U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Jeroen Brouwers - Bezonken Rood.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=3079 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1459 woorden.

DEEL I: VERHAALANALYSE

Titel: Bezonken rood
Schrijver: Jeroen Brouwers
De eerste druk verscheen bij De Arbeiderspers in Antwerpen in 1981.
Ik heb de tweeëntwintigste druk gelezen uit februari 1997, eveneens verschenen bij De Arbeiderspers in Antwerpen.

Gegevens over de schrijver:
Jeroen Godfried Maria Brouwers werd in 1940 geboren te Batavia (Djakarta). Tijdens de Japanse bezetting werd zijn vader van de familie gescheiden en werd hij met zijn zusje, moeder en grootmoeder geïnterneerd in het vrouwenkamp Tjideng. Nadat Indië bevrijd was, kwam het gezin in 1948 naar Nederland. Jeroen verbleef van 1950 1956 op rooms-katholieke kostscholen. Na zijn middelbare schooltijd werkte hij enige tijd als journalist; daarna was hij van 1964 tot 1976 werkzaam als redacteur bij de uitgeverij Manteau te Brussel. In 1964 debuteerde hij als schrijver. Vanaf 1970 is hij als literair-criticus werkzaam, het eerst in De Nieuwe Gazet te Antwerpen. Na zijn ontslag bij de uitgeverij vestigde hij zich als full-time schrijver in Exel in de Achterhoek. Brouwers is geen lid van enig literaire groepering, noch van een tijdschriftredactie. Wel levert of leverde hij bijdragen aan De Volkskrant, NRC Handelsblad, Vrij Nederland, Tirade, De Revisor, Maatstaf en Bzzlletin. Voor Joris Ockeloen en het wachten kreeg hij in 1967 de Vijverbergprijs; voor Het verzonkene verwierf hij de Multatuliprijs in 1980, en voor zijn gehele werk in 1980 e Geuzenprijs. Brouwers durft de eigen persoonlijkheid in zijn werk centraal te stellen. Belangrijke elementen hierbij zijn de maatschappij die de oorspronkelijk denkende en levende mens uitstoot en de trots op het onafhankelijk creatief bezig-zijn; het schrijverschap.

Inhoud:
De hoofdpersoon, een veertig jarige schrijver, ontvangt het overlijdensbericht van zijn moeder, met wie hij de laatste jaren geen contact heeft gehad. Een enkele keer werd hij nog wel eens door haar opgebeld, maar als hij de hoorn opnam en zijn naam zijn verbrak zij de verbinding met de woorden: "Verkeerd verbonden". Dit "verkeerd verbonden" heeft het grootste deel van de verhouding met de moeder bepaald: de ik-figuur zag het als verraad toen zij hem na de oorlog in een katholiek jongenspensionaat plaatste. Naar aanleiding van zijn moedeers dood herbeleeft de schrijver de tijd dat hij haar "werkelijk kende": de periode van de internering in het vrouwenkamp Tjideng bij Batavia tijdens de Japanse bezetting. Deze kleuterjaren waarin het "gewoon" was dat vrouwen dat vrouwen geslagen of gefolterd werden hebben gemaakt dat, naaste hevige bestaansangst, de hoofdpersoon behept is met gevoelens van minachting en gevoelloosheid ten opzichte van moeders. Dat hij toen moest aanzien dat zijn moeder tot bloedens toe in haar onderbuik werd geschopt door een Japanse soldaat (Zij was de mooiste moeder. Op dat moment ben ik opgehouden van haar te houden.), maakte het hem nu onmogelijk bij de geboorte van zijn dochter aanwezig te zijn. Een kortstondige verhouding met een jongere vriendin Liza - naar wie hij later af en toe terugverlangt - heeft met dit syndroom te maken; zij heeft nog geen kinderen gebaard; zij is ongeschonden. Hij gaat niet naar zijn moeders crematie. Die avond verdwaalt hij na een hevige angstaanval in de omgeving van zijn woonplaats in de mist. Het besef een goed schrijver te zijn houdt hem overeind.


Titel:
De titel staat voor het bloed dat veel vloeide in het Jappenkamp. Ook de rode cirkel in de vlag van Japan slaat voor bezonken rood. Het land met bloed aan de handen. Tevens heeft de ik-figuur geprobeerd zijn verleden te verbergen. Hij dacht dat al het leed en het bloed wat hij heeft gezien bezonken is.

Motto:
Het eerste motto is:
Er aber, in seiner gewöhnlichen Art, hüllte zich in Ge-
heimnisse, indem er mich mit grossen Augen anblickte
und mir die Worte wiederholte:
Die Mütter! Mütter! ‘s klingt so wunderlich!-

Johann Peter Eckermann, Gespräche mit Goethe

Het tweede motto is:
Zoek mij terwijl ik er ben. Leer mij kennen, omdat ik er
ben. Ik ben er immers. En toch is zeker dat ik er niet ben.

Dodenlied (Zuid-Celebes)
Deze beide motto's slaan op de verhouding van de schrijver met zijn moeder.

Perspectief:
Je ziet het verhaal door de ogen van de schrijver die op het moment dat hij 45 jaar oud is terugkijkt. Het boek is in de ik-vorm geschreven.

Personen:
De hoofdpersoon heeft als klein jongetje met zijn moeder in het Tjideng kamp gezeten. Hij heeft al zijn menselijk gevoel verloren. Hij kent geen liefde meer ten opzichte van zijn moeder. De hoofdpersoon is nu rond de 45 jaar. Hij vind zichzelf niet optimistisch en vrolijk, maar asociaal en bang. Hij heeft veel last van angstaanvallen. Na de oorlog heeft hij op een kostschool gezeten. Dit beschouwde hij als verraad van zijn moeder. Met Liza heeft hij een kortstondige relatie. Hij trouwt en krijgt kinderen.

Tijd:
Het verhaal speelt zich af in drie perioden. Wel te verstaan het Jappenkamp in 1940-1946, met Liza in 1974 en bij de ik-figuur thuis ongeveer (1980). Het verhaal is niet chronologisch verteld, het bestaat uit flash-backs. Het verhaal bestaat eigenlijk uit drie delen: Het Jappenkamp (hoofdstuk 5,6,8,9,12,14,16), de relatie met Liza (hoofdstuk 4,7,10,11,13,15,17) en bij de ik-figuur thuis (hoofdstuk 2,3,5,7,10,13,15,17). De drie onderdelen zijn dus duidelijk door de hoofdstukken heen geweven.

Plaats:
Het verhaal speelt zich af in het Tjideng-kamp, het stadje waar Liza leeft en bij de schrijver thuis. In het Tjideng-kamp bewoonde de hoofdpersoon en zijn familie een aanrecht.

Genre:
Het boek is psychologische roman. De hoofdpersoon is op zoek naar een moederfiguur, die heeft "verloren" in het Tjideng-kamp. Hij heeft veel angstbuien, drinkt veel en "voelt niets".

Thema:
Het thema is de moeder-zoon relatie. De hoofdpersoon is opgehouden van zijn moeder te houden. Motieven hierbij zijn: zoeken naar een vervangende moederfiguur, angst en geweld.

Bronnen:
Materiaalboek Nieuwe Nederlandse Literatuur, door Ad de Rijke e.a., eerste druk uit 1984, uitgegeven door Wolters-Noordhoff.
Internet: http://huiswerk.scholieren.com/uittreksels/bezonkenrood.html

DEEL II: PERSOONLIJKE TEKSTBELEVING

Ik vind het een ontnuchterend boek. Ik vind het knap dat de schrijver het kan als een soort nieuwslezer de gruwelijke gebeurtenissen uit het Tjideng-kamp zo feitelijk weer te geven. Het is zelfs een beetje onwaarschijnlijk dat hij dat kon als klein jongetje, maar blijkbaar kon hij dat. Je krijgt erg het gevoel de waarheid over de Jappenkampen te lezen. Bijvoorbeeld op blz. 50 "Een naakte vrouw moet op handen en knieën door de straten kruipen, ze heeft een touw om haar nek dat door de Jap, die achter haar loopt, wordt vastgehouden. Als zij uitwerpselen tegenkomt wordt zij gedwongen daar als een hond aan te ruiken. De Jap slaat haar met een stok op haar rug en daar waar zij vroeger billen moet hebben gehad....". Dat je hier zo over kunt schrijven zonder heel kwaad of juist heel verdrietig te worden bewijst dat het waar is wat de schrijver zegt over zichzelf: "Ik voelde niets".
Soms is het ronduit smerig wat hij als kind heeft meegemaakt. "Dan gaat de Jap met zijn laarzen op haar maag staan dansen. De vloeistof die haar uit al haar lichaamsopeningen ontsnapt heeft alle denkbare kleuren en komt op alle denkbare wijzen uit haar te voorschijn: spattend, kabbelend, druppelend, als braaksel, als bloed, als pap". Ieder kind zou hier geestelijk misvormd uitgekomen zijn. Ik denk dat de schrijver een behoefte heeft aan veiligheid. Het is veilig om niets te voelen, zodat niets je kan kwetsen. Maar het lukt hem niet hij last van angstaanvallen en moet antidepressiva slikken.
Vertederend vind ik de brief van de moeder van de schrijver aan haar man. "Dan onze Jeroen een kleine boef, geen is zo stout geweest als hij". Alles gaat al weer beter. Ze probeert er duidelijk de moed in te houden. Ze schrijft dat het helemaal niet zo erg is, terwijl je wel beter weet. Ook spreken de feiten die ze noemt in haar brief haar relatief optimistische stemming tegen (Vader en Moeder zijn gestorven en ze weegt nog maar 42 kilo). Een probleem vind ik dat de karakters van de grootmoeder, moeder, zusje en vriendin niet echt goed zijn uitgewerkt. Hierdoor kun je je niet goed inleven in die personages. Het perspectief speelt hierin natuurlijk ook een rol (dit ligt bij de schrijver en niet bij andere personen). Daarom is het leuk om ook, al is het maar voor 1 keer, zoals in deze brief, iets uit de mond van een ander persoon dan de schrijver te horen.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen