U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Gerard Reve - De Avonden.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/2445 en is laatst upgedate op 18/02/2001.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 4548 woorden.

Titel: De avonden

Auteur: Gerard Reve

Jaar van eerste uitgave: 1947



Samenvatting:

Het is zondag, een verloren dag. Joop komt even op bezoek, zonder de zieke Ina. Nadat hij ontdekt dat Jaap Elderer niet thuis is, gaat Frits op bezoek bij Louis. Om kwart over negen, als Louis naar bed gaat, keert Frits huiswaarts. Eenmaal thuis aangekomen gaat hij uit verveling naar bed.

Maandag vertrekken Frits’ ouders naar Haarlem. Samen met Joop en Ina gaat Frits naar het Berendgymnasium, dat 20 jaar bestaat. Frits voert een aantal onbenullige gesprekken en verveelt zich.

Ter ere van de eerste verjaardag van hun zoon, gaat Frits op bezoek bij Jaap en Joosje. Totdat Jaap thuiskomt verveelt Frits zich bij Joosje en twee oudere dames. Als Jaap thuiskomt, zeurt Frits eerst over haaruitval. Daarna maken ze grappen over een halfdronken man, die om elf uur binnenkomt, en over invalide mensen. Op het moment dat hij thuis komt heeft Frits’ moeder een zenuwaanval.

Eerste Kerstdag. Frits’ ouders gaan weg. Lande bezoekt Frits en beschuldigt Maurits Duivenis ervan tweehonderd gulden van hem gestolen te hebben. Samen met Louis Spanjaard gaat hij vervolgens naar de bioscoop. ‘s Avonds gaat Frits naar Walter Graafse. Terwijl ze samen muziek maken, ligt er iemand, een verdieping hoger, op sterven. ‘s Nachts heeft Frits angstdromen.

Tweede Kerstdag. Frits’ ouders gaan weer weg. Frits luistert naar muziek en voelt zich gelukkig. Als hij Maurits Duivenis in de stad tegenkomt, bekent hij dat hij de tweehonderd gulden heeft gestolen. ‘s Avonds bezoekt Frits Viktor, een student klassieke talen, en spreekt met hem over geestelijke afwijkingen bij mensen.

Na zijn werk koopt Frits twee kaartjes voor de bioscoop. Door drukke werkzaamheden kan Viktor echter niet mee. Als Frits vervolgens bij Louis langsgaat, treft hij Viktor aan. Uiteindelijk verkoopt hij het tweede kaartje aan Maurits. Na de film praten ze na in de kamer van Maurits.

Frits’ moeder gaat naar Haarlem, waardoor hij samen met zijn vader moet eten. ‘s Middags gaat hij even naar bed. ‘s Avonds gaat hij samen met Jaap, Joosje en Viktor naar een café. Ze hebben het onder andere over de vakantie, kostgangers in de oorlog en de school die Frits niet afgemaakt heeft. De dronken Frits komt met veel hulp thuis. Nadat hij overgegeven heeft, valt hij in slaap.

‘s Ochtends wordt Frits wakker met een kater. ‘s Middags gaat Frits naar Adelaar, de vader van Ina. Daar aangekomen blijkt dat Joop en Ina naar de schouwburg zijn. Als Frits weer thuis is, komen Joop en Ina langs. Frits plaagt Joop met zijn kaalheid. Hij gaat naar Bep Spanjaard, die last heeft van eczeem aan haar been. Ze vertelt over haar achtervolgingswaanzin uit de oorlog en geeft Frits een speelgoedkonijn, dat zijn troeteldier wordt. Thuis hebben vader en moeder ruzie.

Samen met Jaap, Joosje, Bep en Eduard Hoogkamp gaat Frits naar de religieuze negerfilm De Groene Weiden. Voordat ze naar de nachtvoorstelling gaan, praten ze over ziekten en begrafenissen. De film maakt veel indruk op Frits. Hij gaat direct na afloop alleen naar huis, om te voorkomen dat de zinloze gesprekken met zijn vrienden afbreuk doen aan het effect van de film.

Oudejaarsdag. Frits viert oudejaarsdag thuis met zijn ouders. Frits ergert zich aan de eetgewoonten van zijn ouders en aan zijn moeder, die is opgelicht en vruchtensap heeft gekocht in plaats van wijn. Als het gesprek stokt, gaat Frits naar boven. Hij wil zijn konijn martelen, maar wordt geroepen door zijn moeder. Nog voor twaalf uur wil hij zijn vader vertellen hoe hij over hem denkt. Het lukt niet. Na twaalf uur gaat Frits naar zijn vrienden. Nergens wordt opengedaan. Op weg naar huis noemt Frits alle slechte eigenschappen van zijn ouders en vraagt God om vergiffenis voor hen. Uiteindelijk accepteert hij wat hem overkomt en is hij blij te leven.



Beschrijf het karakter van de hoofdpersoon / -personen:

Frits van Egters is de hoofdpersoon van dit boek. Hij is 23 jaar maar ondanks zijn leeftijd woont hij nog steeds bij zijn ouders. Hij heeft op het gymnasium gezeten maar helaas heeft hij deze niet voltooid. Verder werkt hij op kantoor waar hij een saaie baan heeft. Eigenlijk is zijn hele leven saai, want elke dag zien we hetzelfde patroon. Opstaan, naar kantoor gaan en werken, thuiskomen, eten, naar (één van zijn) vrienden gaan om de tijd te doden en dan weer slapen. Door dit saaie leven ziet hij ook het nut van het leven niet in en enkele malen zegt hij dan ook “het heeft geen zin, alles is verloren”.

Ook wordt hij geteisterd door angstdromen die hij elke nacht heeft. Vaak droomt hij dan over de grootste angst die hij heeft: de dood. Daarom gaan bijna alle dromen over Frits die zich ergens bedreigd voelt door de dood maar uiteindelijk wordt hij toch net niet gedood.

Verder heeft hij naast de dood ook nog grote angst voor lichamelijk verval, voornamelijk kaal worden. Hij is er nu echter trots dat hij nog haar heeft en laat dat dan ook duidelijk merken door kwetsende opmerkingen in de richting van andere, kaalwordende personen te maken. Misschien doet hij dit ook wel om zijn eigen angst te onderdukken.



Citaat blz. 13:

"Hij zuchtte, hing de scheerspiegel weer op aan de knop van het keukenraam en ging de huiskamer binnen. Het was bijna één uur. Hij ging op de divan zitten. “We zijn over de helft,” dacht hij, “de middag is al een uur geleden begonnen Kostbare tijd, die niet meer te achterhalen is, heb ik vermorst.” Hij zette de radio aan, maar nog voordat de lampen warm waren geworden, weer uit, stond op, opende de schuifdeuren en betrad de achterkamer. Hij schoof de lange vitrage opzij en drukte zijn gezicht tegen de ruit. Zijn voorhoofd liet een vette plek achter op het glas. Hij duwde het er opnieuw tegen aan en keek naar beneden.

In de tuin van het rechts aangrenzende huis zat een keeshond onder een rododendron zijn behoefte te doen. Er hingen drie jassen te luchten aan een waslijn. Op het betonnen straatje van de tuin onder hem zat een witharige man houtjes te hakken. Af en toe sprong bij een slag een stuk een eind de hoogte in.

Hij beet met zijn hoektanden in een spant tussen twee ruiten, liet zijn tong over het glas gaan en liep naar de keuken. Hier nam hij een handvol kachelhoutjes uit een papieren zak in de hoek, legde ze op de keukentafel en opende geruisloos de naar binnen openslaande ramen. Even nadat de hakkende man had toegeslagen, wierp hij telkens een stukje hout ver verwijderd in de tuin, op verschillende plaatsen: op het grint, de stenen van de rotspartij of tegen de omheining; elke keer met kracht, zodat het flink geluid gaf. Bij de vierde maal stond de man na het oprapen het hout lang en aandachtig te bekijken. Frits wierp nog één keer een stuk, op het linker eind van het straatje, sloot toen het raam en zuchtte. “De lege uren,” mompelde hij, zich omdraaiend."



Hier is goed de totale verveling van Frits te zien.



Is er sprake van een verandering in het karakter? En zoja, in welk opzicht dan?

Er is in het boek geen sprake voor een verandering. In het boek worden de laatste tien dagen van 1946 beschreven en dus is de tijd te kort om een verandering in het karakter van iemand te laten optreden.



Beschrijf kort enkele minder belangrijke personen:

De vader van Frits: Zijn vader is een al wat oudere man die vrij zwijgzaam is. Hij hoort slecht en het lijkt alsof hij ook al dementerende is, zijn gezondheid gaat dus hard achteruit. Hij doet eigenlijk de hele dag niks anders dan een ommetje maken met Frits’ moeder, de krant lezen en radio luisteren. Het feit dat je de naam van Frits’ vader en moeder niet te weten krijgt geeft aan dat het geen belangrijke personen in het boek zijn.

De moeder van Frits: Zij is een zorgzaam persoon die de aardige huismoeder speelt. Ook zij heeft slechte tafelmanieren en verder doet ze ook de hele dag niks anders dan een beetje in en rond het huis werken. Af en toe gaat ze bij vrienden op bezoek.

Joop van Egters: Joop is de broer van Frits en ze hebben samen op het gymnasium gezeten. Joop was eigenlijk altijd iets beter dan Frits. Zo maakte hij het gymnasium wél af en is hij wel getrouwd. Joop begint al aardig kaal te worden en krijgt daar vaak opmerkingen over te horen van Frits.

Viktor Poort: Eén van de vrienden van Frits. Gelooft in tegenstelling tot Frits wel in God en is de goede, aardige vriend die iedereen zich graag zou wensen.

Maurits Duivenis: Maurits is de criminele vriend van Frits. Hij steelt vaak jassen en andere dingen van mensen en hij zit in grote geldnood, mede door zijn gokverslaving. Hij is erg onzeker en vraagt vaak aan Frits wat hij nou werkelijk van hem vindt. Hij is niet getrouwd waarschijnlijk doordat hij maar één oog heeft.

Louis Spanjaard: Louis is weer een andere vriend van Frits, maar met vaak een slecht humeur. Het lijkt ook alsof hij Frits liever niet zou kennen. Hij ging samen met Frits naar het gymnasium en is de broer van Bep.

Bep Spanjaard: Bep is de enige vriendin van Frits. Ze heeft een enorm bang karakter want ze denkt dat ze voetstappen en stemmen hoort. Ze is de broer van Louis.

Jaap Elderer: Jaap is getrouwd met Joosje, van wie hij een éénjarig zoontje (Hansje) heeft.



Herken je bepaalde karaktertrekken of bepaald gedrag van jezelf in personen in het verhaal?

Ik herken geen karaktertrekken van mezelf in personen in het verhaal. Ze hebben (bijna) allemaal zo’n ontzettende negatieve kijk op het leven en dat heb ik totaal niet. Ik zie ook (gelukkig) het nut van het leven nog wel in. Verder heb ik ook geen angsten voor de dood of voor wat dan ook, zoals Bep en Frits die wel hebben. Ik herken dus niet bepaalde karaktertrekken in de personen in het verhaal omdat ze over het algemeen te negatief zijn ingesteld. Verder krijgen we van de meeste personen ook niet veel informatie over hun karakter. Alleen Frits wordt uitvoerig beschreven en we krijgen een klein beetje informatie over de vader en moeder van Frits.



Beschrijf de belangrijkste relaties: - hoe gaan deze mensen met elkaar om? Wat trekt aan en wat stoot af?

Frits van Egters en zijn moeder: De relatie tussen Frits en zijn moeder is vrij slecht. Alles in huis moet volgens haar regeltjes en maniertjes en op een andere manier kan voor haar niet. Ze wil niet geloven dat ze iets fout doet en daar kan Frits niet zo goed tegen. Ook ergert Frits zeg elke avond aan de ontzettend slechte tafelmanieren van zijn (moeder en vader).



Citaat blz. 175

De maaltijd begon met soep. Frits sloeg met zijn vork tegen de rand van zijn bord, hield de tanden naast zijn oor en maakte een neuriënd geluid. “Sol,” zong hij daarna luid. Hij herhaalde het twee keer en keek zijn vader aan. Deze trok de wenkbrauwen op. “God Christus,” dacht Frits, “ze slurpen beiden. Beiden slurpen. Nu kan nog de verontschuldiging gelden, dat het heet is. Hoewel dat eigenlijk geen verontschuldiging is. Maar straks slurpen ze door, alleen omdat het makkelijker is. Zou het werkelijk makkelijker zijn?”



Frits van Egters en zijn vader: Ook de relatie tussen Frits en zijn vader is slecht. Er zijn een aantal dingen waaraan Frits zich irriteert. Ten eerste is de man erg slechthorend, maar wel moet altijd de radio zachter als Frits aan het luisteren. En ten tweede heeft zijn vader al net zulke slechte (eet)gewoonten als zijn moeder; slurpen, dingen met zijn eigen vork opscheppen, dingen aan het tafelkleed afvegen etc. Ook maakt Frits grapjes over zijn vader of plaagt hij hem.



Citaat blz. 65

“Je moet jazzmuziek proberen te volgen,” zei Frits. Hij zat op een stoel dichtbij het toestel. “Kan dat gemier niet af?” vroeg zijn vader en richtte zich op. “Nee,” zei Frits, “je moet eens luisteren, dan zul je horen, dat het geen onsamenhangend lawaai is. Het orkest geeft het ritme aan, de saxofoon speelt de melodie en de improvisaties.”

“Maar het kan wel zachter,” zei de man en draaide de knop terug. Hierna ging hij weer liggen. Frits nam de knop vast en draaide die langzaam, beetjes weer naar rechts, op de ogenblikken dat alleen een zwakke drum te horen was.



Frits van Egters en Joop van Egters: Frits kan vrij goed met zijn broer Joop opschieten, maar toch blijft altijd het idee hangen dat Joop net iets beter was dan Frits, bijvoorbeeld op school. Toch hebben ze een goede vriendschap Vaak maakt Frits ook grapjes over het weinige haar dat Joop nog heeft, maar deze ergert zich daar niet zo aan.



Citaat blz. 28

“Ga zitten, meneer van Egters,” zei Joop. Hij nam een doosje sigaretten uit een la en presenteerde.

“Je begint flink kaal te worden,” zei Frits. Joop glimlachte, de mond klein houdend. “Ik word niet zo gauw kaal,” zei hij. “Je schijnt erop te zitten wachten.” Met wijsvinger en middelvinger betastte hij de diepe inhammen van de haargrens. “Toch wel,” zei Frits. “Tel je de haren in je kam wel elke morgen? Dan zul je zien, dat het er elke dag meer zijn. Langzaam maar zeker. Ik zou het verschrikkelijk vinden, als ik wist, dat ik kaal moest worden. Ik zou niet langer willen leven. Maar, begrijp goed, ik wil je niet ontmoedigen.”



Is er sprake van een verandering in deze relaties? En zoja, in welk opzicht dan?

Nee, er is geen sprake van een verandering in de relaties. De tijd in het boek (10 dagen) is hier waarschijnlijk te kort voor.



Geef jouw mening over deze relatie(s).

Ik vind het erg vreemd dat mensen die zich vrienden van elkaar noemen zo afstandelijk met elkaar omgaan. Ze vinden het ook zo moeilijk om een goed gesprek op gang te krijgen en dan ook te behouden terwijl dat bij vrienden toch gemakkelijk zou moeten gaan.

Ik vind de relatie tussen Frits en zijn ouders ook vreemd. Je behoort toch altijd een speciale band te hebben met je ouders en meestal hou je ook van ze. Daarentegen lijkt het wel alsof Frits helemaal niet om zijn ouders geeft, hij loopt ze eerder te bekritiseren en plaagt zijn vader. Allemaal erg raar.



Vanuit welke persoon vertelt de schrijver het verhaal?

Het verhaal wordt verteld vanuit de hij-vorm verteld. Het perspectief ligt bij Frits van Egters.



3b) Als het perspectief wisselt: van wie naar wie dan?

Het perspectief wisselt niet, maar blijft de hele tijd bij Frits van Egters.



Wanneer speelt het verhaal zich af?

Het verhaal speelt zich af in de laatste tien dagen van 1946.



Van welk belang is dit moment/deze periode voor het verhaal?

Het belang van deze tijd is dat het de periode is vlak na de Tweede Wereldoorlog. In deze periode hadden veel mensen het gevoel dat het leven zinloos was omdat het na de oorlog allemaal niet zo goed ging (ik weet de precieze oorzaak niet). Misschien is daardoor de depressiviteit van Frits te verklaren.



Waar speelt het verhaal zich af?

Het verhaal speelt zich af in Amsterdam.



Van welk belang is deze plaats voor het verhaal?

De plaats is voor dit verhaal niet van groot belang. Het had verhaal had zich net zo goed in Rotterdam kunnen afspelen terwijl dat niets voor het verhaal had uitgemaakt.



Formuleer in één zin wat het thema is van het verhaal. Deze zin moet de vorm hebben van een bewering.

Een mens kan vele angsten in zijn leven hebben.



Noem drie motieven en geef aan hoe ze verbonden zijn met het thema.

Het eerste motief is de dromen die Frits gedurende de tien beschreven dagen elke nacht heeft (behalve de nacht dat hij dronken was). In veel dromen wordt Frits door de dood bedreigd, maar hij weet toch elke keer op het nippertje te ontsnappen. Andere dromen hebben ook altijd met de dood te maken maar dan op een andere manier. Dit motief heeft natuurlijk alles met het thema te maken want het is één van de angsten die Frits heeft.



Citaat blz. 139-140:

Hij wiegde zich heen en weer, gaf af en toe met de vuist een slag op de muur en viel pas na drie kwartier in slaap.

Hij zat in een kano en peddelde op een groot, effen meer. De hemel was betrokken. Wind was er niet, zodat de zwarte waterspiegel volkomen vlak was. “Het water stijgt,” dacht hij. In de kano kwam steeds meer water te staan. Hij peilde het met de hand en tastte daarna in het water buiten de boot. “Gruwelijk teken,” dacht hij, “het water hier binnenin de boot is veel kouder dan dat er buiten. Het is ander water. Waar komt het vandaan?”

Hij peddelde zo hard hij kon. “als ik de wal maar eerst zie,” zei hij hardop. Het water op de bodem steeg en bereikte zijn benen en dijen. “Ik ben verloren,” dacht hij. Het water bleef stijgen. De kano kwam steeds dieper te liggen en het begon donker te worden. Hij kwam steeds langzamer vooruit, hoe hard hij ook roeide. Eindelijk was het bootje tot de rand volgelopen.

Hij hield op met peddelen, bewoog zich niet en wachtte. “Het zal, als ik niet beweeg, blijven drijven,” dacht hij. Op dat ogenblik zag hij in de verte tegenover zich, in de avondschemering een vloedgolf aankomen ter hoogte van een huis. “Een muur van water,” dacht hij, “het is de vloedgolf.”

Het water om hem heen begon geleidelijk door de aanzuiging de aanrollende golf tegemoet te stromen: hij zag het aan stofjes, bladeren en strootjes, die steeds sneller voorbijgleden. Uit de verte klonk onafgebroken gedreun. “De stroom heeft mij nog niet gegrepen,” dacht hij, “ik moet het proberen.” Hij wendde de kano om en begon te peddelen, maar kwam nauwelijks vooruit. Toen hij achterom keek, was de vloedgolf al dichtbij gekomen: een fijn waas van verstoven water zweefde er boven. Het bulderen was duidelijk te onderscheiden in het spatten van het schuim en het dreunen van de vallende watermassa.

Hij werd wakker, maar kwam niet tot helder denken. Nog voor hij zich de inhoud van de droom geheel herinnerde, sliep hij weer in. Het was drie uur.



Het tweede motief is de angst die Frits heeft voor lichamelijk verval, met name het kaal worden. Hij probeert er grapjes over te maken en hij maakt ook kwetsende opmerkingen in de richting van vrienden die kaal beginnen te worden, misschien om zijn angst te onderdrukken.



Citaat blz. 19-20

Opeens hoorde hij ritselen van papier. Louis was gereedgekomen, draaide zijn stoel naar hem toe en zei: “Juist, meneer Egters.” “Sta me toe, naar de staat van uw gezondheid te informeren,” zei Frits. “Als anders,” antwoordde Louis, “als anders.” “Het is nu wel bewezen,” zei Frits, “dat je niet in een gezond vel steekt. Kennelijk een familie met veel Bloedziekten. Beschrijf, als je wilt, nog even de symptomen.” “Hoe kan ik deze dingen zeggen?” dacht hij, “waarom zijn ze niet tegen te houden?” “Die zijn bekend,” zei Louis. “Houdt de hoofdpijn wel eens op?” vroeg Frits. “Dat niet,” zei Louis, “het spijt me, dat ik u op dat punt moet teleurstellen.” Zodra je werkt, leest of schrijft, komt het met alle kracht opzetten, niet?” vroeg Frits. “Nu ook?”

“Zeker, nu ook,” zei Louis. “Dus je gaat wel te gronde, het gaat wel gestaag bergaf?” vroeg Frits, “en geduldig wacht je je einde af?”

“Och, op den duur verveelt het wel, moet ik zeggen,” antwoordde Louis, langzaam het vel van zijn voorhoofd samentrekkend. “Als dat al jaren is doorgegaan, nooit anders, dan kom je wel” – zijn stem kreeg opeens een luchtige toon – “op de gedachte, dat het eind niet eens zo kwaad zou zijn. Op den duur, zie je, dan ga je twijfelen.”



Wat valt je op aan de stijl (het taalgebruik bijv.)?



Gerard Reve hanteert in dit boek een heel zakelijke schrijfstijl. Er komen uitvoerige beschrijvingen van de prachtigste dingen in voor. Het is allemaal een beetje somber geschreven, helemaal in de geest van het boek dat over het algemeen erg pessimistisch is.

Ook is het boek natuurlijk een beetje ouderwets geschreven (het dateert uit 1946) en komen er vaak woorden of uitdrukkingen in voor die wij (bijna) niet meer gebruiken.



Citaat blz. 15

Zijn vader tastte met de rechterhand tussen divan en muur. “Wat zoek je?” vroeg Frits. “Ja,” antwoordde zijn vader, “ik zoek iets.” “Is er wat achter gevallen?” vroeg Frits. “De aansteker,” antwoordde vader. Zijn moeder kwam binnen. “Ben je iets kwijt?” vroeg ze. “Ja,” antwoordde zijn vader, “ja”. “Wat is vader kwijt?” vroeg ze aan Frits. “De aansteker,” antwoordde deze, “hij is er tussen gerold”.



Dit stukje laat goed de simpelheid/somberheid zien waarmee het verhaal is geschreven. Heel korte zinnetjes en zeer beleefde vragen als: “Wat is vader kwijt?”. Tegenwoordig zouden we zeggen: “Wat is ie kwijt?”.



Bij welke stroming hoort dit literaire werk? Licht je antwoord toe.

Dit werk behoort duidelijk tot het existentialisme. Het existentialisme gaat er namelijk vanuit dat het enige houvast die de mens heeft in deze zinloze wereld, zijn eigen bestaan is. Dit komt natuurlijk prima overeen met het karakter van Frits van Egters. Hij vindt ook dat zijn hele leven zinloos is, want hij verveelt zich ontzettend elke dag. Hij denkt dus dat het geen nut heeft om te leven.

Ook gaat het existentialisme er van uit dat de mens in een wereld is geworpen waar hij niet om gevraagd heeft. Dit blijkt wel uit Frits’ grote afkeur voor het milieu waarin hij opgroeit. Hij ergert zich aan zijn vader en moeder en plaagt zijn vader ook.

Wat een beetje vreemd aan is, is dat het existentialisme zegt dat je eigen bestaan het enige houvast is in deze wereld, er zou dus geen God bestaan. Maar “De Avonden” gelooft de hoofdpersoon, Frits, toch duidelijk in God. Er is voor hem dus wel een andere houvast. Dit klopt dus niet helemaal met “de wetten” van het existentialisme.



Welke informatie over de auteur en het literaire werk bevat de literatuurmethode die je in de lessen gebruikt?

Zie Dautzenberg pagina 279 tot en met 283.



Kopieer minstens twee belangrijke passages. Geef aan waarom ze indruk op je maakten en waarom ze belangrijk zijn in het verhaal. (ongeveer 500 woorden)



Fragment blz. 38-39 (einde hoofdstuk II)

- - - - -

Daarna nam hij een slok levertraan uit een fles op zijn schrijftafel, kleedde zich uit en sliep spoedig in.

Hij meende muziek te horen, maar telkens als de klanken bijna duidelijker werden, nam de wind in kracht toe en blies alle geluid weg. Even daarna liep hij langs de rivier.

In zijn hand had hij een bos bloemen in papier. Over het water kwam langzaam een grote witte zwaan op hem toezwemmen. Het dier klom moeizaam, maar toch vrij snel de steile walkant op en liep op hem af. Het was een gewone zwaan, zoals er in parken te zien zijn. De poten echter staken in damesschoenen, maar dit verontrustte hem niet.

Hij wilde iets zeggen, maar had geen stem. Toch voelde hij zich niet bevreesd. Het dier was nu vlak bij hem gekomen, strekte de hals uit, scheurde pikkend het papier van de bos en ging in de bloemen happen. Het waren sterke witte chrysanten. Elke pik bracht nieuwe beschadigingen teweeg. De witte kroonblaadjes woeien weg naar de rivier. Als ze boven het water waren gekomen, vormden ze een sneeuwstorm.

Soms beet de vogel een hele bloem van de steel en spuugde die uit. Spoedig was de bos kaal. Frits wierp hem op de grond.

Toen kwam de kop van de vogel dichter bij hem. Eerst werd de kop aldoor groter, toen alleen het oog. Het oog groeide en naderde steeds dichter. Het was in een oogwenk zo groot als zijn eigen hoofd. Hij keek er in en werd geheel rustig. Hij wist, dat, wanneer hij zich niet verzette, dit zijn ondergang zou zijn, maar hij wilde niet weerstreven. Het dier zou hem doden, maar hij kreeg bij de aanblik van het oog, dat nu zo groot was, dat hij er zich in kon spiegelen, een gevoel van voldoening: het was hem onverschillig

Hij werd wakker, draaide zich om en probeerde zich de droom te herinneren, maar dat lukte niet. Hij herinnerde zich alleen, dat er een zwaan in was voorgekomen, sliep weer in en droomde die nacht niet meer.



De dromen die Frits krijgt in het verhaal zijn heel belangrijk. Ik had net zo goed een andere droom kunnen nemen, maar ik vond dit een mooi voorbeeld omdat er ook nog iets anders in zit wat karakteristiek is voor Frits en omdat deze droom net iets anders is dan de anderen. Er is duidelijk in te lezen dat Frits bedreigd wordt door de dood. Frits is het hele boek door bang voor de dood maar juist in deze droom niet. Hij voelt zich nu juist niet bevreesd voor de zwaan en hij wordt zelfs rustig als hij in het grote oog kijkt. De zwaan staat op het punt hem te vermoorden en op dat moment denkt Frits: “het is me onverschillig”. Dit past heel mooi bij het karakter van Frits. Hij vindt dat zijn hele leven zinloos en dat het geen nut heeft om verder te leven. Dus wat zou het hem uitmaken als hij vermoord zou worden?



Fragment blz. 51-52:



“Toch maken die dingen het leven rijk,” zei Jaap. “De zieken en mismaakten. Als ik een houten poot zie of een oude vrouw met een stok met rubberpunt, of een bochel, dan is mijn dag goed.”

Beiden lachten. “Of die prachtige bulten,” zei Frits langzaam, op nadenkende toon “die grote, roze aardappels, die zo maar gratis, op iemand zijn hoofd groeien, of achter zijn oor, in plaats van een potlood.” Hij schudde op zijn stoel, dat de vloer trilde. Beiden waren ze een ogenblik buiten adem. “Je moet een bochelaar eens over zijn bult aaien,” zei Jaap hoestend, “dan wordt hij gek.”

“Je hebt ook,” zei Frits, “die kerel met zijn houten been, op de brug. Die gaat op de grond zitten en verspert je de weg met die poot. Je valt er zowat over, dan moet je wel wat geven.”

“Een blinde is ook iets prachtigs,” zei Jaap, “met zo’n hond.” Hij hikte van het lachen. “let niet op mij,” gierde hij, “ik met mijn hond, let niet op mij, want ik ben blind.” “Het is iets heerlijks,” ging hij verder. “Maar het mooiste zijn wel sommige lui met een door vuur verminkt gezicht. Zonder neus en met natte ogen in een holte zonder oogleden. Dat is wel groots.”



Net als het vorige fragment is het dit fragment op zich niet echt belangrijk in het verhaal. Ik had namelijk net zo goed een ander fragment kunnen nemen, dus dit fragment is als het ware representatief voor meerdere fragmenten uit het boek. In dit fragment (en vele andere) zie je hoe Frits wrede grapjes maakt over alle “mislukkelingen van de maatschappij”. Hij heeft natuurlijk een erg saai leven en om een beetje aan de somberheid van zijn bestaan te ontkomen, gaat hij vaak op bezoek bij één van zijn vrienden. Daar probeert hij altijd een goed gesprek op gang te krijgen en meestal door gruwelijke grapjes of verhalen te vertellen en er dan met zijn tweeën hard om lachen. Dit is een belangrijk fragment voor het boek omdat je vaak ziet dat Frits op een dergelijke manieren probeert te ontkomen aan zijn saaie leven: of zijn vader pesten, gruwelijke verhalen of grapjes vertellen, dieren pesten etc. Hij probeert zo wat “humor” in zijn leven te brengen, maar voornamelijk probeert hij de tijd en verveling te doden.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen