U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Jeroen Godfried Maria Brouwers - Bezonken Rood.
Deze versie komt van http://huiswerk.leerlingen.com/boekverslag/20650/ en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1836 woorden.

De Arbeiderspers, Amsterdam (1981)





Titelverklaring:



De titel verwijst naar het bloed dat ooit vloeide in het Jappenkamp, het rood van de ondergaande tropenzon en de rode zon (‘bloedspat’) op de Japanse vlag. De term ‘bezonken’ slaat op de bezonken herinneringen die veilig onder op de bodem van de ziel liggen, maar niet beroerd moeten worden.







De auteur:



Jeroen Godfried Maria Brouwers wordt op 30 april 1940 geboren in Jakarta, het vroegere Nederlands-Indië. In 1942 komt door de Japanse invasie al snel een einde aan zijn onbezorgde jeugd. Samen met zijn grootmoeder, moeder en zusje wordt hij van 1943 tot 1945 opgesloten in het vrouweninterneringskamp Tjideng. Daar overlijdt zijn grootmoeder. Vanaf zijn tiende levensjaar brengt Jeroen zijn lagere- en middelbare schooljaren door in rooms-katholieke jongensinternaten. Een uitstapje naar de journalistiek levert niet de bevrediging die hij zoekt. In 1964 werkt hij als redacteur en directie-secretaris bij de Brusselse uitgeverij Manteau. Datzelfde jaar debuteert hij met de bundel Het mes op de keel. In 1967 krijgt hij de Vijverbergprijs voor zijn roman Joris Ockeloen en het wachten. Na een op de klippen gelopen huwelijk, waaruit twee kinderen worden geboren, vertrekt Brouwers in 1976 naar Nederland om zich daar geheel aan de literatuur te wijden. In 1979 verschijnt de roman Het verzonkene, het eerste deel van een trilogie, geheel gewijd aan zijn jeugd in het voormalige Nederlands-Indië. Bezonken rood verschijnt in 1981. Hierin beschrijft Brouwers de toestanden in het interneringskamp Tjideng. Dit boek wordt lovend ontvangen, alhoewel het publiek twijfelt aan het werkelijkheidsgehalte ervan. Het slot van de trilogie volgt in 1988 onder de naam De Indiëromans: De zondvloed. Thema’s als liefde, literatuur en de dood spelen een grote rol in zijn, vaak autobiografische, werken. Zelf zegt hij daarover: "Ik schrijf om te overleven.". In 1993 ontvangt hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.







Literaire stroming:



Moderne Nederlandse literatuur met surrealistische en symbolistische invloeden.







Genre:



Bezonken rood is een autobiografische oorlogsroman.







Samenvatting:



De gebeurtenissen in Bezonken rood spelen zich afwisselend af in het verleden en in het heden. Voor de duidelijkheid zullen in deze samenvatting de gebeurtenissen zoveel mogelijk in chronologische volgorde weergegeven worden.







Op een winterse dag in 1981 krijgt Jeroen een telefoontje. Het blijkt dat zijn moeder is overleden in het verzorgingstehuis. Naar aanleiding van het telefoontje komen er allerlei herinneringen bij Jeroen boven over het interneringskamp Tjideng. Na de inval van de Japanners in Nederlands-Indië, brengt hij er drie jaar van zijn leven door, samen met zijn grootmoeder, moeder en zusje. Het kamp staat onder leiding van Kenitji Sone. Vader verblijft in de oorlogstijd als krijgsgevangene in Japan. Jeroens twee oudere broers blijken, achteraf, op Java in mannenkampen opgesloten te hebben gezeten. Jeroen bewoont samen met de andere gezinsleden een gedeelte van een keuken. Als kind heeft moeite met bidden. Hij kan wel alle gebeden opzeggen, maar écht bidden doet hij nooit. Zijn moeder laat eveneens het bidden over aan andere mensen, waaronder haar eigen moeder. Jeroen kan alleen zien dat zijn oma nog leeft, als ze de kralen van de rozenkrans door haar vingers laat lopen. Dagelijks wordt Jeroen geconfronteerd met de dood en zelfs al vóór hij kan lezen, weet hij er alles vanaf. De vrouwen in het kamp worden mishandeld, vernederd en verkracht. Er zijn dagelijks appèls, waarbij alle vrouwen en kinderen worden geteld. Ze moeten bevelen opvolgen als: in de houding staan, buigen, blijven staan in gebogen houding, ‘lang leve de keizer’ roepen en met kwakende geluiden kikkeren (in hurkhouding kikkersprongen maken). Jeroen is, gelukkig voor zijn moeder, eenvoudig te herkennen tussen alle kleine kinderen. Hij draagt een tropenhelm, waar hij bijzonder trots op is.







Op zijn vijfde verjaardag, 30 april 1945, krijgt hij het boek Daantje gaat op reis. Aan de hand van dit boek leert zijn moeder hem lezen. Vier dagen later overlijdt Jeroens grootmoeder. In juni van dat jaar krijgt Jeroens zus dysenterie als ze met een rolschaats in het open riool terechtkomt. Ze wordt tot haar genezing opgenomen in het kampziekenhuis. Eind juli overlijdt Jeroens opa. In de eerste helft van augustus sterft Nettie Stenvert, Jeroens vriendinnetje. Jeroen heeft geen emoties meer en denkt alleen maar aan het inpikken van Netties pop. Om zelf in leven te blijven oefent hij elke dag de woorden, die zijn moeder hem leert. Iemand die stervende is, is niet meer in staat om de vliegen van zich af te slaan en daarom jaagt Jeroen elke dag op vliegen. Ze worden voor hem symbolisch voor de dood.







Begin augustus van 1945 worden twee atoombommen afgeworpen op Japan (Hirosjima en Nagasaki). Voor straf moeten de gevangenen twaalf uur in de houding staan en kikkeren. Al hun schamele bezittingen worden verbrand, maar Jeroen draagt zijn boek van Daantje onder zijn kleren. Het voedsel van een Rode Kruis-hulpwagen, wordt in een door de vrouwen gegraven gat geworpen. Jeroens moeder heeft stiekem rijst achter haar BH verstopt, maar wordt mishandeld zodra ze betrapt wordt. Hierover zegt hij: “Mijn moeder was de mooiste moeder, op dat moment hield ik op van haar te houden.” Drie dagen lang krijgen de gevangenen geen eten of drinken. Op 2 september 1945 capituleert Japan, maar de gevangenen moeten nog enkele maanden in het kamp verblijven.







Na de oorlog wordt het gezin weer herenigd. Ze emigreren naar Nederland. Op 10-jarige leeftijd wordt Jeroen ondergebracht in kostscholen om opnieuw opgevoed te worden. Hij voelt zich verraden door zijn moeder en wenst haar dood.







Zes à zeven jaar vóór zijn moeders overlijden, ontmoet Jeroen een vrouw. Ze heet Liza en een uur na hun kennismaking gaan ze met elkaar naar bed. Liza loopt mee in de optocht, terwijl Jeroen vanuit het slaapkamerraam kijkt en denkt: “ik voel niets meer voor haar”. Na een verblijf van drie dagen vertrekt hij om haar weer te vergeten. Een maand voor zijn moeders overlijden, ontmoet hij Liza opnieuw. Jeroen is dan inmiddels getrouwd en vader geworden van een dochter. Het gesprek is weinig diepzinnig. Jeroen vraagt zich intussen af hoe hij geworden is, zoals hij is.







De avond voor het overlijden van zijn moeder krijgt Jeroen bezoek van de schrijver Ger Verrips. Ze praten over literatuur en politiek. Later op de avond kijkt Jeroen TV. Hij ergert zich aan de Duitse nasynchronisatie van een Japanse film. Terwijl hij het eelt van zijn voeten vijlt, vraagt hij zich af waarom iedereen altijd denkt dat de Duitse onderdrukking ‘erger’ was, dan de Japanse.







Jeroen heeft al lange tijd geen contact meer met zijn moeder en wenst ook niet bij haar crematie aanwezig te zijn. Wel wil hij een uitgebreid verslag hebben van de plechtigheid. Jeroen besluit als hommage op het tijdstip van de crematie voor te lezen uit ‘Daantje gaat op reis’. Hij kan het boek helaas niet meer vinden. Jeroen voelt zich ellendig en kan de gedachte aan zijn moeder niet van zich afzetten. Hij neemt een pil om wat te kalmeren en besluit dat hij zijn naam niet in de rouwadvertentie vermeld wil zien. Voor zijn gevoel is zijn moeder al lange tijd geleden overleden. Jeroen raakt verward. Hij herinnert zich de tijden met Liza en voelt zich opnieuw verliefd. Daarnaast heeft toch rouwgevoelens voor zijn moedere. Dit verwart hem. Eigenlijk wil hij helemaal niks voelen. Hij wacht bij de telefoon en hoopt dat zijn moeder belt, maar dan met de stem van Lisa.







Jeroen vraagt zich af naar welke televisieprogramma’s zijn moeder heeft gekeken, kort voor haar overlijden. Hij krijgt wederom een telefoontje van het verzorgingstehuis. De persoon vraagt of hij belang heeft bij een erfstuk. Hij heeft geen belangstelling. Wel krijgt hij enkele weken later haar fotoalbums te zien. Om zijn gedachten te verzetten, rijdt Jeroen op de dag van de crematie uren rond. Als hij weer thuis komt, werkt hij verder aan zijn boek over zelfmoord in de Nederlandstalige literatuur.







Jeroen besluit een boek te schrijven over zijn tijd in Tjideng. Eigenlijk vindt hij dat hij geen boek màg schrijven over het leven in Tjideng, omdat hij daar een onbezorgde tijd heeft gehad. Hij was levenslustig en leed géén honger, omdat zijn moeder regelmatig eten smokkelde. De enige reden die hij noemt om dit boek te schrijven is ‘octaviteit’.







Tijd en tijdvolgorde:



Het boek wordt niet-chronologisch verteld, maar is hoofdzakelijk fragmentarisch. Er wordt afwisselend gebruikgemaakt van verleden tijd-vormen en de tegenwoordige tijd. De vertelde tijd varieert van ongeveer vier jaar (=kampherinneringen) tot veertig jaar (=periode kamp Tjideng tot heden).







Plaats/ruimte:



De ik-figuur woont in Nederland en blikt terug naar zijn herinneringen van het interneringskamp Tjideng. Het verhaal speelt zich daarbij voornamelijk af in het kamp Tjideng. Daarnaast vinden de gebeurtenissen plaats in de woonplaats van Liza en het huis van de ik-figuur in de Achterhoek.







Karakterbeschrijving en -ontwikkeling:







Jeroen:



Jeroen is schrijver van beroep. Hij is voor de tweede keer getrouwd. De eerste twee jaren van zijn leven brengt hij onbezorgd door temidden van zijn broers en zusjes. Na de Japanse inval in Nederlands-Indië wordt hij met zijn grootmoeder, moeder en zusje ondergebracht in Jappenkamp Tjideng. Daar ontwikkelt zich zijn afkeer van vrouwen en leert hij zijn gevoelens te onderdrukken. Jeroen is een rond karakter.







De overige verhaalfiguren zijn bij-figuren en worden slechts kort beschreven.







Onderlinge relaties:



Liza is een vrouw met wie Jeroen een korte hartstochtelijke relatie heeft beleefd. De relatie tussen Jeroen en zijn moeder, Henriette Maria Elisabeth van Maaren, is slecht. Nettie Stenvert is het vriendinnetje van Jeroen gedurende het verblijf in kamp Tjideng.







Thematiek:



Moeder-zoon relatie:

Het hoofdthema in Bezonken rood is de moeder-zoon relatie. Deze is grotendeels verstoord en Jeroen is, mede daardoor, niet in staat om een duurzame liefdesrelatie met een vrouw aan te gaan.





Isolement:

Jeroen voelt zich op diverse manieren in de steek gelaten. Hij voelt zich verraden door zijn moeder, die hem naar kostscholen stuurt. De dichte mist, die regelmatig in het verhaal terugkeert, symboliseert zijn geïsoleerde gevoel.



Schuldgevoel:

Jeroen voelt zich medeplichtig aan alle gruwelijkheden in het interneringskamp, doordat hij er als kleuter bij heeft staan kijken. Hij heeft wroeging, omdat hij niet heeft ingegrepen. Hij geeft zelfs toe dat er niet ongelukkig is geweest en dat hij geen hongergevoelens heeft gehad.



Dood:

Op alle mogelijke manieren wordt de ik-figuur geconfronteerd met de dood. In zijn jeugdjaren ziet hij in Tjideng veel gevangenen mishandeld en vermoord worden. Zijn vriendinnetje en oma overlijden in het kamp. De dood van zijn moeder is de aanleiding tot alle herinneringen.







Motto:



Er aber, in seiner gewöhnlichen Art, hüllte sich in Geheimnisse, indem er mich mit grossen Augen anblickte und mir die Worte wiederholte:

Die Mütter! Mütter! ’s klingt so wunderlich! –

Johan Peter Eckermann, Gespräche mit Goethe







Zoek mij terwijl ik er ben. Leer mij kennen, omdat ik er ben.





Ik ben er immers. En toch is zeker dat ik er niet ben.



Dodenlied (Zuid Celebes)







Taalgebruik:



De auteur gebruikt weinig moeilijke woorden. Er zijn geen dialogen en daardoor beleef je de gebeurtenissen eenzijdig.







Vertelsituatie:



Bezonken rood is geschreven vanuit een ik-vertelsituatie. De ik-figuur speelt zelf de hoofdrol in zijn eigen verhaal. De auteur beweert dat al zijn werk autobiografisch is.







Perspectief:



Er is sprake van ik-perspectief.







Verhaalopbouw:



Het verhaal is opgebouwd uit zeventien ongenummerde hoofdstukken. Gebeurtenissen en herinneringen lopen als een collage sterk door elkaar. Opvallend is dat de zin “Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt!” regelmatig in het verhaal terugkeert.



Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen