U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : J. Bernlef - Hersenschimmen.
Deze versie komt van http://scholieren.samenvattingen.com/documenten/show/3482092/ en is laatst upgedate op 19/11/2003.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2487 woorden.


Titelverklaring


‘Hersenschimmen’ slaat op het idee, dat er van het leven uiteindelijk niets over blijft dan wat vage bewustzijnstoestanden, wat hersenschimmen, illusies.

Samenvatting


Het boek gaat over Maarten Klein die samen met zijn vrouw Vera sinds 15 jaar woont in Gloucester (Noord Amerika), aan de kust. Hij is met pensioen en samen met Vera en Robert, de hond, geniet hij van de rust. Hij is 71 jaar oud en merkt op een zondagmiddag dat hij dementeert, hij vergeet allerlei dingen, zoals de dag, dat hij zijn koffie nog op moet drinken, dat hij nog hout moet halen, enzovoort.

Die nacht slaapt Maarten slecht, en hij gaat in de keuken zitten puzzelen. Ook de volgende dag maakt hij allerlei vergissingen en raakt in verwarringen. Hij zwerft een halve dag rond en raakt zijn hond Robert kwijt. Als hij bij een bar aankomt, ziet hij het barmeisje Susan aan voor Karen, zijn vroegere verloofde met wie hij zijn eerste seksuele ervaring deelde. Uiteindelijk wordt Maarten opgehaald door een ongeruste Vera. Aan de vergissingen komt geen einde. Hij haalt vergissingen op die Vera volstrekt onbekend zijn. Hij vergeet dat Ellen Robbins op bezoek komt en als hij haar even later begroet en belangstellend naar Jack (haar overleden man) vraagt, doet hij kennelijk weer iets verkeerd, aan de verstrakkende gezichten van beide vrouwen te zien.

De volgende dag neemt de verwarring toe. Het begint al als hij wakker wordt met het idee dat de muren verkeerd om hem heen staan. Vervolgens kan hij zich zelfs zijn eigen dochter Kitty niet meer herinneren. Als hij op dinsdag naar zijn werk wil gaan (voor een vergadering van de IMCO, een organisatie voor zeevisserij) zit de buitendeur op slot, maar met behulp van een schroevendraaier weet hij buiten te komen. Buiten gaat hij richting de duinen, waar hij via een schelpenpad bij een zomerhuisje komt. Hij breekt de deur van het zomerhuis open, en houdt een redevoering voor denkbeeldige IMCO-bestuurders. Plotseling beseft hij waar hij is, en hij haast zich naar huis. Vera is inmiddels ook terug. Ze is bij dokter Eardly geweest, hun huisarts, om Maartens toestand te bespreken. Op advies van deze huisarts probeert Vera met behulp van foto’s Maartens herinneringen weer wat te ordenen, maar het succes van haar pogingen is gering. Alleen de herinneringen aan heel vroeger blijken nog aanwezig. Later in de middag komt dokter Eardly langs. Maarten herkent hem niet meer.

‘s Woensdags wil Vera dat Maarten binnen blijft. Intussen komt zijn afnemend oriëntatievermogen steeds duidelijker aan het licht: hij vraagt Vera of ‘Papa’ al naar kantoor is, en hij wil naar buiten om te gaan vissen met Gerard en Klaas, twee jeugdvrienden. Als hij later die middag ziet hoe Robert vergeefse pogingen doet binnen te komen, pakt hij een stoel en gooit die door de ruit.

Dokter Eardly komt voor de tweede keer langs en opnieuw voelt Maarten zich door hem bedreigd. Donderdags ziet Maarten Vera aan voor zijn moeder. ook komt er een meisje in huis, Phil Taylor, dat op hem zal passen als Vera boodschappen doet. Hij ziet haar aan voor Karen, Kitty en zijn vroegere pianolerares Greet Laarmand.

Maarten wordt op bed vastgebonden, maar ontsnapt toch een keer, dwalend door de duinen wordt hij opgepakt door een vuurtorenwachter, die hem naar huis brengt.

Voor Vera is de maat dan vol. Ze haalt dokter Eardly er opnieuw bij en op zijn advies belandt Maarten definitief in bed. Tenslotte wordt Maarten op zaterdag naar een witte kliniek gebracht met een ziekenauto. Denken is er dan voor Maarten vrijwel niet meer bij; hij kan alleen nog maar waarnemen, zonder verband te zien. Tenslotte blijft er niets over van zijn oude ik. Aan het eind van de dag wordt hij uitgekleed en hij krijgt een slaappil.

Aan de psychologische roman gaat een motto vooraf. Letterlijk vertaald is het: ‘Een mooie droom waar iedereen wordt ingewiegd, maar elk afzonderlijk uit wakker wordt’. Elk leven is bedrieglijk en staat in het teken van de dood. Het leven houdt de schone schijn op, maar het leven is in feite langzaam doodgaan.

Hoofdpersonen


De hoofdpersonen in dit boek zijn Maarten Kleinen zijn vrouw Vera.

Maarten is een 71 jarige man, afkomstig uit Alkmaar, die in de VS woont. Hij heeft rechten gestudeerd. Hij werkte als secretaris bij een internationale visserijorganisatie. Inmiddels is hij gepensioneerd. Maarten is een gewone, alledaagse man. Hij is een beetje verlegen; zijn vader noemde hem een archeoloog, omdat hij altijd naar de grond keek. Maarten is altijd zeer punctueel geweest, een man van de klok. Hij heeft een hekel aan de winter.

Zijn vrouw Vera is hulpeloos toeschouwer en slachtoffer van het dementeringsproces dat zich bij Maarten in een vrij snel tempo voltrekt. Maarten en Vera hebben twee kinderen: Fred en Kitty. Zij leiden hun eigen leven en hebben vrijwel geen contact meer met hun ouders. Er wordt niet gezegd waar ze wonen of wat ze doen.



De personages uit Maarten’s verleden bestaan alleen in zijn herinnering. Van belang zijn zijn ouders, die volgens Maarten, door zijn verwarring, nog in leven zijn. Aan ‘pappa’ wordt Maarten voortdurend herinnerd door diens bureau die nu in zijn bezit is. Over zijn moeder zegt Maarten: ‘Een betere moeder was er waarschijnlijk niet. Ze zorgde zo goed voor me dat ik me nauwelijks een moment kan herinneren dat ik ruzie met haar had. Als ze kwaad was, zweeg ze alleen maar. Dan ging ze aan tafel zitten met een kop thee voor zich en dan keek ze me zwijgend aan [...]. Dat vond ik veel erger dan ruzie, zoals ik die wel met pappa had.’ (blz. 62)

Aan opa en oma bewaart Maarten dierbare herinneringen vanwege zijn logeerpartijen daar. Een andere sterke herinnering is Maarten’s pianolerares Greet Laarmans. Op haar was Maarten zeer verliefd, maar ze was voor hem onbereikbaar.

Uit Maarten’s vijftienjarige Amerikaanse periode zijn van enig belang de collega’s van zijn werk en zijn naaste buren. De collega’s van Maarten bestaan ook nog slechts in zijn herinnering. Van Maarten’s collega Simic, Chauvas, Bahr en Johnson speelt Simic de belangrijkste rol in zijn herinneringen. Nog altijd voelt Maarten zich schuldig vanwege het feit dat Simic kort na een bezoek van Maarten zelfmoord pleegde. In Maartens huidige Amerikaanse omgeving wonen de families Cheever, Robbins en Stevens. Van deze families treedt een beperkt aantal personen actief op. Binnen het geheel hebben zij slechts een decoratieve functie.

Dokter Nick Eardly is het type van de wat naïeve plattelandsarts. Vera heeft wel vertrouwen in hem, maar Maarten wantrouwt hem. De gezinshulp Phil Taylor, met haar oergezonde fysiek en motoriek, treedt te laat Maarten’s leven binnen om voor hem nog een belangrijke rol te kunnen spelen. Maarten kan haar naam niet onthouden en verwart haar met zijn dochter Kitty en met zijn vroegere piano-lerares, Greet Laarmans.

Vertelsituatie


Het grootste deel van het boek is geschreven vanuit het ik-perspectief. De ik-verteller is echter niet geheel betrouwbaar; de lezer heeft al snel door dat de ikpersoon aan dementie lijdt. Deze ziekte verloopt merkbaar snel: de taal van Maarten verslechterd naarmate de roman vordert, de ikpersoon herkent personen niet meer en verwart tijden en plaatsen. Zonder dat er een superieure, alleswetende verteller aan te pas komt, raakt de lezer geheel doordrongen van Maarten’s tragische toestand. Aan het eind van het boek, als Maarten in de inrichting zit, is er geen sprake meer van een zuivere ik-vertel situatie. Maarten praat alleen tegen zichzelf en over zichzelf. Deze verschuiving in de vertelsituatie illustreert Maarten’s onthechting en het verlies van zijn identiteit.

Tijd


Het verhaal is niet chronologisch verteld. De logische tijdsvolgorde beslaat acht achtereenvolgende dagen, maar wordt regelmatig onderbroken door herinneringen en overpeinzingen (flashbacks). In de flashbacks speelt Nederland een belangrijke rol.



De vertelde tijd: het verhaal begint op een winterse zondagmiddag en eindigt op maandag een week later. Inclusief de flashbacks is de vertelde tijd ongeveer 65 jaar. Het verhaal speelt in acht dagen. Het begin van een nieuwe dag wordt aangegeven door een cursief gedrukte regel.

Tijdperspectief


Het tijdsperspectief is vision avec; Maarten weet net zomin als de lezer hoe het allemaal zal aflopen.

Plaats


Plaats van de handeling is Gloucester, gelegen op een landtong in het noordoosten van de Verenigde Staten. Het winterse landschap symboliseert de stilstand, het isolement.

Motieven


Onder andere hieruit spreekt het Vanitas-motief: afbrokkeling van de werkelijkheid; leven is langzaam sterven (zie motto). Maarten’s geordende leven valt tijdens het snelle dementeringsproces in brokken uiteen, die geen enkele samenhang meer vertonen. Een ander motief is het natuurmotief: het winterse landschap met sneeuw symboliseert de desoriëntatie en het isolement van de hoofdpersoon. Ook: vergankelijkheid. De titel staat in verband met dit motief. Aan het eind van de roman worden de zinnen steeds losser en verwarder. Het zijn op den duur flarden van gedachten, gescheiden door stippeltjes. Andere motieven zijn onzekerheid, verwarring en isolement: in snel tempo verliest Maarten de greep op tijd en ruimte. De onthechting van de werkelijkheid brengt hem in een geestelijk isolement. Zijn vrouw Vera herkent en begrijpt hij soms niet meer. Vooral deze geestelijke scheiding tussen Vera en Maarten is een tragisch element in de roman. Tenslotte nog taal. Taal is het middel tot communicatie, het middel om de werkelijkheid te benoemen. De dementerende Maarten verliest steeds meer de beheersing van de taal. Hij kan de goede woorden niet meer vinden of hij kan met woorden niet uitdrukken wat hij voelt. Naarmate Maarten’s realiteitsbesef verder afneemt, probeert hij krampachtig zich vast te klampen aan de taal.

Al deze motieven leiden naar het thema: het proces van dementie en depersonalisatie.

Auteur


J. Bernlef is geboren op 14 januari 1937 te Sint-Pancras. Van 1958 tot 1971 was hij redacteur van het tijdschrift Barbarber, daarna van Raster. Zijn vaak sombere proza en ook zijn poëzie kenmerken zich door het eenvoudige en koele taalgebruik.

Hersenschimmen past in het werk van Bernlef. Vaak beschrijft hij eenzame zwervers op stille vlaktes. Zijn roman Sneeuw (1973) gaat over een zwervende man op een Zweeds eiland; de man lijdt aan geheugenverlies. In Meeuwen (1975) zwerft een man met keelkanker zwijgend rond op een Waddeneiland, waar hij geestelijk in stukken valt.

Onder IJsbergen (1981) gaat over een zwerveling op Groenland; de man is totaal onzeker van de zinvolle samenhang van de wereld en van zijn eigen bestaan. In Hersenschimmen (1984) wordt het stil rondom Maarten. Al op de eerste bladzijde staat hij naar de besneeuwde vlakte te staren.

Bernlef is altijd geobsedeerd geweest door het netwerk van ons brein met zijn mysteries van herinnering en vergeten. Eclips (1993) voegt daaraan de ommekeer. De hoofdfiguur verliest door een hersenbloeding een deel van zijn geheugen en spraakvermogen, hij verdwaalt letterlijk en figuurlijk, maar ervaart dan een genezingsproces (de wederopbouw van het geheugen).



Bernlef is een zeer productief auteur, die sinds zijn debuut (1960) zo’n dertig romans, verhalen –en gedichtenbundels heeft geschreven. Hij schrijft op een kale, zakelijke manier, en tracht zo precies mogelijk te registreren wat voor gedachtes en gevoelens er in mensen omgaan. Vaak zijn het mensen die in crisis verkeren of onder hoge druk staan. Zowel samenlevingen als individuen hebben een eigen kijk op de werkelijkheid en het oproepen en met elkaar in botsing laten komen van die verschillende realiteiten, is een kerngegeven van Bernlef’s schrijverschap. Hij situeert bij proza graag in noordelijke landstreken, op eilanden en kale kusten. Ook in Hersenschimmen is het decor een kustgebied, dat in de greep van de winter is.

Zoals in zijn andere werk bedient Bernlef zich ook hier van een sobere taal. De zinsbouw is niet gecompliceerd en de woorden zijn goed te begrijpen. Naarmate de roman vordert, worden de zinnen korter. De verbrokkeling van de geest zet zich voort in de verbrokkeling van de taal.

Mening


Ik vond Hersenschimmen een heel erg mooi boek, het geeft het proces van dementie en het ontstaan ervan erg goed weer. het komt heel overtuigend over, alleen verloopt het proces naar mijn idee te snel. In het boek worden acht dagen beschreven, en in die dagen gaat Maarten’s geheugen veel te snel achteruit, waardoor het boek af en toe een beetje onwerkelijk overkomt. Het is moeilijk deze snelle overgang in werkelijkheid te plaatsen. In werkelijkheid duurt het proces van dementie jaren. In het boek strekken de gebeurtenissen zich uit over ruim een week.

Je kan in dit verhaal goed zien hoe iemand die aan dementie lijdt gebeurtenissen van kort geleden niet kan onthouden, en dat degene zelf niet in de gaten heeft dat er iets mis is. Het volgende fragment laat dat goed zien:



‘‘Er komt iemand aan. William, zie je wel. Waar is Kiss? Hij heeft Kiss niet bij zich.’ ‘Maarten onthoud nu eens en voorgoed: Kiss is dood. Al lang. Dus begin alsjeblieft niet weer tegen William over die hond. Ik ben al dolblij dat hij ons met dat kapotte raam wil helpen.’ ‘William is een beste jongen. Een beetje stilletjes, maar als je hem een pilsje of twee geeft komt hij wel los.’ ‘We hebben geen pils.’ ‘Dan zet ik thee. Dat is waar ook. Heb jij de ketel ergens gezien?’ ‘Ik zet zelf wel thee straks.’ ‘Ik kon de ketel niet vinden.’ ‘Die staat waar hij altijd staat. Op het aanrecht voor het raam.’ Terwijl Vera opendoet loop ik naar de keuken. Daar staat de ketel. Zeker overheen gekeken straks. Het ruikt hier trouwens naar gas. Ik controleer de emaillen knoppen van het fornuis, maar ze staan alle vier op nul. Misschien zit er ergens een lek in de leiding. Dat is gevaarlijk. Daar moet een monteur bij geroepen worden. Ik loop de kamer in. ‘He William,’ zeg ik. william zit gehurkt voor een kapotte ruit en trekt voorzichtig een puntige glasscherf uit een sponning. ‘Gezellig dat je even langskomt. Heb je Kiss niet meegenomen?’ William reageert niet.

Zoals gewoonlijk. Straks gooien we er een paar pilsjes in en dan komen de verhalen los. Dat zul je zien.’



Hersenschimmen zit qua bouw goed in elkaar, de gebeurtenissen en flash-backs volgen elkaar logisch op. Maar het boek heeft niet veel kleur. Bernlef had dit boek met meer emotie moeten schrijven. Alleen letters op papier is niet genoeg, er moet ook gevoel, emotie of bedoeling achter zitten, en die kwam bij mij niet echt goed over.

Het mooiste van dit boek vind ik het verloop van het proces van dementie. Op bijna elke bladzijde blijkt hoe de woorden, de dingen, de tijden en de mensen onderling kortsluiting maken in het brein van Maarten. Het volgende fragment is daar een goed voorbeeld van:



‘Ketel, zeg ik, ketel, maar dat ding is nergens, ook niet in een van de keukenkastjes. Misschien binnen. Vera gebruikt hem wel eens om planten water te geven. Ook niet. Ik doe de deur van de provisiekast open, maar hoe ik ook zoek achter de borden en glazen, nergens kan ik een Kwattareepje vinden. En er liggen ook geen peredrups of zuurballen. Misschien is ze boodschappen doen. Ik ga achter de piano zitten en druk eerst het oefenpedaal in voor ik begin te spelen. Opa ligt boven zijn middagdutje te doen dus ik moet stilletjes spelen. De toetsen gaan zwaar en stroef. Of zijn het mijn koude vingers die niet willen? Dan hoor ik de voordeur opengaan. ‘Ik ben hier, oma.’ Roep ik vanachter de piano tegemoet.’ (blz. 83-84)




Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen