U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : G.a. Bredero - De Klucht Van De Koe.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=14284 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2767 woorden.

DE KLUCHT VAN DE KOE



1. ZAKELIJKE GEGEVENS



A. De auteur: Berbrant Adriaensz. Bredero (1585-1618)

B. Titel: De klucht van de koe, Taal en Teken, 2e druk, Leeuwarden, 1990, 63 blz. (1e druk van deze vertaling in 1986, Oorspronkelijk uit de Zeventiende eeuw)

C. Genre: De klucht van de koe is een klucht. Dit is een kort toneelstuk, wat vaak bedoeld is om mensen te laten lachen.



2. EERSTE REACTIE

A. Keuze: We moesten een toneelstuk uit de Renaissance lezen, waarbij Bredero aangeraden werd. Deze titel vond ik erg leuk, misschien omdat wij thuis koeien hebben, vandaar dat ik hem gekozen heb.

B. Inhoud: Een ontzettend leuk toneelstuk! Hele komische stukken worden erin beschreven en je lacht je soms echt krom om de zinspelingen en uitdrukkingen.



3. VERDIEPING

A. Samenvatting:

Ghijsje is een dief, al vindt hij dat hij niet slechter is dan veel anderen die hun medemens een poot uitdraaien zonder dat het diefstal wordt genoemd. Op een dag komt hij aan bij een huis waar hij onderdak krijgt van de boer, Dirk Thyssen. Deze bezit een prachtige koe en Ghijsje besluit hem te stelen. Ondertussen in Amsterdam vertrekt Joosje (de optrekker) uit zijn huis bij zijn vrouw waar hij niet aan zij trekken komt. Hij gaat naar herberg "het swarte paert" waar waardin Giertje hem bier geeft en waar er gedurende de nacht tussen hen ook nog enkele perikelen afspelen. Hier vroeg Joosje om, aangezien hij bekend staat als hoerenloper.

Als Ghijsje 's nachts zijn klusje geklaard heeft en de koe aan de hooiberg heeft vastgemaakt, gaat hij weer slapen om door de boer om twee uur gewekt te worden. De twee zouden namelijk samen naar Amsterdam reizen. Onderweg maakt hij de boer wijs dat hij bij mensen in het plaatsje Kostverloren moet zijn omdat deze hem nog geld schuldig zijn. Na het zogenaamde bezoek aan deze mensen komt hij terug met de gestolen koe aan zijn hand, welke hij laat voor komen als de afbetaling van de mensen. De boer meent zijn eigen koe te herkennen maar Ghijsje weet met een slimme manier het gesprek op een ander onderwerp te brengen. Hij haalt de boer over de koe voor hem op de markt te verkopen, waarna zij elkaar in herberg "Het swarte Paert" zullen ontmoeten. Hier is Joosje in wakker geworden en Ghijsje en de boer treden na elkaar binnen. De boer heeft de koe voor een mooi bedrag kunnen verkopen en overhandigt Ghijsje het geld. Dit is uiteraard wel een feestje waard en Ghijsje zou wel even eten en drinken gaan halen bij Pieter de Kok. Er worden hem een paar schotels en mantels meegegeven om het eten in mee te brengen en te verbergen. Ghijsje verdwijnt om niet meer terug te keren en de achtergebleven mensen feesten nietsvermoedend door. Dan komt het zoontje van de boer, Keesje, huilend binnen en vertelt dat de koe gestolen is. De boer begrijpt nu dat hij door de gauwdief op een slimme manier is beetgenomen, maar hij kan er nog wel om lachen. De optrekker concludeert dat Ghijsje niet gestolen heeft, maar dat ze hem alle drie hebben gegeven.



B. Onderzoek van de verhaaltechniek

1. Schrijfstijl.

Het verhaal begint bij het begin; er is dus sprake van ab ovo. Het eindigt gesloten; het verhaal is echt ‘af’ bij het einde. Verder zijn er geen opmerkelijke structuurpunten als vooruit verwijzingen aan te treffen.

2. Ruimte.

Ruimte, tijd en plaats: Het verhaal speelt in Bredero’s eigen tijd (namelijk in de zeventiende eeuw) of eigenlijk iets later. Want de klucht werd in 1612 geschreven en in dat jaar was de toren van de Zuiderkerk, die als voltooid bouwwerk beschreven wordt, nog helemaal niet klaar. Dat was pas in 1614 het geval. De vertelde tijd bedraagt ongeveer twee dagen, waarin op de eerste dag zowel de dief en de boer, als de waardin en de optrekker elkaar ontmoeten, en waarin op de tweede dag allen door de dief bedrogen worden. Het verhaal wordt chronologisch zonder verdere flashbacks verteld. De tijd heeft ook geen symbolische functie. Het verhaal begint bij de boer thuis (in Ouderkerk), waar de dief om overnachting vraagt. Hier ontdekt hij ook de koe van de boer. Tegelijkertijd brengt de optrekker de nacht door in ‘Het Zwarte paard’, de herberg waar de dief en de boer zich later bij hem voegen. De volgende dag trekken Gijsje en Dirk naar Amsterdam, waar de boer door een list zijn koe verkoopt en de opbrengst aan de dief geeft, die hem vervolgens uitnodigt voor een feestje in de herberg. De ruimten worden niet echt beschreven, omdat ze niet van belang zijn voor het verhaal. De boodschap moest namelijk helder blijven en die helderheid zou vertroebeld kunnen zijn door al teveel details.

3. Verhaalfiguren.

Gijsje (de gauwdief) Gijsje is een dief, maar ziet zichzelf niet zo, want wat anderen doen voor de kost is net zo min iets om trots op te zijn, maar het wordt niet tot de diefstal gerekend (bijvoorbeeld vals spelen bij het kaarten of smokkelen). Hij komt erg betrouwbaar over: hij heeft een schrandere uitstraling en hij weet zijn listen zó te verpakken dat ze heel aannemelijk zijn. Hij besteelt zowel de boer als de optrekker en de waardin met zijn mooie praatjes.

Dirk Thijssen (de boer) Dirk is een naïeve boer die veel te graag uitgaat van het goede in de mens. Hij gelooft de dief namelijk meteen op zijn woord, ook al twijfelde hij eerst geweldig. Hij is erg met zichzelf ingenomen en dat komt hem wel eens duur te staan, bijvoorbeeld als hij een hele redevoering geeft in het Frans, waar niemand daadwerkelijk naar luistert, maar waar de dief dankbaar gebruik van maakt door ongezien de benen te nemen. Dirk heeft wel gevoel voor humor, want als hij merkt hoe hij bestolen is, kan hij wel om zijn eigen domheid lachen.

Giertje (de waardin) Giertje is de waardin van de herberg ‘Het Zwarte paard’. Ze is behoorlijk bijdehand en ze weet de mannen, die stuk voor stuk een oogje op haar hebben, handig af te weren. Daarbij schroomt ze grofheid in zijn totaal niet. Ze is een leuke meid zolang er betaald wordt, maar anders kun je je maar beter uit de voeten maken. Hoewel ze gek is op geld – haar naam doet niet anders vermoeden – heeft ze een heilig ontzag voor het huwelijk. Want hoeveel mannen ook bieden om met haar te slapen, toestemmen zal ze nooit. Ze is namelijk getrouwd. En ook al is haar man op het moment afwezig, bedriegen zal ze hem nooit.

Joosje (de optrekker) Joosje heeft ruzie met zijn vrouw als hij naar de herberg van Giertje gaat om zich te bedrinken en eigenlijk ook om de waardin voor zich te winnen, waarin hij hopeloos mislukt. Hij is zwak en heeft de drank nodig om het leven (en zijn vrouw) aan te kunnen. Zijn motto is om nooit te trouwen, want dat brengt alleen maar ellende, en hij kan het weten (zegt hij).

Keesje (het zoontje van de boer) Keesje is het zoontje van de boer. Hij is vrij klein van stuk en hij heeft een hoog stemmetje. Dit is mogelijk de reden waarom de andere jongens hem pesten. Hij is een echt papa’s kindje, want hij zoekt meteen troost bij zijn vader en vertelt hem in één ademtocht door dat de koe weg is. Niet zo heel subtiel dus.

Geen van de personages zijn karakters, omdat het verhaal simpelweg te kort is om hun hele wezen in weer te geven. Alles draait om de boodschap; niet om de figuren.

4. Situaties.

Het hele toneelstuk zit vol met situaties. Eigenlijk is het een verhaal dat van situaties aan elkaar zit: al die situaties vormen samen een geheel.

5. Vertelwijze.

Omdat het een toneelstuk is, heb je te maken met een aantal ik-vertellers, al naar gelang het aantal personages dat meespeelt. Er wordt met de gebeurtenissen ‘mee’ verteld, want ze vinden op hetzelfde moment plaats als dat erover gepraat wordt.



C. Thematiek

Thematiek:

Ik denk dat het thema van dit boek is: Oplichterij en misbruik maken van goedgelovigheid. De dief licht de boer, de optrekker en Giertje op. D.m.v. de koe van de boer, de mantel van de optrekker en ook heeft de dief zijn drankjes gestolen en nog niet betaald. Zo wordt iedereen de dupe van hun eigen goedgelovigheid. De volgende motieven spelen hierbij een belangrijke rol:

- Goedgelovigheid: De boer is veel te goedgelovig ten opzichte van de dief: hij laat hem zomaar bij zich overnachten en hij vertrouwt hem als hij zegt dat de koe, die wel verdacht veel op zijn eigen koe lijkt, toch echt zíjn koe is.

- Drank: Stuk voor stuk houden de mannen wel van een potje bier. De optrekker doet niet anders dan drinken en ook het feestje van de dief ontaardt in een drinkpartij. Dit is een mogelijk symbool voor de zwakheid van de mens, want juist alleen Giertje, die erg sterk overkomt, drinkt niets.

- Ook slimheid en domheid spelen een rol als de boer niet zo dom was geweest was hij er niet ingetrapt en als de dief niet zo slim was geweest had hij het niet zo handig gespeeld.



Tevens schreef Bredero lyriek en toneelstukken, met name kluchten en blijspelen. De kracht van zijn werk ligt met name in de beschrijving van de volksfiguren en de dialogen. Een terugkomend thema in zijn werk is het Amsterdamse straatleven, het leven van een doorsnee Amsterdammer.



D. Plaats in de literatuurgeschiedenis

Een van de boeiendste schrijvers uit de zeventiende eeuw was de dichter Gerbrand Adriaenszoon Bredero, die in 1958 in een huis aan de Nes, in het hartje van Amsterdam geboren werd en in 1618 - op drieëndertigjarige leeftijd - stierf. Een ziekte die hij had opgelopen, toen hij met een slee door het ijs zakte, was hem fataal geworden.

Zijn korte leven heeft Bredero vrijwel uitsluitend in Amsterdam doorgebracht, een stad waarvan het inwonertal zich in zijn tijd uitbreidde van 30.000 tot 100.000. Zwervend door de stegen van deze stad, waar plotselinge rijkdom en schrijnende armoede hand in had gingen, heeft Bredero het leven met al zijn plezier en verdriet kunnen gadeslaan. Typerend is dan ook dat hij in zijn werk bewust koos voor de Amsterdamse volkstaal van zijn tijd in tegenstelling tot de literaire taal die door zoveel andere schrijvers gebruikt werd.

Opleiding

Bredero behoorde tot de gegoede kleine burgerij en heeft een degelijke, maar eenvoudige schoolopleiding gehad. Naar eigen getuigenis was hij ‘een slecht (oftewel eenvoudig) Amsteldammer, die maar een weinig kindsschoolfrans in het hoofd rammelde’. Die kennis was weliswaar nog wel toereikend om een Frans sonnet te schrijven, maar inderdaad stond hij in ontwikkeling bij Cats, Hooft, Huygens en Vondel ten achter.



De Renaissance

Omstreeks 1585 begint de renaissance in de Nederlandse letteren. In Amsterdam kwam ze aan het woord in de rederijkerskamer De Eglentier, waarvan later Hooft en Bredero beiden lid zijn geweest. De renaissance streefde naar een strengere taaltucht: bondige uitdrukking van gedachten, het gebruik van het juiste woord op de juiste plaats en zuiver Nederlands. Er ontstond een meer beheerste kunst. Een kenmerk van de nieuwe dichtkunst was een strenger versritme. De ontwikkeling van het rederijkersvers tot het renaissancistische voltrok zich geleidelijk. In Bredero’s lyriek treft men reeds heel veel regels aan met een duidelijk te onderkennen metrum. Vaak zijn het jamben: de z.g. Franse versmaat. De klucht van de koe is evenwel nog geheel geschreven in de traditionele rederijkersversregels. Omdat in dit realistische toneelstuk personen van geringe stand praten, d.w.z. niet al te correcte taal gebruiken, is ook van taaltucht weinig of niets te bemerken. Bredero kende de lagere standen door de dagelijkse omgang. Hij wist de taal ervan goed te imiteren.



Gedichten

In zijn vele gedichten beschreef Bredero vooral de onweerstaanbare charmes van de meisjes, het genot van de alcohol en de kater van de volgende ochtend als zowel de meisjes en de drank de ongelukkige dichter in de steek hebben gelaten. Steeds terugkerend motief is hoe alles in het leven kan veranderen: Het kan verkeren. Vaak treft daarbij een ontroerend vertrouwen in God. Bredero's gedichten werden in 1622, dus na zijn dood, in het Boertigh, amoreus en aendachtigh groot liedboeck samengebracht.



Toneelspelen

Als toneelschrijver werd Bredero wel geïnspireerd door allerlei buitenlandse voorbeelden - vooral Spaanse ridderromans boeiden hem -, maar hij verwerkte ze meestal toch tot door en door Amsterdamse stukken, waarin prachtige beschrijvingen gegeven worden van het leven in de roerige, rosse binnenstad. Zijn belangrijkste stukken zijn: Griane (1612), De klucht van de koe (1612), De klucht van de molenaer (1613), Moortje (1615) en vooral De Spaanschen Brabander (1617).



4. BEOORDELING

1. Ik denk dat alle elementen een even grote rol spelen. Ik vind het wel erg knap van de dief dat hij het op zo’n manier oplost. Je moet er maar opkomen!

2. Het gedeelte waarbij de boer, de optrekker en de waardin erachter komen dat ze erin geluisd zijn. Het is heel gaaf om te zien hoe ze hier achter komen en de verbaasdheid die daarbij naar voren komt. Toch nemen ze het alledrie heel positief op en dat is ook weer heel grappig in het geheel.

3. Geen.

4. Ik denk dat je toneelstuk heel goed zult kunnen vergelijken met andere kluchten uit die tijd zoals bijvoorbeeld de klucht van de molenaer. Deze zijn bij mij echter niet bekend, dus kan ik er geen oordeel over geven.

5. Het thema: Oplichterij en misbruik maken van goedgelovigheid komt heel duidelijk naar voren in het verhaal. Op een zeer leuke en doordachte manier komen deze dingen naar voren. De oplichterij en misbruik maken van die goedgelovigheid vinden we terug bij de dief, terwijl die goedgelovigheid weer heel duidelijk naar voren komt bij de boer, de optrekker en de waardin.

6. Het onvertaalde gedeelte is erg moeilijk te volgen, maar de vertaalde versie is op een goede Nederlandse manier gedaan, waardoor het makkelijk te volgen is. Bij deze vertaling is het fijn dat je de beide vertalingen naast elkaar hebt staan, zodat je naar beide kijken kunt.

7. Kort maar krachtig: Een ontzettend gaaf toneelstuk!!

8. Zeker weten!! Het is erg leuk en humoristisch om te lezen!! Je leest het in een adem uit!



5. ACHTERGRONDINFORMATIE

Relaties met politieke, sociaal-economische en literaire achtergronden



De klucht van de koe is geschreven in 1612, dit was tijdens de Renaissance, wanneer het christelijke geloof nog steeds een groot deel van het menselijk leven bepaalde. In deze tijd werden ook veel verhalen geschreven die enigszins grappig en seksueel getint waren. Dat is in dit verhaal terug te vinden; grappigheid gedurende het gehele verhaal, en het seksuele in de dialogen tussen de optrekker en Giertje.Ook werd er in het verhaal een maal gesproken over "frebis" gesproken, het twaalfjarig bestand, dit is de periode in de Tachtigjarige oorlog waarin niet gevochten werd, maar welk verband dit met de tekst houdt is mij niet duidelijk.

Kenmerkend voor de mensen in het verhaal is hun goedgelovigheid en naïviteit. In het boek komen ook seksualiteit en beledigingen voor, iets wat het publiek in die tijd aansprak en aan het lachen maakte. De verschillende standen in de toenmalige standenmaatschappij komt niet duidelijk aan bod, alle personen in het boek zijn van dezelfde lage stand.

Naast het eerdergenoemde verband met de Renaissance bestaat er naar mijn mening ook een verband met het stoïcisme. Deze stroming houdt namelijk in dat alles in kalmte en gemoedelijk moet worden aanvaard. Dit kun je terug vinden aan het eind van het verhaal, wanneer de boer en de optrekker tot de conclusie komen dat ze op een slimme manier zijn beetgenomen en erom kunnen lachen. Er zit wel een kleine boodschap in het verhaal, maar het is niet overduidelijk lering. Het verhaal is eerder bedoeld als vermaak.

In het begin van het boek, tijdens de monoloog van Ghijsje, praat hij over de rederijkers, maar de betekenis hiervan kan ik niet achterhalen.

Het genre van het boek is duidelijk, het is een klucht, zoals de titel al verraadt. Een klucht is een kort toneelstuk met komische inhoud en personages uit de laagste sociale milieus die zich lieten leiden door primaire levensbehoeften als eten, zuipen en vrijen.

De tekst is erg oppervlakkig en eenvoudig en door het tonen van grappige situaties is het doel ervan het vermaken van mensen. Ik denk dat iedereen hier wel om kan lachen, er is geen vastgesteld publiek, maar misschien dat het indertijd mensen uit de lagere standen wel meer aansprak omdat het in het verhaal de lagere standen betreft.



6. RECENSIES

Over toneelstukken en andere werken uit vroegere tijden zijn zo goed als geen recensies te vinden. Ik heb nog even gekeken naar de meningen van de leerlingen in de boekverslagen op internet. Daarbij kwam ik tot de conclusie dat iedereen het een heel leuk en humoristisch toneelstuk vond, die ze allemaal met plezier hebben gelezen. Ik sluit me hierbij van harte aan!
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen