U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Jeroen Brouwers - Bezonken Rood.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=92 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 4102 woorden.

Bezonken rood

Jeroen Brouwers
  1. Inhoud
  2. Analyse:
    1. Ruimte
    2. Tijd
    3. Vertelsituatie
    4. Thema's
    5. Motieven
    6. Taal en stijl
    7. Interpretatie

1. Inhoud

De ik-figuur, Jeroen, toen een kleuter van 5 jaar, brengt WO II samen met zijn moeder, zusje en grootmoeder door in het vrouwenkamp Tjideng in Batavia. Zijn vader is krijgsgevangene in Japan en zijn twee oudere broers zitten in een mannenkamp op Java. Het is een afschuwelijke tijd. De vrouwen worden mishandeld en verkracht en er is bijna nooit iets te eten. Martelingen en dood behoren tot de orde van de dag, beelden die Jeroen zijn hele leven met zich mee zal moeten dragen.

Jeroen en zijn moeder hebben een sterke band tijdens de kamptijd. Zijn moeder leert hem schrijven en lezen uit het boekje 'Daantje gaat op reis'. Jeroen blijft altijd bij haar in de buurt, en als hij afscheid van haar moet nemen doet hij dat met een Maleise zegewens. Zijn moeder belooft hem nooit te verraden. Als wagens van het rode kruis vol met voedsel in het kamp aankomen, zijn de gevangenen uitzinnig van vreugde. Maar als wraakactie voor de gevallen atoombommen besluiten de Japanners al het voedsel te vernietigen. Zijn moeder houdt echter voedsel achter, wordt betrapt en vreselijk mishandeld door de kampleider Kenitji Sone. Vanaf dat moment houdt de jongen niet meer van haar.

Als de oorlog afgelopen is wordt het gezin weer herenigd. Enkel de grootmoeder heeft de ontberingen van het kamp niet doorstaan. De familie keert terug naar Nederland. Daar wordt de jongen door zijn ouders in een R.K. pensionaat gestopt. Hij ervaart dit als een terugkeer naar het kamp, en voelt zich verraden door zijn moeder. Na verloop van tijd verwatert het contact tussen beiden. Als de ik figuur eind januari 1981 verneemt dat zijn moeder gestorven is voelt hij geen verdriet, hij voelt niets. Hij gaat ook niet naar haar crematie en hij wil niet dat zijn naam op haar overlijdensprentje vermeld wordt. Op de dag van de crematie neemt hij op zijn eigen manier afscheid van haar, met de Maleise zegewens "Ketemoe lagi".

2. Analyse

2.1. Ruimte

Het verhaal speelt zich voornamelijk af in Indië. Daar leefde de ik-figuur in het Tijdeng-kamp, een buitenwijk van Djakarta. Dat was een vrouwenkamp waar voornamelijk Europese vrouwen door de Jappen bij elkaar gedreven werden. Mannen mochten er alleen zijn als ze Jap of jonger dan 10 waren. Er werden steeds meer vrouwen in het kamp gepropt zodat er plaatsgebrek ontstond. Zo woonde de familie Brouwers op een bepaald moment in het aanrecht. De moeder sliep op het aanrecht, grootmoeder op de plank in het aanrecht, en de kinderen op de 'gelijkvloers'.

Langzamerhand veranderde de wijk in een concentratiekamp met discipline, dagprogramma, appèls, martelingen , honger, ziekte, uitputting en de dood. Het kamp was afgezet met prikkeldraad en wachttorens. Commendant Knitji Sone bestuurde het kamp. ( In 1946 werd hij als oorlogsmisdadiger geëxecuteerd) Er is ook het huis van Liza in het stadje ***. Het is versierd met bloemen en wapperende vlaggen. Ze woont in een appartementje boven een oude klokkenwinkel.

De ik-figuur woont zelf in Exel in de achterhoek. Opvallend is dat het weer vrijwel altijd mistig is. Deze mist symboliseert de verwarring en het isolement van de geest van de ik-figuur. De mist duidt ook op de onduidelijke relatie die hij met zijn moeder heeft. Op het einde wordt de mist door de wind (=leven)verdreven.

2.2. Tijd

2.2.1. Volgorde

Het verhaal verloopt niet chronologisch. We kunnen de roman eigenlijk opdelen in vijf verhalen, die de verschillende perioden van het leven van de ik-figuur vertellen:
  • de kamptijd (1945)
  • de pensionaten (1950)
  • Liza (1974-1975)
  • dood moeder (26 januari 1981)
  • de momenten waarop de ik-figuur alles opschrijft. (30 januari-3 mei 1981).
Deze perioden worden door elkaar verteld. Samen vormen deze verschillende fragmenten dus een geheel. De roman begint met de dood van zijn moeder. Door haar dood komen herinneringen aan de kamptijd, de pensionaten en aan Liza bij hem op. De verhaallijn wordt dus voortdurend doorbroken door flashbacks. Maar ook binnen de verschillende perioden wordt de chronologie doorbroken. In het Tijdeng kamp sterft eerst de grootmoeder. Drie maanden later sterft Nettie (vrieninnetje van Ik-figuur). In het verhaal vernemen we eerst de dood van Nettie terwijl we pas later lezen over de dood van grootmoeder. Deze niet-chronologische opbouw heeft tot gevolg dat de lezer sommige dingen in het boek niet meteen kan begrijpen.

Enkele voorbeelden.(*p10)'Kwaak, kwaak'. In het begin is het onbegrijpelijk waarom de ik-figuur dit zegt. Maar als hij later leest over het kikkeren in het kamp begrijpt hij het. Zo zal ook de gevoelloosheid van de ik-figuur t.o.v. de dood van zijn moeder pas later in het boek duidelijk worden.

2.2.2. Ritme

De vertelde tijd en de verteltijd lopen heel sterk uit elkaar. De vertelde tijd is bijna 40 jaar, van 1945 tot 1981. De verteltijd is 129 bladzijden. De TG is dus groter dan de TV. De oorzaak van dit verschil komt omdat de ik-figuur enkel fragmenten uit het verleden vertelt. Flashbacks dus. Zo haalt hij gebeurtenissen uit het kamp, de pensionaten en zijn tijd met Liza aan. Tussen deze fragmenten komen dus grote tijdsprongen voor. We weten bv. niets over de periode van 1950 tot 1974. De avond waarop de moeder sterft is nog het meest uitvoerig beschreven.

2.2.3. Tijdsperspectief

Alleen in de laatste periode is het tijdsperspectief vision avec, dan alleen wordt er consequent tegenwoordige tijd gebruikt. (*p21): ' Ik heb mijn ouders....' Al de andere perioden zijn herinneringen van de verteller. Deze herinneringen worden verteld op het ogenblik dat de ikfiguur bezig is met zijn verhaal op te schrijven. Die terugblikken worden zowel in tegenwoordige als in verleden tijd verteld.(*p22): "In een van die huizen woonden wij...." (*p50): ' Ik zie een Jap een vrouw afrossen met een rotan stok' Die herinneringen zijn ook voorzien van commentaar dat altijd in tegenwoordige tijd is geschreven.(*p47): 'Wat is er over van de doden in mijn leven'.

2.3. Vertelsituatie

Het is een ik-verteller die zichzelf voorstelt als de schrijver Jeroen Brouwers. De ik-verteller zegt trouwens een paar keer dat hij dit boek schrijft. Enkele voorbeelden:
  • (*p54): 'Ik schrijf dit en er vindt in Nederland een vrouwenstakingsdag plaats'
  • (*p45): 'Ooit zou ik opschrijven dat ik daar liep'
  • (*p78): 'Misschien is die kleuter dan de schrijver die bijna veertig jaar later '
Omdat het verhaal in de ik vorm is geschreven krijg je dus enkel informatie van de ik-figuur zelf. Door zijn ogen, beïnvloed door zijn persoonlijkheid, worden personen en gebeurtenissen beschreven. Maar er is een uitzondering, nl. de brief van zijn moeder aan zijn vader (*p100-102). Dit zijn woorden die rechtstreeks uit het hart van de moeder komen, en dus niet beïnvloed zijn door de ik-figuur.

Na het verschijnen van dit boek kreeg Brouwers nogal wat kritiek van mensen die ook in het Tjideng kamp gezeten hadden. Zij verklaarden dat de door Brouwers beschreven gruwelijkheden helemaal niet waar zijn. Volgens hen had Brouwers de gebeurtenissen van de Duitse concentratiekampen geprojecteerd naar de Jappenkampen (wachttorens, zoeklichten, mitrailleurs) Verkrachtingen en jongenstransporten zouden niet in Tjideng plaatsgevonden hebben, wel in andere kampen.

Brouwers verdedigde zich door te zeggen, dat hij een roman had geschreven, geen geschiedenisboek. Wat hij in Bezonken rood schreef was wel persoonlijk, maar niet autobiografisch. We mogen dus niet zeggen dat de verteller in dit boek de auteur zelf is, ook al hebben ze dezelfde naam. De ik-verteller Jeroen Brouwers is iemand anders dan de echte Jeroen Brouwers (als je hier de octatvieit toepast toch ook weer niet iemand anders) Personages Jeroen Brouwers is het hoofdpersonage. Hij is schrijver van beroep, getrouwd, en heeft een dochtertje. Jeroen Brouwers bracht een deel van zijn jeugd door in het kamp Tjideng in Indië. De gruwelijkheden die hij daar zag lieten hem ogenschijnlijk onberoerd, omdat hij niet geleerd heeft te voelen.

Toch hebben deze gebeurtenissen onuitwisbare sporen in hem achtergelaten. Hij heeft als kleuter toegekeken bij mishandelingen en nooit ingegrepen. Hij blijft dan ook met een schuldgevoel achter. De ik-figuur droeg in die kampjaren een afgedragen tropenhelm die van zijn beroemde grootvader is geweest. Hij heeft altijd het boekje "Daantje gaat op reis" bij zich met daarin een foto van zijn vader. Uit dat boekje heeft zijn moeder hem leren lezen. De ik-verteller heeft in het kamp niet geleden . Hij is nooit ziek geweest en heeft nooit honger gehad.(*p23) Af en toe moest hij mee met de jongetjeskaravaan. De kinderen werden dan ingezet om b.v. ergens grassprietjes tussen straatklinkers uit te trekken. Zijn moeder vond hem in toestanden van chaos altijd terug door zijn grote tropenhoed. Maar normaal bleven ze altijd bij elkaar.

Zijn moeder beloofde hem nooit alleen te laten. De ikverteller keek tegen haar op, zij was voor hem een ideaal beeld. Als hij op een dag ziet hoe dat ideaal afgeranseld wordt door Sone, breekt iets in hem en houdt hij op van haar te houden. Na de oorlog werd de ik-figuur in een R.K. pensionaat geplaatst. Ook dit beschouwde hij als verraad. Vanaf toen is er een traliewerk tussen zijn moeder en hem ontstaan, zijn liefde voor haar sloeg om in haat.

De rest van zijn leven is de ik-figuur op zoek geweest naar een nieuwe moeder, naar een moeder zoals die in de kamptijd. Zo een ideaalbeeld ziet hij dan ook in Liza die hij in 1974 ontmoette in een cafe in het stadje ***. De laatste jaren bezocht hij zijn moeder niet meer. Zij telefoneerde wel eens naar hem, en zei dan dat ze verkeerd verbonden was.

Toen hij van haar dood hoorde moest hij haar adres gaan zoeken. De herinnering aan Liza en zijn nieuwe verliefdheidsgevoelens vallen samen met de rouwgevoelens voor zijn moeder. Deze nieuwe gevoelens bevallen hem helemaal niet. Hij wil met rust gelaten worden, sterven desnoods (*p19-20)(*p105):'Ik wil niet van je houden en ook wil ik niet dat jij van mij zou houden of gaan houden'. Maar gaandeweg bemerkt hij dat deze gevoelens toch een zekere betekenis kunnen hebben: ze kunnen hem van zijn gevoelloosheid bevrijden "Maak het eelt zacht dat mijn lichaam overwoekert".

2.4 Thema's

In Bezonken rood komen veel onderwerpen aan bod. De thema's van dit boek kunnen we dan ook in het kort samenvatten : dood, liefde, angst, haat en liefde voor de moeder figuur.

Er aber, in seiner gewöhnlichen Art, hüllte sich in Geheimnisse, in dem er mich mit grossen Augen anblickte und mir die Worte wiederholte: Die Mütter! Mütter! 's klingt so wunderlich!

Johann Peter Eckermann, Gespräch mit Goethe

Het hier bovenstaande motto duidt op de bijzonder sterke band van het kind met zijn moeder. De moeder was een ideaalbeeld voor de ik-figuur. Volgens Freud maakt elk kind zo een oedipale fase door. In deze fase houdt het kind heel veel van zijn moeder. Het is jaloers op de vader omdat ook die aandacht krijgt van zijn moeder. Tevens is de vader een persoon waar mee het kind zich identificeert.

Voor de ik-figuur was de situatie in het kamp dus erg gunstig. Zijn vader zat in Japan en hij had zijn moeder dus helemaal voor zich alleen. Hij laat zijn moeder dan ook nooit alleen. Hij blijft altijd bij haar in de buurt. Zij is voor hem de moeder van alle moeders. Als op een bepaald moment zijn moeder mishandeld wordt omdat ze rijst heeft gestolen, houdt hij op van haar te houden. De kleine jongen die nooit geleerd heeft iets te voelen weet niet wat er nu met hem gebeurt. Haar schoonheid, de liefde die ze uitstraalt wordt kapotgemaakt. Er breekt iets in hem. Hij voelt zich verraden door zijn moeder omdat zij hem pijn gedaan heeft. (*p119):' Mijn moeder was de mooiste moeder, op dat ogenblik hield ik op van haar te houden'

Als hij na de oorlog in een pensionaat gestopt wordt, voelt hij zich voor een tweede keer verraden want zij had beloofd hem nooit in de steek te laten. Bovendien ziet de kleuter het verschil niet tussen de Jappen en de kloosterlingen. Zijn liefde voor haar slaat om in haat.(*p32): 'Waarom heeft men haar in het jappenkamp niet doodgeslagen'. Er komt een tralie werk tussen beiden dat rest van hun leven zal blijven bestaan maar dat ook de rest van hun leven zal beïnvloeden. Zijn moeder was in zijn leven zoals de wind, soms hem aanrakend maar overigens niet aanwezig. Zo blijft de ik-figuur de rest van zijn leven op zoek naar een nieuw moeder figuur, een nieuw ideaalbeeld. Maar hij is bang dat als hij een 'nieuwe moeder' gevonden heeft, zij hem weer in de steek zal laten, dat hij weer verraden zal worden.

Uit angst voor dat verraad komt dus haat t.o.v. alle vrouwen, alle moeders naar boven. Een liefdevolle moeder wordt een verraadster, een vrouw ontkomt niet aan verval. Zo kan hij ook bij de bevalling van zijn vrouw niet aanwezig zijn. Hij wil niet zien hoe haar schoonheid beschadigd wordt. Want het bloed van bij de bevalling kan hij niet los zien van het bloed dat zijn moeder verloor toen ze werd mishandeld. Na de bevalling is zijn vrouw in zijn ogen niet meer de zelfde. (*p82): "Nu wil ik een andere vrouw".

In een oude jeugdvriendin Liza ziet hij een moederfiguur. Zij dwaalt als een geidealiseerde geliefde door het boek. Zij vertegenwoordigt de ongerepte schoonheid ( heeft nog geen kinderen gebaard), vraagt niets, eist niets, zij kompenseert het verdriet dat de ik-figuur heeft. Er liggen dus duidelijke parallellen tussen deze geliefde en de Heilige Maria. Hij noemt Liza dan ook Morgenster, Heil van de zieken, Troosteres van de bedroefden. Maar Liza is ook via haar naam gekoppeld aan zijn overleden moeder: Henriette Marie Elisabeth. Steeds als hij beelden uit het kamp bij hem opkomen voelt hij schuldgevoel, dat zich uit in angstaanvallen en haatgevoelens. Daarom vergelijkt hij zich veertig jaar later nog altijd met Sone, omdat hij vindt dat hij door zijn houding in die tijd net zo schuldig is als Sone. Zo gaat hij zich in zijn gedachten dan ook af en toe gedragen als Sone, vooral in zijn relatie tot Liza.(*p66): 'zij moest daar op dat plein kaalgeschoren worden....ik droeg daarbij mijn bloedrode kikker masker'.

De ik-figuur is geobsedeerd door zijn verleden. Hij kan niets los zien van zijn verleden. Hierdoor blijft zijn schuldgevoel, zijn gevoelloosheid aanwezig. Hij wordt een gevangene van zijn eigen verleden. Zijn moeder en Liza vervloeien herhaaldelijk in elkaar in deze roman. Dit komt duidelijk tot uiting in een angstdroom (*p6970). Zo blijft de ik-figuur op zoek gaan naar een moeder figuur. Dat is dan ook het tweede motto van het boek. Zoek mij terwijl ik er ben. Leer mij kennen, omdat ik er ben. Ik ben er immers. En toch is zeker dat ik er niet ben. dodenlied (zuid Celebes) Dit komt bijna letterlijk terug in het boek.(*p115):'Ik zoek mijn moeder... Al is ze nu dood misschien toch vind ik haar later, ooit, ergens, in een of andere mist, misschien in mijn eigen geschriften.'

Veel gebeurtenissen die de ik-figuur met zijn moeder heeft meegemaakt komen in zijn latere leven en bij Liza terug. Dit noemt men octaviteit: hetzelfde verhaal in een andere octaaf: het is niet hetzelfde maar ook niet niet hetzelfde. Enkele voorbeelden: vrouw in de oven in het kamp de crematie van de moeder de zegewens Ketemoe lagi de zegewens later bij de dood van zijn moeder. de kinderkaravaan in het kamp kinderkaravaan bij Liza de vliegen in het kamp de vliegen later de onbeweeglijkheid van de ik-figuur in het kamp zijn onbeweeglijkheid nu in het kamp blijven bij de moeder rijstkorrels in het haar op haar buik hangen later blijft bij de ik-figuur ook van alles vastzitten in het haar op zijn buik. de rinkelende belletjes aan de laarzen van Sone in het kamp het belletje van de ik-figuur aan zijn broekspijp. Soms wordt de octaviteit letterlijk vermeld.(*p33):'weliswaar was zij mijn moeder, weliswaar was zij mijn moeder niet' Deze verschillende lagen schuiven in elkaar en vormen een geheel. Octaviteit zorgt dus ervoor dat je het verleden niet kunt uitschakelen. Hierdoor komt de obsessie van de ik-figuur voor het verleden nog meer tot uiting.

Een beeld komt voortdurend terug nl. het beschadigde kruis van de vrouw: de moeder die door kampbeul Sone wordt getrapt, de verkrachtingen van de vrouwen in het kamp, het schieten van de ik figuur op het feestje, de stok van de winkelier die schijnbaar tussen het kruis van Liza prikt, de geboorte van het dochtertje, de vrouwen die hun kruis met tomatenketchup insmeren, de vrouw die bakstenen baart. "Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt". Dit is een steeds terugkerend motto. Deze spreuk wordt zoals op (*p7) van het oek in verband gebracht met de wind. De wind is het leven. De wind zorgt voor beweging en daarna blijft de beweging doorgaan. En zo is ook het leven. De ik-figuur vergelijkt zijn moeder ook met de wind.(*p33):' Soms mij aanrakend, maar overigens niet aanwezig' De wind neemt ook de doden mee. De ik-figuur doet dat met zijn overleden moeder, hij wil zijn herinneringen aan haar met de wind meegeven.

2.5 Motieven

Het spiegelmotief is een karakteristiek element . Door het spiegel effect is de 'ik' zichzelf maar ook iemand anders; iets is werkelijkheid en niet-werkelijkheid. Dit motief keert veelvuldig terug(*p19): 'Ik voel niets en ik voel iets.'

Enkele andere belangrijke motieven zijn:

  • kampherinneringen van een kind, schuldbesef, wroeging;
  • onbewogenheid van de ik-figuur bij het zien van de gruwelijkheden;
  • film en televisie: door de kamptijd zegt de ik-figuur dat hij geen fantasie meer heeft. Iets onwerkelijks kan hij zich niet voorstellen. Televisie (*p90):" het apparaat dat je kunt aanzetten om taferelen te zien die je graag wilt zien, en die minder verschrikkelijk zijn dan dingen die je anders zou zien".
  • verwevenheid van het verleden met het heden (octaviteit);
  • dood: de dood van zijn moeder, groot-moeder en Nettie Stevens. Maar ook zelfmoord komt aan bod. Zelf laat de ik-figuur ook af en toe eens merken dat het leven voor hem totaal geen zin meer heeft(*p20). Bovendien werkt hij aan een boek over zelfdodingen in de Nederlandse literatuur.
  • haat/liefde-relatie met zijn moeder en andere vrouwen;
  • gevoelloosheid van de ik-figuur, voorgesteld door de vereelting van het lichaam;
  • mist (dood, uitzichtloosheid, verwarring geest) tegenover wind (leven);
  • web-motief en woud-motief die allebei verwarring symboliseren.

2.6 Titel

Bezonken rood verwijst naar het Japans kamp en de Japanse vlag: een wit veld met grote rode bal: rode zon). Rood is ook de kleur van de dood die als een spat voorkomt op de Japanse vlag. Op twee plaatsen in het verhaal komt de titel voor: (*p57)"er zakt een waas van bezonken rood voor mijn ogen". Hiermee drukt hij vertwijfeling uit die hem overkomt waneer hij beseft dat hij iets schandelijks heeeft gedaan. Op (*p126): " het bezonken rood van Liza's lichaam", wat dus duidt op zijn bewondering. Dit is typisch voor de ik-figuur en zijn tegengestelde gevoelens: bewondering en vertwijfeling.

Bezonken rood is verbonden met twee eerder verschenen boeken van Jeroen Brouwers namelijk "Zonsopgangen boven zee" en "Het Verzonkene". Dat deze romans met elkaar verbonden zijn zien we alleen al aan de titels waar het woordje 'zon' steeds in teug keert.

2.7 Taal en stijl

Bezonken rood is geschreven in een heldere stijl. Het is een aangrijpend boek, niet alleen door de gebeurtenissen die erin beschreven worden, maar ook door de manier waarop het geschreven is. Brouwers schaamt zich niet voor zijn tranen maar toch gaat hij niet emotioneel schrijven.Hij schrijft direct en gebruikt afwisselend korte en lange zinnen. Er komt in het verhaal geen dialoog voor en slechts één brief.

Opvallend zijn de reeks verheerlijkingen die in het boek voorkomen. (*p38): "Gezegend zijt gij.Onder alle vrouwen". De ik-figuur weet eigenlijk niet wat bidden is. Hij vindt dat het tot niets leidt. Toch probeert hij met deze bezweringen zijn gevoelens onder controle te houden.

2.8 Interpretatie en evaluatie

De bezinnende tekst op pagina 7 sprak me zo aan, dat ik besloot dit boek te kiezen. Misschien was deze beslissing wel een beetje naief, want enkele zinnen bepalen niet het hele boek. De nuchterheid waarmee deze man de afschuwelijkste dingen beschrijft, doet me huiveren. Waar is de man die het leven zo mooi kan beschrijven? Voor mij zijn deze tegenstellingen onbegrijpelijk. Misschien dat gevoeligheid en gevoelloosheid heel dicht bij elkaar liggen, net zoals haat en liefde. Toch denk ik dat zijn gevoelloosheid enkel een masker is om zijn gevoeligheid te verbergen. Zijn ontzettende angst om zijn moeder te verliezen geeft dat volgens mij al heel duidelijk aan. Als hij dan ook nog door de moeder waar hij zoveel van houdt, in de steek wordt gelaten, veranderen zijn gevoelens t.o.v. haar. Hij wordt gevoelloos.

Ik kan zijn haatgevoelens voor haar enigzins begrijpen,toch vind ik dat hij erg hard voor zijn moeder geweest is. Hij heeft haar bijna nooit meer bezocht, en hij gaat zelfs niet naar haar crematie. Natuurlijk keur ik niet goed wat zijn moeder na de oorlog gedaan heeft. Maar hoe was haar situatie? Misschien dacht ze dat de kloosterlingen hem beter konden opvangen, misschien kon ze het zelf helemaal niet aan. Waarom zou ze na de kamptijd niet meer van haar zoon houden? Ze deed immers alles voor hem in het kamp.

Jeroen oordeelt dus keihard. Maar je voelt dat hij zijn moeder niet kan loslaten. Zijn afscheid van haar is erg emotioneel. Het boek en zijn geheel is een groot eerbetoon aan zijn moeder. Waarom bezoekt hij haar dan nooit meer, waarom laat hij haar zo links liggen? Is die stap zo groot? Ik weet het niet. Je kunt het verleden nu eenmaal niet veranderen, wel op een of andere manier er mee leren leven en van de dagen die nog komen iets goeds maken. Ik heb het gevoel dat Brouwers dit niet kan. Zelfs bij de geboorte van zijn dochtertje, bespeur ik bij hem geen vreugde. Hij is in feite dus een heel tragisch figuur, die er niet in slaagt los te komen uit zijn verleden.

Brouwers beschrijft sommige gebeurtenissen in het kamp erg grof. Soms iets te grof volgens mij. Maar hierdoor blijf je deze gruwelijkheden wel onthouden. Zo moet ik bekennen dat ik geen kikkers meer kan zien, omdat ik dan de "kikkerende" mensen in het kamp voor me zie. Door deze schrijfstijl heeft Brouwers in mijn ogen dus wel bereikt wat hij wilde, namelijk dat de mensen niet meer mild zouden denken over de Jappenkampen.

Mijn eindoordeel? Deze roman heeft een diepe indruk op me gemaakt. Niet alleen door de gruwelijkheden die er in beschreven worden, maar vooral door de tegenstrijdige gevoelens die een mens kan hebben. Het heeft bij mijzelf ook vragen opgeroepen. Zouden mijn gevoelens t.o.v. mijn moeder ook zo kunnen veranderen als ze me pijn zou doen? Een akelige gedachte als ik eerlijk moet zijn. Ik had andere verwachtingen toen ik dit boek begon te lezen maar ik heb zeker geen spijt van mijn keuze. Het is een verhaal dat ik niet snel zal kunnen vergeten.

'De wind, die eigenlijk alleen zo nu en dan maar eens komt neergestreken, voortdurend komend van en onderweg naar elders, maar nooit constant op een plaats bezig, draagt vlaagsgewijs nu eens verkwikkende, dan weer onverkwikkende geuren aan, en soms een wolk vlinders of libellen, maar ook wel soms een zwerm zwarte vogels, - en is hij weer voorbij, dan blijft nog geruime tijd alles in de tuin, wat maar bewegen kan en door hem is aangeraakt, in beweging'.

'Niets bestaat dat niets anders aanraakt'.

Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen