U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Marga Minco - De Val.
Deze versie komt van http://huiswerk.leerlingen.com/boekverslag/20066/ en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2220 woorden.

De Val





Boekgegevens:



M. Minco

De Val

Amsterdam, 1991, 15e druk

Verschenen: 1983





Ondertitel:

Het boek heeft geen ondertitel.





Motto:

Het motto is afkomstig uit ‘The Dean’s December’ van Saul Below:



‘I imagine, sometimes, that if a film could

be made of one’s life, every other frame

would be death. It goes so fast we’re not

aware of it. Destruction and resurrection in

alternate beats of being, but speed makes it

seem continuous. But you see, kid, with

ordinary consciousness you can’t even begin

to know what’s happening.’



Hierin wordt eigenlijk gezegd hoe moeilijk het is om te begrijpen wat er in het leven van een mens gebeurt. Het gaat zo snel, dat we ons er niet van bewust lijken te zijn. Dit motto versterkt het thema in het boek, het toeval.





Opbouw:

De Val is een psychologische novelle met 93 pagina’s. Het boek is opgebouwd uit zestien korte, ongenummerde hoofdstukjes.



Het verhaal wordt niet chronologisch verteld. Er zijn regelmatig flashbacks naar het moment dat de man en kinderen van Frieda worden opgepakt door de Duitsers in 1942.



Doordat Frieda regelmatig herinneringen heeft naar dat bewuste moment in 1942 is het verhaal fragmentarisch opgebouwd.





Thema:



Het thema van het boek is: de macht van het toeval.

Toeval doet met de mens wat het wil.





Samenvatting:



Twee monteurs van de gemeentewerken, Baltus en Verstrijen, drinken op een donderdagochtend om half acht een kopje koffie in café ‘De Salamander’. Het is erg koud omdat het die nacht hard gevroren heeft.



Op diezelfde ochtend wordt Frieda Borgstein in het bejaardentehuis ook om half acht gewekt. Ze gaat vandaag voorbereidingen treffen voor haar vijfentachtigste verjaardag, die ze morgen viert.



Baltus en Verstrijen beginnen die dag tegenover het bejaardentehuis met hun werkzaamheden in een put van de stadsverwarming.



Het bejaardentehuis krijgt twee Zweden op bezoek die zijn geïnteresseerd in de moderne bejaardenzorg in Nederland. Rena van Straten (directrice) en Bien Hijmans (hoofd van de huishouding) treffen hiervoor de nodige maatregelen.



Frieda Borgstein heeft in de oorlog een vreselijke ervaring gehad. Haar man Jacob en haar twee kinderen, Olga en Leo zijn door verraad door de Duitsers weggevoerd. Doordat Frieda nog even boven een vest wilde pakken, is ze door de Duitsers niet opgemerkt en is ze dus niet meegenomen. De familie Oosterveen heeft haar opgevangen, maar Jacob en haar kinderen zijn niet meer teruggekeerd.



De enige waar Frieda veel mee om gaat in het bejaardentehuis is Ben Abels, een klusjesman in het bejaardentehuis. Hij is vroeger de jongste bediende geweest op het makelaarskantoor van Jacob. Hij heeft tijdens de oorlog in een concentratiekamp gezeten. Toen bleek dat hij de enige overlevende van de familie was, is hij gaan varen en kwam hij in Amerika terecht. Na vele baantjes te hebben gehad, dacht hij eindelijk rust te vinden in Brazilië. Toen hij daar een kampbewaarder herkende, kwam hij toch maar terug naar de stad met de rivier.



Het is voor het eerst na veertig jaar dat Frieda haar verjaardag weer viert. Ze wil het hele tehuis trakteren op gebakjes. Daarom wil ze (ondanks het slechte weer) naar buiten om nog wat zaakjes te regelen. Het wordt haar sterk afgeraden om met zulk weer naar buiten te gaan, maar ze wil toch gaan. Na de koffie verlaat ze het bejaardentehuis. De wind blaast haar de straat over. Ze ziet dat het voetpad wordt geblokkeerd door een auto, maar ze wil geen omweg maken omdat ze al laat weg was.



Intussen hebben Baltus en Verstrijen weer een verwarmingsput opengemaakt Ze plaatsen er geen hekjes omheen. Baltus gaat even naar het toilet en vraagt Verstrijen om een oogje in het zeil te houden. Op een gegeven moment krijgt Verstrijen het koud. Hij loopt naar het GEB gebouw om Baltus weer terug te halen.



Intussen nadert Frieda de dampende put. Door de kou zijn haar ogen vochtig geworden en ziet ze het deksel en de slang van de put niet. Ze valt in de put en slaakt een kreet. Verstrijen hoort iets en loopt terug naar de put. Hij probeert Frieda uit het kokende water te halen, maar het lukt hem niet.



Gerrie (een verzorgster) is de eerste in het bejaardentehuis die merkt dat er aan de overkant een ongeluk is gebeurd. Van Straten en Hijmans hebben al zo’n gevoel dat er iets met Frieda is gebeurd. Abels gaat met spoed naar buiten om te kijken.



Op het moment dat Frieda uit de put wordt gehaald leeft ze nog, maar spoedig daarna moet ze gestorven zijn. Ben Abels neemt haar tas mee en geeft die aan de directrice. Ze vinden een sigarettenkoker, een zilveren portretlijst en een etui met foto’s. Abels brengt de spullen naar de containerkelder en doet ze in een asemmer.



Op de dag van het ongeluk ontmoet Abels een man met grijs haar, die hij vaag kent. Hij hoort van de directrice dat het Hein Kessels is, een ambtenaar van de provinciale bejaardenzorg. De dag voor de begrafenis heeft Abels een gesprek met hem. Voor Hein wordt het een moeilijk gesprek. Hij zou in 1942 de Borgsteins naar Zwitserland brengen. ’s Avonds zou hij hen met de fiets op komen halen. Toen hij daar arriveerde, was de SD er ook, met een auto. Jacob, Olga, Leo en ook Hein worden in de auto gegooid en meegenomen. De Duitsers zochten niet naar Frieda. Ze wisten blijkbaar niet hoeveel mensen er aanwezig zijn. Hein is verhoord en naar een concentratiekamp gebracht. Hij is geen verrader, wat al die tijd gedacht werd. Omdat hij onervaren was, is er waarschijnlijk een foutje in de organisatie geweest en dat is hun fataal geworden. Na de oorlog is Hein in een andere plaats gaan wonen. Hij heeft de moed niet op kunnen brengen om contact op te nemen met Frieda. Die zal daarom ook nooit weten waarom de zaak is misgelopen.





Personages:



Hoofdpersoon:

Frieda Borgstein: Round character. Ze is een eigenwijze vrouw van bijna 85 jaar. Ze bemoeit zich weinig met de andere bewoners van het bejaardentehuis. Ze denkt nog heel veel aan het verleden. Zo neemt ze bijvoorbeeld nog altijd een portret van Jacob en familiefoto’s mee in haar handtas. Ze heeft ook veertig jaar haar verjaardag niet willen vieren omdat dat haar teveel doet denken aan een kamer vol met mensen die op dat moment voor het laatst bij elkaar zijn.



Bijfiguren:

Baltus: Flat character. Monteur van de gemeentewerken. Hij is een onverschillige man met weinig verantwoordelijkheidsgevoel (hij plaatst geen hekjes om de put ). Hij klaagt teveel.



Verstrijen: Flat character. Ook een monteur van de gemeentewerken. Het is een man van midden dertig. Hij heeft vaak ruzie met zijn vrouw. Carla (bediende van ‘De Salamander’) is verliefd op hem.



Rena van Straten: Flat character. Zij is de directrice van het bejaardentehuis. Ze kan goed orde houden en heeft hart voor de bejaarden.



Bien Hijmans: Flat character. Ze is het hoofd van de huishouding. Ze is een beetje nonchalant en heeft altijd haast. Soms laait er bij haar plotseling een driftbui op.



Ben Abels: Flat character. Hij is de enige die Frieda goed begrijpt. Een eenvoudige, hartelijke man.



Hein Kessels: Flat character. Het is een gezette man met dun, grijs haar in zijn nek. Hij heeft nooit kunnen vergeten wat er in de oorlog met de familie Borgstein is gebeurd en hij heeft er jarenlang niet over kunnen praten.





Titelverklaring:



Het woord ‘val’ heeft twee betekenissen. Het is een zelfstandig naamwoord dat is afgeleid van ‘vallen’ en het is een synoniem van ‘hinderlaag’. Beide betekenissen zijn in dit boek van toepassing.

- Frieda Borgstein denkt gedurende haar leven dat haar man en haar kinderen in een val van een verrader gelopen zijn. Hein Kessels wilde niet helpen, maar hij was een agent van de Duitsers.

- Frieda maakt twee keer in haar leven een beslissende val: de eerste keer ontkomt ze daardoor aan de dood; de tweede keer kost de val haar het leven.



Ook vind ik toeval hier bij horen. Er gebeuren veel

toevallige dingen in dit boek.





Tijd:



Het verhaal speelt zich af in 1982. Regelmatig zijn er

flashbacks naar 1942.



Vertelde tijd:

Het verhaal beschrijft een donderdagochtend van half acht tot een uur of elf, half twaalf. Alleen het laatste hoofdstuk (de begrafenis en de bekentenis van Hein Kessels) is als het ware een epiloog.



Vertel tijd:

Ik heb er ongeveer twee uur over gedaan om het boek uit te

lezen.



De verteltijd is korter dan de vertelde tijd.



Tijdsperspectief:

Het tijdsperspectief is vision avec. De verteller weet net als de

lezer niet hoe het verhaal afloopt.





Perspectief en vertelsituatie:



De alwetende verteller vertelt het verhaal. Hij vertelt aan de

lezer wat er gaat gebeuren en overziet het geheel. De eerste

zin van het boek is al een goed voorbeeld:‘ Het staat vast dat

de twee monteurs van gemeentewerken zich die

donderdagochtend niet zoals anders regelrecht van het centraal ketelhuis naar hun werk begaven, maar

onderweg eerst aanlegden bij De Salamander’.





Ruimte:



Het verhaal speelt zich af in een stad aan een rivier.

Frieda woont in een bejaardentehuis. Het tehuis ligt tussen

gemeentekantoren in.

Andere plaatsen zijn: het café De Salamander, het café waar

Ben Abels en Hein Kessels het gesprek hebben en de

begraafplaats.









Taalgebruik en stijl:



Het taalgebruik van Marga Minco is eenvoudig. Ze gebruikt

bijna geen moeilijke woorden. De zinnen zijn niet te lang.

Er zijn veel herinneringen naar het verleden. Er komen

redelijk veel dialogen voor in de novelle die natuurlijk

overkomen.





Motieven:



Schuldgevoel:

Aan het eind van het boek blijven veel personen met een schuldvraag zitten.

Hein Kessels omdat hij ervoor verantwoordelijk is dat de familie Borgstein werd opgepakt.

Rena van Straten en Bien Hijmans omdat ze Frieda toch naar buiten hebben laten gaan met het slechte weer.

Baltus en Verstrijen omdat ze geen hekjes om de put geplaatst hebben en omdat ze gewoon niet goed hebben opgelet.

Ben Abels omdat hij niet mee naar buiten is gegaan omdat hij nog een karweitje op moest knappen.



Het toeval:

Doordat Frieda in de oorlog ‘toevallig’ valt, wordt ze niet opgepakt en meegenomen. In 1982 valt Frieda ook weer toevallig in die kokende verwarmingsput, waardoor ze overlijdt.

In het gesprek wat Ben Abels aan het eind van het boek met Hein Kessels heeft, blijkt ook dat Hein toevallig zes minuten eerder kwam dan afgesproken. Als hij wat later was gekomen waren de Duitsers misschien al verder gereden.



Bezorgdheid:

Hierbij speelt ‘het vest’ een belangrijke rol.

Als de familie klaar staat voor vertrek gaat Frieda op het laatste moment nog een vest halen voor haar dochter Olga.

In het bejaardentehuis raden ze haar aan een vest aan te doen als ze boodschappen gaat doen.

Genre:



‘De Val’ is een psychologische novelle.

Over de gedachten van verschillende personages kom je best veel te weten.

Bijvoorbeeld de herinneringen van Frieda en haar twijfel of ze wel of niet naar buiten zou gaan vanwege het slechte weer. De manier waarop Verstrijen over zijn vrouw en over Carla denkt.





Bijzonderheden:



Marga Minco schrijft dit boek naar aanleiding van een krantenbericht: in Arnhem was een oude vrouw in een stadsverwarmingsput gevallen. Die vrouw was de moeder van Marga Minco’s overleden schoonzus Lotte.





Achtergrond van de schrijver:





Marga Minco werd op 31 maart 1920 in Nieuw-Ginniken geboren in een Joods gezin. Haar echte naam is Sara Minco, maar al vlug laat ze zich in plaats van Sara Selma

noemen. Als ze van school af komt begint ze in 1938 als

verslaggeefster van de Bredasche Courant. Daar werkt ze tot

het moment dat de directie verplicht wordt Joodse

personeelsleden te ontslaan. In deze tijd ontmoet ze de

journalist en auteur Bert Voeten, die later haar echtgenoot

zal worden.



In het begin van de oorlog woont ze in Assen, Delft en

Amsterdam. Ze krijgt een lichte vorm van tbc en belandt in

ziekenhuizen in Utrecht en Amersfoort. In het najaar van

1942 komt ze bij haar ouders terug die inmiddels in een

‘Judenviertel’ wonen.



Op een gegeven moment worden haar ouders opgepakt. Zelf

kan ze ontkomen. Ze verblijft de rest van de oorlog op

onderduikadressen. Vanaf 1944 woont ze voorzien van

geblondeerd haar en een nieuwe naam (Marga Faes) met

Bert Voeten in Amsterdam. Ze is de enige van de familie die

de oorlog overleefd heeft.

Deze gebeurtenis bepaalt haar literaire werk.



Na de oorlog werkt Marga Minco voor een aantal kranten en tijdschriften. Vlak voor de herdenkingsdagen van mei 1957 wordt Het bittere kruid gepubliceerd. In deze novelle beschrijft ze haar eigen ervaringen tijdens de oorlog.





Eigen mening:



Ik vond het een heel leuk boek om te lezen. Omdat Marga Minco geen moeilijke woorden gebruikt, leest het gemakkelijk weg.

Het thema toeval vind ik erg interessant. Doordat ik nog nooit over toeval heb nagedacht is het boek nog dagen door mijn hoofd blijven spoken.

Op het begin snapte ik de dialogen niet tussen Baltus en Verstrijen. Als je wat verder bent in het boek wordt het toch wel snel duidelijk. Het boek bleef mij tot het eind boeien. Het gesprek tussen Ben Abels en Hein Kessels vond ik een passend slot.

Ik vind de opbouw wel mooi. Twee verhaallijnen die elkaar op een gegeven moment kruisen.

Ik kan me niet zo goed verplaatsen in Frieda. Ik denk dat dat komt doordat ze een heel ander karakter heeft dan ik en doordat ze in haar leven al veel meer meegemaakt heeft dan ik.

















Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen