U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Later Gebruikt - Werkstuk Over Verf En Schilderijen Ingezonden Door: Lien.
Deze versie komt van http://www.scholieren.be/huiswerk/show_stuk.php?id=1306 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Overig en het aantal woorden bedraagt 699 woorden.

Overzicht Schilderijen en Verf door Nathalie, Marjolein en Lien



SCHILDERIJEN

1. Inleiding

De schilderkunst wordt ingedeeld in 2 bloeiperiodes. De 2 centra’s waren Vlaanderen en Italië. Ook beter bekend als de noordelijke en de zuidelijke traditie. Vanaf de 19e n 20e eeuw volgen de bloeiperiodes elkaar sneller op.

De schilderijen uit Vlaanderen van de 16e eeuw worden gekenmerkt doordat ze allemaal op panelen geschilderd werden; paneelschilderijen. Deze hebben een zeer bepaalde structuur die allerlei varianten kan hebben.



2. Opbouw van een schilderij op een paneel.

Er bestaan dus allerlei varianten op basis van de opbouw. Deze is gelaagd en bepaalt de esthetische kwaliteit.

Ten eerste wordt door de imprimatura de sfeer van het schilderij bepaald, de drager houdt het paneel vast, de lijm isoleert het hout, en ten slotte wordt het hout gladder gemaakt met een krijtmengel. Al dit zorgt ervoor dat de grondlaag vlak wordt, de afsluitingslaag van gelatine is de laatste stap alvorens te beginnen met het eigelijke werk.

De schilder zal nu een schets maken met houtskool, deze wegvegen, en dan beginnen overschilderen in verschillende lagen.



3. Beschrijving van de lagen

3.1 Drager

De houten panelen bestonden uit het eikenhout voor de Nederlandse gebieden en uit populierenhout voor de Italiaanse. Achteraan werd een ponsmerk aangebracht om het soort hout en zijn afkomst te herkennen. Het doek (later gebruikt) was praktischer voor grotere formaten, het was lichter en werd makkelijker vervoerd. Het moest gewoon vastgespijkerd worden op een houten raam.









3.2 Grondlaag

Ten noorden van de Alpen gebruikte men van 14e tot 17e eeuw een mengsel van gelatinelijm en krijtpoeder. Zuidelijk was het gelatinelijm met gips, deze maakte het dan wel dikker.



3.3 Verflaag

De grondlaag werd bedekt met een imprimatura. Bv. Landschap bij maanlicht eist een zwarte imprimatura. We onderscheiden dan nog 2 schilderstechnieken.

De term alla prima (nat-in-nattechniek) wil zeggen dat het schilderij in een keer is afgemaakt. Er waren geen verschillende lagen en geen hernemingen. Het impressionisme stamt hier dan ook van af, schilders fantaseerden verder (over de beelden die ze in de natuur gezien hadden) in hun atelier.

Verder hebben we ook nog de gewone laagsgewijze opbouw. Hier hebben we onderschildering, de aanzet, de opschildering, accenttoetsen en het glacis (subtiele kleurovergangen)



3.4 Vernislaag

Deze bestaat uit colofoniumhars verdund in oplosmiddel. Het beschermt de stof want het vernis sluit de verflaag af. Verder geeft het glans en maakt de kleuren intenser.





4. Technologische evolutie in de schilderkunst.

4.1 Pigmenten

De schilders maalden hun pigmenten zelf omdat ze dit veel zelf vonden in de natuur. De synthetische pigmenten haalden ze in de winkel.



4.2 Het pleinarisme of de kunst in de vrije natuur

Pleinarisme wordt beschreven als schilderen in de vrije natuur. Dit deden de schilders vooral op het einde van de 14e eeuw. Eerst was het moeilijk om al hun schildersmateriaal mee nemen maar, later ontwikkelden er zich verschillende handigere schildersvoorwerpen. Het feit dat er op weinig schilderijen sneeuw of regen te zien is, is gemakkelijk te verklaren. De schilders kwamen dan gewoon niet buiten.

VERF

1. Inleiding

Vanaf de 15e tot de 20e eeuw was olieverf de belangrijkste verfsoort. Het was moeilijk deze bij te houden, de verftube werd immers pas einde 18e eeuw uitgevonden.



2. Bestanddelen in de olieverf.

De verf bestaat uit pigmentkorrels (poeder van sterk gekleurde bestanddelen) en een bindmiddel. Verf is dus eigelijk een pasta die na droging een vaste gekleurde film vormt. Een kleurstof kan niet worden vermengd want deze lost op in het bindmiddel. Wel kan deze gebruikt worden voor een lak.

Het laatste component van de olieverf is het verdunningsmiddel (Dit product is een vluchtige vloeistof ). Verder bestaat er nog een onderscheid tussen vette en magere olieverf, het verschil is duidelijk af te leiden.



3. Geschiedenis van het pigmentgebruik

3.1 Prehistorie

Er werden enkel aardpigmenten gebruikt, als mangaanoxides en wit gekleurd krijt.

3.2 Oude Egypte

Het kleurenpalet werd uitgebreid met mineraalpigmenten, er werden ook pigmenten gesynthetiseerd.

3.3 Klassieke periode

Het Egyptische blauw en gel raakten in onbruik maar oranje, drakenrood, en verschillende andere kwamen nieuw op de markt.

3.4 Middeleeuwen

Tussen 1250 en 1300 werden verschillende nieuwe kleuren geïntroduceerd, als azuriet.

Ultramarijn is ook zo’n typisch middeleeuws pigment, ingevoerd uit Afghanistan.

3.5 Industriële revolutie

Tijdens de 19e eeuw worden er veel nieuwe pigmenten geïntroduceerd. Het zijn vooral de synthetische kleurstoffen die primeren.





Samenstelling van verf
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen