U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Bordewijk - Karakter.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=10633 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1707 woorden.

Titel: Karakter

Ondertitel: Roman van zoon en vader

Auteur: Ferdinand Bordewijk (pseudoniem van Ton Ven)

Uitgeverij: Nijgh & van Ditmar N.V.

Jaar van uitgave: 1ste druk 1938, 38ste druk 2000 (ik heb de 7de druk uit 1946)

Plaats van uitgave: 1ste druk ’s-Gravenhage, 38ste druk Amsterdam

Titelverklaring: Het hele boek gaat eigenlijk over de verschillende karakters van de hoofdpersonen: vader & zoon. Ook de andere personen die in het boek voorkomen hebben hele verschillende karakters die allemaal met elkaar botsen.

Opbouw: Het boek is verdeeld verschillende hoofdstukken en is in chronologische volgorde geschreven. Het boek begint wanneer Jacob wordt geboren en eindigt als Jacob 28 jaar oud is. De twee hoofdpersonen (vader en zoon) staan het hele boek tegenover elkaar. De strijd wordt in de namen van sommige hoofdstukken gesymboliseerd. Drie keer is er een hoofdstuk dat ‘Katadreuffe en Dreverhaven’ heet, daarin is de vader de sterkere. Het laatste hoofdstuk heet echter ‘Dreverhaven en Katadreuffe’, waarin de zoon zijn vader eindelijk overwonnen heeft en de zoon dus de sterkere is.

Tijd: Het is niet erg duidelijk in welke tijd dit verhaal zich afspeelt. Ik denk dat het verhaal zich in de eerste helft van de 19de eeuw zich afspeelt.

Hoofdpersonen: De twee belangrijkste zijn Jacob Willem Katadreuffe en Arend Barend Dreverhaven. Jacob is de zoon van Dreverhaven maar heeft de achternaam van zijn moeder aangehouden. Hij heeft zich vanuit de armste regionen omhoog gewerkt. Hij werd kantoorbediende, bureauchef en uiteindelijk advocaat. Dreverhaven is deurwaarder. De moeder van Jacob (Joba) is niet getrouwd met Dreverhaven.

Thema: Het centrale thema in dit boek is de machtsstrijd tussen vader en zoon.





SAMENVATTING

Joba Katadreuffe is op achttienjarige leeftijd verkracht door haar twintig jaar oudere werkgever, Arend Barend Dreverhaven. Ze raakt in verwachting en neemt ontslag. Ze krijg een kind, Jacob Willem Katadreuffe, die een armzalige jeugd beleeft. Dreverhaven vraagt haar tot zes keer om met hem te trouwen, maar Joba blijft altijd nee zeggen. Tijdens de bevalling wordt er een keizersnee bij haar gemaakt, waardoor ze erg verzwakt en niet meer zwaar werk kan doen. Ze verdient wat geld met kunst- naaldwerk en schoonmaken. Ze verhuurt ook nog een kamer aan de communist Jan Maan, hij raakt erg bevriend met moeder en zoon. Na de lagere school mag Jacob geen vak leren, zijn moeder vindt dat hij zich zelf de wereld moet slaan, omdat zij dat ook heeft gedaan. Na vele baantjes te hebben gehad raakt hij werkloos op zijn achttiende. Hij koopt boeken, om zich zelf wat te leren. Op zijn eenentwintigste neemt hij een sigarenwinkeltje in Den Haag over. Hij leent geld bij een bank en als hij zijn schulden niet meer kan betalen, raakt hij failliet. Daarna gaat hij naar het advocatenkantoor van Mr. Stroomkoning. Op eens heeft hij het, hij wil een advocaat worden. Op het kantoor ziet hij voor het eerst zijn vader die zaken doet met Mr. Stroomkoning. De curator De Gankelaar besluit om Jacob te helpen en biedt hem een baan als typiste en bediende op het advocatenkantoor aan. Hij komt er achter dat zijn vader achter zijn faillissement zit. Hij hoort verder allerlei verhalen over zijn vader op het katoor en hij wordt jaloers en trots op zijn vader en hij wilt hem voorbij streven, iets behalen wat zijn vader nooit heeft behaald. Hij gaat studeren voor het staatsexamen om zo zijn doel te bereiken: een advocaat worden. Jacob sluit zich helemaal af van de buitenwereld zodat hij zich helemaal kan concentreren op zijn studie. Hij wordt voor de tweede keer failliet verklaard door vader, waarna Jacob zijn vader uit scheldt en hem bedreigd, maar Stroomkoning zorgt dat alles goed wordt geregeld. Dan wil hij zijn vader laten zien dat hij het durft op te nemen tegen zijn vader. Kort voor het examen vraagt zijn vader voor de derde keer een faillissement bij de rechtbank aan, maar het wordt afgewezen. Hij slaagt en wordt advocaat en procureur. Tot zijn schrik reageert zijn vader heel anders dat hij had verwacht, hij geeft hem namelijk de hand en feliciteert hem hiermee. Hij verteld hem niet te hebben tegengewerkt, maar juist hebben te meegewerkt aan zijn carrière. Hij zegt dat zijn tegenwerking Jacob alleen maar heeft gestimuleerd. Verward gaat hij naar huis. Hij komt erachter dat zijn ambitie hem noodlottig is geweest, hij heet gefaald aan zijn dierbaren, hij is net zo’n monster geworden als zijn vader.





KARAKTERBESCHRIJVING

Voor het beschrijven van het karakter kon ik in dit boek kiezen tussen de twee hoofdpersonen: vader en zoon. Ik heb gekozen voor de zoon, Jacob, omdat ik hem een interessanter persoon vind dan zijn vader. In het boek wordt ook net iets meer over Jacob geschreven dan over zijn vader.



In het verhaal staan twee personen tegenover elkaar: vader en zoon. De grootste en belangrijkste karaktereigenschap van Katadreuffe is wilskracht. Doormiddel van wilskracht wil hij zijn armoedige jeugd vergeten en zorgen dat hij een goede baan krijgt. Hij wil alles doen om een man van status te worden. Zo leert hij zichzelf de Duitse taal aan zodat hij hopelijk een goede baan kan vinden.

Het liefst was hem een oud Duits lexicon waaraan de laatste delen ontbraken, wat hij niet verstond sloeg hij op in een oude Duitse dictionaire, op den duur kon hij die taal redelijk wel begrijpen. (blz. 23)

Als Katadreuffe eenmaal doctoraal gehaald heeft is hij nog niet tevreden over zichzelf: All-round man moest hij worden, in het grootte en het nietige, maar op zichzelf staand, trouwen zou hij nimmer. En het lexicon zou hem goed bezien toch in heel veel kunnen helpen. En als hij die hoogte had bereikt stond hij in eigen ogen nog laag, dan was hij niets dan een heer onder heren, een wiens kleur in de kleuren van de elite verloren ging. Maar hij wilde de aandacht vestigen op een eigen kleur,, men moest kunnen zeggen: “kijk dat daar, kijk die daar.” (blz. 323)



Doordat zijn belangrijkste karaktereigenschap, wilskracht, zo éénzijdig is ontwikkeld, ontbreekt bij Katadreuffe de liefde voor de medemens, hij kan zich aan niemand binden (ik weet niet precies hoe ik die karaktereigenschap in één woord moet weergeven). Hij is bang om andere ambities te hebben dan het behalen van zijn advocatuur, waardoor een relatie met Lorna Te George nooit tot stand kan komen en andere vrouwen ziet hij al helemaal niet staan. Op een gegeven moment zegt Katadreuffe ook tegen zich zelf dat het huwelijk niks voor hem is.

Lorna te George is de secretaresse van het kantoor waar Katadreuffe werkt. Lorna te George en Katadreuffe krijgen gevoelens voor elkaar maar Katadreuffe kan daar niet goed mee omgaan en als hij haar later in het park tegen komt (zij heeft inmiddels ontslag genomen) zegt hij dit tegen haar:

Ik zal nooit met iemand anders trouwen. U was een incident in mijn leven, een wit incident, hèt incident, dat vergeet ik niet, dat kan ik eenvoudig niet. (blz. 309)

Aan het eind van het boek komt Katadreuffe er achter dat hij in zijn leven tot nu toe eigenlijk geen stap vooruit is gekomen. Hij heeft dan misschien wel een mooie baan en genoeg geld om zijn moeder te onderhouden, maar eigenlijk staat hij nog even ver in het leven als tien jaar geleden. Hij komt er achter dat hij eigenlijk net zo’n monster is geworden als zijn vader, omdat hij niet van mensen kan houden.

Toen zag Katadreuffe dat er vier mensen in zijn leven waren en het was alles een droefheid.

Jan Maan, zijn vriend die hij nooit met zich had kunnen wegvoeren van zijn kleine ééndagsliefden en zijn benepen hang aan de Partij. De man die slechts een trouw hart had kunnen redden uit de verstikking van het kleine.

Lorna te George, de vrouw wiens warmte hij had versmaad. Hij aan deze kant, zij aan de gindse, de stroom met het eeuwig bruiloft vierende water tussen hen. Hij stond hier, hij was gebleven aan de oever als een laffe Leander. Hij had zich vergenoegd met de bruiloft van zijn gedachten om de projectie van haar wezen, het was gebleven in het spirituele, onmenselijk.

‘Haar’, hij zag haar. De stroeve, norse vrouw die hem nooit had geholpen. Maar de vrouw met de ogen als kolen vuur, de schrijfster van dit holografisch testament. De vrouw die hij thans stond te verliezen na Lorna te George, die zo van hetzelfde bloed was als hij, dat zij elkaar niet verdroegen. Want Jan Maan had gelijk, in zijn naïviteit had hij een grootte waarheid verkondigd. En hoe triest was dat, hoe anders hadden zij samen moet zijn, deze vrouw en hij.

Maar de vierde mens zag hij heel niet als een mens, hij zag hem als een boom. En die boom symboliseerde tevens zijn gevoelens voor die mens. In die boom waren deze mens en hijzelf tezamen opwaarts geschoten, onverbrekelijk. In een duisteren uithoek van zijn hart, in de hete tropische rimboe stond daar die boom. Maar hij zich met een bijl die tiekboom vellen, hij had met zichzelf ook die manmens geveld. (blz. 329)



Jacob Katadreuffe is ook een man met veel trots. Hij accepteert geen geschenken of huurverlaging zodat hij zijn schulden eerder kan afbetalen. Katadreuffe durft zijn moeder ook niet om hulp te vragen als zijn eerste faillissement wordt aangevraagd. Als Katadreuffe wordt gepromoveerd tot bureauchef biedt Stroomkoning hem een salaris van 2500 gulden. Katadreuffe zegt, als Stroomkoning hem vraagt of hij het met het aanbod eens is:

“Ja, ik wil niet meer salaris hebben dan ik verdien”.

“Verdien?”

“Ja, in mijn eigen ogen verdien. Als u mij vijftien honderd gulden betaalt, om te beginnen…” (blz. 200)

Als bij Katadreuffe weer een faillissement wordt aangevraagd en hij naar de rechtbank moet gaan, blijkt dat hij ook nog een schuld bij menner de Gankelaar heeft staan. De Gankelaar had voor Katadreuffe namelijk een paar boeken gekocht, beiden waren het echter al weer vergeten. Als ze in de rechtbank zijn wil de Gankelaar de schuld gewoon vergeten maar Katadreuffe staat er op dat hij toch betaald, ook al kan dit nog een faillissement veroorzaken. De rechter (menner Carlion) zegt:

“Ik verklaar nadrukkelijk namens meneer de Gankelaar dat hij niks te vorderen heeft”.

“Neen”, zei Katadreuffe en hij keerde zich nog altijd wit, naar Carlion, “Neen, meneer Carlion, dat wil ik niet, ik ben het schuldig, absoluut”. Want hij kon geen geschenk aannemen, al stond zijn toekomst op het spel, al ging het om een armzalige achttien gulden. (blz. 220)
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen