U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : G.a. Bredero - Spaanschen Brabander.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=11278 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1820 woorden.

Boekverslag: De Spaanschen Brabander



1. Uitgewerkte persoonlijke reactie:



Het onderwerp.



Ik vind het heel moeilijk om aan te geven wat nou het onderwerp van de tekst is. Jerolimo is in ieder geval zo’n beetje de hoofdpersoon, die eerst helemaal niets heeft en dan ineens heel rijk is. Robbeknol is zijn knechtje. Zo ging het vaak vroeger.



Jerolimo is naar Amsterdam verhuisd, omdat hij in Brabant schulden had die hij niet kon betalen. In Amsterdam doet hij zich voor als een groot en rijk mens, de mensen gaan hem vertrouwen en lenen hun spullen aan hem uit. Die spullen gaat hij verkopen, want anders heeft hij geen eten. Later zit hij dus weer in de problemen, omdat hij de spullen van de mensen heeft verkocht.



Ik vond het verhaal eerst heel erg saai. Toen we het verhaal in de klas gingen lezen, snapte ik er echt helemaal niets van. Naderhand werd alles zo’n beetje uitgelegd en toen vond ik het eigenlijk toch wel interessant. Het is gewoon interessant om te lezen hoe de machtsverhoudingen toen waren en hoe de mensen met elkaar omgingen.



En vooral de moraal van het verhaal.



Ik had vooraf echt geen verwachtingen. Ik wist absoluut niet wat ik ervan moest denken. De Spaanschen Brabander, dat zei me niets. Ik dacht dat het misschien wel over een Brabander zou gaan die in Spanje woont ofzo. Achteraf dus niet.



Gebeurtenissen.



De belangrijkste gebeurtenis in het boek vind ik als iedereen bij Jerolimo’s huis aankomt om de spullen van ieder op te komen halen. Jerolimo is dan al gevlucht. Dat vind ik ook zo’n beetje het hoogtepunt. In heel het verhaal doet Jerolimo zich veel beter en rijker voor en op het moment bij het huis van Jerolimo komt het boven water dat hij eigenlijk dus een bedrieger is.



Robbeknol zag dat allang aankomen. Deze gebeurtenis heeft daarom ook de meeste indruk op mij gemaakt.

De gebeurtenissen in het boek vind ik niet echt boeiend, spannend, ontroerend of schokkend. Af en toe zit er wel een humoristisch stukje bij, bv. als de hoertjes vertellen over hun belevenissen. Daar kon ik wel om lachen, maar voor de rest stelde het niet veel voor.



Personages.



Ik vind de hoofdpersoon echt geen held. Hij is eerder een bedrieger, echt geen held. Nee, hij doet niets waarvan ik zoiets heb van, wow, wat een held.



De karaktereigenschappen van Jerolimo en Robbeknol zijn wel herkenbaar. Door het verhaal te lezen, kom je er wel achter hoe zij zijn en hoe zij zich voordoen. Jerolimo is gewoon een ziekelijk fantast, hij leeft in zijn eigen droomwereld met zijn eigen ideeen en manieren.



Robbeknol is een gewone Hollandse jongen, die door bedelen aan de kost moet komen. Hij is niet dom. Hij kijkt al gauw door de schijnwereld van Jerolimo heen.

Maar de figuren in het verhaal kennen geen duidelijke karakterontwikkeling.



De personages in het verhaal vind ik ‘levensecht’. Dat merk ik aan de manier waarop hun in het verhaal geplaatst zijn. Het zou ook echt kunnen gebeuren.



Opbouw.



Ik vond dat het verhaal in het begin een best ingewikkelde opbouw had. Telkens een ander bedrijf, ik snapte er niets van. Als het taalgebruik gewoon van deze tijd was geweest, had ik het nog wel een beetje begrepen maar, in het begin snapte ik het echt niet. Naderhand weer wel, want de leraar legde steeds een stuk uit.



Ik vond het verhaal absoluut niet spannend. Eerder slaapverwekkend.



Taalgebruik:



Dat vond ik het moeilijkste van alles. Het was rijm en dan ook nog eens in het Amsterdams 17e eeuws dialect. Verschrikkelijk moeilijk. Daarom snapte ik ook niets van het verhaal. Als je niet weet wat je leest, weet je ook niet waar het verhaal over gaat. De tekst leverde voor mij veel problemen op als ik het alleen zou hebben moeten lezen. Dat was gelukkig niet zo.



We hebben het klassikaal gelezen.



Het taalgebruik vind ik hartstikke goed bij de personages passen. In een dialect en per laag van de bevolking weer een ander soort spraak. De hoertjes praten heel onbeschoft, grof, maar de notaris daarentegen heel netjes en duidelijk, ook al is het dialect zo moeilijk te volgen.



2. De achtergronden.



Politieke achtergronden.



Bredero plaatste de Spaanschen Brabander ongeveer in 1575. Amsterdam had in die tijd nog niet gekozen voor het protestantisme en stond nog aan de kant van Spanje. Op verschillende plaatsen in het stuk komt dit duidelijk naar voren, zoals bijvoorbeeld in het volgende fragment.

Gierige Geeraart voelt dat hij door Jerolimo wordt opgelicht en wil de schout erbij halen. Helaas kan deze niet:



Schout:

[...]

En dan zijn er ook nog de stel op- standige geuzen en ketters die zich door de duivel laten bekoren.



En met hun predikingen de orde verstoren.



Dat is nadelig voor de Moederkerk en de heilige inquisitie.

Ik moet ze vangen in het belang van de goddelikjke justitie,

Want de Spaanse Bloedraad heeft verklaard

Dat ze veroordeeld zijn tot de dood door middel van water, vuur en zwaard.



Het kan geen uitstel dulden, dat ket-

terse volkje moet verdwijnen;

Onkruid verspreidt zich minder snel dan deze goddeloze zwijnen.



Er is gisteren weer een geuzenlied- boek verspreid

Dat bitter schimpt en scheldt op onze geestelijkheid

En op onze paus in Rome en alles wat erbij hoort;

Ja, zelfs op de koning, dat heet majesteitsschennis met een mooi woord.



In het verhaal wordt vooral de rivaliteit tussen Holland en het zuiden herkenbaar gemaakt door de Amsterdammer robbeknol en de Brabander Jerolimo. De rivaliteit tussen Holland een het oosten vinden we in de Amsterdamse patriot Jan Knol en de ‘immigranten’ Andries Bils en Thomas

Treck terug.



Sociaal-economische achtergronden.



‘In 1558 was Antwerpen in Spaanse handen gevallen. Veel kapitaalkrachtige kooplieden en calvinisten vluchtten naar het noorden, vooral naar Amsterdam. Deze stad nam de rol van toonaangevend handelscentrum van Antwerpen over.’



Er waren heel veel verschillen in de klassen van de maatschappij. Bredero is een uitstekende bron om een goed beeld te krijgen van het Amsterdams straatleven. Kooplieden, zwervers, bedelaars, meisjes van plezier, een huiseigenaar en nog veel meer karakters vormen een bondige verzameling die op het toneel de 17e eeuw kleur geven.



Bredero heeft ze zo uit het leven gegrepen, vandaar hun bruikbaarheid.





In het volgende fragment wordt door het stadsbestuur een verbod uitgesproken om de orde in de stad te handhaven:



Robbeknol:



Het volk loopt naar de Dam. Ik weet niet wat dat beduidt. Er zal een von- nis worden uitgevoerd, want de stadsklok luidt. Daar moet ik ook heen om te zien of men ze flink kastijdt, Maar hoe hard ze ook worden geslagen, ze krijgen zelden spijt. De kussens worden al uitgelegd. Daar is mijnheer de Schout Met de secretaris. Hé, jullie, zorg dat je je mond eens houdt!



Aldus verklaren de Edelachtbare Heren van het stadsbestuur van Am- sterdam:



gezien de grote toeloop en overlast van gezonde, maar luie leeglopers, vagebonden, nutteloze bedelaars en de vele armen van vreemde af- komst, waaronder zich overvallers, rovers en dieven bevinden;gezien de noodzaak om hieruit voortvloeiende misdaad, diefstal en plundering, alsook het goddeloze dobbelen, gokken, vechten, en de dronkenschap en hoererij tegen te gaan; gezien ook de geringe voorraad graan en de slechte vooruitzichten op verbetering, en de hoge prijzen die ten laste komen van de gemeente en nadelig zijn voor het voldoen aan onze eigen behoefte.



Gezien het voorgaande maken de voornoemde Edelachtbaren hierbij bekend dat voortaan bedelaars, landlopers, zwervers, bedriegers of oplichters- jong of oud, blind, kreu- pel, mank, melaats of wat dan ook- niet meer zullen mogen rondtrekken om aalmoezen te vergaren op mark- ten en bruggen, bij kerken, poorten of op straathoeken. Zij dienen onmiddelijk te vertrekken op straffe van openbare vernedering aan de schandpaal en strenge geseling.



[...]



Maar wat heeft Bredero nou willen vertellen?

Bredero laat heel duidelijk het gewone volk aan het woord. Zijn werk sluit daarom vaak meer aan bij de Middeleeuwse volkskunst dan bij de werken uit de klassiek oudheid. Toch heeft hij wel waardering voor de klassieken.



Dat blijkt uit de inleiding waar Bredero zich verontschuldigt door te verwijzen naar (toch wel hoog geachte) klassieke schrijvers als Aristophanis, Plautus en Terentius, die immers ook grove taal gebruiken.



Het stuk zelf laat Bredero niet in zijn eigen tijd spelen, maar 40 jaar terug.



Hierdoor wordt zijn kritiek minder direct. Bredero laat het Amsterdam van ± 1575 zien toen Noord- en Zuid Nederland nog niet gescheiden waren, toen er nogal wat politieke en godsdienstige twisten heersten. Amsterdam was toen een stad aan het worden en trok allerlei figuren aan zoals handelslui die de welvaart brachten, maar ook bedelaars en dieven. In feite wil Bredero echter het Amsterdam van zijn tijd laten zien.



Bredero laat het Amsterdams volksleven schetsen om maatschappelijke problemen op het toneel te bediscussiëren.



3. Renaissance & blijspel.

Renaissance van “Lazarille de Tormes”



De Spaanschen Brabander is een renaissance, ook een blijspel (=komisch toneel).



Renaissance:

Een renaissance is een wedergeboorte. Er wordt een poging gedaan om de klassieke oudheid te doen herleven en na te volgen.



Schrijvers in de Renaissance verwerkten de klassieke voorbeelden. Men ging de klassieken vertalen (translatio). Een volgende stap was de nabootsing en navolging (imitatio). Het doel was echter niet pure nabootsing. Uiteindelijk wilde men het klassieke voorbeeld overtreffen (aemulatio).





Bredero probeert het origineel te overtreffen door het te vernederlandsen.



Bredero heeft de stof voor zijn stuk ontleend aan de Spaanse schelmenroman “Lazarille de Tormes”. Hij verplaatst de Spaanse bedrieger naar Amsterdam en maakt hem tot een Brabander. Omdat volgens Bredero de in Amsterdam wonende bankroetiers die hij wilde hekelen voornamelijk kale Brabanders waren: vandaar de Spaanschen Brabander.



Hij vernederlandst het dus door het Amsterdamse straatleven in beeld te brengen en de spelers dialecten laten te spreken.



De kenmerken van de renaissance:



 Het stuk is in 5 bedrijven verdeeld.



 Elk bedrijf is weer onderverdeeld in een aantal scènes.



 Ze maken gebruik van Griekse en Romeinse godennamen



 Je kunt meestal uit een deel van het verhaal afleiden dat ze waardering hebben voor de klassieken.



Al deze kenmerken zijn toegepast in de Spaanschen Brabander. Het verhaal bestaat uit 5 bedrijven. Het verhaal is ook onderverdeeld in scènes. Er worden ook Griekse en Romeinse godennamen gebruikt door Jerolimo. In vers 627-656, zoals Pallas (Athene), de Griekse godin van de wijsheid



En Venus, de Romeinse godin van de liefde.

Bredero heeft ook waardering voor de klassieken. In de inleiding verontschuldigt hij zich door te verwijzen naar andere (hoog geachte) klassieke schrijvers, die ook grove taal gebruiken.



Blijspel:



Een blijspel is een toneelstuk om mensen te amuseren en te vermaken.

De kenmerken van een blijspel zijn:



 De hoofdpersonen zijn van lagere klassen.



 De taal is meer spreektaal.



 Het eindigt meestal met een Happy End.



Jerolimo en Robbeknol zijn allebei erg arm. Ook al doet Jerolimo zich als een rijk iemand voor. Ze spreken hun eigen taal het Amsterdams dialect uit de 17e eeuw en het Brabants dialect uit de 17e eeuw.



Het eindigt alleen niet happy, niemand krijgt namelijk zijn uitgeleende spullen terug.



Doel van het blijspel was allereerst het publiek in de maatschappij in opbouw de normen en waarden van juist sociaal gedrag voor te houden



De functie is om het publiek een spiegel voor te houden. In De Spaanschen Brabander wordt het publiek voorgehouden dat uiterlijke schijn bedriegt.



De moraal van dit blijspel is dus:

Als je iemand van de buitenkant ziet, dan ken je hun hart en kwaliteiten niet…..
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen