U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Jeroen Brouwers - Bezonken Rood.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=7430 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3059 woorden.

Jeroen Brouwers - Bezonken rood







1 Titelverklaring





De titel slaat op het bloed dat lang

geleden vloeide in het Jappenkamp: ‘rood,de kleur van de dood, die als een bloedspat

voorkwam op de Japanse valg’.





De schrijver zelf heeft de aandacht

gevestigd op het feit dat in de titels van zijn laatste drie boeken het woord

‘zon’ voorkomt (Zonsopgangen boven zee, Het verzonkene, Bezonken rood). De zon

is het symbool voor het ideaalbeeld en de schoonheid, maar ook voor het gruwelijke

Jappenkamp, waar dit symbool van de Japanse natie zelfs als martelwerktuig werd gebruikt.





2 Samenvatting





Eind januari 1981 stierf de moeder van de

ik-figuur, de schrijver Jeroen Brouwers, in een bejaardentehuis. De schrijver had de

laatste tijd vrijwel geen contact meer met haar. Hij voeld geen verdriet, hij wilde niet

bij haar crematie aanwezig zijn, en hij wilde niet dat zijn naam op de overlijdenskaart

werd vermeld. Wel liet hij zich nauwkeurig beschrijven hoe de crematieplechtigheid in zijn

werk was gegaan. Hij zocht naar het boekje Daantje gaat op reis van Leonard Roggeveen,

waaruit zijn moeder hem in Indië, in het Jappenkamp, had leren lezen, maar hij kon het

niet vinden. Hij nam een kalmerende pil om een angstaanval te boven te komen. Op het

moment dat hij hoorde dat zijn moeder was overleden dacht hij aan een geliefde van zes of

zeven jaar geleden, Liza. Een maand geleden had hij haar weer gezien.





Toen Jeroen een jongetje van een jaar of

vijf was, zat hij met zijn grootmoeder, zijn moeder en zijn zusje in het vrouwenkamp in

Indië.  Daar leefden duizenden geïnterneerde Europese vrouwen met hun kinderen op

zeer kleine oppervlakten. De familie Brouwers woonde in het aanrecht. Over die Japanse

kampen is altijd relativeren geschreven, alsof het allemaal niet zo erg zou zijn. Jeroen

Brouwers kan en wil de geschiedenis van die kampen niet schrijven. Daarvoor was hij toen

te jong en bovendien heeft hijzelf niet geleden, hij heeft geen honger gehad, en hij is

niet ziek geweest. De Japense kampen brengt hij hier ter sprake om de reden van

‘octaviteit’ (dit begrip komt uit het boek De compositie van de wereld van Harry

Mulisch): het is niet hetzelfde maar ook niet niet-hetzelfde, zoals de eerste en de

achtste toon van een toonladder.





Het was een verschrikkelijke tijd in het

kamp: de Japanners martelden en verkrachtten de vrouwen, en er was altijd honger. Maar wat

er gebeurde liet de kleuter Jeroen Brouwers onaangeraakt. Dood en martelingen waren voor

hem ‘dood’gewoon. Hij nam alles gretig in zich op, en daar heeft hij nu nog

steeds wroeging om. In het kamp liep hij rond met een grote helm. Hij had het boekje over

Daantje, met daarin een foto van zijn vader, altijd bij zich. Zijn vader was

krijgsgevangene in Japan, en zijn twee oudere broers zaten in mannenkampen op Java.





Nettie Stevert en Jeroens grootmoeder

stierven in Tjideng. In het kamp was Jeroen erg gehecht aan zijn moeder. Hij bleef bij

haar in de buurt toen ze een keer ‘s nachts naakt buiten moest staan, hij nam altijd

plechtig afscheid van haar met een Maleise zegewens als hij mee moest met de

‘jongetjeskaravaan’, en hij liet haar hem beloven dat zij  hem nooit

verraden zou of in de steek zou laten. Toen het Rode Kruis een keer vrachtwagens met

voedsel stuurde, werd al het eten vernietigd, uit wraak voor het vallen van de atoombom.

Jeroens moeder probeerde wat rijst achter te houden, maar ze werd betrapt. Ze werd door de

kampleiding vreselijk afgeranseld. Jeroen zag alles, en op dat moment hield hij op van

haar te houden.





 Na de oorlog werd Jeroen door zijn

ouders in Nederlandse pensionaten gestopt. Hij vond dat vreselijk; hij begreep het

principiële verschil tussen de Japanse kampbewakers en de Nederlandse kloosterlingen

niet. Bij het afscheid nemen van zijn moeder voelde hij zich verrraden. Vanaf toen was er

een soort traliewerk tussen hem en haar. Na verloop van tijd dacht hij nooit meer

intensief aan haar. Af en toe belde zij hem op, maar als hij de hoorn had opgepakt, zei ze

dat ze verkeerd verbonden was. Zo was hij de laatste tijd voorgoed verkeerd verbonden met

zijn moeder.





 Op de avond dat zijn moeder stierf

had hij bezoek van een Nederlandse schrijver. Daarna had hij op de Duitse televisie een

Japanse film gezien, die nagesynchroniseerd was in het Duits. Terwijl Brouwers naar de

film keek, bewerkte hij zijn voeten met een eeltschaaf.  Doordat hij in het kamp

altijd op blote voeten had gelopen, had hij nu nog steeds last van overmatige eeltgroei.

Telkens denkt hij weer terug aan de gruwelijkheden in het kamp en telkens voelt hij weer

wroeging.  Hij herinnert zich een feestje waar hij, halfdronken, met een geweer

  had geschoten op de afbeelding van een naakte vrouw.  Plotseling herinnerde

hij zich hoe zijn moeder had gestaan in het licht van de schijnwerpers, met verschillende

geweren op haar gericht, en hij was toen in huilen uitgebarsten. In de dagen tussen de

dood en de crematie van zijn moeder hoopte hij dat zijn moeder hem zou bellen en dat ze

met de stem van Liza zou zeggen: ‘Ik houd van je. Kom je naar me toe?’





Jaren geleden was hij een paar dagen bij

Liza geweest. Het stadje waar ze woonde was versierd. Er was een Maria-optocht geweest

waar Liza ook in had mmegelopen, ze was schooljuffrouw. Hij had zich toen voorgesteld dat

Liza een soort moeder voor hem was. Later had hij een angstdroom gehad waarin hij Liza en

zijn moeder met elkaar verward had.





Wat er gebeurd was in het Tjiding-kamp

hield hem nog wel 30 à 40 jaar bezig, maar nu hij  het opgeschreven had, hoefde hij

het niet meer te onthouden en viel het van hem af.





Toen zijn dochtertje werd geboren wilde

hij er niet bij zijn, want hij herinnerde zich het ‘kikkeren’ in het kamp en hij

vond dat door de geboorte van een kind de schoonheid van de vrouw duurzaam beschadigd

werd. Na de geboorte ging hij toch naar zijn vrouw kijken, en toen hij naar haar gehavende

lichaam zag dacht hij: ‘nu wil ik ean andere vrouw’, zoals hij ook een andere

moeder had gewenst.





De ik-figuur gaat nauwkeurig na wat zijn

moeder op de avond van haar dood gedaan heeft. Alle tv-programma’s van de avond

schrijft hij op. Opnieuw brengt hij Liza in verband met zijn moeder. Hij bekijkt de

fotoalbums van zijn moeder. Hij citeert uit een brief van zijn moeder aan zijn vader,

geschreven op 5 oktober 1945, toen zij nog in het kamp verbleef. Hij geeft een

beschrijving van haar crematie. Op diezelfde dag reed hij geheel overstuur door de bossen.

Het was erg mistig. In een bos dacht hij weer terug aan de kamptijd. Met de plechtige

Maleise zegewens nam hij afscheid van zijn moeder. Maar er gebeurde niets. Hij reed terug

naar huis en ging zogenaamd onaangeraakt verder met zijn werk: hij schreef een boek over

zelfmoord in de Nederlandstalige literatuur. Maar hij voelde zijn gezicht papperig worden

en van zich afdruipen.





3 Personages





De hoofdpersoon is Jeroen Brouwers, schrijver van beroep. Hij is voor de tweede keer

getrouwd; de kinderen uit zijn eerste huwelijk ziet hij liever niet meer. De

gebeurtenissen die hij als kleuter in het Tjideng-kamp heeft meegemaakt hebben een

onwisbare stempel op de rest van zijn leven gedrukt. Hij heeft ook nooit geleerd te

voelen, het lijkt alsof zijn gevoel met eelt bedekt is.





De kampervaringen zijn de oorzaken van

zijn schuldgevoelens en paniekangsten. Toen zijn moeder in het kamp werd mishandeld hield

hij op van haar te houden. Zijn verdere leven is hij op zoek geweest naar een

moederfiguur. ‘De hele wereld is vol moeders, maar waar is de mijne’, dacht hij

toen hij bij Liza was.





Hij vindt dat hij op de leeftijd is

aangekomen waarop de onbeweeglijkheid begint, en daarom is hij onrustig. Hij heeft het

gevoel dat hij zich moet haasten, want ‘alles wat nog bij het Brouwersdom

plaatsvindt, is, dat er gestorven wordt’.





De herinnering aan Liza en zijn nieuwe

verliefdheidgevoelens voor haar vallen samen met de rouwgevoelens om de dood van zijn

moeder. Aan de ene kant wekken deze gevoelens zijn weerzin op; hij wil met rust gelaten

worden, sterven desnoods. Maar gaandeweg merkt hij dat deze gevoelens, waarmee  hij

eigenlijk geen raad weet omdat hij nooit geleerd heeft wat voelen is, toch  een

zekere betekenis voor hem hebben: ze kunnen de instrumenten zijn die hem helpen aan de

toestand van onbeweeglijkheid te ontsnappen. Aan het eind van het boek smeekt de

hoofdfiguur ‘Maak het eelt zacht dat mijn lichaam overwoekert’, waarmee hij

aangeeft dat hij niet meer sceptisch staat ten opzichte van zijn gevoelens.





4 Thematiek





Er komen veel thema’s aan bod in deze

roman: dood, liefde, angst, haat, liefde voor de moeder van de jeugd. Het overkoepelende

thema is het belang  van de moederfiguur voor de ik-verteller, dat verband heeft met

het Oedipuscomplex en de geschonden schoonheid van ideaalbeelden, en de verschrikkingen

van het Jappenkamp die het latere leven van de ik-verteller sterk hebben beïnvloed, en

die hij nu nog van zich probeert te schrijven.





De moeder was een ideaalbeeld voor de ik. Volgens Freud maakt elk

kind een oedipale fase door (van ca. 2½ tot 5 à 6 jaar), waarin hij de moeder bijzonder

liefheeft. In die fase is hij jaloers op de vader, maar die vader fungeert tegelijkertijd

ook als identificatiemodel. Voor de kleine Jeroen is deze situatie toegespitst: in het

kamp is hij sterk aangewezen op zijn moeder en zijn vader is geheel afwezig, zodat hij

weinig meer kan doen dan voortdurend met het portret van zijn vader op zak te lopen. Het

ideaalbeeld dat hij van zijn moeder heeft, houdt stand totdat zij door de Japanners wordt

mishandeld: ‘mijn moeder was de mooiste moeder, op dat moment hield ik op van haar te

houden’. Vanaf dat moment is hij ‘verdwaald’, hij wil niet zien hoe zijn

liefde en de schoonheid die hij koestert, worden verwoest of beschadigd. Na het verraad

van zijn moeder, als hij in de pensionaten wordt gestopt, slaat zijn liefde om in haat:

‘Waarom heeft men haar in het Jappenkamp niet doodgeslagen?’. Zijn verder leven

blijft hij op zoek naar het verloren gegane ideaalbeeld, maar hij is ook bang dat dat

beeld opnieuw verloren zal gaan, of dat het beschadigd zal worden.  Zo wordt de

schoonheid van de vrouw volgens hem beschadigd wanneer ze een kind krijgt; daarom wil hij

niet bij de geboorte van zijn kind aanwezig zijn, en daarom wil hij ook ná die geboorte

een andere vrouw zoals hij eerst een andere moeder  wilde: het ideaalbeeld van de

schoonheid is geschonden. Ook wil hij de aftakeling van zijn moeder niet meemaken; het

liefst denkt hij terug aan zijn moeder voor de mishandeling, toen ze nog de mooiste was.





De relatie van de ik-figuur tot Liza wordt gedomineerd door dat

wat de ik-verteller in de oedipale fase heeft meegemaakt. Hij noemt zichzelf ook een keer

Oedipus, en in verband hiermee noemt hij het eelt op zijn voeten (de naam Oedipus betekent

letterlijk: gezwollen voet).





In Liza ziet hij een moederfiguur. Hij wil haar aan de ene kant

mishandelen, zoals zijn moeder mishandeld werd, en aan de andere kant liefhebben zoals hij

zijn moeder liefhad. Dit kom onder meer tot uiting in de ‘behandeling’ die hij

Liza tenslotte geeft: teder, de vliegen van haar weghoudend. In de angstdroom die hij over

Liza en zijn moeder heeft ziet hij opnieuw het ‘traliewerk’ of ‘het gordijn

voor haar gezicht’ dat hem scheidt van ‘het verradelijke vrouwendom’. In

die droom neemt de vrouw de gedaante van de dood aan, maar zelfs dan laat zij de

‘ik’ niet met rust.





Veel gebeurtenissen die de ‘ik’ als kleuter met zijn

moeder in het kamp heeft meegemaakt komen later in zijn leven met Liza op de een of andere

manier terug. De al eerder genoemde octaviteit speelt hier een rol: het is niet hetzelfde,

maar ook niet niet-hetzelfde. Hier zijn nog talloze voorbeelden – die niet allemaal

met de relatie van de ‘ik’ tot zijn moeder en Liza te maken hebben – bij te

vinden, o.a.:






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         de voruw in de ‘oven’ in het

kamp// de crematie van de moeder






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         de kinderkaravaan in het kamp// de

kinderkaravaan bij Liza






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         de zegewens ketemoe lagi// de zegewens

later en bij de dood van de moeder






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         de rinkelende laarzen van Sone in het

kamp// het belletje van de ‘ik’ aan de broekspijp






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         de vliegen in het kamp// de vliegen later






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         Daantje op stap in het kamp// later






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         de rozenkrans en ‘laat ons

bidden’ in het kamp// later






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         ‘tjoepen’ in het kamp//

‘tjoepen’ na de dood van de moeder






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         de onbeweeglijkheid van de ik-figuur in

het kamp (als hij toekijkt hoe zijn moeder mishandeld wordt)// zijn onbeweeglijkheid nu






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         in het kamp blijven bij de moeder

rijstkorrels in het haar op buik vastzitten// later blijft bij de ik-figuur ook vanalles

vastzitten in het haar op zijn buik.





Eén beeld komt in alle lagen van het boek terug: de moeder in het

licht van de schijnwerpers met geweren op haar gericht, de verkrachting van de vrouw in

het kamp, het schieten van de ik-figuur op het feestje, de stok van de winkelier die

schijnbaar in het kruis van Liza prikt, de geboorte van het dochtertje, de vrouwen die hun

kruis insmeren met tomatenketchup, de vrouw die de baksteen baart.





De gebeurtenissen in de verschillende lagen versmelten tot één

harmonisch geheel, zij zijn ‘octaaf’  met elkaar. Soms wordt de octaviteit

ook direct vermeldt, bijvoorbeeld: ‘weliswaar was zij mijn moeder, weliswaar was zij

mijn moeder niet’.





Het boek is zo gestructureerd dat zelfs kleine details nog wel

  een of andere functie hebben. Alles grijpt in elkaar en verwijst naar elkaar. Deze

schrijftrant wordt door Maarten ’t Hart smalend ‘horlogemakersproza’

genoemd, voor een criticus als Tom van Deel heeft die term juist een positieve betekenis.





De gebeurtenissen in het Jappenkamp hebben het leven van de

ik-figuur ook nog op een andere manier beïnvloed: hij heeft een kampsyndroom, dat bestaat

uit wroeging die hij heeft om de alles begerig in zich opnemende kleuter die hij is

geweest. Tóen liet alles hem onaangeraakt, maar nu komt alles boven, want ‘niets

bestaat dat niet iets anders aanraakt’. Deze gedachte komt verschillende malen en op

verschillende manieren in het boek voor, vaak in verband gebracht met de wind, als beeld

voor het leven; het zet iets in beweging wat daarna nog even door blijft bewegen. De

moeder was in het leven van de ik-figuur als de wind; soms hem aanrakend, maar overigens

niet aanwezig. Na de dood neemt de wind de overledene mee. De ik-figuur wil aanvankelijk

ook zijn herinneringen aan de overledene (o.a. de foto’s)  met de wind meegeven.





De ik-figuur voelt schuld; steeds als hem filmbeelden uit zijn

leven in het kamp voor ogen komen, voelt hij de wroeging omdat hij onbeweeglijk toekeek

toen zijn moeder werd afgeranseld. Later voelt hij de wroeging als hij op Liza’s

kamer een vlieg heeft doodgemaakt. Vaak uit zijn wroeging zich in angstaanvallen en

haatgevoelens.





Door het schrijven van dit boek kan hij misschien van zijn

kampsyndroom afkomen, want wat hij heeft geschreven hoeft hij niet langer te onthouden, en

hij wil het liefst al zijn herinneringen kwijt. Tevens kan hij door het schrijven van dit

boek de aandacht vestigen op de gruwelijke tijd van de Jappenkampen, zodat het voor

iedereen duidelijk is dat er over die kampen niets te lachen valt.





5 Tijd/ ruimte





Het boek is niet-chronologisch verteld. Er worden telkens kleine

stukjes uit verschillende perioden van de ik-figuur verteld. Globaal kunnen de volgende

perioden onderscheiden worden: het kamp (ca. 1945), de pensionaten (ca. 1950), Liza (1974

of 1975), de dood van de moeder (26 januari 2981 en de dagen daarna) en de momenten waarop

de ik alles opschrijft (30 januari – 2 mei 1981). Alleen in de laatste periode is het

tijdsperspectief vision avec en alleen dan wordt er consequent tegenwoordige tijd

gebruikt. De andere perioden zijn herinneringen van de ik-verteller, gezien vanuit het

schrijfmoment. Deze herinneringen worden zowel in de tegenwoordige als in de verleden tijd

verteld, en ze zijn soms van commentaar voorzien in de tegenwoordige tijd.





Verteltijd en vertelde tjid lopen sterk uiteen. De totale vertelde

tijd is bijna veertig jaar, de verlteltijd is 129 bladzijden. De avond waarop de moeder

stierf is nog het meest uivoerig verteld.





Ook binnen de perioden wordt niet-chronologisch verteld. Zo lezen

we eerst over de dood van Nettie Stenvert en dan pas over de dood van de grootmoeder,

terwijl op blz. 88-89 staat vermeld dat eerst de grootmoeder stierf en drie maanden later

Nettie. De niet-chronologische opbouw van het boek heeft tot gevolg dat je sommige dingen

in het begin van het boek pas later gaat begrijpen. Je kunt de eerste van die naar elkaar

verwijzende fragmenten opvatten als een vooruitwijzing en de tweede als een terugwijzing.

Ik noem als voorbeelden: ‘Kwaak, kwaak!’ en ‘kikkeren’, de bossen aan

het water, het druipende gezicht van de ‘andere ik’, dat een paar keer voorkomt

(=angst) en de ‘decorstukken en coulissen’. In groter verband: de gevoelloosheid

van de ik-figuur ten opzichte van de dood van zijn moeder wordt pas duidelijk als hij de

kamptijd en het verraas van zijn moeder bij het pensionaat heeft verteld.





Het verhaal speelt zich vooral af in het Tjideng-kamp, het

versierde stadje van Liza, en in het huis van de schrijver in Exel in de Achterhoek.

Opvallend is dat er veel mist (symbool) voorkomt in het boek. Dit is een beeld voor het

niet-begrijpen (o.a. de onduidelijk relatie die hij met zijn moeder heeft), de troebelheid

van zijn gedachten, en de doolhof van zijn leven waarin hij ronddwaalt.





6 Motieven






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         dood






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         gruwelijkheden/ mishandeling






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         verraad






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         liefde






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         angst






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         haat






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         wroeging






style="margin-left:18.0pt;text-indent:-18.0pt;mso-list:

l0 level1 lfo1;tab-stops:list 18.0pt">-

         geloof (hij weet niet wat bidden is)





7 Vertelinstantie





Het boek wordt verteld door een ik-figuur, die zichzelf

presenteert als de schrijver Jeroen Brouwers. Hij is ook de hoofdpersoon van het verhaal.

De ik-verteller zegt een paar keer dat hij dit boek schrijft. Direct in het begin van het

boek staat er bijvoorbeeld al: ‘na al die jaren zet ik hem (=mysterieuze volzin) hier

maar neer’. Blz 54: ‘Ik schrijf dit, en er vindt in Nederland een

“vrouwenstakingsdag” plaats’. In een passage over het kamp zegt de

ik-figuur: ‘Ooit zou ik opschrijven dat ik daar liep, onder mijn hoed, in dat

kamp’ en ‘misschien is die kleuter daar de schrijver die bijna veertig jaar

later te boek stelt jou tegen de wolken te hebben zien langswiegen’.





Na het uitkomen van dit boek ontstond er een rel: mensen die ook

in het Tjideng-kamp hadden gezeten, verklaarden dat de door Brouwers beschreven

kampervaringen niet echt gebeurd waren. Volgens hen had Brouwers de gruwelijkheden van de

Duitse concentratiekampen geprojecteerd naar de Jappenkampen. Andere dingen waren volgens

hen ook overdreven: zo zei Mischa de Vreede dat het onzin was dat mensen uit de

Jappenkampen na nog last hadden van buitensporige eeltgroei op hun voeten.





Brouwers verdedigde zich door te zeggen dat hij een literair boek

had gemaakt, wat hij geschreven had was wel persoonlijk, maar niet autobiografisch. Hierin

heeft hij zonder meer gelijk. Het verhaal over de eeltgroei is dan misschien niet waar,

maar  het is wel een bijzonder knap uitgewerkt literair beeld van de gevoelloosheid

van de ik-verteller. Over het algemeen gaat het niet aan om een verteller in een boek te

vereenzelvigen met de auteur, zelfs al dragen ze dezelfde naam.





In Bezonken rood moet men telkens voor ogen houden dat de

ik-verteller Jeroen Brouwers iemand anders is dan de ‘echte’ Jeroen Brouwers

(en, in termen van octaviteit, toch ook weer niet iemand anders).





8 Eigen mening





Ik vond het een erg mooi boek, maar wel verwarrend soms omdat het

niet-chronologisch was.


Ik vond het erg interessant om te lezen hoe het er aan toeging in de Jappenkampen, ook al

is misschien niet alles waar. Het boek bleef me boeien, ik heb het dan ook in een paar

dagen uitgelezen.



Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen