U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Jos Vandeloo - De Muur.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/2210 en is laatst upgedate op 28/07/1999.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2109 woorden.

De bundel De muur bestaat uit 3 onderdelen: het verhaal De muur, het verhaal De tocht en zeven proza-tekeningen.



Samenvatting van de inhoud

Het verhaal van De muur bestaat uit negen genummerde maar titelloze hoofdstukjes. Na achttien maanden legerdienst en een paar maanden vergeefs schrijven op allerlei advertenties voor baantjes als verkoper van verzekeringen of stofzuigers heeft de jongeman Riemans voor het eerst een echte baan, magazijn- bediende in een kantoorboekhandel. Daarvoor moet hij voortaan elke dag naar de stad, waar hij zich al meteen niet thuis en overgeleverd voelt. Zo zegt hij: Op de stroom van mensen dreef ik mee door de tunnel buiten het station. Als een stuk hout op het water, nu en dan blijft het even haken, maar dan sleurt de vloed het weer verder. Het gebouw waar hij werkt is buitengewoon deprimerend. Het is oud, groot en somber, en ook zijn magazijn is donker en tochtig. Het enige raam in het magazijn kijkt uit op een blinde muur in een blinde steeg. Hij zal worden ingewerkt door Govaerts, een oud gelig mannetje die al bijna 32 jaar in het magazijn werkt. Voor Riemans is Govaerts meteen al de verzinnebeelding van verloren idealen en een verspild leven. Zo zal hij nooit worden en hij neemt zich voor ook geen medelijden te voelen met deze man die nu voor hem noodgedwongen plaats moet maken. Na een paar dagen is Govaerts wat vertrouwelijker en hij voorspeld Riemans dat hij ook oud zal worden in het magazijn en hij waarschuwt hem voor de muur. Op een dag zal je behoefte hebben om de stenen te tellen. Zegt Govaerts. Zelf had hij zich drie jaar lang tegen die aanvechting kunnen verzetten, toen was het hem te machtig geworden. Exact 1095 volledige stenen had hij geteld, een aantal dat precies gelijk is aan het aantal dagen dat hij tot dan in het magazijn had doorgebracht. Riemans is niet ongevoelig voor de woorden van Govaerts, maar na diens vertrek worstelt hij zich met de levenskracht die hij eigen noemt aan de jeugd, weer naar boven. Hij heeft niet zoals Govaerts zijn dromen begraven, maar blijft welbewust de vogels van mijn illusie voeren. Hij zal niet verstoffen op deze zolder. Hij is voor hele andere dingen in de wieg gelegd. Wanneer hij op een dag schuivend met de kasten een tweede raam ontdekt ziet alles in het magazijn er plotseling veel minder somber uit. Het raam is op de zonzijde gelegen en kijkt bovendien uit op een pleintje met lindebomen, een pastoraal decor dat de dorpsmens in Riemans zeer aanspreekt. Hij schuift zijn bureau voor dit raam en laat het raam met de blinde muur verdwijnen achter een kast. Het nieuwe raam heeft nog een verrassing in petto. Achter een raam in een van de nabije herenhuizen ontwaart hij het gezicht hoofd van een opvallend mooi meisje dat wonderwel past bij de sfeer van het plein. Zij is een vrouwenfiguur van Memlinc, heel anders dan de moderne meisjes van de trein en de stad: rustiger, kalmer, niet zo nerveus en dynamisch. Tussen hen beiden ontstaat een idylle van raam tot raam, een subtiel spel van knikken en glimlachen. Als na een aantal weken deze liefde op afstand een kwelling voor hem wordt zoekt hij toenadering. Op een middag neemt hij vrij, wandelt naar het pleintje en wenkt haar naar buiten te komen, Als ze beduidt dat ze niet weg kan, stopt hij een briefje in de bus met een citaat van Balzac: Ware gevoelens hebben een magnetische kracht. De volgende dag antwoord ze (op een briefje dat ze hem uit haar raam toewerpt) met een citaat van Vosmaer: Het gevoel is een mimosa, de blaadjes trekken zich terug als een hand ze aanroert. Weldra ontdekt hij de reden voor deze afwijzing. Wanneer hij op een avond overwerkt, ziet hij haar, vergezeld door een andere vrouw, uit het huis komen. Ik was een stap teruggedeinsd. Niet bewust, want ik merkte pas later dat ik ineens dieper in de kamer stond. Met een feilloze scherpte fotografeerde mijn geest het toneel op het plein. Het meisje met een kort stompje linkerbeen. De rechtervoet afschuwelijk groot en plomp. De bleke krukken. Het prachtige gebouwde bovenlichaam. Als ze gewoonte even naar het raam kijkt, trekt hij zich snel nog verder terug. Ze mocht niet weten, dat ik alles gezien had, niet weten dat haar geheim niet langer een geheim was. Hij respecteert haar geheim, maar voor hem is de droom voorbij. Hij brengt het magazijn terug in de oude staat en posteert zich weer voor het raam met de blinde muur. En begint de stenen te tellen.



Thematiek

Alles in het leven is voorbeschikt. Van enige persoonlijke keuze is geen sprake, al heeft het daar soms de schijn van. Dat is in dit verhaal uitgewerkt in de symboliek van het verstenen, van het wegvallen van dynamiek en vooruitgang. Ook geluk in de liefde is een illusie, zoals Riemans eigenlijk altijd heeft geweten nadat hij als kind een vrouw van steen had gestreeld, een glanzend, lang, zinnelijk uitgestrekt lichaam. Ook al was het een beeldhouwwerk op een tentoonstelling geweest, toch had hij verwacht iets te voelen, een trilling, een beweging. Maar steen beweegt niet. Het was koud en glad, koud vooral. Ik was bitter teleurgesteld.



Teleurgesteld wordt hij ook door de mensen. De mensen stelden elkaar bijna altijd teleur. Is een van de meest betekenisvolle zinnen in dit verhaal. Het meisje achter het raam heeft hem evenzeer teleurgesteld. Ongewild, onbewust maar onvermijdelijk. Nadat hij haar geheim heeft ontdekt moet hij zelf onder ogen zien wat hij met betrekking tot Govaerts al had begrepen: mensen stellen elkaar bijna altijd teleur. De muur heeft de trekken van een allegorie. Het verhaal van Riemans is het verhaal van een initiatie in het stadsleven, in een beroep, in de liefde, in het leven zelf. In korte tijd is Riemans zijn dromen en illusies kwijt, heeft zijn leven alle perspectief verloren. Govaerts had na drie jaar de stenen in de muur geteld. Doordat het er precies even veel waren als het aantal dagen dat hij er tot dan had doorgebracht. Als ook Riemans de stenen begint te tellen is zijn lot bezegeld.



Personages

Riemans is een hoofdpersoon zoals er talrijke in het werk van Vandeloo zullen volgen: onopvallend, timide, kwetsbaar, dromerig, een piekeraar ook, zozeer dat de handeling in het verhaal geheel ondergeschikt is aan de beschouwing. Veel van zijn persoon en achtergrond blijft echter in het ongewisse, meer nog dan in het geval van Govaerts. Figuren als Govaerts zullen bij Vandeloo vaker opduiken: ouderen die na jarenlange trouwe dienst zonder enig leedwezen aan de kant gezet worden. Ze verdwijnen gelaten, maar nadat de deur achter hen in het slot is gevallen, blijken ze een geheimzinnige macht uit te oefenen. Zo is Govaerts, indien niet de bewerkstelliger, dan toch de aanzegger van wat zijn opvolger te wachten staat. Na zijn vertrek komt hij nog één keer terug, een dag nadat Riemans het raam met de muur achter een kast heeft laten verdwijnen. Vergeet de muur niet. En de stenen, zegt hij bij het weggaan. En uitgereken op de avond dat Riemans de waarheid omtrent het meisje ontdekt, ziet hij Govaerts op een bank op het plein zitten. Dan is het meer dan duidelijk dat hij een stuwende kracht is in het gebeuren. Dat de personages schimmig blijven (dat geldt ook voor het meisje, de directeur is een karikatuur), heeft te maken met de opzet van het verhaal als allegorie.



Ruimte en tijd

Tot hij het andere raam ontdekt, is de werkelijkheid voor Riemans ingekrompen tot de ruimte van een donker magazijn in een groot en somber kantoorgebouw, met een raam dat uitziet op een blinde muur in een blinde steeg. Symbolischer kan de verstoffing van het leven nauwelijks worden weergegeven. Het andere raam opent een nieuwe werkelijkheid: een plein met lindebomen dat hij ervaart als een anachronisme in de grauwe stad, een stadsgezicht van een meester uit de oude Vlaamse school. En achter een raam van een van de herenhuizen nog een anachronisme: een meisje zoals Memlinc ze schilderde, heel anders dan de moderne meisjes. Riemans verliefdheid geeft aan zijn beleving van de stad een hele nieuwe dimensie. Hij droomt ervan met het meisje te wandelen langs de rivier, waar de liefde al eeuwen lang gemeenschap zocht in de eenzaamheid van water, land en lucht. In haar tijdeloosheid en eeuwigdurende beweging is de rivier het tegendeel van de verstarring die door de muur wordt gesymboliseerd. Maar op de bewuste avond beseft hij: Nooit zouden wij samen wandelen langs de rivier. En hij brengt het magazijn terug in de oude staat en kijkt weer uit op de blinde muur. En telt de stenen. Govaerts had het na drie jaar gedaan, Riemans doet het al na drie maanden.



Perspectief

Het verhaal is (in een heldere, ongecompliceerde taal) geschreven vanuit de beleving van Riemans. Het is grotendeels geschreven in de verleden tijd en wordt dus achteraf door hem verteld. Uit de aanduiding in het achtste hoofdstuk dat hij gisteren het meisje het plein op zag komen, wordt duidelijk dat hij het verhaal de dag daarna vertelt. Het kantelpunt ligt op de voorlaatste pagina. Nadat hij de kasten weer verschoven heeft, gaat hij over op de tegenwoordige tijd: De muur. Hij staat hier nu voor me. De muur die nooit iets zegt, onpersoonlijk en toch indringend. Er wolkt wat ochtendmist langs de ruige borst. Hij kan wachten, wij kunnen het niet.



De tocht

Dat de mens ook ver van de stad, in de volle natuur machteloos staat tegenover het onbekende, het vreemde, het onrustwekkende, daarover gaat het in De tocht, het tweede, veel kortere (circa twintig pagina's) verhaal in de bundel. Drie mensen (een echtpaar en een vriend) wandelen door een Alpenlandschap vanuit Frankrijk naar een dorpje net over de Italiaanse grens dat na de oorlog volkomen geïsoleerd is geraakt. De hitte is zo verpletterend en de stilte zo volkomen dat de vriend, zeker nadat hij alleen de terugtocht heeft aanvaard (het echtpaar keert vanuit het dorp met de bus terug), steeds meer in de ban van de angst raakt tot die hem geheel ommuurd heeft. Hij probeert ertegen te vechten, maar is machteloos, ook als hij haar zorgvuldig gaat analyseren. De angst geldt in de eerste plaats de natuur zelf: de stilte, het onbekende, de stenen die hem kunnen doen uitglijden, het wilde water van de rivier beneden hem, de insecten. Maar nog meer bevreesd is hij voor wat mensen hem in die verlaten natuur kunnen aandoen. Hij kan een paar gewetenloze kerels tegenkomen die in wapen of drugs handelen, of hij kan op een vergeten landmijn trappen. Angsten uit zijn jeugd komen weer naar boven: een reus uit zijn kinderjaren, een reus met de groene ogen en de koude handen van de Bvra, zoals het bergriviertje heet. Op het laatst weet hij het zeker: het is zijn intuïtie die hem waarschuwt dat er iets noodlottigs te gebeuren staat. Hij keert echter ongedeerd terug. Ze hebben me niet gekregen, er is niets gebeurd! juicht hij op zijn hotelkamer. Maar hij sluit wel de deur en draait de sleutel tweemaal om. Er is hem in de bergen niets overkomen, maar dat houdt geen enkele garantie voor de toekomst in.



Zeven proza-tekeningen

Korte verhaaltjes met een duidelijke strekking: dat zijn de zeven proza-tekeningen, waarmee de bundel besluit. Enkele van deze proza-tekeningen gaan over de vervreemding van mensen die dingen waarnemen die er niet zijn of die althans voor anderen onzichtbaar blijven. In Groen in de trein is dat een man met groene haren en een blauw gezicht, in De bezoeker een groenendaler (een hond) van meer dan middelmatige afmetingen, die op zoek is naar een baan maar die behalve door de afdelingschef door niemand wordt gezien, en in Schilfers hebben scherpe kanten een schilfer geluk. In de bespreking van De muur werd reeds opgemerkt dat geluk - en dan vooral de onmogelijkheid en de vluchtigheid ervan - in het werk van Vandeloo een essentieel thema is. In Schilfers hebben scherpe kanten heeft hij dat symbolisch uitgewerkt. Al jaren loopt een man, een dichter, met gebogen hoofd door de straten van de stad. Op een dag raapt hij een erg klein, maar ongewoon helder schilfertje op. Een schilfer geluk. Op zoek naar een veilige plek voor zijn kostbare bezit bergt hij de schilfer weg in zijn hart. Dan merkt hij dat zijn hand bloedt. De scherpe zijkanten van de schilfer hadden zijn vingers gekwetst. Het bloed was een dunne slang over zijn hand. De voorbijgangers bleven ineens staan en één hunner had zelfs medelijden. Even later is de dichter dood. De schilfer geluk heeft zijn hart doorboord.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen