U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Carry Van Bruggen - Het Huisje Aan De Sloot.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/23489 en is laatst upgedate op 01/09/2006.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 4063 woorden.

Gebruikte editie

Eerste druk: 1921

Gebruikte druk: 16e , 1950

Aantal bladzijden: 245

Uitgever: Wereldbibliotheek, Amsterdam



Gegevens voorkant

De gebruikte uitgave is een gebonden uitgave met stofomslag. Daarop staat een lichtgroene afbeelding van twee huisjes aan een sloot met een ophaalbruggetje. De uitgave heeft uiteraard nog een oude spelling van voor 1950.



Genre

Eigenlijk is “Het huisje aan de sloot” een verhalenbundel met 25 korte episodes uit het leven van “een meisje en haar tweelingbroertje”. Ze zijn van joodse afkomst. Door de structuur ontstaat er toch iets van een roman. Je zou dan kunnen denken aan een “ontwikkelingsroman”

(de kennismaking van een joods meisje met de buitenwerelden de rituelen die daarbij horen)



De omslagtekst

Bij de uitgave van 1950 staat op de omslag vermeld: Deze teder-realistisch geschreven kinderherinneringen, die eertijds zo welverdiend bekroond werden door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, schijnen wel voorbestemd het boek te worden, waarin de geest van de te vroeg gestorven schrijfster het langst levend zal blijven bij het lezend publiek. Waar vinden we in dit bescheiden “Huisje aan de sloot” met zijn zinrijke stilten, die tussen de regels gEvangen liggen, niet ook gedeelten van onze eigen kinderziel weerspiegeld, die ons bijblijven als een stuk eigen herinnering? Het scherpe, celebrale, dat in Carry van Bruggen’s werk overheerst, leeft hier slechts onder de oppervlakte en verleent daardoor de bezielde, vaak humoristische detailbeschrijving zijn diepere bewogenheid en zijn bijzonder gevoelige ernst.”



Opdracht

Carry van Bruggen draagt het boek op. “ Voor Dr. H. Visser te ’s-Gravenhage in vriendschap en grote dankbaarheid van de schrijfster.

Er is geen motto.



Geschikt voor ….

De stijl en de inhoud van deze verhalenbundel zullen een moderne lezer (80 jaar na het schrijven) nauwelijks meer aanspreken. Het is allemaal te langdradig en er gebeurt te weinig in de verhalen. Moderne lezers zijn natuurlijk veel meer spanning gewend en bovendien doet de zinsbouw archaïsch aan. Scholieren die lezen toch al niet als favoriete bezigheid hebben, moeten er dan ook gewoon niet aan beginnen. Leerlingen die op hun literatuurlijst een tijdbeeld van de laatste jaren van de negentiende eeuw willen plaatsen (vooral vwo-leerlingen in verband met de opzet van de literatuurlijst), zullen toch ook even moeten doorbijten, nl. door de wollige woordenbrij waarmee van Bruggen haar lezers benaderd heeft. (Zie daarvoor onder stijl) Wat de thematiek betreft (kinderherinneringen) kan de verhalenbundel (met het karakter van een roman over een klein meisje) geplaatst worden in een rijtje met boeken over Kindertijd & Kinderleed, waarvan er heel veel te vinden zijn in de literatuurlijst van scholieren.com. De waardering voor een nummer op de literatuurlijst vwo is 2 punten.



Structuur en verhaalopbouw

Er zijn 25 ongenummerde maar wel getitelde hoofdstukken. In principe zijn het allemaal op zich staande belevenissen van een meisje dat deel uitmaakt van een gezinnetje van joodse afkomst. Het draait allemaal wel om de belevenissen van een klein joods meisje uit de basisschoolleeftijd. Er zit wel een chronologische volgorde van de verhalen door de bundel heen. De Jaargetijden wisselen elkaar af. De verhalen hebben een gemiddelde lengte van ongeveer tien bladzijden.





Perspectief

We zien de gebeurtenissen door de ogen van een klein meisje van basisschoolleeftijd (8 à 9 jaar ) Daarmee lijkt de bundel een heel vroeg (literair gezien dan) personaal perspectief te hebben. Maar een auctoriale verteller lijkt eveneens boven het verhaal te zweven. Af en toe beschrijft hij gebeurtenissen die het meisje namelijk niet kan weten. Vanuit de andere personages wordt niet verteld.



Titelverklaring

“Het huisje aan de sloot” is het huis waarin de hoofdfiguur opgroeit. Niet alle huisjes in het kleine stadje hebben een huisje aan de sloot.



Tijd en decor

De tijd waarin de verhalen zich afspelen, zal de jeugd van de schrijfster zijn, want de verhalen lijken autobiografisch te zijn. We praten dan waarschijnlijk over de laatste jaren van de negentiende eeuw. Carry van Bruggen is geboren in 1881. In 1890 zal ze ongeveer de leeftijd hebben van het meisje uit de bundel. De vertelde tijd is enkele jaren: er verstrijken enkele seizoenen tijdens de gebeurtenissen.



Van Bruggen is opgegroeid in Zaandam en dat lijkt ook de plaats waar de verhalen zich afspelen. Ze wonen in een niet te grote stad bij een andere grote stad (Amsterdam?) in de nabijheid. Er is een groot kanaal waardoor heen zeeschepen kunnen varen naar de grote stad ( het Noordzeekanaal) Dat is de topografische ruimte.



Belangrijk is ook dat de personages deel uitmaken van een joodse gemeente. (de symbolische ruimte) dat bepaalt namelijk vooreengroot deel hun handelen.



De stijl van de schrijfster

De bundel is geschreven in 1921 (meer dan 80 jaar geleden) en dat zie je heel goed terug in het taalgebruik van de schrijfster. Daarmee wordt natuurlijk niet alleen de spelling bedoeld, maar ook de zinsbouw.

Wat het woordgebruik betreft, is de bundel voor een moderne lezer niet altijd even gemakkelijk, want er komen veel woorden in de tekst voor die nauwelijks meer gebruikt worden. Ook staat de bundel vol met joodse woorden en uitdrukkingen. Een aantal ervan wordt achterin het boekje via voetnoten verklaard, maar een ander aantal woorden niet. Dat maakt het boekje voor de moderne lezer van de 21e eeuw niet zo toegankelijk.



De zinsbouw is vaak heel erg lang en ingewikkeld met veel tussenzinnen en veel denkpauzes (aangegeven met ……..)en met een overvloed aan sfeerbepalende bijvoeglijke naamwoorden. Je zit als het ware in de gedachtewereld van een kind dat bovendien heel gedetailleerd waarneemt. Sommige verhalen verlopen daardoor vrij traag. Wel wordt er vaak naar een apotheose toegewerkt, d.w.z. dat er in het begin van een verhaal een draad wordt opgepakt (soms met een geheimzinnig element) en dat die draad in het verhaal wordt afgewikkeld, waarna aan het einde van het verhaal de onthulling komt. Vaak geeft ze een weemoedige ondertoon aan de gebeurtenissen die het meisje beleeft.



Een mooi voorbeeld van de stijl van Carry van Bruggen is de volgende zin. Het is niet een incident, maar in de bundel komen talloze van deze constructies voor.

(blz. 7) Het jongentje, het meisje onwetens bEvangen door alles rondom, dat als lauwe dauw ingaat tot hun wijdopen zieltjes, zonder dat ze luisteren, zonder dat ze zien, het verre en het dichtbije………het fleemende vogeltje….. en de afscheid-roepende boot en het ritselen in de vlierstruik en de beslagen, bonte hemel oneindig boven hun kleine lijven, en nog eenmaal diezelfde hemel aan hun voeten, als een duizeldiepe kom vol bleek, bevend licht, onder in de groezel-groene sloot…….het jongentje en het meisje turen in hartbEvangen aandacht naar het achterhuisje aan de overzijde.”

Let in het voorbeeld eens op het veelvuldig gebruik van de bijvoeglijke naamwoorden ( lauwe, wijdopen, fleemende, afscheid-roepende, beslagen ,bonte, kleine, duizeldiepe, bevend, groezel-groene, hartbEvangen)

Daarin kun je toch ook de naturalistische en de impressionistische invloed van de schrijfster herkennen.



Thematiek

De bundel gaat over verhalen uit de kindertijd en daaraan zit vaak vast het al of niet geuite kinderleed. Het is soms in de ogen van volwassenen maar klein verdriet, maar voor een kind liggen die zaken soms heel anders. Vaak begrijpen ze de wereld van de volwassenen niet. Dat gebeurt met grote zaken als dood en leven of waarom sommige mensen iets verkeerds doen. Het leed van de hoofdfiguur in de bundel (ze krijgt geen naam, maar wordt steeds het meisje genoemd ) wordt vaak nog versterkt omdat ze deel uitmaakt van een strenge joodse gemeenschap. Ze ziet dat niet altijd als een voordelige situatie, want ze zou bijvoorbeeld ook van de voordelen van Driekoningen willen genieten of van St. Maarten. Maar het wordt haar door haar moeder duidelijk gemaakt dat ze moet “kiezen of delen.”

Ze mag bepaalde dingen niet op de sabbat doen. (bijv. snoepen – vgl. het verhaal over de toverballen die ze moet uitspugen) Ook schaamt ze zich ervoor dat ze boodschappen moet doen en het bedrag van de aankoop moet laten opschrijven, omdat er geen geld is. De winkeliers gaan daar niet altijd even tactisch mee om.



Armoede is dan ook een ander belangrijk en terugkerend motief in deze bundel: het gezin van het joodse meisje is helemaal niet rijk. Wordt haar broertje geweigerd op de Franse school omdat ze te arm zijn? Ze schaamt zich ervoor als de kosten van de boodschappen moet laten opschrijven of wanneer ze hun voeten onder hooi moeten verbergen, omdat de schoenen stuk zijn en ze naast rijke kinderen van een boerin zitten om de komst van de Duitse keizer te bewonderen.



Op school is ze best goed, maar met handwerken gaat het altijd slecht: de handwerkjuffrouw en de bovenmeester gaan daar heel onverstandig mee om. (vgl. het verhaal over het inspectie bezoek : “Een vleiende beleediging”) Gelukkig komt er een nieuwe handwerkjuffrouw die haar wel begrijpt en ook beseft dat het meisje andere capaciteiten heeft. (verhaal: “Het leege garenkaartje” ) De bundel geeft dus in bijna elk verhaal het standpunt van meisje op lagere school leeftijd dat de wereld moet leren verkennen: een gewone wereld van volwassenen en een wereld met zijn joodse rituelen en gebruiken. Daardoor ervaart ze het jood-zijn toch als anders-zijn. Dat kun je bijvoorbeeld heel goed zien in het verhaal “De brief” Er wordt ook op school toch enigszins gediscrimineerd; de meester en de handwerkjuf doen helemaal niet aardig tegen haar. Maar de schrijfster beschrijft alles zeker wel met een ondertoon van weemoed, een zachte vorm van humor. Er is geen hemelschreiend leed, maar meer een terugkijken op de kindertijd door middel van teder realistische herinneringen. Op zich wel mooi, maar door de stijl en de inhoud niet meer van deze tijd. Niettemin daardoor juist een waardevol tijdsdocument.



De literair-historische motieven zijn derhalve:

- kindertijd & kinderleed (door de gehele bundel heen)

- godsdienst en strenge godsdienstige rituelen (jood-zijn)

- discriminatie (het anders zijn van de joden)

- armoede ( verhaal : “Brood borgen”)

- schaamte voor armoede en afkomst (verhaal : “De brief” en vooral “Hooi voor warme voeten”)

- het schoolleven (o.a. verhaal: “Een vleiende beleediging”)

- de inwijding (in het leven van de volwassenen, dat vaak onbegrijpelijk vooreenkind is)

- dood en zelfmoord (in de joodse gemeenschap)

- kinderangsten ( o.a. voor de moordenaar die kan langskomen)

- eenzaamheid (het meisje voelt zich toch wel een aantal keren erg eenzaam)





Samenvatting van de inhoud

Noot van de samensteller: Het is niet eenvoudig om van de verhalenbundel een heldere samenvatting te maken. Alle hoofdstukken vertellen namelijk een belevenis of een herinnering uit het leven van een joods meisje. Van de belangrijkste ervaringen (vooral van de verhalen die met het joodse geloof te maken hebben) wordt hieronder de inhoud kort weergegeven. Er zit wel een chronologische volgorde in de verhalen. Er zitten enkele jaren tussen het begin van de bundel en het einde.



Het Chanoekafeest wordt gevierd en de kaarsjes mogen voor de kinderen worden ontstoken. De kinderen vragen zich af welk lichtje het langst zal branden. Ze gaan een weddenschap aan (voor een halve stuiver) Het meisje wedt op het kaarsje dat het meeste licht geeft, maar dat is natuurlijk niet zo slim. Het kaarsje met het kleinste vlammetje brandt immers het langste en het door haar gekozen kaarsje is het eerste uit. Dat is wel een leermoment voor haar. Haar broertje lacht haar erom uit.



Het meisje zit op school en verheugt zich tijdnes de les op het eten van de heerlijke linzensoep, die haar moeder die dag zal eten. Wanneer ze thuis komt, hoort ze dat de vroedvrouw die in de joodse gemeenschap tante Froukje genoemd wordt, is gestorven. Het meisje is hierdoor erg verslagen. De verloskundige brengt namelijk de kinderen ter wereld. De wereld van de volwassen mensen is erg wreed.



Het wordt weer Loofhuttenfeest en tegelijkertijd is het op de dag de 50e verjaardag van het huwelijk van Pinchas Lezer. Die mag daarom het feest voor de joodse gemeenschap organiseren. Hij heeft dag in dag uit altijd dezelfde broek en de kinderen zijn benieuwd of hij op het feest ook dezelfde broek aan heeft. Ze kruipen onder de tafel om dat te kunnen zien. Inderdaad heeft hij eindelijk een andere broek aan.



Het meisje levert op school goede prestaties bij de meeste vakken, maar van de handwerkles brengt zij niets terecht. De oude juffrouw maakte haar altijd belachelijk met haar slechte prestaties voor dat vak. Ze vertelt dat bovendien altijd door aan de strenge bovenmeester. Een nieuwe juffrouw heeft wel begrip voor haar: wanneer ze op een dag een steek laat vallen, ziet ze een Franse zin op het bureau van de juf. Ze kan die zin vertalen, maar maakt expres een foutje, opdat de juf haar kan verbeteren. De juf neemt het later voor haar op als de bovenmeester weer een onaardige opmerking tegen het meisje maakt over haar handwerkkwaliteiten.



Het meisje voelt bij het feest van Driekoningen duidelijk dat joden en christenen hun eigen feesten hebben en dat het niet mogelijk is om te profiteren van de feesten van allebei. Haar moeder zegt het haar heel duidelijk: je moet kiezen of delen. (titel van het verhaal)



Het is binnenkort weer Grote Verzoendag en het meisje heeft een heel lange tijd met een geheim rondgelopen. De zoon van een oude jood uit de gemeenschap is dood gegaan en zijn vader neemt de zorg voor het gezin op zich. Het meisje is er echter getuige van geweest dat de oude jood turf steelt van uit de Joodse school om zijn huis warm te stoken. Ze moest er even iets halen voor de rabbijn. Ze is er ondersteboven van, maar alle joden kunnen op Grote Verzoeningsdag voor elkaar vergiffenis vragen.



David Denneboom gaat naar Amerika. Waarom? Haar moeder laat een stuk uit de krant lezen waarin David die op een seminarie zit aangeeft dat er in Rusland fraude wordt gepleegd. De zoon van die gulle gevers aan het seminarie stopt nu het donorschapvoor het seminarie. David zal nu naar Amerika verhuizen. Het meisje begrijpt er niets van, mag je de waarheid niet meer zeggen ? Als je liegt, is het namelijk ook nooit goed. (Verhaal: Naar Amerika)



De joodse gemeenschap is in rep en roer. De zoon van Seligman die vroeger in het stadje heeft gewoond, maar naar de grote stad verhuisd is, blijkt daar veel geld te hebben verduisterd. Daarna heeft hij zelfmoord gepleegd. Zijn lijk wordt in het water gevonden : één bene is er af en het lijkt stinkt. De kinderen vertellen elkaar de verhalen. Hij mag wel op de joodse begraafplaats worden begraven. achterhalen de waarheid. Het meisje moet mee op rouwbezoek. Ze houdt daar haar adem in, want het lijk had immers gestonken. Ze is blij als ze weer weg mag van de condoleance. (Verhaal: Het rouwbezoek)



Op een dag moet het meisje een aantal boodschappen doen met een briefje want haar moeder kan de boodschappen niet betalen. Ze schaamt zich en wanneer ze bij de bakker komt en hem het briefje geeft, doet hij verder helemaal niets met haar. Hij laat haar heel lang wachten in de winkel, gaat zelfs zitten eten en aan het einde van de winkeltijd (ze moet een aantal klanten laten voorgaan) geeft hij haar het lelijkste brood (andere klanten weigerden het) en een lelijke verpakking.



De rabbijn Snoek gaat weg uit de gemeenschap. Hij vertelt nog een verhaal over zijn examens voor zijn rabbijnschap. Hij was heel laat begonnen met zijn studie, omdat hij eerst een eettentje had, maar dat liep niet goed en ze gaven alles aan arme mensen weg. Daarom was hij nooit verder gegaan met zijn vervolgstudie. Toch gaat hij nu naar een grotere gemeenschap waar hij meer geld zal verdienen. Zijn opvolger Rabbijn Hamel is veel strenger. Er mag bijna niets meer en alles moet gaan volgens de letter van de wet. Zo mag een vrouw tijdens de sabbatsdienst geen eau de cologne op haar gezicht doen. Het meisje d’r vader wil in de joodse wetten gaan nakijken of dat allemaal wel zo is. Er komen voor -en tegenstanders van de nieuwe rabbijn. Op een bijeenkomst na weer een joods feestje, zegt broeder Konijn dat hij voortaan niet meer naar de dienst gaat, want een konijn is een onrein beest.

(grapje) Haar broertje neemt haar ook een keertje beet, want na klokslag vijf uur mag een kind op sabbat niet meer snoepen en ze had net een toverbal in haar mond gestoken: en dat is een zonde. Tot haar verdriet moet ze hem daarom uitspuwen en ze is boos omdat haar broertje haar dat eerder had kunnen vertellen. Maar haar broertje pest haar nog wel eens.



Het meisje zit in de klas met 49 kinderen. Ze hebben leesles en het meisje kan heel goed lezen. Alle kinderen moeten met hun vinger bijwijzen. De meester is heel streng en hij heeft echt een hekel aan haar. Dan komt op een dag de schoolopziener op bezoek. Op dat moment laat de meester de kinderen altijd iets doen, wat ze het beste kunnen. Dat doet hij om met hen te pronken. Ze moeten een opstel van wat ze hebben gelezen op hun leitje schrijven. Het meisje kan het zo juist voorgelezen verhaal zo letterlijk weergeven in haar opstel dat de meester en de inspecteur haar ervan verdenken het overgeschreven te hebben uit haar lesboek. Ze zoeken haar kastje af. Ze wordt over dat onbegrip heel boos, smijt haar lei op de tafel en die breekt in tweeën. Ze krijgt straf een klap in haar gezicht. Ook zal ze de lei moeten betalen. Maar omdat de meester haar niet vertrouwde, beschouwt ze het ook als een pluim: haar opstel was blijkbaar te goed. Raar dat je een belediging en een pluim tegelijkertijd kan krijgen. (verhaal: De vleiende beleediging)



Het meisje is ernstig ziek geweest. Het begon op school en ze voelde zich erg beroerd. Ze is wel een week koortsig geweest, maar na die tijd zet het herstel in. Zij hoort een oude oom die op bezoek is in de kamer ernaast vertellen over mensen die 'het tweede gezicht' hebben (paranormaal begaafd zijn) en die voelen aankomen als iemand gaat sterven. De halfbegrepen woorden roepen bij het meisje angstdromen op. Ze heeft het idee dat ze in de afgelopen week ook van die angstvisioenen heeft gehad, waarin mensen stierven. (Verhaal: Het wonder)



Het meisje wordt in de klas weer voor gek gezet door de meester: het gaat over haar taalgebruik. Dan vertelt ze dat ze in de vakantie hooi over haar voeten heeft moeten doen: haar vader beweert dat het tegen de hitte is. De meester lacht haar uit. Wat was er gebeurd?

Het was zomers weer toen de kinderen met hun vader gingen kijken bij het Noordzeekanaal hoe de Duitse keizer voorbij voer. Ze moesten op een zeker moment hooi over hun voeten heen doen tegen de warmte. Later vertelt haar moeder dat dit was om hun kapotte schoenen te verbergen. Naast hen zaten namelijk enkele rijke boerenkinderen met heel fraaie schoenen.

(Verhaal: Hooi voor warme voeten)



Het meisje heeft er vast op gerekend dat haar tweelingbroertje geplaatst zou worden op de zogenaamde Franse school, maar de brief waarin de toestemming moet worden verleend blijft uit. Andere kinderen uit haar klas zijn inmiddels wel overgestapt. De meester maakt er weer een valse opmerking over. Ze schaamt zich voor haar afkomst. Is dit omdat zij joden zijn en de bovenmeester van de Franse school een hekel aan joden heeft ? De aardige handwerkjuffrouw zegt dat het komt omdat andere arme kinderen het niet zo goed hebben gedaan op de Franse school. Vindt men hen dan te arm? Ze zijn toch helemaal niet arm of is het geheim van Stoffels uitgekomen ? Stoffels is de ballenman (snoepgoed) die langs de deur snoepgoed verkoopt, maar hij komt bij hen ook het geld ophalen voor de begrafenisverzekering. Die is namelijk bedoeld voor arme lui: wanneer er iemand dood gaat, kan de begrafenis betaald worden. Zou dat geheim bij de Franse school bekend zijn geworden? Maar dan komt de brief met het goede nieuws gelukkig toch nog. Haar broertje wordt alsnog op de Franse school toegelaten. Het meisje is blij om naar haar eigen school te gaan en dat de vervelende meester te vertellen.(Verhaal: De brief)





Over de schrijfster



Bron: Internetsite



Caroline Lea de Haan werd op 1 januari 1881 in Smilde te Drente geboren. Later maakt ze onder de schrijversnaam Carry van Bruggen naam in de Nederlandse literatuur. Ze brengt haar jeugd door in Zaandam en is thuis een van zestien kinderen. Haar vader is een streng joodsorthodox godsdienstleraar.



In Zaandam volgt Carry van Bruggen de ulo-school en leert door voor het onderwijs. In oktober 1900 vestigt ze zich als onderwijzeres in Amsterdam. Via haar broer Jacob Israël de Haan, die in Amsterdam rechten studeerde en later in opspraak raakt door zijn homoseksuele roman Pijpelijntjes (1904), komt ze in contact met vele studenten en artiesten. Ook ontmoet ze journalist Kees van Bruggen, waarmee ze in 1904 trouwt. Kees van Bruggen is tot die tijd redacteur bij Het Volk. Kort na het huwelijk vertrekken ze samen naar Indië, waar Kees hoofdredacteur van de Deli-Courant wordt. Voor dezelfde krant schrijft Carry recensies en columns. Het vertrek naar de kolonie heeft een reden: Kees van Bruggen verlaat voor Carry zijn eigen vrouw. Bang voor de gevolgen van het schandaal lijkt Indië een mooie oplossing.



In de jaren dat zij samen in Delhi wonen krijgen Kees en Carry twee kinderen, maar het is geen gelukkig huwelijk. Uiteindelijk keren zij in 1907 naar Amsterdam terug. Datzelfde jaar debuteert Carry van Bruggen met de verhalenbundel “In de schaduw” waarin zij terugblikt op haar kinderjaren. Ze is dan nog duidelijk beïnvloed door het naturalisme van Zola. Nadat zij twee boeken schrijft over haar Indische ervaringen, Goenong-Djatti (1909) en Een Badreisje in de tropen (1909), raakt Van Bruggen in 1910 pas echt bekend als auteur van de roman “De Verlatene”, waarin zij een beklemmende schildering geeft van het joodse milieu.



Met de publicatie van “Heleen” (1913) komt de eerste serieuze erkenning in de literaire wereld. Volgens Frans Coenen, de vijftien jaar oudere schrijver en criticus met wie Carry tijdens haar huwelijk een intieme relatie onderhoudt, was dit haar eerste echte volwassen boek. Met “Heleen” zou zij haar werkelijke identiteit openbaren, “voor het eerst zich aan zichzelf en de wereld”. In de Eerste Wereldoorlog werkt Van Bruggen hard aan een filosofisch werk: “Prometheus.” Het boek verschijnt in 1919, maar ontvangt nauwelijks enige waardering. Na enkele jaren wordt het onverkocht tot pakpapier verwerkt. Menno ter Braak erkent later zeer door het boek te zijn geïnspireerd.



In 1920 trouwt Carry met de eenentwintig jaar oudere kunsthistoricus Adriaan Pit. Het is dit keer wel een gelukkig huwelijk. In de verhalenbundels “Het huisje aan de sloot (1921), Avontuurtjes (1922) en Vier Jaargetijden (1924)” maakt de eenzaamheid plaats voor een milde toon.



Met Hedendaags Fetisjisme (1925) geeft Van Bruggen in vervolg op Prometheus haar visie op taal en literatuur. Een jaar eerder, in 1924, is haar broer Jacob Israël de Haan in Palestina vermoord. Drie jaar na diens dood brengt Carry van Bruggen de zeer autobiografische roman “Eva” uit. Het is haar laatste roman, waarin de dood van haar broer duidelijk in terug te vinden is. Tijdens een lezing die ze geeft op 3 april 1928 in Bussum, stort ze in. Dat is het begin van een vier jaar durende depressie die haar van de ene psychiatrische inrichting naar de andere voert.



Op 14 november 1932 neemt Carry van Bruggen een overdosis slaapmiddelen. Zonder bij te komen overlijdt ze twee dagen later, woensdag 16 november. Carry van Bruggen is begraven op het protestantse kerkhof op de Sint-Jansheuvel te Laren.



Bibliografie

In haar relatief korte leven heeft Carry van Bruggen toch weel literair werk nagelaten:

- In de schaduw (Van kinderleven) (verhalen) (1907)

- 'n Badreisje in de tropen (verhalen) (1909)

- Goenong-Djatti (1909)

- Breischooltje (verhalen) (1909)

- De verlatene. Een roman uit het Joodse leven (1910)

- Heleen. (1913)

- Het Joodje (1914)

- Een coquette vrouw (1915)

- Van een kind (verhalen) (1918)

- Om de kinderen (1918)

- Enkele bladen uit Helene's dagboek (1919)

- Uit het leven van een denkende vrouw (1920)

- Een kunstenaar (1921)

- Het huisje aan de sloot (1921)

- Een Indisch huwelijk (1921)

- Het verspeelde leven (1922)

- Avontuurtjes (verhalen) (1922)

- Maneschijn met koek en Al om een suikerballetje (1923)

- De vergelding (1923)

- Vier Jaargetijden (1924)

- Tirol (reisbeschrijving) (1926)

- Eva (1927)

- Seideravond (monoloog) (1934)

- Heleen/Enkele bladen uit Helene's dagboek (1934)

- Vijf romans (De verlatene/Heleen/Een coquette vrouw/Het huisje aan de sloot/Eva) (1979)

- Tegen de dwang. Een keuze uit de verhalen (1981)

- Plattelandjes (door J. Fontijn en D. Schouten) (1988)


Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen