U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Frederik Van Eeden - De Kleine Johannes.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/2409 en is laatst upgedate op 15/02/2001.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2107 woorden.

Frederik van Eeden, De kleine Johannes.

Tiende druk, Elsevier Manteau, Brussel-Amsterdam, 1979. ( De kleine Johannes verscheen voor het eerst in 1885 in De Nieuwe Gids. 1e uitgave in boekvorm: 1887.)



Structuur.

Het boek bestaat uit 151 bladzijden die zijn verdeeld in 14 hoofdstukken.



Inhoud.

Johannes, een jongen met veel fantasie en een grote liefde voor alles wat leeft, woont met zijn vader in een oud huis met een grote tuin. ‘s Avonds voor het slapen gaan bidt hij vaak en vraagt om een wonder, waarvan hij zeker weet dat het ooit komt.

Als Johannes op een warme zomermiddag met zijn hondje Presto op de vijver in de tuin drijft gebeurt het wonder. Er komt een blauwe waterjuffer op de rand van de boot zitten en verandert in een elf! Deze heet Windekind en is geboren in de kelk ven een Winde uit de eerste stralen van de maan en de laatste van de zon. Op voorwaarde dat Johannes zijn naam nooit aan een mens noemt is hij bereid zijn vriend te zijn. Nadat Johannes door Windekind op het voorhoofd is gekust wordt hij kleiner en verstaat plotseling de taal van de planten en dieren. Samen met de elf bezoekt hij een krekelschool waar hij hoort dat de mens door de dieren als een afschuwelijk laag ras wordt beschouwd. Hierna gaan ze naar een liefdadigheidsfeest in een konijnehol ten bate van de dieren die slachtoffer zijn geworden van de mensen en hun honden. Hier ontmoet Johannes de elfenkoning Oberon en krijgt van hem een gouden sleuteltje dat op een gouden kistje met kostbare schatten past.

Nadat Johannes in lachen uitbarst om de manier waarop er gedanst word, besluit Windekind het feest te verlaten. Samen vallen ze in het mos op de duinhelling in slaap.

Als hij de volgende morgen door het gesnuffel van Presto wakker wordt, denkt Johannes dat hij alles gedroomd heeft, dan ontdekt hij het gouden sleuteltje dat hij nog in zijn hand heeft en weet dat alles echt gebeurd is. Na een paar dagen ontmoet hij Windekind weer. Samen zweven ze weg om het sleuteltje onder de duinroos te begraven, zodat het niet door de mensen ontdekt wordt.

Pas drie weken later ziet Johannes zijn kleine vriend weer als zes witte duiven komen aanvliegen met een rood veertje waardoor hij kan vliegen en hem naar Windekind leiden. Ze brengen een bezoek aan de mieren. Daar hoort Johannes over de Strijd- en Vredemieren die allemaal Vredemieren willen heten maar ook allemaal even oorlogszuchtig zijn. In het bos laat de elf zien hoe mensen de rust verstoren. Hier wordt Johannes erg verdrietig van en hij besluit dat hij niet meer bij de mensen wil horen en bij Windekind wil blijven. Hij vraagt Windekind naar God en deze leert hem hoe hij op de goede manier moet bidden.

Als Windekind Johannes op een avond over de kabouters vertelt, wil Johannes ze leren kennen. Hij wordt voorgesteld aan Wistik, de oudste en wijste kabouter, die op dat moment een kruisspin voorleest uit het heilige boek der spinnen: Kribbelgauw. Bij andere dieren is deze Kribbelgauw juist een vreselijk monster. Johannes vraagt in welk boekje de waarheid staat, Wistik zegt dat het bestaat en dat hij er al zijn hele leven naar zoekt. Dan verdwijnt de kabouter. Windekind zegt tegen Johannes dat hij niet naar Wistik moet luisteren, omdat het ware boekje niet bestaat, maar Johannes blijft erover nadenken.

Windekind waarschuwt Johannes en zegt dat Wistik al velen ongelukkig gemaakt door hen naar het boekje te laten zoeken. Toch wil Johannes het boekje hebben om antwoord op zijn vragen te krijgen. Hij gaat terug naar Wistik, deze zegt het volgende: “Mensen hebben het gouden kistje, elfen hebben de gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, mensenvriend slechts opent het, lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet de weg.” Johannes gaat op zoek naar het kistje, als hij terugkomt bij Windekind is deze verdwenen. Verdrietig dwaalt hij door het bos en komt aan bij een tuinman, waar hij tijdens de winter mag blijven. Hier leest hij in de bijbel, maar dit is volgens Johannes niet het ware boekje.

Als de lente aanbreekt ontmoet hij Robinetta, een meisje met een roodborstje op haar schouder. Samen hebben ze een fijne tijd. Dan herinnert Wistik hem eraan dat hij verder moet zoeken naar het ware boekje. Robinetta wil hem helpen en haar vader laat hem de bijbel zien, maar dit is niet wat Johannes zoekt. Als Johannes zegt dat hij geen eerbied voor God heeft, wordt de vader kwaad en verbied hem om nog met Robinetta om te gaan.

Dwalend door de duinen, op zoek naar het sleuteltje dat daar verborgen ligt, komt Johannes het mannetje Pluizer tegen. Dit blijkt een vriend van Wistik te zijn en beweert dat hij veel meer weet dan de kabouter. Ook zegt hij dat Windekind nog veel dommer is en niet eens bestaat. Alleen hij, Pluizer, bestaat echt en zal hem helpen om het ware boekje te vinden.

Als Johannes wakker wordt is hij in het kamertje van Pluizer ergens in een grote, stinkende stad. Hij ontmoet Hein, een vriend van Pluizer. Daarna brengt het mannetje hem naar zijn leerling, dokter Cijfer, die een konijntje aan het onderzoeken is. Pluize vertelt dokter Cijfer dat Johannes het ware boekje zoekt. Dokter Cijfer wil hem wel helpen, maar dan moet hij wel sterk en niet teerhartig en klein zijn.

Pluizer toont Johannes de armoede en ellende van het mensenbestaan in de stad. Ze gaan naar een dansfeest en Pluizer laat de ijdelheid, afgunst en verveling achter de lachende mensen zien. De rondleiding eindigt op een kerkhof, waar ze voorafgegaan door een worm als kleine insekten door de grond kruipen. Ze bekijken het dode lichaam van een vrouw die op het feest was, het is al een halve eeuw later omdat er voor Pluizer geen tijd bestaat. Na een paar andere dode lichamen krijgt Johannes zijn zijn eigen dode lichaam te zien, dan valt hij flauw.

De volgende morgen gaan ze terug naar dokter Cijfer en begint Johannes met leren. Maandenlang leert de jongen, maar hoe meer hij leert, hoe donkerder het wordt. Cijfer bederft alle mooie dingen die Johannes bewondert, ook het verlangen naar Windekind en Robinetta begint langzaam af te nemen. Ondertussen laat Cijfer hem de zinloosheid van alles inzien. Johannes voelt zich hulpeloos, hij wordt hoe langer hoe doffer en onverschilliger en zoekt verder, niet wetend waarnaar en waarom.

Als het voorjaar wordt verlangt Johannes naar de duinen en de zee. Eindelijk kan hij met Pluizer en dokter Cijfer de stad uit om een zieke te bezoeken. De zieke blijkt zijn vader te zijn, die op sterven ligt. Nadat zijn vader is overleden wil Pluizer hem opensnijden om te zien wat de doodsoorzaak was. Voor het eerst komt Johannes in opstand tegen Pluizer en deze verdwijnt. Bij het sterfbed zit Hein (de Dood), die hem prijst en zegt dat wie Pluizer aandurft, hem nooit meer zal zien. Johannes wil met Hein mee, maar deze weigert. Hij zegt dat Johannes van de mensen houdt, ook al weet hij dat niet. Hij moet een goed mens worden.

In de tuin ziet Johannes Windekind met het sleuteltje en hij rent hem achterna (zweven kan hij niet meer). Op het strand aangekomen ziet Johannes Windekind met Hein in een boot zitten, van de andere kant komt een mens aangelopen. Hij lijkt op Jezus maar is het niet. Deze stelt Johannes voor de keuze om met Windekind en Hein mee te gaan naar het Grote Licht, waar hij zo lang naar gezocht heeft, of om met hem mee te gaan naar de mensheid. Johannes kiest voor het laatste en gaat met de man mee naar de stad, waar de mensheid is.



Personages.

Johannes: een kleine jongen met veel fantasie en een grote liefde voor alles wat leeft. Hij is op zoek naar de waarheid. In het verhaal groeit hij van kind tot volwassene, waarbij hij verschillende figuren tegenkomt die een tijdelijke of blijvende invloed uitoefenen op de ontwikkeling ven Johannes.



Windekind: een gevoelige elf die zoon is van de zon (zijn vader) en de maan. Hij leert Johannes alles van de natuur, maar vervreemdt hem tegelijkertijd ook van de mensen, die hij laat zien als lompe, onverdraagzame wezens die geen respect voor de natuur hebben. Windekind staat symbool voor de onbezorgde kindertijd.



Wistik: een onaangename kabouter die te veel praat en die net zo min als Johannes de antwoorden op de vragen over leven, geluk en dood kent. Hij zet Johannes op het verkeerde spoor door hem te laten zoeken naar het ware boekje, een tocht die gedoemd is te mislukken. Wistik verjaagt Windekind uit Johannes’ leven. Wistik symboliseert het begin van de puberteit.



Robinetta: even lijkt Windekind te herleven in het lieve meisje en lijkt Johannes weer de oude te worden. Maar zijn zoektocht naar de waarheid en ideeën over God maken snel een eind aan de relatie. Robinetta staat voor de late puberteit.



Pluizer en dokter Cijfer: personificaties van de materialistisch ingestelde wetenschap. Cijfer ontkent alles wat bovenmenselijk is en vindt alles zinloos. Pluizer wil alles onderzoeken en leert Johannes alles over de zin van leven en dood. Pluizer en Cijfer staan voor de studententijd.



Hein/de Dood: door Pluizer komt Johannes met hem in kontakt. Eerst is Johannes bang voor de Dood, maar later wil hij juist met hem mee om Windekind terug te vinden. Hij neemt de raad van Hein ter harte om een goed mens te worden door van de mensen te houden.



De Ongenoemde: een goddelijk wezen in zijn meest zuivere vorm, zonder alle tierelantijnen die de mensen eromheen hebben gemaakt. Hij leidt Johannes terug naar de mensen.



Tijd.

De verteltijd van het verhaal is 151 bladzijden. De vertelde tijd is ongeveer twee jaar.

Het verhaal wordt op chronologische wijze verteld, behalve wanneer Johannes soms terugdenkt aan eerdere ontmoetingen en gebeurtenissen.



Ruimte.

In het boek is een duidelijke tegenstelling van ruimten: de natuur tegenover de stad.

Johannes’ ouderlijk huis staat in een bos- en duinrijke omgeving. Erbij is een grote tuin, die voor Johannes een hele wereld is en waar hij met Windekind allerlei avonturen beleeft. De stad ziet hij als groot, stinkend, ellendig en een plaats waar geen mens ooit gelukkig kan zijn.

Aan het einde komt hier verandering in en kiest hij er toch voor om naar de stad te gaan.



Perspectief.

In dit boek is sprake van een auctoriale (alleswetende) verteller.

Dit is in het begin van het boek (Ik zal u iets van de kleine Johannes vertellen.) en aan het eind (Wellicht vertel ik u eenmaal meer van de kleine Johannes, doch op een sprookje zal het dan niet meer gelijken.) het best te zien.



Thema.

Het thema van dit boek is de op symbolische wijze weergegeven groei van kind naar volwassene.



Motieven.

De motieven zijn: tegenstelling stad/natuur, fantasie, wetenschap, liefde voor de natuur, drang om alles te kennen en begrijpen, zoektocht naar de waarheid, rationalistisch denken en tot slot: de liefde voor de mens.



Titelverklaring.

De titel geeft de hoofdpersoon van het boek aan; Johannes.

Ook kan de titel betrekking hebben op de Johannes-evangelie, omdat beide hetzelfde doel hebben; een betere mensenwereld zoeken.



Bedoeling van de auteur.

Frederik van Eeden behoorde tot de Tachtigers. Schoonheid stond voorop. Maar na één hoofdstuk van De kleine Johannes kwam hij erachter dat je met alleen schoonheid geen mensenleven kunt beschrijven. Hij stapt over op de ethiek (leer van wat belangrijk is in het leven), dit leidde tot een breuk met De Nieuwe Gids, een tijdschrift waar hij een van de oprichters van was. Hierin waren nl. de eerste bladzijden van zijn boek gepubliceerd.

Met dit boek wilde hij de mensen dus duidelijk maken dat schoonheid niet alles is in een mensenleven, maar dat mensen eens beter moeten nadenken over wat er echt belangrijk is in het leven. Hij slaagde hier goed in, want na de publicatie als boek sloeg De kleine Johannes in als een bom.



Eigen mening.

Het boek is in een soort sprookjesvorm geschreven en dat maakt het makkelijk en leuk om te lezen. Het is ook goed te begrijpen. Ik vind het grappig hoe van Eeden de dieren en planten beschrijft, net of hij zelf zo’n dier is geweest. Hij vertelt bijvoorbeeld een heel verhaal over een mooie, jonge meikever (Nooit geweten dat die beesten mooi konden zijn!) die de wereld boven de grond gaat ontdekken. Je kijkt opeens op een heel andere manier tegen zo’n eng, klein beest aan.

Een mooie passage vind ik die waarin de Dood weigert om Johannes mee te nemen en hem erop wijst dat hij van mensen houdt en een goed mens moet worden. Omdat ik mij bij de Dood een heel gemene, angstaanjagende figuur voorstel, die het liefst zo veel mogelijk mensen dood wil maken. Dit gebeurt hier juist niet. Door de Dood ziet Johannes in dat hij terug naar de mensen moet en verder moet leven door van de mensen te houden.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen