U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Geertruida Bosboom-toussaint - Het Huis Lauernesse.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=12929 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 10042 woorden.

Inhoud



In de herberg ‘de Landsvrouw Maria’ bespotten vijf Capucijnen, die dobbelen, drinken en de dochter van de waard plagen, de jonge Duitser Paul van Mansveld, die in Nederland de hervorming komt prediken, in navolging van Luther, die hij in Wittenberg heeft horen prediken. Plotseling komt echter de Vicaris van Utrecht binnen, Boudewijn van Heerdte. Hij maakt een einde aan de bespottingen en neemt Paul mee naar het Huis Lauernesse, waar juist de net volwassen geworden jonkvrouw Ottelijne haar bruidegom moet kiezen. Ondanks de vele adellijke kandidaten kiest ze de hopman Aernoud Bakelsze.

Paul predikt op het Huis Lauernesse de hervorming. Aernoud, overtuigd katholiek, moet vertrekken, maar laat Ottelijne vol wantrouwen achter onder de hoede van zijn tweelingzus Johanna. Hij weet echter niet dat Johanna inmiddels ook protestante is. Ottelijne wordt spoedig bekeerd. Als Aernoud, die met zijn vendel in Dordrecht ligt, dit van Ottelijnes biechtvader, pater Luciaan, te horen krijgt komt hij direct terug. Als hij ziet wat er zich op Lauernesse afspeelt, verbreekt hij de verloving.

De monniken uit ‘de Landsvrouw Maria’ komen bij bisschop Philips van Bourgondië hun beklag doen over de Vicaris en zijn verstandhouding met de lutheranen. De bisschop verwerpt de aanklacht van de monniken, die hij zeer laag inschat, maar eist wel een verklaring van de Vicaris. Nadat deze de geschiedenis met Paul heeft verteld, wil de bisschop Paul in handen krijgen omdat hij denkt zijn afkomst te weten. De Vicaris moet Paul op Lauernesse gaan halen, maar deze is niet bereid mee te gaan. Terwijl ten huize van weduwe Bakelsze langzamerhand het huwelijk wordt voorbereid tussen Aafke Bakelsze en Laurens Cornelisz, komt Aernoud om het verbreken van zijn verloving mede te delen. Er ontstaat een conflict tussen Aernoud en zijn moeder. Weduwe Bakelsze vindt dat hij de godsdienst van Ottelijne moet respecteren, maar Aernoud wil niets meer van het huwelijk weten.

Intussen is Paul voor zijn veiligheid gevlucht naar Woerden, waar hij kennismaakt met Jan van Woerden (of Johannes Pistorius). Jan van Woerden is Priester, maar is bekeerd tot het protestantisme. Hij wil trouwen met Johanna Bakelsze, maar dit is een priester volgens het katholicisme niet toegestaan. Paul zegt hem echter dat hij gewoon kan trouwen, omdat Paulus zelf in de Bijbel heeft gezegd dat het zelfs een bisschop toegestaan is te trouwen.

Hierna vertrekt Paul naar Amsterdam, waar Laurens Cornelisz hem in bescherming neemt tegen Aernoud, die op een nacht Paul in Amsterdam tegenkomt.

Weduwe Bakelsze ligt op sterven. Aafke, Johanna, Hugo, Paul, Ottelijne en Laurens Cornelisz zijn hierbij aanwezig. Weduwe Bakelsze hoopt dat Aernoud ook komt en zich met de rest van de familie verzoent.

Als Aernoud, die eerst niets van het slechte nieuws afwist, aankomt, ziet hij de aanwezigen en wil hij Paul en Laurens gevangen nemen. Bovendien vindt Aernoud dat er een priester moet komen om zijn moeder bij te staan, de overigen zijn echter van mening dat de aanwezigheid van Paul voldoende is. Nu komt Aernoud erachter dat ook zijn moeder bekeerd is tot het protestantisme. Hugo en Laurens proberen Aernoud tegen te houden, maar nadat Johanna de lamp heeft omgestoten, wil Aernoud ervandoor gaan. Hij verwondt Hugo echter. Eerst denkt men dat Hugo dood is, dus vervloekt Weduwe Bakelsze de broedermoord. Aernoud vlucht het huis uit.



Ottelijne komt bij bisschop Philips van Bourgondië smeken om bescherming voor Paul. De bisschop stelt haar gerust dat het Paul goed gaat. Paul, die na de dood van Weduwe Bakelsze de bewusteloze Hugo naar een vriend had gebracht, was hier door de bisschop en de vicaris gevonden. De bisschop probeert hem weer tot het katholicisme te bekeren en Paul denkt even dat de bisschop zijn vader is. Als zijn gedachte fout blijkt te zijn, laat hij het lutherisme niet varen en wordt opgesloten door de bisschop, eerst in het paleis en later in het kasteel Vreeland. Paul mag lezen en schrijven wat hij wil, maar heeft geen contact met de buitenwereld. Zijn vader, Karel van Gelder, probeert hem te laten ontvoeren, maar dit mislukt. Paul weet nu wie zijn vader is.

Na de dood van Philips wordt Paul vrijgelaten en hij komt op Lauernesse aan, terwijl hier door de hervormer Johannes Busscher het huwelijk wordt voltrokken tussen Jan van Woerden en Johanna Bakelsze.

Nadat Aernoud Bakelsze een tijdlang in Spanje was geweest, komt hij als heer van Viterbo en als inquisiteur terug naar Nederland. Op de boot van Leiden naar Utrecht trekken twee tegemoetkomende schuiten zijn aandacht. Hij verneemt dat deze schuiten lutheranen vervoeren naar een bijeenkomst te Woerden. Ook Ottelijne is erbij. Als inquisiteur is hij van plan om binnen te vallen bij de bijeenkomst. Eerst wil hij Ottelijne echter redden en brengt haar naar een klooster. Hij vraagt van Ottelijne een bezinningstijd van drie weken, maar als ze hoort dat hij inquisiteur is, weigert ze en gaat ervandoor.

Laurens Corneliszen merkt, nadat hij van een handelsreis is teruggekomen, dat Aafke door pater Vincent weer is bekeerd tot het katholicisme. Wanneer hij Jan van Woerden, die is gevlucht, in zijn huis verbergt en zijn huis doorzocht wordt door de mannen van de Schout, blijkt pater Vincent in een kast verstopt te zitten. Deze wordt meegevoerd omdat men denkt dat het Jan van Woerden is. Zo ontsnapt de hervormer aan de schout.

Ondertussen zorgt de heer van Viterbo, Aernoud, ervoor dat de kandidaat van Karel V, Hendrik van Beieren, tot bisschop wordt gekozen. Van hem verwacht hij een strengere vervolging van de ketters. De vicaris, Boudewijn van Heerdte wordt uit zijn ambt ontheven.

Donna Teresia, belust op de rijkdommen van Ottelijne, raadt haar aan om al haar goederen af te staan aan haar zoon, Enriquez, wanneer ze kinderloos zal sterven. Zo worden de rijkdommen van Lauernesse behouden. Ottelijne stemt toe, maar kort hierop sterft ze na het drinken van een beker die ze van Donna Teresia kreeg. Enriquez is woedend op zijn moeder, maar hij weet niet dat Ottelijne slechts in een diepe slaap is. Na de begrafenis ontwaakt Ottelijne in de grafkelder. Omdat ze als dood beschouwd wordt, heeft ze alleen de mogelijkheid om te vluchten en al haar eigendommen achter te laten in de handen van Donna Teresia. Ze vlucht dan ook. In de buurt van Odijk vraagt ze aan een boer en boerin onderdak, maar als zij er achter komen dat Ottelijne hervormd is, jagen ze haar weg. Ottelijne gaat weer op weg, maar weet niet waar ze heen moet. Dan komt ze toevallig de afgezette vicaris tegen, die haar meeneemt naar zijn vriend, de pastoor van Odijk. Ook Paul heeft hier een schuilplaats gevonden.

De heer van Viterbo wordt door de Dominicanen tot handelen aangezet. Hij moet in Den Haag zijn ketterjacht verscherpen. Zijn zuster Johanna en haar schoonvader komen met het verzoek of zij de veroordeelde Jan van Woerden in de gevangenis mogen bezoeken. Dit wordt hun toegestaan. De volgende dag wordt Jan van Woerden als de eerste martelaar van de hervorming ter dood gebracht. Johanna wordt in de kerker gegooid, omdat ze tijdens de executie luid haar beklag had gedaan.

In Amsterdam heeft Laurens een heftig conflict met zijn vrouw Aafke, die onder druk van pater Vincent weer katholiek is geworden. Zij staat haar kinderen af aan pater Vincent en wil zelfmoord gaan plegen. De vicaris, die toevallig in de buurt is, regelt een compromis tussen Aafke en Laurens. Men vertrekt naar Antwerpen, waar de kinderen ook worden heengebracht en Aafke volgt weer de katholieke hoogmis, terwijl Laurens protestants blijft.

Op de ‘Stille Weide’ in Kuilenburg predikt Busscher de hervorming. Hij is zeer fanatiek en haalt het katholicisme en de katholieke monniken fel onderuit. Juist als Paul hierop wil reageren met een preek over verdraagzaamheid, zachtmoedigheid en liefde, valt de inquisitie, onder leiding van Aernoud, binnen. Aernoud wordt waanzinnig als hij zijn doodgewaande Ottelijne ziet. Hij wordt dodelijk verwond door de Kuilenburgers, die denken dat hij Ottelijne gevangen wil nemen. Ottelijne verzorgt hem, maar Aernoud wil per sé een pastoor hebben. De pastoor van het dorp Everdingen komt net op tijd en bezorgt hem de laatste Sacramenten.

Paul en Ottelijne willen door Gelder naar Wittenberg reizen, maar worden door een Gelderse bende onder leiding van Bertmann naar Karel van Gelder gebracht. Karel van Gelder maakt aan de aanwezigen bekend dat Paul zijn zoon is en is blij hem terug te zien. Ottelijne krijgt te horen dat het Huis Lauernesse verwoest is en de stervende Paul vraagt voor haar een vrije doortocht naar Wittenberg. Hoewel Karel geschokt is als hij hoort dat zijn zoon lutheraan was, overwint zijn vaderliefde. Na de dood van Paul verleent hij Ottelijne een vrijgeleide naar Wittenberg.





Personages



Paul van Mansfeld

Paul is de zoon van Karel van Gelder en Maria, de bastaarddochter van bisschop Philips van Bourgondië. Bertmann, een trouwe dienaar van Karel, ontschaakt Paul aan zijn moeder. Paul wordt opgevoed aan het hof van de graaf van Mansveld, zonder dat hij weet wie zijn echte ouders zijn.

In de tijd dat hij in Wittenberg studeert komt hij in aanraking met Luther. Door hem, maar vooral ook door de woorden van Melanchton, besluit Paul in Holland de hervorming te gaan prediken.

Ondertussen heeft Paul van Bertmann gehoord dat hij het geheim van Pauls afkomst in doodsnood ooit eens heeft toevertrouwd aan Busscher. Paul zou, op zijn reis naar Holland, Busscher in Embden ontmoeten. De rest van het verhaal is in de samenvatting beschreven. Paul wordt in de herberg ‘In de Landsvrouwe Maria’ door de vicaris ontdekt en meegenomen naar Lauernesse.

Naast Ottelijne is ook Paul één van de hoofdpersonen met een round character. Men vindt vele tegenstellingen in zijn karakter.

Aan de ene kant heeft hij de onwrikbare overtuiging dat het lutheranisme het juiste geloof is en is hij vol geloofsijver. Dit blijkt wel tijdens zijn prediking op het huwelijksfeest van Ottelijne en Aernoud: ”Want zoo ik Saksen als mijn Vaderland heb aangenomen; zoo Mansveld mijne jeugd kweekte en steunde, is Wittenberg mij ten fakkel geworden, die lichten zal over mijn pad: dààr is mij de mijn gewezen, waaruit ik heb opgedolven eenen schat van onverliesbaar goed; daar is geopend de fontein van heil, waar uit ik gedronken heb, niet alleen voor mij zelven, maar ook voor u en voor allen, die begeerig zijn naar den drank des levens, en die dorsten naar ’t Woord, dat zalig maakt.” (blz. 63-64). Ook is hij overtuigd van de fouten van het katholicisme, namelijk de aflatenhandel, het feit dat Maria meer aanbeden wordt dan God en het feit dat niet iedereen de Bijbel mag lezen en niet zélf het Woord van God mag onderzoeken: ”De kennis mag niet meer zijn de schat van enkelen, opdat zij haar begraven en behouden alleen voor zich, maar het Woord behoort allen, en de Schrift behoort allen, en de kennis behoort allen, en het hooge zal vernederd worden, en het lage en het kleine zal hoog staan in het Koninkrijk Gods!” (blz. 68-69).

Toch is hij verdraagzaam t.o.v. andere geloven, en is hij niet zo roekeloos als Jan van Woerden (Johannes Pistorius) of zo verbitterd als Johan Busscher. Deze somt in zijn felle hagepreek alle fouten van het katholicisme op om het katholicisme de grond in te boren. Paul is het hiermee niet eens. Hij wil niet alleen de fouten van het katholicisme tonen, maar vooral de positieve kanten van het lutheranisme: ”(...) van zachtmoedigheid wil ik spreken en van liefde; met eens anderen onreinheid te smaden, wordt het eigen hart niet gereinigd (...)” (blz. 405). Bovendien overtuigen zijn zachte, milde woorden meer dan de woorden van anderen, die dreigen en straffen.

Een tweede tegenstelling is zijn mannelijke kracht tegenover zijn vrouwelijke zachtheid. Paul put kracht uit zijn geloofsijver en is hiermee in staat om anderen te overtuigen van zijn ideeën. Aan de andere kant is hij mild en zacht, wat ook blijkt uit de beschrijving waarmee A.L.G. Bosboom-Toussaint Paul introduceert: ‘zijne lieflijke trekken, bevallig en zacht, tot vrouwelijke weekheid toe’, ‘Er schitterden tranen in zijn zachtblauw oog’, ‘Bleek was zijne gelaatstint en toch kleurde eene zachte verrukking die wangen met een flauw blosje’ en ‘teêre gestalte’ (blz. 2).

Ten derde heeft Paul een conflict tussen zijn liefde voor het geloof en zijn ouderliefde. Hoewel zijn liefde voor het nieuwe geloof zeer sterk is, geeft Paul bijna zijn nieuwe geloof op als hij denkt in de Bisschop Philips zijn verloren vader gevonden te hebben: ”Wat gebiedt mij mijn vader? Het gebod des vaders moet hier de stem van God zijn, die ik gehoorzamen zal.”. Als hij hoort dat de Bisschop zijn vader niet is, is hij in eerste instantie zeer teleurgesteld, maar dan herleeft de Hervormer in hem en is hij nog vaster overtuigd van zijn nieuwe geloof.





Ottelijne

Ottelijne is de laatste telg van de adellijke familie Lauernesse en heeft op jonge leeftijd haar ouders verloren. Op de dag dat ze meerderjarig wordt moet ze een echtgenoot kiezen, maar, tot grote verbazing en ergernis van de adellijke kandidaten, kiest ze niet één van hen, maar een burger, de hopman Aernoud.

Als Ottelijne Paul hoort prediken bekeert ze zich, mede door haar humanistische opvoeding, tot het lutherse. Eenmaal hervormde offert zij alles op voor deze overtuiging en hoopt ook Aernoud over te halen tot het lutherse. Mocht dit niet lukken, dan wil ze minstens begrip krijgen voor haar geloof.

Ottelijne is een round character, ze heeft een gecompliceerd karakter. Ze is enerzijds overtuigd lutheraan, maar ook verdraagzaam tegenover andersdenkenden: zo houdt ze de streng katholieke Donna Teresia in dienst als hoofd van de huishouding. Bovendien wil ze, gedreven door haar liefde voor Aernoud, haar aanstaande echtgenoot, ondanks zijn katholicisme, niet verliezen: ‘Hoe blijde eene bruid zoude zij geweest zijn, zoo de broeder van deze vrouw aan hare zijde had gezeten, zij getooid met een mirtenkroon des huwelijks; hoe weinig zoude zij gehuiverd hebben tegen die vereeniging, die aan deze andere zulk eenen smartelijken kamp scheen te kosten en zulk een moeielijk besluit!’ (blz. 258). Aernoud wil Ottelijnes smeekbede echter niet horen en gaat ervandoor. Als Ottelijne later hoort dat Aernoud inquisiteur is en het lutheranisme uit wil roeien, wijst ze hem past écht af. ‘Niet sneller scheidt een musketschot de duif van haren tortel, dan Ottelijne zich na dit woord losrukte van Bakelsze en met schuwen schrik terugweek tot op den achtergrond van het vertrek; van dáár staarde ze op hem met diepe, koele minachting, zonder een enkel woord te spreken.’ (blz. 306). Als Aernoud stervende is steunt Ottelijne hem echter weer in zijn laatste uren en bidt voor hem.

Een tweede tegenstelling is haar zwakheid tegenover haar kracht. Aan de ene kant is Ottelijne de zwakke vrouw: ‘de zachte duive’(blz. 37) en ‘Zij, daarentegen, was geheel de vrouwelijke vrouw; de buigzame, teedere, die men doodt men eenen blik; die hare laatste levensvonk wil geven voor eenen glimlach; die liever offer wil zijn dan godin; (blz. 38). Aan de andere kant is ze sterk: ‘Er lag een heldere bewustheid van eigen kracht, en een heilige overtuiging van de trouw harer ziel, in de reine kalmte, waarmede zij hem bleef aanzien.’ (blz. 19) en ‘ook kalme fierheid op haar voorhoofd; maar het was de vastheid der onwankelbare trouw en de fierheid harer zelfbewuste vrouwenwaarde. (blz. 38) en offert ze alles op voor haar nieuwe geloof.





Aernoud Bakelsze

Aernoud is een rijke burgerzoon. Hij studeerde in Leuven en verkeerde daar onder de zonen van de adel. Die beschouwden hem echter niet als hun gelijke. Er groeide in hem een ontembare eerzucht om zichzelf tot hun gelijke te maken. Hij is dan ook zeer trots als hij zich heeft opgewerkt tot Keizerlijk Hopman: “(...) gij ziet eenen Keizerlijk-Grafelijken Hopman vóór u.” (blz. 18)

Ook is hij trots als Ottelijne hem, een gewone burger, als bruidegom boven de edelen verkiest: “(...) en men zal zien, of een Keizerlijk Hopman en een burger van Utrecht het hoofd durft opheffen onder den Adel, en of hij hen achting zal weten af te dwingen; want nu ben ik krachtig en sterk, in de keuze van mijne Jonkvrouw”. (blz. 22)

Toch heeft Aernoud wel geaarzeld om met Ottelijne te trouwen. Hij houdt van haar, maar is bang dat zij zich verlaagt door met hem te trouwen. “Ik ben stroef, ernstig, somber, nadenkend: ik weeg blikken, ik tel woorden! en zie, zoo één blik, één woord, ééne daad van u het mij herinnerde dat gij tot mij waart nedergedaald. Ottelijne, het ware voor altijd gedaan met ons beider geluk.” (blz. 19)

Aernoud hecht zeer aan zijn geloof, zijn trouw aan de Moederkerk gaat hem voor alles. Hij geeft er zelfs zijn verloofde en zijn familie voor op. Als hij hoort dat Ottelijne protestant is geworden, vraagt hij haar het protestantisme te verwerpen en weer katholiek te worden. “Nu dan, Ottelijne! in den naam van uwer ziele zaligheid, vraag ik u, of gij wilt afstand doen van uwe dolingen, bekennende, dat ze verfoeielijk waren, en vromelijk belijdende, dat ge verstrikt waart, en verleid, en met berouw en ootmoed wederkeeren zult tot de Kerk, opdat na uw boete uwe ziele behouden blijve! Wilt gij dat, Ottelijne! wilt gij?” (blz. 108-109)

Wanneer Ottelijne dit echter weigert verbreekt hij hun verloving. “Gij hebt beslist (...) Zoo neem dan dat! Voortaan geen band meer tusschen u en mij. Wees gevloekt!” (blz. 109)

Hoewel hij niets meer met Ottelijne te maken wil hebben, redt hij haar weer wel van te voren als hij van plan is als inquisiteur binnen te vallen bij een bijeenkomst van lutheranen in Woerden.

Ook wil hij niet meer bij zijn moeder thuis komen, als zij zegt het geloof van anderen te respecteren en hem vraagt naar Ottelijne terug te gaan. “(...) zoo ge kettersche gevoelens voorstaat in uw huis, of toelaat dat anderen die voorstaan, ware die andere ook Johanna zelve, dan in Gods naam! vaarwel! moeder! ik kom niet meer over uwen dorpel” (blz. 157). Hier krijgt hij echter later spijt van en hij besluit dan ook zijn moeder voor zijn bitsheid vergiffenis te vragen. Als Aernoud in Utrecht aankomt, ligt zijn moeder echter op sterven en blijkt ze bekeerd te zijn tot het protestantisme. Dit neemt hij zijn familie en Paul zeer kwalijk. Hij probeert zijn moeder over te halen een priester te nemen, maar dit weigert ze echter. In het conflict dat dan ontstaat verwondt Aernoud zijn broer Hugo. Iedereen meent dat Hugo dodelijk getroffen is en weduwe Bakelsze vervloekt, voor ze sterft, haar zoon.

Aernoud vlucht weg en leeft voor in een stille, doffe wanhoop: hij is door zijn moeder vervloekt, hij heeft de ziel van zijn moeder niet kunnen redden en hij heeft een broedermoord gepleegd.





Philips van Bourgondië

Hoewel Philips van Bourgondië de bisschop van Utrecht is, is hij niet geheel afkerig van het lutheranisme.

‘Ook Rome had hij gezien; en een onbevooroordeeld oog, dat zien wilde, moest zich ergeren over Rome, en Philips heeft zijn hard, maar billijk oordeel over de Christenstad niet verbloemd. Geen wonder dus, dat het waarheid kan zijn, wat Heda van hem getuigt, dat hij niet zeer ingenomen was met den Godsdienst een eene kleine achting had voor de geestelijken. Ieder, die toenmaals Rome kende, zooals hij, moest vrijgeest worden of Lutheraan. Philips heeft misschien tusschen die beide geweifeld. Over den geestelijken stand en deszelfs plichten ten minste heeft hij denkbeelden in het hoofd gehad, die niet voegden onder de mijtermuts van eenen Roomsch-Katholieken bisschop.’ (blz. 116) en ”(...) het is zoveel schade niet, dat Utrechtenaars ook eens hooren, wat men in Duitschland denkt, en de monniken en Geestelijken zullen wat beter toezien op zich zelve als ze weten, dat het volk de oogen opent.” (blz. 126). Hij is dan ook zeer tegen de vervolging van de hervormden.

Philips koestert een grote belangstelling voor Paul, mede doordat hij familie is. ‘Toen wist Philips, dat er geen zoen te treffen zou zijn, en hij beschouwde den jongen neef als overgelaten aan hem alleen.’ (blz. 250)

Wanneer Philips Paul gevangen heeft genomen, mag hij weliswaar geen contact hebben met de buitenwereld, maar Philips zorgt er wel voor dat hij alles kan lezen wat Luther schrijft. In tegenstelling tot zijn verdraagzaamheid ten opzichte van het lutheranisme, probeert hij Paul toch te bekeren tot het Katholicisme, wat hem echter niet lukt. ”Maar laat varen dien zottelijken ijver voor het Lutherdom, dat wel zijn beslag zal krijgen naar ’s Hemels beste bestiering, zonderdat ongeroepenen er zich mede moeien. Laat gansch varen uwe voormalige dweperijen, en wordt een vroed Edelman, een Ridder, een goede zoon. Wilt gij?” (blz. 204).





Boudewijn van Heerdte

Boudewijn van Heerdte is de vicaris van de Bisschop van Utrecht. Hij is een overtuigd en rechtzinnig katholiek, ondanks dat hij met Erasmus en Melanchton was bevriend en ook een aantal dingen in Luther waardeerde. Als vicaris en beschermer van Paul voelt hij zich verplicht om deze en Ottelijne met kracht van argumenten te bekeren, mede ook omdat hij degene was die Paul naar Lauernesse heeft gebracht. Met de vervolging van de lutheranen doet hij echter niet mee, hij beschermt Paul en Ottelijne juist tegen de Inquisitie.

De vicaris neemt geen deel aan de wantoestanden binnen de Roomse kerk en vindt dat er in de Kerk hervorming plaats moet vinden om weer terug te keren naar het oorspronkelijke, pure katholicisme. In hoofdstuk I In de Landsvrouw Maria wordt dit al snel duidelijk als hij de dobbelende en drinkende Capucijnen op hun fouten wijst: ”Gijlieden zoudt werkelijk wèl doen, een kleed af te leggen, dat gij zo weinig eert.” (blz. 7).





Weduwe Bakelsze

Weduwe Bakelsze is de moeder van Aernoud, Johanna, Hugo en Aafke. Ze is een degelijke, maar niet ontwikkelde huisvrouw. Ze bekeert zich alleen tot het lutheranisme om de huiselijke vrede te bewaren (‘voorstandster van orde en vrede’ (blz. 184)) en stelt alles in het werk om Aernoud over te halen om het nieuwe geloof van zijn familie te verdragen. Bij haar sterfbed leidt dit echter tot een drama als ze weigert dat Aernoud een priester gaat halen. Aernoud wordt woest en er ontstaat een conflict. Weduwe Bakelsze sterft ongelukkig en in de waan dat Aernoud broedermoord heeft gepleegd op Hugo.





Jan van Woerden

Jan van Woerden (oftewel Johannes Pistorius) is een Priester, die lijdt onder het celibaat de Priesterschap, omdat dit betekent dat hij niet mag trouwen. Paul overtuigt hem er echter van, dat in de Bijbel zelf geschreven staat dat “een bisschop moet onbestrafbaar zijn, ééner vrouwen man!”(blz. 160). Dit betekent dat de geestelijke wel degelijk mag trouwen en dit doet hij dan ook: hij trouwt met Johanna Bakelsze.

Jan van Woerden is trouw en onwrikbaar van overtuiging en komt openlijk voor deze overtuiging uit: ‘want hij is het, die hier het eerst de groote zaak der Hervorming zich heeft aangetrokken, met eenen moed en geestdrift (...)’ (blz. 158). Hij is de eerste martelaar van de hervorming en gaat onbevreesd de dood tegemoet.





Busscher

Busscher is de hageprediker die Jan van Woerden en Johanna Bakelsze trouwt. Ook houdt hij in hoofdstuk XXIX Eene Hagepreek een felle preek tegen het katholicisme, waarmee hij gewapende tegenstand probeert op te wekken. Busscher is een ijveraar, hij is fel en onverzoenlijk tegenover het katholicisme. Hij breekt Rome af door al haar fouten naar voren te brengen, maar predikt weinig over het lutheranisme zelf: ‘ook sprak hij meer tegen sommige instellingen der Pauselijke Kerk, dan vóór het groote beginsel van het zuivere Evangelie; meer van afschuw tegen geloofsvijanden, dan van liefde jegens geloofsbroeders, meer van strijd, dan van vrede; meer van opstand tegen kerkelijke dwang, dan van berusting in ’s Hemels raadsbesluit; meer tegen de misbruiken van “het Papendom,” zooals hij het noemde, dan tegen de gebreken en ondeugden, die toen reeds inslopen in de nieuwe Evangelische gemeente!’ (blz.398). Hij gebruikt dus niet, net als Paul, zachte woorden en woorden van verdraagzaamheid, maar harde woorden om het katholicisme af te kraken. Toch ziet de schrijfster hier ook wel het nut van in. Zij meent dat door deze manier van spreken de kudde wordt afgebakend, later volgt de opbouw van het nieuwe geloof: ‘en het was goed, dat hij zoo sprak: men was nog in de dagen van het afbreken en de opbouw zou later volgen; zoolang de kudde niet goed was afgezonderd, kon men nog zoo weinig doen voor hare reiniging.’ (blz. 398).





Donna Teresia

Donna Teresia is een nicht van Ottelijne van Lauernesse en is het hoofd van de huishouding op het Huis Lauernesse. Donna Teresia is een Spaanse en een vurig katholieke. In Donna Teresia heeft A.L.G. Bosboom-Toussaint het verval van het katholieke geloof aan willen tonen.

Donna Teresia was de verpersoonlijking van de gierigheid: ‘gierigheid, die niet alleen spaart voor zich zelve, maar wie ook de gulle onbekrompenheid van anderen ergert, en die zelf in andren niet duldt wat zij verkwisting noemt’ (blz. 50). Ze is zo hebzuchtig dat ze de bezittingen van Ottelijne wil afnemen en dat ze na de verwoesting van het Huis Lauernesse probeert te vluchten met allerlei kostbaarheden. Dit komt haar echter duur te staan: ze wordt door de Gelderse plunderaars doodgefolterd.

Hiernaast was ze erg dweepzuchtig en haatte gasten en ketters. En een ketter was iedereen die Maria niet méér eer toebracht dat Jezus, en iedereen die twijfelde aan de echtheid van één van de tanden van de Heilige Teresia, die zij in haar bezit had. Dit toont weer hoe fanatiek ze was in haar geloof.





Johanna Bakelsze

Johanna Bakelsze is vol dweepzucht voor de hervormde leer nadat ze door de roomse, Antwerpse koopman Machielsen werd bedrogen. Hierna haatte ze alles wat rooms was, mede omdat ze geen troost kon vinden in het katholicisme, en werd ze makkelijk bekeerd tot het lutheranisme door Jan van Woerden. Johanna wil met Jan van Woerden trouwen om haar geloof te tonen, maar net voor haar huwelijk komt ze erachter dat ze hem ook als man liefheeft: “O, God! O, God! diep gevallene die ik ben, ik weet nù, dat ik hem liefheb met hartstocht, met onzinnigheid, met geringachting van wat niet hij is, met de zinnelijkheid der vrouw.” (blz. 262). Door deze gedachte wordt ze radeloos, omdat ze meent dat deze gedachte zondig is en dat ze de priester afneemt van God om hem voor zichzelf te houden. Door deze dweperij wordt ze waanzinnig. Ottelijne kan haar echter overtuigen dat haar gedachten menselijk zijn en dat ze op deze manier haar geloof niet afvalt.

Johanna wordt gesterkt door haar nieuwe geloof. Als ze Machielsen tegenkomt bij het Avondmaal te Woerden, heeft ze eindelijk de kracht hem te vergeven. Ook tijdens de executie van Jan van Woerden is ze sterk en durft ze te tonen dat ze de martelaar in hem liefheeft. Na de dood van Jan van Woerden wil zij ook sterven als martelares: “O Heere God! hoe mij de dood nu welkom zou zijn, alleen geef mij te sterven als deze!” (blz. 388). Na deze uitroep wordt Johanna in de boeien geslagen en naar de kerker geleid.





Literaire aspecten



Vertelperspectief



Het Huis Lauernesse is geschreven volgens het perspectief van de alwetende verteller (auctoriaal perspectief). Deze verteller is A.L.G. Bosboom-Toussaint zelf. Zij kan van alle personen vertellen wat zij zeggen én denken en staat boven het verhaal.

Zij kan in het verleden kijken en creëert hierdoor flashbacks. Wanneer Ottelijne, na haar schijnbegrafenis, bij de vicaris terechtkomt, vindt ze hier ook Paul. In plaats van dat haar door de vicaris of door Paul wordt verteld hoe hij hier terechtgekomen is, mengt de schrijfster zich in het verhaal: ‘En nu wij Ottelijne veilig weten onder de hoede van twee geestelijke herders, moeten wij even terugzien op de wijze, hoe Paul zich met Vader Boudewijn had samengetroffen. – (...)’ (blz. 361). Vervolgens wordt in de rest van het hoofdstuk het voorafgaande verteld.

Ook geeft de schrijfster extra informatie over de situatie in Holland. Een goed voorbeeld is hoofdstuk XVIII Een hoofdstuk dat ook wel overgeslagen kan worden, wat in zijn geheel een uitwijding is over de godsdienstige situatie in Holland ten tijde van de Pausen Leo X tot en met Clemens VII.

Ook geeft ze uitgebreide beschrijvingen over de personen die geïntroduceerd worden, bijv over Paul (blz. 2),

Donna Teresia (‘Wij kunnen echter niet voortgaan, zonder eerst goed te weten, wie Donna Teresia is. (...)’ (blz. 48-50)) en Aafke (een uitgebreide omschrijving van haar uiterlijk (blz. 144-145).

Ten slotte geeft ze ook commentaar op haar verhaal (‘Het is een lange dag geweest, dien ik mijn lezers met mij heb doen doorworstelen; maar het was noodig, hun ten minste éénen dag te beschrijven van het groote tijdperk, dat ik voor hen ontsluiten moest, en waarin ik hen verder zal rondleiden. Later zal ik over jaren kunnen heenspringen; ditmaal moet ik de minuten tellen, en ook zelfs geene seconden sparen. (blz. 85)) en een eigen mening bij bepaalde gebeurtenissen.

Bij het lezen van Het Huis Lauernesse moet men wel in het achterhoofd houden dat A.L.G. Bosboom-Toussaint zelf een hervormde was. Zij heeft het boek geschreven vanuit haar eigen overtuiging: zo worden de hervormden over het algemeen in een gunstig en de katholieken in een ongunstig daglicht gesteld. Het lutheranisme wordt zeer geïdealiseerd. Toch was ze ook niet onverdraagzaam ten opzichte van het katholicisme:‘ik wenschte, dat wij, Hervormden als we ons noemen, rechtvaardiger waren voor de Roomsch-Katholieken, zoo vaak er van hervorming sprake is; men veroordeelt ze te veel; men beklaagt ze niet genoeg; men ziet niet met genoeg medelijden op hunne kwelling; men eert niet genoeg hunne overtuiging; men denkt zich niet ernstig genoeg in, in hun lijden; men onthoudt ze niet slechts de gloriekroon van het martelaarschap, maar, in plaats daarvan, drukt men ze de narrenkap der bespotting op den schedel; dat moet anders worden, zoo waarachtig de liefde het kort begrip is van geheel het Evangelie.’ (blz. 417-418).





Ruimte



Het Huis Lauernesse speelt zich af in verschillende steden in Holland. Deze steden zijn soms ook historisch bepaald. In sommige steden was de vervolging sterker dan in andere steden: dit bepaalt waar de hoofdpersonen naartoe vluchten als zij in gevaar zijn.

Utrecht is voor het verhaal de belangrijkste stad. Het huis Lauernesse staat er in de buurt, Weduwe Bakelsze woont er, Aernoud komt er vandaan en hier bevinden zich het paleis van bisschop Philip van Bourgondië en het kasteel Vreeland.

Andere steden die in het verhaal een (belangrijke) rol spelen zijn Amsterdam, Dordrecht en Woerden.





Tijd



Het Huis Lauernesse speelt zich af in de 16e eeuw, om precies te zijn van 1521 tot 1525. Dit zijn de eerste jaren van de Hervorming in Holland. De jaartallen kloppen dus met de werkelijkheid.

Het eerste deel van het boek (hoofdstuk I t/m XIV) beslaat slechts één jaar, het jaar 1521, waarbinnen de hoofdstukken I t/m VI zelfs maar één dag beslaan. De schrijfster verantwoordt dit: ‘het was noodig, hun ten minste éénen dag volledig te beschrijven van het groote tijdperk, dat ik voor hen ontsluiten moest, en waarin ik hen verder zal rondleiden. (blz. 85). Het eerste gedeelte van het boek beschrijft dus een vrij korte tijd, om de ontwikkeling van de hervorming duidelijk te kunnen uiteenzetten.

Het tweede deel van het boek (hoofdstuk XV t/m XXX) beslaat enkele jaren, het eind van 1521 t/m september 1525. Hierin worden dus grotere tijdsprongen gemaakt dan in het eerste gedeelte. Dit tweede gedeelte beschrijft de strijd tussen de hervormers en de katholieken (inquisitie) en hierbij zijn slechts enkele gebeurtenissen in deze jaren interessant. Grotere stukken tijd kunnen overgeslagen worden omdat ze niet van belang zijn voor het verhaal.

Het verhaal is op zich chronologisch verteld, maar er komen wel veel flashbacks in voor.

Een voorbeeld van een flashback vindt men in hoofdstuk XVI Mismoedigheid. Ottelijne komt bij bisschop Philips van Bourgondië smeken om bescherming voor Paul. De bisschop stelt haar gerust dat het Paul goed gaat.

Als lezer weet men echter nog niet dat Paul gevangen is genomen en in het paleis van de bisschop vastzit.

Met de zin ‘Het zal noodig worden te zeggen, door welken samenloop van omstandigheden wij hem in dezen veranderden toestand voor ons zien.’ (blz. 197) leidt de schrijfster een flashback in, waarin wordt verteld dat Paul door de bisschop en vicaris Boudewijn bij toeval was gevonden in Woerden, waar Paul Hugo naartoe had gebracht na het drama bij het sterfbed van weduwe Bakelsze.

Na deze flashback, die een aantal bladzijden in beslag neemt, gaat het verhaal weer verder.

Een kortere flashback vinden we in hoofdstuk XIV Een sterfbed in 1521. Paul zegt tegen de arts, die een priester wil laten komen, dat de priesterlijke wijding van Rome niet vereist is om een stervende de laatste troost te brengen. Als lezer zou je je hierover kunnen verbazen; volgens wat er verteld is weet men immers niet beter of Weduwe Bakelsze is katholiek. De zin ‘En Paul had recht gezegd: bij dit sterfbed zoude een gewijd Priester van Rome misplaatst zijn geweest want de stervende was geen Roomschgezinde meer.’ (blz. 176) leidt echter een flashback van één bladzijde in, waarin wordt verteld dat weduwe Bakelsze, toen haar gezondheid achteruit ging, werd bekeerd tot het lutheranisme.

Door deze flashbacks wordt een verrassende, onverwachte situatie uitgelegd. De nieuwsgierigheid van de lezer wordt bevredigd: ‘Hoe komt het dat Paul in gevangenschap zit bij de bisschop?’ en ‘Waarom heeft Weduwe Bakelsze geen priester nodig aan haar sterfbed?’.





Personages



Paul van Mansfeld

Paul is de zoon van Karel van Gelder en Maria, de bastaarddochter van bisschop Philips van Bourgondië. Bertmann, een trouwe dienaar van Karel, ontschaakt Paul aan zijn moeder. Paul wordt opgevoed aan het hof van de graaf van Mansveld, zonder dat hij weet wie zijn echte ouders zijn.

In de tijd dat hij in Wittenberg studeert komt hij in aanraking met Luther. Door hem, maar vooral ook door de woorden van Melanchton, besluit Paul in Holland de hervorming te gaan prediken.

Ondertussen heeft Paul van Bertmann gehoord dat hij het geheim van Pauls afkomst in doodsnood ooit eens heeft toevertrouwd aan Busscher. Paul zou, op zijn reis naar Holland, Busscher in Embden ontmoeten. De rest van het verhaal is in de samenvatting beschreven. Paul wordt in de herberg ‘In de Landsvrouwe Maria’ door de vicaris ontdekt en meegenomen naar Lauernesse.

Naast Ottelijne is ook Paul één van de hoofdpersonen met een round character. Men vindt vele tegenstellingen in zijn karakter.

Aan de ene kant heeft hij de onwrikbare overtuiging dat het lutheranisme het juiste geloof is en is hij vol geloofsijver. Dit blijkt wel tijdens zijn prediking op het huwelijksfeest van Ottelijne en Aernoud: ”Want zoo ik Saksen als mijn Vaderland heb aangenomen; zoo Mansveld mijne jeugd kweekte en steunde, is Wittenberg mij ten fakkel geworden, die lichten zal over mijn pad: dààr is mij de mijn gewezen, waaruit ik heb opgedolven eenen schat van onverliesbaar goed; daar is geopend de fontein van heil, waar uit ik gedronken heb, niet alleen voor mij zelven, maar ook voor u en voor allen, die begeerig zijn naar den drank des levens, en die dorsten naar ’t Woord, dat zalig maakt.” (blz. 63-64). Ook is hij overtuigd van de fouten van het katholicisme, namelijk de aflatenhandel, het feit dat Maria meer aanbeden wordt dan God en het feit dat niet iedereen de Bijbel mag lezen en niet zélf het Woord van God mag onderzoeken: ”De kennis mag niet meer zijn de schat van enkelen, opdat zij haar begraven en behouden alleen voor zich, maar het Woord behoort allen, en de Schrift behoort allen, en de kennis behoort allen, en het hooge zal vernederd worden, en het lage en het kleine zal hoog staan in het Koninkrijk Gods!” (blz. 68-69).

Toch is hij verdraagzaam t.o.v. andere geloven, en is hij niet zo roekeloos als Jan van Woerden (Johannes Pistorius) of zo verbitterd als Johan Busscher. Deze somt in zijn felle hagepreek alle fouten van het katholicisme op om het katholicisme de grond in te boren. Paul is het hiermee niet eens. Hij wil niet alleen de fouten van het katholicisme tonen, maar vooral de positieve kanten van het lutheranisme: ”(...) van zachtmoedigheid wil ik spreken en van liefde; met eens anderen onreinheid te smaden, wordt het eigen hart niet gereinigd (...)” (blz. 405). Bovendien overtuigen zijn zachte, milde woorden meer dan de woorden van anderen, die dreigen en straffen.

Een tweede tegenstelling is zijn mannelijke kracht tegenover zijn vrouwelijke zachtheid. Paul put kracht uit zijn geloofsijver en is hiermee in staat om anderen te overtuigen van zijn ideeën. Aan de andere kant is hij mild en zacht, wat ook blijkt uit de beschrijving waarmee A.L.G. Bosboom-Toussaint Paul introduceert: ‘zijne lieflijke trekken, bevallig en zacht, tot vrouwelijke weekheid toe’, ‘Er schitterden tranen in zijn zachtblauw oog’, ‘Bleek was zijne gelaatstint en toch kleurde eene zachte verrukking die wangen met een flauw blosje’ en ‘teêre gestalte’ (blz. 2).

Ten derde heeft Paul een conflict tussen zijn liefde voor het geloof en zijn ouderliefde. Hoewel zijn liefde voor het nieuwe geloof zeer sterk is, geeft Paul bijna zijn nieuwe geloof op als hij denkt in de Bisschop Philips zijn verloren vader gevonden te hebben: ”Wat gebiedt mij mijn vader? Het gebod des vaders moet hier de stem van God zijn, die ik gehoorzamen zal.”. Als hij hoort dat de Bisschop zijn vader niet is, is hij in eerste instantie zeer teleurgesteld, maar dan herleeft de Hervormer in hem en is hij nog vaster overtuigd van zijn nieuwe geloof.



Ottelijne

Ottelijne is de laatste telg van de adellijke familie Lauernesse en heeft op jonge leeftijd haar ouders verloren. Op de dag dat ze meerderjarig wordt moet ze een echtgenoot kiezen, maar, tot grote verbazing en ergernis van de adellijke kandidaten, kiest ze niet één van hen, maar een burger, de hopman Aernoud.

Als Ottelijne Paul hoort prediken bekeert ze zich, mede door haar humanistische opvoeding, tot het lutherse. Eenmaal hervormde offert zij alles op voor deze overtuiging en hoopt ook Aernoud over te halen tot het lutherse. Mocht dit niet lukken, dan wil ze minstens begrip krijgen voor haar geloof.

Ottelijne is een round character, ze heeft een gecompliceerd karakter. Ze is enerzijds overtuigd lutheraan, maar ook verdraagzaam tegenover andersdenkenden: zo houdt ze de streng katholieke Donna Teresia in dienst als hoofd van de huishouding. Bovendien wil ze, gedreven door haar liefde voor Aernoud, haar aanstaande echtgenoot, ondanks zijn katholicisme, niet verliezen: ‘Hoe blijde eene bruid zoude zij geweest zijn, zoo de broeder van deze vrouw aan hare zijde had gezeten, zij getooid met een mirtenkroon des huwelijks; hoe weinig zoude zij gehuiverd hebben tegen die vereeniging, die aan deze andere zulk eenen smartelijken kamp scheen te kosten en zulk een moeielijk besluit!’ (blz. 258). Aernoud wil Ottelijnes smeekbede echter niet horen en gaat ervandoor. Als Ottelijne later hoort dat Aernoud inquisiteur is en het lutheranisme uit wil roeien, wijst ze hem past écht af. ‘Niet sneller scheidt een musketschot de duif van haren tortel, dan Ottelijne zich na dit woord losrukte van Bakelsze en met schuwen schrik terugweek tot op den achtergrond van het vertrek; van dáár staarde ze op hem met diepe, koele minachting, zonder een enkel woord te spreken.’ (blz. 306). Als Aernoud stervende is steunt Ottelijne hem echter weer in zijn laatste uren en bidt voor hem.

Een tweede tegenstelling is haar zwakheid tegenover haar kracht. Aan de ene kant is Ottelijne de zwakke vrouw: ‘de zachte duive’(blz. 37) en ‘Zij, daarentegen, was geheel de vrouwelijke vrouw; de buigzame, teedere, die men doodt men eenen blik; die hare laatste levensvonk wil geven voor eenen glimlach; die liever offer wil zijn dan godin; (blz. 38). Aan de andere kant is ze sterk: ‘Er lag een heldere bewustheid van eigen kracht, en een heilige overtuiging van de trouw harer ziel, in de reine kalmte, waarmede zij hem bleef aanzien.’ (blz. 19) en ‘ook kalme fierheid op haar voorhoofd; maar het was de vastheid der onwankelbare trouw en de fierheid harer zelfbewuste vrouwenwaarde. (blz. 38) en offert ze alles op voor haar nieuwe geloof.



Aernoud Bakelsze

Aernoud is een rijke burgerzoon. Hij studeerde in Leuven en verkeerde daar onder de zonen van de adel. Die beschouwden hem echter niet als hun gelijke. Er groeide in hem een ontembare eerzucht om zichzelf tot hun gelijke te maken. Hij is dan ook zeer trots als hij zich heeft opgewerkt tot Keizerlijk Hopman: “(...) gij ziet eenen Keizerlijk-Grafelijken Hopman vóór u.” (blz. 18)

Ook is hij trots als Ottelijne hem, een gewone burger, als bruidegom boven de edelen verkiest: “(...) en men zal zien, of een Keizerlijk Hopman en een burger van Utrecht het hoofd durft opheffen onder den Adel, en of hij hen achting zal weten af te dwingen; want nu ben ik krachtig en sterk, in de keuze van mijne Jonkvrouw”. (blz. 22)

Toch heeft Aernoud wel geaarzeld om met Ottelijne te trouwen. Hij houdt van haar, maar is bang dat zij zich verlaagt door met hem te trouwen. “Ik ben stroef, ernstig, somber, nadenkend: ik weeg blikken, ik tel woorden! en zie, zoo één blik, één woord, ééne daad van u het mij herinnerde dat gij tot mij waart nedergedaald. Ottelijne, het ware voor altijd gedaan met ons beider geluk.” (blz. 19)

Aernoud hecht zeer aan zijn geloof, zijn trouw aan de Moederkerk gaat hem voor alles. Hij geeft er zelfs zijn verloofde en zijn familie voor op. Als hij hoort dat Ottelijne protestant is geworden, vraagt hij haar het protestantisme te verwerpen en weer katholiek te worden. “Nu dan, Ottelijne! in den naam van uwer ziele zaligheid, vraag ik u, of gij wilt afstand doen van uwe dolingen, bekennende, dat ze verfoeielijk waren, en vromelijk belijdende, dat ge verstrikt waart, en verleid, en met berouw en ootmoed wederkeeren zult tot de Kerk, opdat na uw boete uwe ziele behouden blijve! Wilt gij dat, Ottelijne! wilt gij?” (blz. 108-109)

Wanneer Ottelijne dit echter weigert verbreekt hij hun verloving. “Gij hebt beslist (...) Zoo neem dan dat! Voortaan geen band meer tusschen u en mij. Wees gevloekt!” (blz. 109)

Hoewel hij niets meer met Ottelijne te maken wil hebben, redt hij haar weer wel van te voren als hij van plan is als inquisiteur binnen te vallen bij een bijeenkomst van lutheranen in Woerden.

Ook wil hij niet meer bij zijn moeder thuis komen, als zij zegt het geloof van anderen te respecteren en hem vraagt naar Ottelijne terug te gaan. “(...) zoo ge kettersche gevoelens voorstaat in uw huis, of toelaat dat anderen die voorstaan, ware die andere ook Johanna zelve, dan in Gods naam! vaarwel! moeder! ik kom niet meer over uwen dorpel” (blz. 157). Hier krijgt hij echter later spijt van en hij besluit dan ook zijn moeder voor zijn bitsheid vergiffenis te vragen. Als Aernoud in Utrecht aankomt, ligt zijn moeder echter op sterven en blijkt ze bekeerd te zijn tot het protestantisme. Dit neemt hij zijn familie en Paul zeer kwalijk. Hij probeert zijn moeder over te halen een priester te nemen, maar dit weigert ze echter. In het conflict dat dan ontstaat verwondt Aernoud zijn broer Hugo. Iedereen meent dat Hugo dodelijk getroffen is en weduwe Bakelsze vervloekt, voor ze sterft, haar zoon.

Aernoud vlucht weg en leeft voor in een stille, doffe wanhoop: hij is door zijn moeder vervloekt, hij heeft de ziel van zijn moeder niet kunnen redden en hij heeft een broedermoord gepleegd.



Philips van Bourgondië

Hoewel Philips van Bourgondië de bisschop van Utrecht is, is hij niet geheel afkerig van het lutheranisme.

‘Ook Rome had hij gezien; en een onbevooroordeeld oog, dat zien wilde, moest zich ergeren over Rome, en Philips heeft zijn hard, maar billijk oordeel over de Christenstad niet verbloemd. Geen wonder dus, dat het waarheid kan zijn, wat Heda van hem getuigt, dat hij niet zeer ingenomen was met den Godsdienst een eene kleine achting had voor de geestelijken. Ieder, die toenmaals Rome kende, zooals hij, moest vrijgeest worden of Lutheraan. Philips heeft misschien tusschen die beide geweifeld. Over den geestelijken stand en deszelfs plichten ten minste heeft hij denkbeelden in het hoofd gehad, die niet voegden onder de mijtermuts van eenen Roomsch-Katholieken bisschop.’ (blz. 116) en ”(...) het is zoveel schade niet, dat Utrechtenaars ook eens hooren, wat men in Duitschland denkt, en de monniken en Geestelijken zullen wat beter toezien op zich zelve als ze weten, dat het volk de oogen opent.” (blz. 126). Hij is dan ook zeer tegen de vervolging van de hervormden.

Philips koestert een grote belangstelling voor Paul, mede doordat hij familie is. ‘Toen wist Philips, dat er geen zoen te treffen zou zijn, en hij beschouwde den jongen neef als overgelaten aan hem alleen.’ (blz. 250)

Wanneer Philips Paul gevangen heeft genomen, mag hij weliswaar geen contact hebben met de buitenwereld, maar Philips zorgt er wel voor dat hij alles kan lezen wat Luther schrijft. In tegenstelling tot zijn verdraagzaamheid ten opzichte van het lutheranisme, probeert hij Paul toch te bekeren tot het Katholicisme, wat hem echter niet lukt. ”Maar laat varen dien zottelijken ijver voor het Lutherdom, dat wel zijn beslag zal krijgen naar ’s Hemels beste bestiering, zonderdat ongeroepenen er zich mede moeien. Laat gansch varen uwe voormalige dweperijen, en wordt een vroed Edelman, een Ridder, een goede zoon. Wilt gij?” (blz. 204).



Boudewijn van Heerdte

Boudewijn van Heerdte is de vicaris van de Bisschop van Utrecht. Hij is een overtuigd en rechtzinnig katholiek, ondanks dat hij met Erasmus en Melanchton was bevriend en ook een aantal dingen in Luther waardeerde. Als vicaris en beschermer van Paul voelt hij zich verplicht om deze en Ottelijne met kracht van argumenten te bekeren, mede ook omdat hij degene was die Paul naar Lauernesse heeft gebracht. Met de vervolging van de lutheranen doet hij echter niet mee, hij beschermt Paul en Ottelijne juist tegen de Inquisitie.

De vicaris neemt geen deel aan de wantoestanden binnen de Roomse kerk en vindt dat er in de Kerk hervorming plaats moet vinden om weer terug te keren naar het oorspronkelijke, pure katholicisme. In hoofdstuk I In de Landsvrouw Maria wordt dit al snel duidelijk als hij de dobbelende en drinkende Capucijnen op hun fouten wijst: ”Gijlieden zoudt werkelijk wèl doen, een kleed af te leggen, dat gij zo weinig eert.” (blz. 7).



Weduwe Bakelsze

Weduwe Bakelsze is de moeder van Aernoud, Johanna, Hugo en Aafke. Ze is een degelijke, maar niet ontwikkelde huisvrouw. Ze bekeert zich alleen tot het lutheranisme om de huiselijke vrede te bewaren (‘voorstandster van orde en vrede’ (blz. 184)) en stelt alles in het werk om Aernoud over te halen om het nieuwe geloof van zijn familie te verdragen. Bij haar sterfbed leidt dit echter tot een drama als ze weigert dat Aernoud een priester gaat halen. Aernoud wordt woest en er ontstaat een conflict. Weduwe Bakelsze sterft ongelukkig en in de waan dat Aernoud broedermoord heeft gepleegd op Hugo.



Jan van Woerden

Jan van Woerden (oftewel Johannes Pistorius) is een Priester, die lijdt onder het celibaat de Priesterschap, omdat dit betekent dat hij niet mag trouwen. Paul overtuigt hem er echter van, dat in de Bijbel zelf geschreven staat dat “een bisschop moet onbestrafbaar zijn, ééner vrouwen man!”(blz. 160). Dit betekent dat de geestelijke wel degelijk mag trouwen en dit doet hij dan ook: hij trouwt met Johanna Bakelsze.

Jan van Woerden is trouw en onwrikbaar van overtuiging en komt openlijk voor deze overtuiging uit: ‘want hij is het, die hier het eerst de groote zaak der Hervorming zich heeft aangetrokken, met eenen moed en geestdrift (...)’ (blz. 158). Hij is de eerste martelaar van de hervorming en gaat onbevreesd de dood tegemoet.



Busscher

Busscher is de hageprediker die Jan van Woerden en Johanna Bakelsze trouwt. Ook houdt hij in hoofdstuk XXIX Eene Hagepreek een felle preek tegen het katholicisme, waarmee hij gewapende tegenstand probeert op te wekken. Busscher is een ijveraar, hij is fel en onverzoenlijk tegenover het katholicisme. Hij breekt Rome af door al haar fouten naar voren te brengen, maar predikt weinig over het lutheranisme zelf: ‘ook sprak hij meer tegen sommige instellingen der Pauselijke Kerk, dan vóór het groote beginsel van het zuivere Evangelie; meer van afschuw tegen geloofsvijanden, dan van liefde jegens geloofsbroeders, meer van strijd, dan van vrede; meer van opstand tegen kerkelijke dwang, dan van berusting in ’s Hemels raadsbesluit; meer tegen de misbruiken van “het Papendom,” zooals hij het noemde, dan tegen de gebreken en ondeugden, die toen reeds inslopen in de nieuwe Evangelische gemeente!’ (blz.398). Hij gebruikt dus niet, net als Paul, zachte woorden en woorden van verdraagzaamheid, maar harde woorden om het katholicisme af te kraken. Toch ziet de schrijfster hier ook wel het nut van in. Zij meent dat door deze manier van spreken de kudde wordt afgebakend, later volgt de opbouw van het nieuwe geloof: ‘en het was goed, dat hij zoo sprak: men was nog in de dagen van het afbreken en de opbouw zou later volgen; zoolang de kudde niet goed was afgezonderd, kon men nog zoo weinig doen voor hare reiniging.’ (blz. 398).



Donna Teresia

Donna Teresia is een nicht van Ottelijne van Lauernesse en is het hoofd van de huishouding op het Huis Lauernesse. Donna Teresia is een Spaanse en een vurig katholieke. In Donna Teresia heeft A.L.G. Bosboom-Toussaint het verval van het katholieke geloof aan willen tonen.

Donna Teresia was de verpersoonlijking van de gierigheid: ‘gierigheid, die niet alleen spaart voor zich zelve, maar wie ook de gulle onbekrompenheid van anderen ergert, en die zelf in andren niet duldt wat zij verkwisting noemt’ (blz. 50). Ze is zo hebzuchtig dat ze de bezittingen van Ottelijne wil afnemen en dat ze na de verwoesting van het Huis Lauernesse probeert te vluchten met allerlei kostbaarheden. Dit komt haar echter duur te staan: ze wordt door de Gelderse plunderaars doodgefolterd.

Hiernaast was ze erg dweepzuchtig en haatte gasten en ketters. En een ketter was iedereen die Maria niet méér eer toebracht dat Jezus, en iedereen die twijfelde aan de echtheid van één van de tanden van de Heilige Teresia, die zij in haar bezit had. Dit toont weer hoe fanatiek ze was in haar geloof.



Johanna Bakelsze

Johanna Bakelsze is vol dweepzucht voor de hervormde leer nadat ze door de roomse, Antwerpse koopman Machielsen werd bedrogen. Hierna haatte ze alles wat rooms was, mede omdat ze geen troost kon vinden in het katholicisme, en werd ze makkelijk bekeerd tot het lutheranisme door Jan van Woerden. Johanna wil met Jan van Woerden trouwen om haar geloof te tonen, maar net voor haar huwelijk komt ze erachter dat ze hem ook als man liefheeft: “O, God! O, God! diep gevallene die ik ben, ik weet nù, dat ik hem liefheb met hartstocht, met onzinnigheid, met geringachting van wat niet hij is, met de zinnelijkheid der vrouw.” (blz. 262). Door deze gedachte wordt ze radeloos, omdat ze meent dat deze gedachte zondig is en dat ze de priester afneemt van God om hem voor zichzelf te houden. Door deze dweperij wordt ze waanzinnig. Ottelijne kan haar echter overtuigen dat haar gedachten menselijk zijn en dat ze op deze manier haar geloof niet afvalt.

Johanna wordt gesterkt door haar nieuwe geloof. Als ze Machielsen tegenkomt bij het Avondmaal te Woerden, heeft ze eindelijk de kracht hem te vergeven. Ook tijdens de executie van Jan van Woerden is ze sterk en durft ze te tonen dat ze de martelaar in hem liefheeft. Na de dood van Jan van Woerden wil zij ook sterven als martelares: “O Heere God! hoe mij de dood nu welkom zou zijn, alleen geef mij te sterven als deze!” (blz. 388). Na deze uitroep wordt Johanna in de boeien geslagen en naar de kerker geleid.





Thematiek



Het thema van Het Huis Lauernesse is de invloed van de hervorming op het Nederlandse burgerlijk en huiselijk leven. Dit thema blijkt ook uit de Narede die A.L.G. Bosboom-Toussaint schreef bij haar boek. Hierin staat: ‘In het laatst van het jaar 1838 vroeg de Heer Beijerinck van mij een roman, uit het eerste tijdperk der Hervorming in Holland, en die bepaaldelijk voorstellen moest: den invloed der laatste op het burgerlijk en huiselijk leven der Nederlanders.’

De belangrijkste motieven zijn de godsdienststrijd tussen de katholieken en de hervormden, en de dweepzucht en het fanatisme van sommigen tegenover de verdraagzaamheid van anderen.

Die verdraagzaamheid vindt men bijvoorbeeld bij weduwe Bakelsze. Ook al is ze zelf eerst nog katholiek, ze raadt haar zoon Aernoud aan om toch met Ottelijne te trouwen, ook al besluit zij lutheraan te blijven. Ze is van mening dat hij zijn verloofde niet voor zijn geloof op moet geven, omdat zijn geluk er van afhangt. ”Kind! kind! hoed u voor zoo felle onverdraaglijkheid; denk, dat het geluk van uw gansche leven er mede gemoeid is, en ook het mijne (...)” (blz.156). Ze vindt dat ze beiden best wat toe kunnen geven. ”En laat zij wat schikken, en geef gij wat toe!” (blz.156). Aernoud vindt echter dat zijn geloof voor alles gaat en wil niet toegeven. ”Neen, moeder! ik geef niets toe, waar het de zaak van Gods Kerk betreft!” (blz.156). Ook later in het verhaal, bij het sterfbed van weduwe Bakelsze, toont Aernoud zijn onverdraagzaamheid. Hij kan de keuze van zijn moeder, die lutheraan is geworden, niet respecteren en wil haar een priester opdringen. ”Nu, zoo zal ik u tegen uw wil opdringen, wat gij onzinnig verwerpt” (blz. 182).

Naast Aernoud zijn ook bijvoorbeeld Busscher (protestant), Pater Luciaan en Donna Teresia (beiden katholiek) zeer fanatiek in hun geloof. Vicaris Boudewijn van Heerdte (katholiek) en Paul en Ottelijne (protestant) zijn daarentegen wel verdraagzaam ten opzichte van het andere geloof.

A.L.G. Bosboom-Toussaint laat vooral de milde, verdraagzame karakters sympathiek naar voren komen. Dit geldt voor de lutheranen, maar ook voor de katholieken (bijv. de vicaris). De fanatiekelingen, de dwepers worden negatiever afgeschilderd. Dit wordt vooral gedaan om het katholicisme af te kraken (bijv. in de fanatieke pater Luciaan en Donna Teresia), maar ook bij de hervormden vindt men wel dwepers, bijv. de hageprediker Busscher.





Titel



Het Huis Lauernesse slaat op het gelijknamige kasteel dat in bezit is van de adellijke familie Lauernesse, waarvan Ottelijne de erfdochter en de laatste telg is. Het Huis Lauernesse speelt een grote rol in het verhaal. Op dit kasteel wordt in de roman de aanzet gegeven tot de geloofsstrijd die zich in de roman afspeelt: Ottelijne wordt hier door Paul bekeerd tot het lutheranisme, waardoor een conflict met Aernoud ontstaat. Nadat ook Johanna bekeerd blijkt te zijn en Aernoud geen steun krijgt van zijn familie, begint ook de geloofsstrijd binnen de familie Bakelsze.





Taalgebruik en stijl



A.L.G. Bosboom-Toussaint gebruikt vaak lange zinnen die ingewikkeld opgebouwd zijn. In de dialogen valt dit wel mee, maar bij de talrijke beschrijvingen en uitwijdingen van de schrijfster komt dit wel sterk naar voren.

Kenmerkend voor de stijl van de schrijfster zijn ook de vele herhalingen. Een typisch voorbeeld hiervan is de introductie van Paul. In de beschrijving komt steeds het woord zacht terug (blz. 2). Dit wordt gedaan om een bepaald gegeven meer nadruk te geven.

Ook komt de zelfonderbreking vaak voor. De schrijfster is midden in een zin en springt dan opeens over naar iets anders: ‘zij ontstelt, als eene, die eene verschijning ziet, en glimlacht tegelijk over hare zinsbegoocheling, want het moet zinsbegoocheling zijn ... de man, die is binnengekomen en die met de flonkerende ogen snel de vergadering heeft overzien,’ (blz. 291).

Het taalgebruik is vrij slordig: het gebruik van (ten tijde van het schrijven al ) verouderd taalgebruik, veel clichés en germanismen (Duitse woorden), zoals leider (helaas) en schade (jammer).

























































Genre en stroming



Het Huis Lauernesse behoort tot het genre van de historische roman binnen de stroming van de romantiek.

In het boek komen verschillende kenmerken van de romantiek terug.

Één van de belangrijkste kenmerken van de romantiek is de idealisering van het gevoel. Na het rationalisme, waar vooral de ratio, het verstand, centraal stond, ging het gevoel een steeds grotere rol spelen en ontstond het ideaal om het gevoel zo direct mogelijk te uiten. In Het Huis Lauernesse komt dit tot uiting in verschillende aspecten. Zo komt er een aantal dramatische gebeurtenissen in het boek voor zoals de scheiding tussen Ottelijne en Aernoud, het sterfbed van Weduwe Bakelsze, de schijndood van Ottelijne en de dood van Aernoud (”Ik kan dit lijden niet dragen,” gilde Ottelijne met wanhoop. O Heere God! heb erbarmen! Aernoud! vloek mij niet, niet met eenen stervenden mond! gij zult niet sterven! ik wil niet dat gij sterven zult!” (blz. 417)). Bij deze gebeurtenissen komen de heftige emoties van de personen sterk naar voren. Bovendien geeft A.L.G. Bosboom-Toussaint zelf ook vaak persoonlijke reacties bij gebeurtenissen, waarin ze haar emoties legt, bijv. ‘ik wenschte, dat wij, Hervormden als we ons noemen, rechtvaardiger waren voor de Roomsch-Katholieken, zoo vaak er van hervorming sprake is; men veroordeelt ze te veel; men beklaagt ze niet genoeg; men ziet niet met genoeg medelijden op hunne kwelling; men eert niet genoeg hunne overtuiging; men denkt zich niet ernstig genoeg in, in hun lijden; men onthoudt ze niet slechts de gloriekroon van het martelaarschap, maar, in plaats daarvan, drukt men ze de narrenkap der bespotting op den schedel; dat moet anders worden, zoo waarachtig de liefde het kort begrip is van geheel het Evangelie.’ (blz. 417-418).

Een ander kenmerk van de romantiek die men in het boek terugvindt, is de verbeeldingskracht van de schrijfster. A.L.G. Bosboom-Toussaint maakt in haar Narede duidelijk dat ze graag haar eigen verbeelding gebruikte: ‘Juist dat onzekere, die gaping, dat onbepaalde trok mij meer aan, dan het voet voor voet navolgen der geboekstaafde Geschiedenis,’ (blz. 434). In het boek komt dit naar voren door de soms bijzondere gebeurtenissen (zoals de schijndood van Ottelijne) en de grote rol van het toeval (de vicaris, Paul én Ottelijne ontmoeten elkaar in Odijk).

Een derde kenmerk is het escapisme om te ontvluchten aan de Weltschmerz. Mevrouw Bosboom-Tousaint vlucht in religie en tijd.



Het feit dat Bosboom-Toussaint vlucht in religie kun je opmaken uit het feit dat ze een aanhanger was van het Réveil. Dit was een religieuze stroming, een vernieuwingsbeweging binnen de protestantste kerken.

Zij waren van mening dat men in een godsdienst tot een innerlijke, religieuze verdieping moest komen en volgens het pure Christendom moest leven. Dit kon enkel door afstand te nemen van de statische, uiterlijke beleving van de godsdienst, zoals nu vaak het geval was binnen het katholicisme. Binnen het katholicisme was er meestal sprake van dweepzucht, bijgeloof, kerkelijke aanmatiging en geen verdraagzaamheid ten opzichte van andersdenkenden. Er waren echter ook katholieken die wel zuiver leefden, zoals in Het Huis Lauernesse de vicaris, die ook vindt dat de wantoestanden binnen de Kerk moeten worden aangepakt.

Als aanhanger van het Réveil geloofde ze dat men het pure Christendom moest belijden, en tot welke kerkleer men behoorde, deed er dan niet meer toe. Maar het katholicisme had langzamerhand de inhoud van de hemelse boodschap naar de achtergrond laten verdwijnen. Terwijl het lutheranisme nog puur was: niet de uiterlijke, maar de innerlijke beleving van de godsdienst was belangrijk en men was verdraagzaam tegenover andersdenkenden. Dit verschil tussen het katholicisme en het lutheranisme komt in Het Huis Lauernesse heel goed naar voren in de karakterbeschrijving van de verschillende personen.

Ten tweede vlucht mevrouw Bosboom-Toussaint in de tijd door het schrijven van een historische roman, die in het begin van de 16e eeuw speelt.



Het genre van de historische roman heeft ook een aantal kenmerken dat in het boek terugkomt.

In de historische roman wilde de schrijver het verleden laten herleven. A.L.G. Bosboom-Toussaint schreef haar boek Het Huis Lauernesse in de periode 1838-1840. Het verhaal speelt zich echter af in het begin van de 16e eeuw, van 1521 tot eind 1525. In haar boek wilde zij een beeld schetsen van de begintijd van de hervorming en de invloed die deze had op het burgerlijk en huiselijk leven in Holland.

De eerdere boeken van Bosboom-Tousaint speelden zich meestal af in de Middeleeuwen. Potgieter, de leider van het literaire tijdschrift De Gids vond echter dat een historische roman zich moest afspelen in Nederland in de periode na het begin van de opstand tegen Spanje. Ze moesten de glorieuze jaren van de Republiek beschrijven, om zo tot de vaderlandsliefde van de lezer te spreken. Bosboom-Toussaint voldeed hieraan, maar verwerkte in haar boek wel religieuze motieven, dit tegen de wil van Potgieter in.

Dit brengt ons op een tweede kenmerk: de historische achtergrond waartegen het verhaal zich afspeelt wordt vrij exact beschreven. Hoofdstuk XVIII Een hoofdstuk dat ook wel overgeslagen kan worden is bijvoorbeeld in zijn geheel een uitweiding om de historische achtergrond goed te kunnen schetsen. Ook worden door het verhaal heen (kortere) beschrijvingen gegeven over historische personen en de situatie in het land. Hoewel de historische achtergrond vrij exact is, heeft A.L.G. Bosboom-Toussaint tegen deze achtergrond zelf een verhaal geschreven met deels verzonnen personages. In haar Nawoord maakt ze duidelijk wat wel en wat niet historisch gegrond is.

Het Huis Lauernesse is binnen het genre van de historische roman een historische ideeënroman, omdat de nadruk niet ligt op de avonturen van de hoofdpersonen (zoals in een historische avonturenroman), maar op een bepaalde visie op mens en maatschappij. Hier zijn dat de verschillende geloven, vooral het lutheranisme, maar ook het katholicisme.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen