U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Godfried Bomans - Erik Of Het Klein Insectenboek.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=5738 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 4121 woorden.

Boekbeschrijving:

Auteur: Godfried Bomans
Titel: Erik of het klein insectenboek
Druk: Achtenveertigste druk
Uitgever, plaats, jaar: Het Spectrum BV, Utrecht, 1994
Jaar van eerste druk: 1941
Aantal pagina’s: 156
Indeling: Het boek is verdeeld in dertien genummerde hoofdstukken, met aan het begin van elk hoofdstuk een korte samenvatting van wat er gaat gebeuren. Aan het begin van het boek staan voorwoorden bij de vierde, de achtste, de elfde, de veertiende en de zesentwintigste druk. Achterin het boek staat informatie over de
schrijver en zijn werken en een korte samenvatting van het boek,voorzien met commentaar, van Casper Markesteijn.
Motto: het motto is afkomstig van een brief die Leonardo da Vinci aan Gabriële Piccolomini schreef: “Wij zijn alle ballingen, levend binnen de lijsten van een vreemd schilderij. Wie dit weet, leeft groot. De
overige zijn insecten.”

Samenvatting:

Uitgebreide samenvatting op andere pagina.

De gebeurtenissen spelen zich af in het land Wollewei, een schilderij dat in de slaapkamer van de hoofdpersoon, Erik Pinksterblom, aan de muur hangt. Het verhaal speelt zich in één nacht af, maar duurt voor Erik één maand. Erik leert de dieren uit zijn leerboek in levende lijve kennen en merkt dat zij niet veel verschillen van de mensen.
Het verhaal heeft een gesloten einde. De lezer komt te weten dat Erik groot is geworden, zelfs vader zou kunnen zijn van een eigen kind en slechts af en toe nog eens aan dit avontuur terugdenkt. Hij herkent het gedrag van de insecten soms nog in bepaalde mensen, maar daarmee eindigt het verhaal van Erik Pinksterblom.

Thema:

In “Erik of het klein insectenboek” wordt op luchtige, ironische wijze de bekrompenheid, de zelfgenoegzaamheid en het materialisme van de mens gehekeld.
Erik ziet tijdens zijn verblijf in het slakkenhuis al snel de beperktheden van het zo idyllisch lijkende insektenleven in Wollewei, maar hij durft niemand te vertellen “dat dit hele leven, dat ieder zo matelooos belangrijk vond, zich slechts afspeelde tussen de goedkope lijsten van een schilderij, dat elk ogenblik door de werkster in de kachel gestopt kon worden.”
Dat de insektenwereld van het schilderij vergeleken kan worden met de mensenwereld, geeft de autocriale verteller expliciet aan als hij vertelt dat Eriks eerste daad in het land Wollewei huilen was: “Maar deden wij soms anders toen wij voor het eerst gezet werden in het schilderij waarin we nu al zo lang leven?” En als Erik groot is, doen sommige mensen hem sterk aan insekten denken.
Het verhaal heeft een duidelijk moraal: “houdt altijd de lijst (de dood) in het oog en bekommert u niet té zeer om honing (geld)…”.
Titelverklaring:

Erik: Erik is de hoofdpersoon van het verhaal

Het klein insectenboek: dit doet denken aan een natuurgids à la Solms, het boek waaruit Erik alle insecten moet leren. Omdat Erik insecten tegenkomt en ook de kenmerken van deze dieren
leert kennen, lijkt het wel alsof je een klein insectenboek leest.

Analyse:

Personages:

De hoofdpersoon is Erik Pinksterblom. Erik is een onbevangen jongetje van negen jaar. Hoewel hij niet echt een toonbeeld van deugd is, voeren de positieve eigenschappen toch de boventoon. Hij is beleefd, ijverig, heeft snel medelijden met anderen en probeert hen zo goed mogelijk te helpen. Zowel in de volwassenwereld als in de insektenwereld begaat hij wel eens blunders. Hij bedoelt het meestal goed, maar door misverstanden pakt het soms anders uit. Die misverstanden ontstaan, omdat de kinderlijke Erik (ondanks Solms!) nog te weinig inzicht heeft in de insektenwereld, die verdacht veel op de wereld der volwassenen lijkt. Juist door die onwetendheid en naïviteit van Erik komen de nare karaktertrekjes van de insekten / volwassen mensen extra duidelijk aan het licht.
Erik is een round character, want hij ontwikkelt zich in de loop van het verhaal. Zijn karakter krijgt steeds meer kenmerken en nieuwe waardes worden aan zijn karakter toegevoegd.

Belangrijke bijpersonen zijn de insekten uit het land (schilderij) Wollewei. De insekten worden, ondanks hun insekten-uiterlijk, als mensen beschreven; ze dienen om op karikaturale wijze negatieve menselijke eigenschappen uit te beelden. Ze zijn alle bekrompen en zelfingenomen (alleen de eigen soort is goed) en materialistisch ingesteld (honing). De wespenfamilie Van Vliesvleugel is vervelend met haar misplaatst standgevoel, de hommel is een quasi-intellectueel bij wie het uiteindelijk toch om geld draait; zo ook bij de trage slak. De spin is een gevaarlijke verleidster. De doodgraver lijkt eindelijk iemand te zijn die kan relativeren, maar het tegendeel blijkt uit zijn opmerking dat de hele wereld er voor de doodgravers is. Dit illustreert de neiging van mensen om alles alleen van hun eigen standpunt te bekijken. De zelfingenomenheid wordt zeer beeldend weergegeven in de kronkelende worm. De insecten zijn daarom allemaal flat-characters. Ze ontwikkelen zich niet, maar houden dezelfde houding tegenover de wereld en elkaar.
Slechts twee dieren lijken zich boven deze “kleine” wezens te verheffen. De vlinder verlangt naar ruimte en geeft tijdens zijn verliefdheid blijk van hogere gevoelens, maar uiteindelijk gaat het ook bij deze prachtige, tere wezentjes alleen om honing. Ook de mieren lijken in hun bereidheid met Erik op zoek te gaan naar de lijst, naar meer ruimte te streven. Bovendien prijst Erik ze om hun nijverheid. Maar het blijken oorlogszuchtige beestjes te zijn. En passant wordt ook nog het verheven kunstenaarschap gehekeld in de miskende mierendirigent, die muziek maakt die door niemand gezongen kán worden.
Erik ziet eigenlijk maar één positieve eigenschap bij de insekten: hun instinct en dat is nu net iets dat de mensen niet hebben.

De overige personages (Erik’s klasgenootjes, zijn schooljuffrouw, zijn ouders, zijn grootouders en zijn broertjes en zusjes) zijn nauwelijks uitgewerkt. Henkje Sjollema is de knapste jongen van de klas, die ook de kleine lettertjes leert. In juffrouw Schönberg wordt het onderwijs gehekeld. Pa Pinksterblom is kamerlid en Eriks moeder doet net als alle andere insektenvrouwen alsof ze maar een eenvoudig maal bereid heeft, terwijl ze zich de hele dag in de keuken heeft uitgesloofd. Deze personen zijn alle types. Er zijn slechts één of twee eigenschappen van ze bekend, ze ontwikkelen zich niet en spelen verder geen belangrijke rol in het verhaal.
Perspectief:

Het verhaal van Erik wordt verteld door een auctoriale verteller. Deze richt zich af en toe rechtstreeks tot de lezer en maakt er geen geheim van dat hij aan het vertellen is (in de titel van hoofdstuk 5 staat expliciet “schrijver”) en dat het hier om een boek gaat.Dit is vooral duidelijk in de openingszin: ”De kleine Erik lag, juist op het ogenblik dat dit boekje begint……” en in de twee slotzinnen: “En hier eindigt de geschiedenis van Erik Pinksterblom. Vaart allen wel..….”, maar ook in de openingszin van hoofdstuk 10: “Wij zullen nu horen van de wonderlijke avonturen…….”. Deze vertelwijze doet denken aan de aloude schelmen- of avonturenroman en ook aan sprookjes. Het sprookjesachtige element wordt versterkt door de vele passages die vanuit Erik geschreven zijn (vision dedans); door het gezichtspunt van een kind te nemen, komen de vele wonderbaarlijke gebeurtenissen als vanzelfsprekend over. Tussen de onbevangen blik van Erik en de alwetende stem van de verteller onstaat een ironiserende ontwikkeling.

Tijd:

De vertelde tijd in Erik is in feite nogal kort en zal niet zoveel verschillen van de verteltijd: één nacht en één dag (waarvan die dag vrij globaal verteld wordt). Het verhaal is chronologisch verteld zonder flash-backs. Wel is er aan het eind van het boek nog een flash-forward naar een onbestemde tijd later. Die ene nacht wordt dus uitgebreid beschreven en dat is niet zo gek, want Erik maakt in die korte tijd veel mee: hij droomt (al wordt dat nergens met zoveel woorden gezegd) dat hij in de wereld van het schilderij Wollewei terechtkomt. Vrij nauwkeurig wordt het tijdsverloop van zijn verblijf daar aangegeven. De tijdsaanduiding klopt niet helemaal: Erik zegt tegen de mieren dat hij al drie weken in Wollewei is, maar de volgende dag, na het smadelijke briefje van juffrouw Schönberg, staat er dat hij een volle maand onder de insekten heeft geleefd. Dit hoeft geen fout in de tijdstructuur van het verhaal te zijn, maar kan ook een bewuste inconsequentie in verband met het droomelement zijn.
De drie weken of volle maand in Wollewei worden niet van munuut tot minuut beschreven. Met zinnetjes als “Het waren in het begin aardige dagen” wordt de tijd verdicht. Eriks verblijf in Wollewei speelt zich af in het najaar, wat blijkt tijdens het Noenmaal bij de mieren. Het verhaal is geschreven in de verleden tijd.
Er komen allerlei vooruitwijzingen voor in de roman, bijvoorbeeld Eriks verwachting dat er iets bijzonders gaat gebeuren en allerlei opmerkingen van de alwetende verteller, zoals: “Doch hij zou zich over nog veel meer verwonderen”. Sommige flash-forwards zijn pas later als zodanig herkenbaar, bijvoorbeeld Eriks beschrijving van het schilderij Wollewei in het eerste hoofdstuk: “In het gras, rechts onderaan, kronkelde een worm, en een doodgravertje stond er belangstellend naar te kijken” en “slapen in die rode papaver daar links, of in het slakkenhuis, als daar plaats is”. De uitgebreide hoofdstuktitels zijn in feite ook vooruitwijzingen. Ze zijn afkomstig van de auctoriale verteller, die de afloop van zijn verhaal kent, al laat hij dat ter wille van de spanning meestal niet blijken. Het tijdsperspectief is vision par derrière: “En nu is dat alles al weer lang geleden”.
Ruimte:

De ruimte speelt een belangrijke rol in het boek en staat in verband met het thema. Het verhaal speelt zich af in beperkte ruimten: in Eriks slaapkamer en het schilderij Wollewei. Alleen in het laatste hoofdstuk treedt Erik hierbuiten (huiskamer, school), maar na zijn ervaring met deze ondankbare wereld wordt hij het liefst weer klein om voorgoed in Wollewei te gaan leven. Dit schilderij heeft hij zo genoemd, omdat er witte schaapjes op graasden in een groene wei; in de verte leunt een oude herder op zijn staf, een kleine herdersjongen blaast op zijn koperen hoorn en witte wolken drijven door de blauwe lucht. Als Erik in het schilderij terechtkomt, ziet hij geen schapen en herders, alleen de blauwe lucht (die met het tijdsverloop meeverandert in een roze dageraad of een sterrenhemel), want Erik wordt net zo klein als de insekten die de schilder er met eindeloos geduld op geschilderd had. Maar hoe groot de Wollewei-wereld ook voor hem wordt, toch beseft hij de beperktheid ervan: ergens is de lijst, waarachter de échte wereld begint. Het motto is dan ook van toepassing op Erik.
Beoordeling:

Ik vond “Erik of het klein insektenboek” een geweldig boek!

Het boek heeft niet echt een pakkend begin, maar toch wilde ik wel weten wat er zou gaan gebeuren, want de schrijver schetst in het begin een vrij mysterieuze omgeving: het uur waarop de kleine mensen naar bed gaan en waar de grote mensen niet van weten is toch wel spannend!
Het boek is makkelijk geschreven en ook vrij dun, zodat je niet het idee hebt dat er nooit een eind aan komt. Het verhaal blijft spannend en is daardoor boeiend, want je wilt weten welke avonturen Erik allemaal zal beleven en op welke manier hij uiteindelijk weer thuiskomt. Ik ben blij dat het verhaal chronologisch is verteld, want als er veel flash-backs of flash-forwards zijn, vind ik een verhaal al gauw rommelig worden. Maar het sprookje zit goed in elkaar en is totaal niet rommelig geschreven met bijvoorbeeld allerlei passages er tussendoor van een verhaal in het verhaal. Het taalgebruik is goed en begrijpelijk. De vertelling is niet te lang en daardoor kan het ook niet gaan vervelen. Het gebruikte perspectief geeft een leuke wending aan het verhaal. Zo heb je namelijk het idee dat iemand de gebeurtenissen aan je vertelt. Je kan echter ook zelf meekijken in de wereld van Erik en dat maakt het pas echt een sprookje. De schrijver beschrijft alles vrij gedetailleerd en het verhaal is daardoor erg beeldend: je ziet precies voor je hoe de wereld Wollewei eruit ziet en daardoor kan je je helemaal inleven in de gebeurtenissen. De climax in het verhaal is wanneer Erik met de mieren op zoek gaat naar de lijst van het schilderij en dan in het gevecht terechtkomt. Hij wordt dan gestoken door een mier en op dat moment ben je bang hij niet meer thuiskomt en wil je snel verder lezen. Als hij dan plotseling in bed zit, is het verhaal eigenlijk snel afgelopen.
Het boek eindigt met een gesloten einde en dat vind ik altijd erg prettig, want dan blijven er geen vragen onbeantwoord en heb ik het gevoel dat het verhaal is afgerond. Ik kan het boek dan voldaan in de kast terugzetten.

De vertelling is niet geloofwaardig, want het speelt zich allemaal in een fantasiewereld af. Toch heeft het boek diepgang en spreken het verhaal, de tijd en de plaats mij erg aan. Je kan je namelijk goed in Erik en de verschillende situaties inleven, doordat ze erg realistisch beschreven zijn en bovendien gebaseerd zijn op de “echte” mensenwereld. Iedere volwassene heeft wel een fantasiewereld en veel elementen zijn herkenbaar uit eigen kinderdromen. Het verhaal is origineel van inhoud, want niet veel boeken zullen over een klein jongetje gaan dat in een fantasiewereld stapt, hier allerlei avonturen met insekten beleeft en ondertussen ook veel elementen uit de werkelijke wereld tegenkomt. Het boek is niet echt voorspelbaar, op één ding na: je weet dat Erik uiteindelijk weer thuiskomt en dan teleurgesteld zal zijn in de mensenwereld. Hoe hij weer terugkeert is echter nog niet bekend en dus was ik daar wel benieuwd naar.
Het boek is voor volwassenen beter geschikt dan voor kinderen, omdat het bol staat van de diepere gedachten. Bovendien is het taalgebruik voor kinderen lastig en zullen zij de boodschap van het verhaal er niet uithalen.

Bij bestudering van de achtergrondinformatie kwamen er diepere gedachten naar voren die ik zelf nog niet had gevonden. Daarentegen heb ik zelf ook dingen ontdekt die niet in de artikelen en boeken terug te vinden zijn. Het verhaal is erg leerzaam, omdat het een kritische blik op de werkelijkheid werpt. Het verhaal heeft me aan het denken gezet en zal me nog lang bijblijven, want in het dagelijks leven vind je dingen terug die in het boek beschreven zijn. De schrijver bekritiseert de maatschappij en heeft standpunten waar ik het mee eens ben. Zo vind hij de wereld materialistisch en dat klopt, want het gaat tegenwoordig voornamelijk om wat je bereikt. Hoe hoger je op de maatschappelijke ladder staat, hoe meer kans je hebt op een goed leven en dat is jammer, want de mensen met een minder hoge opleiding krijgen op die manier weinig kans om een mooi bestaan op te bouwen.
Informatie over boek en schrijver:

Godfried Jan Arnold Bomans werd geboren op 2 maart 1913 in Den Haag als vierde kind. Er zouden nog drie kinderen komen, want het gezin Bomans was streng katholiek en in die tijd was het gebruikelijk dat katholieke gezinnen veel kinderen hadden. Een half jaar na de geboorte van Godfried verhuisde het gezin naar Haarlem, waar Godfried naar de rooms-katholieke lagere school ging. Vader Bomans werd lid van de Tweede Kamer voor de nogal rechtse R.K. Staatspartij en later wethouder van de gemeente Haarlem. Godfried had met zijn vader geen enkel contact. Deze schreef onder het pseudoniem J.B. van Rode een enorme, vijftiendelige, romancyclus.
Een ongelukkige jeugd zal Godfried niet echt gehad hebben, want zijn geschreven jeugdherinneringen heten “Een mooie tijd”. Het katholieke geloof speelde een grote rol in het gezin en hierover heeft Bomans één van zijn beste bundels geschreven: “Beminde Gelovigen”.
Na de lagere school ging Godfried naar het Lyceum Sanctissimae Trinitatis in Haarlem, waar hij de gymansiumafdeling doorliep. In de eerste klas begon hij al onder verschillende pseudoniemen met het schrijven van stukjes in het schoolblad en na een poosje werd hij hoofdredacteur. In de vijfde klas scheef hij het toneelstuk Bloed en Liefde; een doldwaas stuk waarin iedereen aan het eind doodgaat en waarin zoveel rollen zitten als er leerlingen in zijn klas. Bomans’ echte literaire debuut was poëzie en proza in het literaire tijdschrift “Het venster”.
De studie rechten die Godfried na het lyceum in Amsterdam ging doen, werd geen succes. Schrijven werd steeds belangrijker voor hem en in 1936 verscheen zijn eerste boek dat ook één van zijn bekendste zou worden: “Pieter Bas”. De oorspronkelijke, volledige titel luidt: “Memoires of gedenkenschriften van Mr. P. Bas”. Het boek gaat over een denkbeeldige minister van Onderwijs die in Dordrecht geboren werd en later (net als Bomans) rechten gaat studeren. Hierin zitten veel autobiografische elementen van Bomans, die ook een echte Engeland-liefhebber en een groot bewonderaar van Dickens was. Hij bezat zelfs de op één na grootste Dickens-bibliotheek van de wereld. Bomans heeft ook heel wat stukken over deze Engelse schrijver geproduceerd, die later verschenen onder de titel “Dickens waar zijn uw Spoken?” Zelfs het leven van Dickens en Bomans vertoonde grote overeenkomsten. Het waren beide uitstekende sprekers, zij traden allebei graag en vaak op in het openbaar en ze stierven beiden op 58-jarige leeftijd.
Na het verblijf van Bomans in Amsterdam kwam hij in Nijmegen terecht. Hij huurde daar een kamer en ging psychologie studeren. In die tijd schreef hij zijn bekendste boek: “Erik of het klein insectenboek”. In de oorlog verhuisde Bomans naar Haarlem en dook hier onder.
In 1944 trouwde hij Pietsie Verscheure met wie hij in 1941 al verloofd was. Nog in de oorlogsjaren werd Bomans redacteur van Elseviers weekblad en na de bevrijding werd hij kunstredacteur van De Volkskrant. Zijn eerste bijdrage was een verslag van de feestelijkheden op de Dam op 10 mei 1945. In datzelfde jaar startte in die krant het stripverhaal “De avonturen van Pa Pinkelman” en in 1946 verscheen “Sprookjes”.
In de jaren vijftig verbleef Godfried Bomans een paar maal langere tijd in Rome. Voor Elseviers weekblad en De Volkskrant schreef hij reportages vanuit de Italiaanse hoofdstad en in 1956 verscheen “Wandelingen door Rome”.
Intussen was hij begonnen met radio-werk. Voor de KRO deed hij “Kopstukken” en in 1960 startten de eerste uitzendingen van het AVRO-radioprogramma “Hou je aan je woord” met Karel Jonckheere, Hella Haasse, Harry Mulisch en Victor van Vriesland. Later kwam het ook op televisie. Door dit programma werd Bomans bekend bij alle Nederlanders.
Zijn populariteit bereikte in de jaren zestig een hoogtepunt. Hij maakte in die jaren lange reizen naar onder andere Suriname. In 1961 verhuisde de familie (in 1960 is zijn dochter Eva geboren) naar een villa in Bloemendaal. In 1968 werd Godfried Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In juli van zijn laatste levensjaar verbleef hij, net als Jan Wolkers vóór hem, in opdracht van AVRO/VARA een week op Rottumerplaat. Hij wist zich daar van stilte en eenzaamheid geen raaad en werd ziek. In december hield hij zijn laatste interview, met Johan Cruyff.
Hij heeft 64 boektitels op zijn naam staan, als hij op 22 december 1971, op 58-jarige leeftijd, na een hartaanval overlijdt. De belangstelling bij zijn begravenis in Bloemendaal was overweldigend.

De schrijver Godfried Bomans was mateloos populair en een bekende Nederlander in zijn tijd. Hij had de reputatie van een echte lolbroek en hij heeft dan ook veel humoristische werken geschreven. Wat opvalt in zijn sprookjes (“De avonturen van Pa Pinkelman”, “Sprookjes” en “Erik of het klein insectenboek”) is dat hij blijkbaar makkelijk in staat is geweest om afstand te doen van de ironie en humor waar hij in ander werk zo moeiteloos gebruik van maakte. Net als in “Erik” is het zijn onbeperkte fantasie waardoor hij zich weet te verplaatsen in de wereld van tovenaars, prinsen, prinsessen, koningen, kikkers en kabouters. In veel van zijn sprookjes gaat het om de tegenstelling tussen dromers en de harde, verstandige wereld. En zoals het in zijn sprookjes hoort, zijn de hoofdpersonen dom of slim, goed of slecht, rijk of arm. Dat Bomans een rasverteller is, komt in zijn sprookjes misschien wel het duidelijkst naar voren.

Het is niet makkelijk te zeggen wat voor soort boek “Erik of het klein insectenboek” is. Het wordt wel eens vergeleken met “De kleine Johannes” van Frederik van Eeden. In beide boeken wordt een sprookjesvorm gebruikt en in beide gevallen stapt een jongetje van de gewone wereld in een verbeeldingswereld die als gewoon ervaren wordt. Bovendien zijn de hoofdpersonen op zoek naar diepere waarheden. Erik wordt zelfs wel gezien als een nabootsing van “De kleine Johannes”.
Toch zijn de boeken totaal verschillend. Allereerst qua taal. Dat kan ook al bijna niet anders, omdat Van Eeden zijn boek vijftig jaar eerder schreef. Bij hem komen niet alleen insekten voor, maar ook mensen en bovennatuurlijke wezens als Oberon en Windekind. Van Eeden was veel meer dan Bomans een dromer die naar een andere wereld streefde en daarmee heeft zijn boek veel te maken. Johannes is op weg naar volwassenheid en zoekt geluk in een beter wereld. Erik verwondert zich veel meer. Hij verbaast zich over de verschillende normen en waarden van de insekten (van de mensen dus). Er gelden andere wetten dan in zijn dagelijks leven. Het blijkt Erik ook dat wat hij in Solms’ Beknopte Natuurlijke Historie gelezen heeft, lang niet altijd geldt. Als de insekten bij Erik om raad komen vragen, omdat zij hem als een groot geleerde beschouwen, dreigt het helemaal mis te gaan: zij willen hun instinct vergeten en zich gaan gedragen volgens Solms. Erik heeft dan ook spijt van zijn geadviseerde boekenkennis. Gelukkig is Erik verstandig en adviseert hij de insecten hun intuïtie te volgen. Dat werkt. In tegenstelling tot Van Eeden observeert Bomans dus alleen maar en kijkt hij verbaasd en geamuseerd naar de maatschappij.
Als verhaal waarin een wereld wordt beschreven met andere wetten en normen, is “Erik of het klein insectenboek” te vergelijken met een boek als “Alice in Wonderland” van Lewis Carroll. Ook de verandering die Erik ondergaat, doet denken aan wat Alice meemaakt.
Wat voor opvattingen en ideeën er ook over “Erik” bestaan, wat blijft is de kracht van de taal die Bomans hanteert. In “Erik” trekt hij alle registers open. Het boek staat vol taalgrappen die te maken hebben met de wereld der insekten. De fout die veel jonge kinderen maken bij het uitspreken van het woord wesp wordt door Bomans helemaal uitgebuit. Mevrouw Van Vliesvleugel heeft een fraaie wespetaille en de vraag van diezelfde mevrouw of mensen net als wespen een angel hebben, leidt bij Erik tot grote verlegenheid. Erik draagt hem in ieder geval ‘achter in mijn broekje opgevouwen’.
Zo zijn de meeste insekten voor Bomans aanleiding om naar hartelust door te fantaseren en ontstaan volop prachtige beelden en humoristisch taalgebruik.
Dat vonden ook drie Vlaamse striptekenaars die van “Erik” een stripverhaal hebben gemaakt. De overzichtelijkheid waarmee het verhaal is opgebouwd in duidelijke hoofdstukken, was aanleiding om het boek ook tot toneelstuk te bewerken. Ook is het boek verfilmd.
Zo blijft “Erik of het klein insectenboek” zoveel jaren na het ontstaan nog steeds een boeiend verhaal. Om als strip-, toneel-, of tv-bewerking te bekijken of om met veel voldoening gewoon te lezen.





Geraadpleegde literatuur:

- Erik of het klein insectenboek
- Uittrekselboek
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen