen in Boekarest naar

toe is gevlucht. De herinneringen aan haar laatste jaren in Roemenië dringen

zich steeds meer aan haar op in Amsterdam, waar ze wacht op een

verblijfsvergunning.

Het leven van de hoofdpersoon wordt door recente gebeurtenissen in haar land

beinvloed: de dictatuur onder Ceausescu, de revolutie die hem ten val bracht in

1989, de gewelddadigheden toen mijnwerkers Boekarest binnentrokken (1990).

Dergelijke ontwikkelingen vormen de achtergrond van deze roman over ingrijpende

veranderingen in het leven van een fictieve (dus verzonnen) hoofdpersoon. De engel

en het zwaard gaat echter vooral over persoonlijke drijfveren, over verraad en

trouw, vergeten en herinnering.







Motto’s



Voorin staan twee motto's. Van de Roemeense dichter Mircea Dinescu een vertaald

citaat over het geringe perspectief van vrijgelaten gevangenen en het citaat van

de Engelse dichter Auden, uit een gedicht over ballingen die zonder paspoort

officieel niet bestaan, benadrukt juist de levenskracht: ‘but we are still

alive, my dear, but we are still alive’.

Overigens luidt het citaat van Dinescu:

‘Toen de gevangenissen hun poorten openden

was er niemand die om vrijheid gaf

sommigen verhingen zich zelfs aan dromen

anderen groeven in de muren hun graf’.







Perspectief



De vertelsituatie van de roman is die van het ik-verhaal. De ik-figuur, Irina,

is tevens de hoofdpersoon. Zij vertelt niet-chronologisch: vanuit haar

toevluchtsoord Nederland denkt Irina terug aan verschillende fasen van haar

leven.



Motief voor schrijven van boek



Een door Eva Bentis gemaakte reis door Roemenië (Bron: internet)







LIJST VAN PERSONAGES (niet allemaal, dat was niet mogelijk)



Irina Stanescu, de hoofdpersoon

Dana Stanescu, ex-vrouw van Ion Marcu

Ipu, vader van Dana

Elvira, zijn tweede vrouw

Diana de Boer, zijn eerste vrouw, moeder van Dana

de ouders van Ion Marcu

Mariana Stanescu, zus van Irina

Vasile, man van Mariana

Andrei, minnaar van Irina

Marin Zoltanescu, hartchirurg

de decaan, leider van de faculteit der letteren

Maria, bewaarster

Zoia, zigeunerin en celgenote

Stefan, haar broer

Niet eerder genoemde celgenoten:

Ana Cris

Margareta Feldioara

Olimpia

Greta

Clio

Elsa

In Nederland:

Robert Jansen, vreemdelingenpolitie

Frans-Jan, sociale dienst

hoteleigenaar te Valkenburg

Iraanse kamergenote te Valkenburg





Andere informatie over het boek en mening



In de 32 genummerde hoofdstukken (zonder titel) van het boek herinnert

Irina zich steeds meer van de periode van gevangenschap, de daaraan voorafgaande

maanden en de periode voor het vertrek naar Holland. In gebed en in de herinneringen

aan haar celverblijf komen gedachten over vroeger voor: haar jeugd, de

zwerftochten met haar vader door woest Roemeens gebergte, haar familie. Door de

structuur van steeds opnieuw opgenomen herinneringen vindt de lezer telkens weer

nieuwe aanknopingspunten, zodat uiteindelijk een compleet beeld ontstaat van wat

Irina is overkomen. Door deze verhaalopbouw blijkt pas in de laatste

hoofdstukken wie haar in Boekarest verraden hebben en wat de achtergrond is van

haar eigen verraad. Door deze stijl van schrijven vind ik dit eigenlijk een van de mooiste boeken van een Nederlandse schrijver, na “De aanslag” van Mulisch en “Montyn” en “een Romance” van D.A. Kooiman.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen