U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Ferdinand Bordewijk - Bint.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=7519 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 5689 woorden.

F. Bordewijk, Bint





Samenvatting





De Bree moet als leraar invallen op een school. Zijn voorganger is daar weggepest, hij

denkt dat het hem echter niet zal gebeuren. Als hij daar op de school komt, wordt hij door

de directeur nors ontvangen en voorgesteld aan zijn eerste klas. Dit blijkt de ergste klas

te zijn. De Bree begon er met de namen op te lezen. Hij merkte echter dat iedereen

verkeerd zat en liet de rector erbij halen om alles te laten controleren. De klas

probeerde verschillende geintjes met hem uit te halen, maar De Bree trapte daar niet in en

bestrafte iedereen die iets verkeerds deed. Hiermee begon hij de psychologische

oorlogsvoering tegen de klas, die hij vanaf toen De Hel noemde. Door mensen veel te laten

nakomen en geen vrede te sluiten met de klas lukte het De Bree de klas onder de duim te

krijgen. De Hel had ontzag voor hem gekregen.





Zijn andere klassen, die hij ook meteen namen gaf naar het karakter van de groep, waren

heel anders dan De Hel. Hij noemde ze De Grauwe, De Bruine, De Bloemen. Af en toe kwam hij

Bint, de rector tegen, maar nooit gaf hij enige blijk van waardering, over hoe de Bree de

klassen les gaf. Aan het einde van het trimester was er rapportvergadering. Alle klassen

werden er besproken en voordat de klassen van De Bree aan de beurt kwamen duurde erg lang.

Bij deze vergadering keek Bint naar de cijfers van de leerlingen; was het cijfer slecht

dan was het bijna zeker dat deze niet overging; tenminste dit dacht Bint. In één van de

klassen van De Bree, in De Grauwe, zit een jongen die niet zo goed kan leren en ook vaak

problemen heeft thuis. Hij had gedreigd tegen Bint dat als hij een onvoldoende op z’n

rapport zou komen te staan, dat hij zich van het leven zou beroven. Bint maakte duidelijk

dat dit hem niet veel kon schelen. Ook Fléau uit De Bloemenklas werd besproken. Bint

wilde hem van school hebben, omdat hij onrust stookte en tegen het systeem van Bint

inwerkte.





Tijdens de kerstvakantie pleegde hij inderdaad zelfmoord, waarna Fléau een oproer

organiseert door in de kerstvakantie, met de namenlijst die hij van de conciërge had

gekregen, iedereen op te stoken hiertegen in opstand te komen. Gelukkig had Bint dit

voorzien en had hij De Hel, de voorbeeldklas uit zijn systeem, ingezet samen met de andere

leerlingen uit te vechten. De conciërge werd meteen ontslagen en Fléau liet zich niet

meer op school zien.





Tegen het voorjaar is het weer tijd voor het jaarlijkse uitstapje met de klassen.

Hierbij wordt De Hel altijd in tweeën gedeeld. Helaas was er voor De Bree geen klas meer

over, maar gelukkig voor hem kreeg Remigius een kind, zodat De Bree alsnog mee kon gaan.

De Bree ging met zijn helft door België heen richting Frankrijk en weer terug. Hij liet

zijn blijdschap niet aan anderen merken, maar zijn vreugde kon niet meer op. Op een

gegeven moment was er een leerling zo uitgeput dat ze noodgedwongen een kortere weg

moesten nemen. Twee leerlingen die het systeem, en dus de route die Bint had uitgezocht,

trouw wilden blijven, namen toch de langere weg. De Bree nam het hen niet in dank af en

werd erg boos op hen en gaf hen straf; voortaan moesten ze i.p.v. De Bree, Meneer de Bree

zeggen.





Een tijd na dit uitje komt de reeds ontslagen conciërge bij De Bree om geld bedelen;

De Bree stuurt hem weg. Aangezien De Bree maar een invaller was, was aan het einde van het

jaar de tijd gekomen afscheid te nemen van de school. Bint wil dit niet en vraagt De Bree

of hij niet nog een jaartje wil blijven. De Bree moest hier lang over nadenken en in de

eerste instantie wijst hij het af, maar na de hele zomervakantie nagedacht te hebben,

besloot hij toch maar de baan te accepteren.





Op de eerste dag van het schooljaar hoort De Bree dat Bint zijn ontslag heeft genomen

en van de plaatsvervangend rector hoort hij dat het is om de dood van de jongen. Meteen

probeert De Bree Bint te bezoeken, alleen hij werd er niet binnengelaten. Uiteindelijk

legde hij er zich maar bij neer om weer met volle moed over De Hel te ‘regeren’.





Personages





Bint is de persoon waarna het hele boek genoemd is. Hij is de rector van een school met

een geheel eigen soort onderwijssysteem; een systeem van stalen tucht. Hij had ook een

lievelingsklas, het ideaalbeeld van zijn systeem; het was zijn trots en zo sprak hij er

ook over. Hij gaf ze zelfs op een gegeven moment dikke sigaren, om te laten zien dat het

echt zijn lievelingsklas was. Verder is Bint al een wat oudere en magere man, meestal

loopt hij met een uitdrukkingsloos gezicht rond wat de meeste leraren niet zo prettig

vonden. Hij interesseert zich weinig voor de leerlingen en dat heeft in het verleden al

eens tot protesten van ouders geleid. Het kon hem echter helemaal niets schelen. Het enige

waar hij aan dacht was de school of aan zijn eigen tuchtsysteem. Dit bleek een hele

verkeerde instelling te zijn, want door deze non-interesse heeft een leerling, die een

onvoldoende op zijn rapport kreeg, zelfmoord gepleegd. Toen De Bree het volgende

schooljaar weer terugkwam kreeg hij te horen dat Bint niet meer terug kwam op school; hij

was bezweken onder zijn eigen systeem; Bint was niet opgewassen tegen zijn eigen systeem.





De Bree is de vervangend leraar van een aantal vierde klassen; Voornamelijk van De Hel,

die de vorige leraar had weggepest. Zijn denken is hoek en nors, maar hij heeft wel veel

fantasie; hij beschrijft namelijk de klassen en vooral bepaalde personen op een bepaalde

manier, waardoor je een goed beeld krijgt van bepaalde mensen. De Bree is een zowel fysiek

als mentaal heel sterk persoon. Hij had aan het begin van het schooljaar het idee dat het

De Hel niet zou lukken hem weg te pesten. Ze probeerden het hem wel lastig te maken, maar

De Bree had alles in de gaten, alle bekende geintjes. Hij liet ze daarom ook meteen zien

dat hij er de baas was en niet de klas. Hij begon daarom ook meteen met leerlingen te

laten nakomen en als ze daar tegenin gingen gaf hij ze nog meer straf. Dit lukte hem en

hij begon ze een beetje onder de duim te krijgen. Zijn fysieke kracht gebruikte hij om aan

De Hel de oorlog te verklaren; hij ging armpjesdrukken met de sterkste uit de klas als

teken dat hij toch echt de sterkste was. Hij was daarom ook erg blij dat hij met De Hel op

schoolreisje mocht; kon hij zich eindelijk verder bewijzen tegenover Bint. Hij had ontzag

voor hem en geloofde ook in het systeem van de stalen tucht. Mede hierdoor accepteerde hij

het aanbod van Bint om een tweede en laatste jaar les te geven.





De Hel, De Bruinen, De Grauwen, De Bloemen zijn de vier klassen aan wie De Bree les

gaf. Hiervan is De Hel de ergste klas, die hij goed onder de duim moest houden. Het was de

lievelingsklas van Bint, ook speciaal door hem samengesteld tot de perfecte klas van zijn

systeem. Het is wel een klas waar moeilijk les aan te geven is, maar door veel straf te

geven lukte het redelijk om hen onder de duim te krijgen. Ze smeekten zelfs uiteindelijk

De Bree of het weer vrede mocht worden. Dit lukte alleen niet.





Analyse en Interpretatie





Titelverklaring





Om deze titel te verklaren is niet erg moeilijk. Bint is namelijk de rector van de

school en als deze er niet was geweest was het speciale tuchtsysteem er ook niet geweest

en het boek dus ook niet. Alles uit het verhaal komt, hetzij via een omweg, bij Bint uit.





Ondertitelverklaring





De ondertitel is: roman van een zender. Dit is een stuk lastiger te verklaren, maar

door wat bestuderen kwam ik er wel uit. Deze ondertitel slaat op de hoofdpersoon. Bint is

hier de zender, omdat hij zijn speciale systeem heeft bedacht. Hij eiste van iedereen

tucht en gaf daarvoor op autoritaire wijze zijn ideeën over onderwijs en opvoeding weer.

Daarmee is hij de zender.





Genre





Het hoofdgenre is voor mij een novelle, omdat het niet langer is dan tachtig bladzijden

en vrijwel geen karakterverandering heeft. Deze novelle heeft iets psychologisch in zich

en ook tucht speelt hier een grote rol, je zou dus kunnen zeggen dat het een

psychologische tuchtnovelle is.





Thema(tiek)





Een duidelijk thema is toch wel de tucht. Dit woord wordt ook een paar keer in het boek

genoemd en het is ook duidelijk dat hier het hele boek om draait. Door de stalen tucht,

die Bint als schoolsysteem heeft ingevoerd, probeerde hij van de leerlingen (mentaal)

sterke mensen te maken, zodat deze goed kunnen gaan functioneren in de maatschappij. Bint

heeft voor deze tucht ook een speciale klas samengesteld, hierin kan door middel van tucht

het monster in de mens bestreden worden om er een persoon van te maken dat goed kan

functioneren in de maatschappij. Een ander thema is school–maatschappij. Bint wil

namelijk door zijn schoolsysteem (en de tucht) van zijn leerlingen ‘maatschappelijk

reuzen’ maken zodat een goede aansluiting op de maatschappij mogelijk is.





Structuur, samenhang en spanning





De structuur of opbouw van het boek bestaat hier uit vijf onderdelen die ik gaandeweg

in mijn verhaaltje zal behandelen. Het eerste element is de volgorde die in dit boek is

dat overal wel chronologisch. Het verhaal worstelt zich gewoon door een schooljaar heen

zonder terugblikken, dus het is niet fragmentarisch. Het tweede onderdeel was wat lastiger

uit te vissen, maar ik denk dat de samenhang goed is, want alles verwijst terug op het

hoofdthema: de tucht. En omdat het verhaal zich door één schooljaar worstelt is er ook

maar één verhaallijn; alles wordt namelijk uit het perspectief van De Bree gezien; hij

vertelt het verhaal als het ware en kan dus niet over andere stukken praten. De spanning

is hierdoor daarom ook hoger, omdat je geen informatie vooraf kan krijgen, je moet altijd

maar weer afwachten wat er gaat gebeuren. Ik wist ook helemaal niet hoe het verhaal zou

gaan aflopen en dit vergrootte ook de boeiende werking en voor mij waren er ook

verschillende spanningsbogen in het verhaal; helaas was hier de spanning niet zo groot.

Het vijfde en laatste aspect van de structuur is de manier waarop het boek eindigt en

begint. Ik vind dat het gewoon aan het begin begint, namelijk aan het begin van het

schooljaar, alleen het einde is niet echt af, want het nieuwe schooljaar begint weer. Dit

betekend wel dat het verhaal een cyclische opbouw heeft, omdat het begint en eindigt aan

het begin van het schooljaar, alleen de gebeurtenissen zijn géén groot terugblik! Het

boek heeft –tot slot- een gesloten einde, omdat het centrale probleem is opgelost.

Het allerlaatste wat ik hier wil zeggen is dat het motorisch moment het wegpesten van de

leraar is geweest voordat vervanger De Bree kwam.





Tijd en perspectief





Het is nogal moeilijk om te zeggen in welke tijd het verhaal speelt. Uit wat

achtergrondliteratuur heb ik kunnen opmaken dat het mogelijk in de crisisjaren speelt.

Bordewijk heeft het in die tijd ook geschreven dus mogelijk is hij daardoor geïnspireerd.

Je zou het ook kunnen opmaken uit de gebruiken. Zo gebruikte Bint een rietje, wat nu al

lang niet meer voorkomt, maar aangezien hij een speciaal systeem van stalen tucht heeft

komt deze onderbouwing ook te vervallen. Wat wel heel duidelijk is, is de vertelde tijd.

Deze bedraagt namelijk precies een schooljaar, want eerst moet De Bree aan een vierde klas

lesgeven en later aan dezelfde klas, een vijfde klas. De verteltijd daarentegen is weer

heel anders. Deze is panoramisch, omdat het niet heel uitgebreid verteld wordt. De

verteltijd is korter dan de vertelde tijd, maar wel gaat het ene stuk veel sneller dan het

ander. Tot de kerstvakantie werd er namelijk weinig geschreven; vanaf de kerstvakantie tot

de opstand was het grootste deel en dan springen ze opeens over naar de paasvakantie met

het schoolreisje. Doordat deze tijd op volgorde is, is het chronologisch verteld en echte

flashbacks of flashforewards zaten er niet in, er was hoogstens wat retroversie, maar dat

was wel miniem.





Het perspectief van Bint is wat lastig, omdat er volgens mij meerdere van inzitten. De

meeste gebeurtenissen worden gezien vanuit De Bree. Je loopt als het ware als De Bree door

het verhaal heen. Maar een enkele keer komt het ook voor dat er een alwetende verteller is

die zegt wat er gebeurd is, een soort hij-perspectief dus; er wordt dus duidelijk gemaakt

wie er aan het woord is of wat er in grote lijnen is gebeurd.





Ruimte





Het verhaal speelt zich grotendeels af op een middelbare school, waarin twee ruimtes

uitvoerig werden beschreven. Degene waar het grootste gedeelte van de klas in afspeelde,

was Het klaslokaal van De Hel. Het was een donker en muf lokaal in de kelder van het

gebouw. Er zaten kleine getraliede raampjes in waardoor weinig licht naar binnen viel. Het

klaslokaal paste dus erg goed bij de klas, die net zo lelijk was als de leerlingen in de

klas. De andere uitgebreide ruimtebeschrijving is die van een groot deel van het oude

schoolgebouw. De Bree liep erdoorheen en wat hem opviel was dat het grootste deel verlaten

was en veel lokalen lagen onder het stof en waren leeg. Dit gaf mij een goede indruk van

het gebouw en maakte ook duidelijk dat er geen leerlingen meer op de school werden

toegelaten. De andere plaatsen waar het verhaal zich afspeelde waren in België en

Frankrijk; De Bree ging hiernaar toe met een gedeelte van De Hel als schoolreisje.





Taalgebruik en stijl





Bordewijk maakt gebruik van korte zinnen en erg weinig verbindingswoorden. Het

taalgebruik is ook vaak wat ouderwets en soms ook wel een tikkeltje hoogdravend. Wat mij

vooral opviel waren de beschrijvingen van de personen uit De Hel. Dit werd op een hele

leuke en speciale manier gedaan. Ze werden beschreven alsof ze beesten waren, dit geeft

goed het karakter van de klas en de personen weer. Het taalgebruik was verder

nieuw-zakelijk: koel, nuchter, zakelijk en hard. De gebruikte woorden waren vaak lastig en

ouderwets. Daar tegenover stond dan weer dat er vaak moderne en niet bestaande woorden

werden gebruikt: ‘Het plein was rechthoekig, gekoolgruisd het midden in een lijst van

keien.’ Wat ook wel vaak voorkwam waren personificaties; er werd over concrete en

abstracte dingen gepraat alsof het mensen waren.





Persoonlijk leesverslag





Het onderwerp was het eerste wat me opviel aan Bint. Het is een onderwerp wat vandaag

de dag niet meer aan de orde is; tenminste het hoofdonderwerp, tucht, is niet meer aan de

orde in ons huidige schoolsysteem. Het tweede onderwerp was dat van school en

maatschappij. Ik heb daar dagelijks mee te maken omdat ik natuurlijk ook op school zit.

Daarom kon ik me ook goed inleven in het boek, hoewel het toch wel een beetje een rare

school is. En juist omdat het zo’n allerdaags iets is vindt ik het heel origineel

gekozen.





Het is wel jammer dat de gebeurtenissen zo oppervlakkig beschreven zijn en de ene

gebeurtenis werd ook veel uitgebreider behandeld. In de gebeurtenis waar de meeste

aandacht aan werd besteed stond ook eigenlijk de kern van het hele verhaal. Dat was

namelijk degene vanaf de kerstvakantie tot en met de opstand. Hierin werd voor mij

duidelijk wat de bedoeling van het schoolsysteem van Bint was en wat daar de gevolgen van

waren. De rest van het boek was eigenlijk maar een inleiding en aan het einde de langzame

afsluiting. Eigenlijk had het boek nog heel wat korter gekund, vooral omdat er zo

ontzettend veel persoonsbeschrijvingen en ruimtebeschrijvingen in zaten. Dit was op zich

wel leuk, maar de gebeurtenissen kregen hier toch een ondergeschikte plaats door en dat

vind ik jammer.





Om nog even op de uitgebreide beschrijvingen terug te komen; ik vond ze werkelijk

fantastisch. Ik heb nog nooit zoveel plezier beleefd aan het lezen van de beschrijvingen

van de personen. Bordewijk beschrijft deze alsof het monsters zijn. Daardoor heet de klas

natuurlijk ook De Hel, omdat er de verschrikkelijkste personen bij elkaar zitten. Zelfs de

namen vind ik ook heel erg leuk verzonnen. Eerst dacht ik dat dit gewoon pure onzin was;

namen bedacht door leerlingen zelf om de leraar te pesten. Toen echter iedereen op

z’n goede plaats zat bleken de namen echt te zijn en dat vond ik toch wel erg vreemd.





Een andere beschrijving waar ik iets over kwijt wil, is iets wat wel meer voorkomt,

maar deze is toch wel één van de besten: ‘Hij donderde naar beneden naar De

Hel.’ Dit is op verschillende manieren op te vatten. Degene die het meest in de

context past is dat De Bree naar beneden de kelder inloopt om klas 4D, De Hel, les te

geven. Een andere zou zijn dat hij het een verschrikking vond om De Hel les te geven; de

hel is namelijk ook een verschrikking om in terecht te komen. Zijn boek is, zoals ik al

zei, vol van dit soort beschrijvingen. Dat maakt het soms wel wat lastig te lezen. Je moet

gewoonweg nadenken om het te begrijpen, want anders mis je nog details ook. De korte

zinnetjes pasten ook heel erg goed bij het karakter van De Bree. Immers stond aan het

begin van het boek: ‘De Bree zijn denken was hoekig en nors’. Ik vind dit in het

boek hierdoor prima verwoord. Wat het ook wel weer lastig maakte om te lezen waren de

velen gedachten. Vaak kon ik de gebeurtenissen van gedachten niet onderscheiden. Het zat

gewoon door elkaar heen geweven. Gelukkig was het taalgebruik niet al te hoogdravend.





Als laatste punt kom ik nog even bij de bouw van het boek. Er is hier niet zoveel over

te verwoorden. Het verhaal vind ik goed opgebouwd en dat is maar gelukkig ook want anders

was het door alle hiervoor beschreven dingen niet meer goed leesbaar geweest. Helaas zat

er niet zoveel spanning in en dat komt volgens mij door de vele spanningsbogen in het

boek, waardoor er vele kleine climaxmomentjes inzaten. Tot slot was het slot wat vreemd en

toch wel weer logisch. Ik had het boek laten eindigen met het einde van het schooljaar.

Maar Bordewijk heeft het ook wel logisch laten eindigen met het begin van het schooljaar

en het vertrek van Bint; dit om aan te geven dat Bint het systeem niet meer aankon en dat

de leerlingen toch trouw bleven aan zijn systeem en zonder hem ‘vrolijk’ het

laatste schooljaar ingingen. Hiermee wil Bordewijk denk ik duidelijk maken dat Bint heeft

bereikt wat hij wilde bereiken met zijn tuchtsysteem.





Recensie















Auteur:

Boektitel:



Jaar van uitgave:



Bron:



Publicatiedatum:



Recensent:

Bordewijk, Ferdinand

Bint



1934



De Morgen



05-09-1980



Ronald Soetaert





De school in de literatuur





Bij september hoort "terug naar school". Zelf heb ik het grootste stuk van

mijn leven in scholen doorgebracht: eerst op de banken, dan vóór de banken. Wie ooit

iets met scholen te maken heeft gehad, kent de gruwel en nieuwsgierigheid voor een

ontluikend schooljaar.





Al een paar maandenheb ik de roman "Bint" voor deze periode van het jaar

opgespaard. In de Nimmer Dralende Reeks bracht Nijgh en Van Ditmar een herdruk van de drie

romans waarmee Bordewijks reputatie begon. De nuchter, zakelijke stijl, gecombineerd met

fantastische beelden trok de aandacht. Voor de roman "Bint" belooft de flap:

"Het gaat over de verhouding van een klas ten opzichte van de leraren en de directeur

met zijn ijzerhouten naam, Bint. Hard tegen hard willen beide kampen niet van wijken

weten...”





Wie als leraar of als leerling nachtmerries heeft over de nieuwe veldslag tussen

opvoeders en hun kweek, vindt in deze roman ongetwijfeld wat van zijn angst terug.

Directeur Bint speelt in het verhaal de rol van een schoolhoofd en zoals dat ook vaak in

scholen gebeurt: hij is overal aanwezig, zelfs in zijn afwezigheid dreigend. Dat hij wat

karikaturaal overkomt, is ook normaal, want zo'n functie maakt de meeste mensen tot

karikaturen. Een schoolhoofd kan zelden goed doen, geprangd tussen leraren en leerlingen

twee groepen met dikwijls tegengestelde belangen. Ik herinner me zelfs een school waar ik

door collega’s om de haverklap apart werd genomen om verhalen te aanhoren over het

ijzeren regime van de vorige studieprefect. Een man die algemeen gehaat werd, maar na zijn

aftreden een beetje heilig werd, omdat alles zo vlot en op tijd verliep. Het heimwee naar

een Hitler, een sterke man die de treinen op tijd laat lopen, zit er bij de mensen sterk

ingebakken.





Zo'n ijzervreter is Bint (de overlevering leert ons dat voor het personage de

oud-rector van Bordewijk portret stond). We zien de school echter door de ogen van de

nieuwe leraar De Bree, die al vlug het schoolleven door de bril van Bint bekijkt. Maar het

is levens de wereld van Bordewijk, vertekend en bevolkt met zijn monsters.





Het begint al met de namen van de leerlingen, die ik in een normale klassituatie als

een openingsgrap zou beschouwen. Schattenkeinder, Whimpysinger, De Moraatz, Kiekertak,

Taas, Daamde, enzovoort, maar we zijn bij Bordewijk: de namen zijn echt en de leerlingen

passen erbij. Het uiterlijk van de jonge heren is allesbehalve stimulerend voor de

gezelligheid: "Whimpysinger had hardgroen tandschimmel en rossige ogen. De Maraatz

zijn tanden waren gewoon bruin. Zijn krieloogjes zonder wit pasten als een git in een

ring. Zij keten met de woedende wanhoop van een rat, die wordt geworgd" (p. 70) En:

"Kiekertak een die zeemonster enkel gebit twee een spullentent, een meter hoog, een

meter breed, een halve meter diep, een blok vlees als een blok geperst hooi" (p. 78).

Geen wonder dat De Bree tijdens een schoolreisje zijn keurtroepen naar een schilderij van

Jeroen Bosch loodst. "De hel" heet de klas waar deze gedrochten in verenigd

zijn, de trots van de school. Bint heeft de crisis uitgeroepen: "De tijd is voorbij

van gemoedelijkheid, van verbroedering. Dit geslacht is te bandeloos." (P. 59). De

Bree zijn echo roept de oorlog uit: "Ik zou jullie gemakkelijk stuk voor stuk kunnen

fijnknijpen. Niet uit kwaadheid. God nee, maar omdat ik dat nu es zou willen." (p.

61)





Met zijn principes vaart Bint tegen de tijdgeest in: "Ik maal niet om de psyche

van een kind, dat eenrottigheid is van deze tijd." (P. 83).





Een leraar mag zich niet inleven in het kind, mag niet "dalen" maar het kind

moet zich inleven in de leraar, het moet "klimmen". Ook tussen leraar en

leerling zijn er relatieproblemen gegroeid.





Van mijn eerste schoolhoofd herinner ik me hoe hij argumenteerde dat een leerling nooit

een kameraad kon zijn van een leraar. Kameraad in de betekenis van iemand waar je echt

vertrouwelijk mee omgaat. Er blijft een afstand tussen leraar en leerling: een andere

ervaringswereld, andere rechten en plichten. Bint breidt deze stelling uit door zijn eis

elke vriendschapsband te verbreken. Kinderen stellen geen vragen, elk woord in de klas

moet een bevel zijn.





Het systeem van Bint roept vijandschap op in de onmiddellijke omgeving: een zelfmoord

is er het rechtstreekse gevolg van. De school loopt leegt. Bint verdwijnt, zijn systeem

krijgt er iets onmenselijks door, omdat hij er zelf niet meer in kon meedraaien.





De burcht van Bint wordt zijn eigen praalgraf waarin zijn volgeling De Bree eerbiedig

rondloopt. Bordewijk spreekt geen oordeel uit: hij heeft een zender met tucht in de wereld

gestuurd, de wereld heeft die geweigerd. Door een bestuur en architectuur waarin lucht

overheerst, verandert de wereld in blokken. De rechte lijn overheerst, een boog is uit den

boze. Dorpen verdwijnen, steden met woonkwadraten komen in de plaats. De Bree fantaseert

met zijn leerlingen over architectuur:





"Wat oud en nieuw door elkaar is onzin. Een stuk oude stad kan desnoods een

openluchtmuseum zijn. Maar een stad te sparen om haar ouderdom is een zwakheid (.... ).

Wij mogen hopen dat latere geslachten onze bouwsels zullen slopen." (P. 101). In zijn

toekomstroman "Blokken" wordt de oude wereld gesloopt en Bordewijk maakt een

inventaris op van de nieuwe wereld. Het individu wordt ondergedompeld in de massa. De

staat schrijft alles voor en alles wat individueel heet, wordt staatsgevaarlijk: kinderen

krijgen geen namen meer, wetenschap en kunst blijven anoniem. Opstanden en kritiek in

binnen- en buitenland moeten door machtsvertoon gekalmeerd worden. Maar wat men ook doet,

de wereld verdraagt de rechtlijnigheid van het regime niet. Tijdens een militaire parade

overziet de Raad dat: "De vierkanten en rechthoeken waren van Boven bezien niet alle

onberispelijk als vroeger. (... ). Daar in de verte, ontplooide zich een regiment in een

boog, en een ander, heel ver weg, trachtte een cirkel te vormen." (P.31). De onrust

groeit. Bordewijk maakte eenangstwekkende waslijst van wat allemaal zou kunnen gebeuren.

Een pleidooi voor het individu, zonder dat er gepleit wordt.





Een gelijkaardige dreiging spreekt uit "Knorrende Beesten". In

"Bint" groeien de leerlingen tot dieren in de verbeelding van de schrijver, in

"Knorrende Beesten" zijn het de auto's die als dieren op de parkeerplaats van

een kustplaatsje terechtkomen: "Daar stond het beest nog even de afstand stil te

herkauwen. Haar bloed ruist in zijn mechanisme." (P. 37). Mensen en auto's zijn innig

met elkaar verbonden: "Het beest raakte op als de baas, maar ze hadden samen nog lijn

Een ongure ziekte boorde en treiterde door hun gestel." (P. 38).





Mensen worden dingen: het strand was "bespat" met bezoekers en "hun

zwarte vlees dreef Is morgens in een klomp bijeen door de branding.... 11 (p. 46). Terwijl

mens en machine in het stadje racen en een corso houden, leeft Bosbien van de auto's, maar

hij houdt zich wat afzijdig,droomt van klassengelijkheid en beseft dat de verlossing van

de vrouw komt. Bosbien en Sofia Eufemia lijken de laatste gewone mensen in dit verhaal

waarin de auto's de hoofdrol gestolen hebben. Ze hebben geen eigen leven, maar "ze

hebben een kunstleven van de hoogste orde". Een kunstleven dat echter vlug uitgeleefd

is.





"lokken" (1931), "Knorrende beesten" (1933), "Bint"

(1934) verschenen kort na elkaar. Bordewijk vond er zijn nuchtere, zakelijk stijl in: best

geslaagd in "Bint" waar deze korte zinnetjes wonderwel passen bij zijn

personage, vanaf de eerste zin: "De Bree zijn denken was hoekig en nors".





Bordewijk roept een wereld op, vertelt zonder zedenlesje. Dat kan zijn lezers problemen

geven: was hij voor of tegen het systeem van Bint? Er werd hem zelfs een neiging tot

fascisme en sadisme verweten. W.F.Hermans speelde hem ooi dit verwijt door, en Bordewijk

antwoordde in een brief:





"Inderdaad, er zijn sporen van sadisme te vinden: ontzag voor de wrede een

perfecte misdaad, voor de onmenselijke tucht. Maar ik objectiveer dit bij verder schrijven

steeds".





Reactie op Recensie





zelden zo’n goede recensie gelezen. Er staan wel een heleboel dingen in waar ik

mijn mening over kan geven. Maar een heleboel dingen kan ik wel mijn mening over geven.

Waar ik het mee eens ben is dat de stijl zakelijk en nuchter is en vooral de fantastische

beelden trokken de aandacht. Ik ben het er helemaal mee eens, vooral de personen uit De

Hel worden op een hele bijzondere manier beschreven; beschreven alsof ze monsters zijn. Ik

zou er in eerste instantie ook raar van opkijken als ik die namen zag. Het mag daarom ook

logisch zijn dat De Bree deze klas De Hel noemt. De zakelijke en nuchtere stijl past ook

heel goed bij het hoofdpersonage want zoals de recensent al zegt (vanaf de eerste zin past

het erbij) is het denken van De Bree inderdaad hoekig en nors. Waar ik het ook wel mee

eens ben is dat het systeem van Bint vijandschap opwekt in de onmiddellijke omgeving. Dat

is inderdaad te merken doordat er een leerling zelfmoord pleegt en dat de school langzaam

leegloopt. Waar ik het dan weer niet mee eens ben is dat Soetaert zegt dat een leraar zich

niet mag inleven in een kind. Ik zou niet inzien waarom niet; zolang hij maar geen kwaad

in de zin heeft. Ik vind ook dat een leerling wel een kameraad kon zijn van een leraar en

het is net zoals in Bint een beetje gek als dat niet mag; dat er helemaal geen vriendschap

is, maar alleen oorlog. Zover mag het in het echt niet gaan vind ik, dat de leraar alleen

maar bevelen geeft aan de klas die de leerlingen dan braaf moeten opvolgen.





Achtergronden





Biografische gegevens





Ferdinand Bordewijk heeft zijn literaire werk grotendeels onder eigen naam

gepubliceerd. Maar in de schaarse interviews die hij over zijn oeuvre toestond hield hij

consequent vast aan scheiding tussen persoon en auteur. Zo wilde hij in de serie

radio-interviews met Nol Gregoor, in 1962, alleen in de derde persoon over de auteur

Bordewijk spreken. Toch blijkt uit de hierna volgende levensschets dat het werk van deze

auteur soms naar het leven van de persoon Bordewijk verwijst. Dat geldt bijvoorbeeld voor

de plaats van de handeling van diverse verhalen en romans. Bordewijk werd op 10 oktober

1884 geboren in de Jan Steenstraat in Amsterdam. Een jaar later nam het gezin zijn intrek

in een huis aan Het Singel nummer 198. Dit huis zal later beschreven worden in de novelle

Keizerrijk uit de bundel De wingerdrank (1937). In 1894 verhuisde de familie naar Den

Haag. Dit was het begin van een hele serie verhuizingen, steeds maar weer binnen de

grenzen van Den Haag. De vele huizen hebben misschien bij de jonge Ferdinand de basis

gelegd voor de belangstelling voor de architectuur die hij later als auteur gebruikte in

veel van zijn werken. Na het gymnasium ging Bordewijk rechten studeren in Leiden. In

december 1911 verloofde hij zich met componiste Johanna Roepman. Na zijn promotie tot

doctor in de rechten in 1912, werd hij in januari 1913 beëdigd als advocaat. In datzelfde

jaar kreeg hij een baan in een groot advocatenkantoor in Rotterdam. Dit pand werd later in

de roman Karakter (1938) beschreven als het advocatenkantoor van Mr. Stroomkoning.

Bordewijk werkte daar tot 1919. Intussen was hij op 1 augustus 1914 getrouwd met degene

waar hij al eerder mee verloofd was. Ze kregen twee kinderen. Van 1918 tot 1920 was

Bordewijk ook nog leraar in het handelsrecht aan de Handelsschool in Rotterdam. Het

schoolgebouw was de plaats van handeling Bint (1934). In 1919 vestigde Bordewijk zich voor

de rest van zijn carrière als zelfstandig advocaat in Schiedam; hij bleef echter in Den

Haag wonen. Intussen was hij ook begonnen met het publiceren van zijn eerste proeven op

het gebied van de literatuur. In 1919 verscheen zijn eerste prozawerk, namelijk de

verhalenbundel Fantastische Vertellingen, in 1923 en 1924 gevolgd door twee gelijknamige

bundels in hetzelfde genre. Als schrijver zou Bordewijk zichzelf altijd blijven beschouwen

als een dilettant: schrijven was voor hem misschien een persoonlijke behoefte, maar zijn

beroep als advocaat behield de voorrang. Bij het verschijnen van de bundels Fantastische

Vertellingen bleven ze vrijwel onopgemerkt. Meer aandacht, hoewel niet altijd positief,

kregen de romans Blokken (1931), Knorrende beesten (1933) en Bint (1934), allen verschenen

bij uitgeverij De Gemeenschap in utrecht. In 1938 volgde Karakter, een roman die speelt in

de wereld van de advocatuur. Opzet en stijl hiervan sloten meer aan bij het traditionele

genre van de breed uitgewerkte psychologische roman. Misschien is het mede daaraan toe te

schrijven, dat Karakter niet alleen bij de meeste recensenten een gunstig onthaal vonden,

maar ook bijval oogstte bij een breder publiek. Van nu af aan gold Bordewijk als één van

de belangrijkste prozaïsten van de eigentijdse Nederlandse literatuur. Dit had tot gevolg

dat de bezetter in de Tweede Wereldoorlog sterke indruk op hem maakte om zich aan te

melden als lid van de Cultuurkamer. Bordewijk reageerde daarop echter met de mededeling

dat hij geen schrijversarbeid meer verrichtte, zodat aanmelding geen zin had. Intussen was

in 1941 nog wel zijn roman Apollyon verschenen. Gedurende de oorlog verscheen bij een

illegale uitgeverij De Bezige Bij in 1944 nog Verbrande erven; een plaatsbeschrijving

onder het pseudoniem Emile Mandeau. De oorlogsjaren gingen ook aan het gezin van Bordewijk

niet ongemerkt voorbij. Bij het bombardement van het Haagse Bezuidenhout in 1944 ging hun

huis en daarmee de bibliotheek van hem in vlammen op. De aangevraagde schadevergoeding

voor de bibliotheek werd niet gegeven, omdat hij een advocaat was: voor de wet was hij als

schrijver een dilettant. Hiermee werd van hogerhand Bordewijks eigen visie op zijn

schrijverschap bevestigd. Toch raakte Bordewijk na de oorlog meer betrokken bij het

officiële literaire leven. In 1945 werd hij benoemd tot voorzitter van de Ereraad voor

letterkunde, die bevoegd was schrijvers die met de bezetter hadden samengewerkt tijdelijk

een publicatieverbod op te leggen. Van zijn eigen publicaties in de naoorlogse jaren kreeg

vooral zijn roman Noorderlicht (1948) een gunstige beoordeling. Bordewijk zelf beschouwde

het als zijn beste werk. Evenals Blokken, Knorrende beesten, Bint en Karakter werd hij

herhaaldelijk herdrukt. De erkenning van Bordewijk als auteur van formaat kwam ook tot

uitdrukking door zijn benoeming als voorzitter van de Jan Camperstichting. In 1953 werd

hem de P.C. Hooftprijs toegekend voor Studiën in volksstructuur (1951) en voor de roman

De doopvont (1952) in 1954 werd hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Voor zijn hele werk kreeg hij in 1957 de Constantijn Huygensprijs van de Jan

Camperstichting. Op 25 april 1965 overleed hij, tachtig jaar oud, in Den Haag waar hij

vanaf zijn tiende jaar bijna onafgebroken had gewoond.





Beeld van het schrijverschap





'Karakter. Roman van zoon en vader' (roman, 1938; de titel 'Drevershaven en

Katadreuffe'; in 1939 verschijnt een Duitse vertaling als 'Büro Rechtsanwalt

Stroomkoning' en in het Engels als 'Character. A novel of father and son' in 1966; het

advocatenkantoor aan de Boompjes te Rotterdam speelt hierin een rol), 'De korenharp'

(verhalen, 1940; hierin de 'Bakerpraatjes' die Bordewijk zijn kinderen vertelde; herzien

uitgegeven in 1946), 'Drie Toneelstukken' (1941; 'Sumbo N. V. Spel van olie, dood en leven

in drie bedrijven', 'Direhoek met den huisgenoot. Bijspel in één bedrijf en 'De stier

van Opland. Klucht in één bedrijf)'Apollyon'(roman, 1941), 'Veuve Vesuvius"

(novelle, 1946), 'Eiken van Dodona' (roman, 1946), 'Bij gaslicht' (verhalen, 1947; hierin

de verhalen 'Verbrande erven' (zie boven) en 'Huis te duur', dat eerder was gepubliceerd

als boekenweekgeschenk van 193 8 en gedeeltelijk herschreven is), 'Noorderlicht' (roman,

1948; geschreven in 194 l), 'Het Eiberschilt' (verhalen, 1949), 'Zwanenpolder. 20

verhalen' (1 949), 'Vertellingen van generzijds' (verhalen, 1950), 'Studiën in

volksstructuur' (verhalen, 195 l), 'De korenharp. Nieuwe reeks' (verhalen, 195 l), De

doopvont' (roman, 1952), 'Meneer en mevrouw Richebos. Twintig korte verhalen'(1 954),

'Bloesemtak' (roman, 1955), 'Halta Noordstad'. Vermeerderd met drie eenacters en een

monoloog (toneel, 1956; 'Halta Noordstad eerder verschenen in 'De gids 'van 1941),

'Geachte Confrère, splendours en misères van het beroep van advocaat' (beschouwingen,

1956), 'Idem, tien parodieën op andere schrijvers, 1957), 'De aktetas, tien korte

verhalen' (1958), 'De zigeuners. Twaalf korte verhalen en een schets' (1 959), 'Centrum

van stilte' (verhalen, 1960), 'Paddestoelen' (raad in rijm)', (gedichten onder pseudoniem

Ton Ven, 196 l), 'Tijding van ver' (roman, 196 l), 'Wandeling door Den Haag en omstreken'

(verhalen onder pseudoniem Ton Ven, 1962; wandelingen door Den Haag van omstreeks 1895),

'Jade, jaspis en jitterbug. Wijsheid en schoonheid uit het leven van Baron van Stralen op

rijm' (gedichten onder pseudoniem Ton Ven, 1964), 'Lente, zeven verhalen' (1 964), 'De

golbertons' (roman, 1965), 'Dreverhaven en Katadreuffe' (novelle, 198 l), 'Zeven

fantastische vertellingen', 'Nagelaten feuilletons', (verhalen, 1982), 'Kelders en

paleizen. Zeventien verhalen' (1 982, een keuze uit eerder verschenen werk), 'Kritisch

proza' (1 982; een selectie van 79 van de 152 kritieken die Bordewijk van 1946 t/m 1954

voor het Utrechts Nieuwsblad heeft geschreven), 'Huissens' (novelle met tekeningen, 1982;

eerder verschenen in de bundel 'De wringerdrank'), 'Vijf kleine verhalen' (1 983,

nagelaten verhalen).





Vanaf 1982 wordt door Nijgh & Van Ditmar re 's-Gravenhage het 'Verzameld werk'

uitgegeven in 11 delen, waarvan er momenteel 4 delen zijn verschenen. Het zal geen

'volledig werk' zijn, want alhoewel ook enkele niet in boekvorm verschenen stukken zullen

worden opgenomen,zal niet al het bovengenoemde opgenomen worden. Sommige stukken zijn door

de erfgename mevrouw N. Funke-Bordewijk daartoe niet goed genoeg geacht. Voor een

verzamelaar van Bordewijks werk is dit te betreuren.





Het boek





Bordewijk was waarschijnlijk geïnspireerd door de handelsschool waar hij op werkte.

Hij heeft in Bint in ieder geval het gebouw hiervan uitvoerig beschreven en mogelijk is de

school zelf ook een handelsschool. Het is in ieder geval duidelijk dat hij zelf ook heeft

les gegeven, anders had hij er niet zo veel over geweten. De advocatuur heeft op dit boek

ook een rol gespeeld, want de zinnen zijn kort en zakelijk, precies hoe het bij een

advocaat ook moet zijn. Meer kan ik niet bij de achtergronden verzinnen, aangezien ik hier

geen informatie over heb kunnen vinden.

Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen