U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Ward Ruyslink - Wierook En Tranen.
Deze versie komt van http://huiswerk.leerlingen.com/boekverslag/20413/ en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 10551 woorden.

Samenvatting

Auteur: Ward Ruyslink

Titel: Wierook en tranen

1e jaar van uitgave: 1958

Motto: geen



Waldo Havermans, een negenjarige jongen, is met zijn ouders voor de binnenvallende Duitsers op de vlucht. Het verhaal begint als ze op de tweede dag van hun vlucht in het stadje Poperinge aankomen. Daar overnachten ze bij een oude vrouw en haar kleinzoon Willy. Waldo beschrijft de oude vrouw als een heks en is bang voor haar en haar kleinzoon. De kamer waar ze slapen ruikt volgens Waldo naar wierook. Waldo’s voorliefde voor de geur van wierook bezorgt hem de bijnaam ‘kerkuiltje’.



De volgende dag zet de familie de tocht voort. Ze raken in een colonne vluchtelingen verstrikt die bij de grensovergang wordt tegengehouden. Samen met de colonne trekt de familie naar een grensovergang die wel open zou zijn. Onderweg worden ze door Duitse vliegtuigen overvallen. Als Waldo weer om zich heen durft te kijken, komt hij tot de gruwelijke ontdekking dat zijn ouders zijn omgekomen. In een veldhospitaal komt Waldo van het voorval bij. Een ‘witte juffrouw’ legt hem daar omzichtig uit hoe wreed de oorlog is. Een kapitein vertrouwt Waldo aan korporaal Evarist toe. Samen met hem reist Waldo naar een vluchtelingenkamp. In een grote stad ontmoet Waldo zijn oudere buurmeisje Vera. Vera’s vader is ingelijfd bij het leger en haar moeder is ze uit het oog verloren. Ze haalt Waldo over om samen verder te vluchten en Evarist achter te laten. Ze overnachten in een vervallen mosterdfabriek.



De volgende ochtend trekken ze via de binnenwegen naar de kust. Onderweg bidt Vera bij een veldkapelletje. Waldo spreekt met haar over de straffen die God de Duitsers zal opleggen, omdat ze overal kerken verwoesten. Samen schuilen ze op een hooizolder, om aan de inmiddels snel naderende Duitsers te ontkomen. Als ze toch ontdekt worden, blijken de Duitsers erg vriendelijk te zijn. Ze krijgen zelfs vruchten aangeboden. Nadat ze gerust hebben, besluiten ze samen weer naar huis terug te keren. Voor de middag van de volgende dag arriveren ze in Tielt, waar een oom van Vera woont. Oom Andreas blijkt stomdronken te zijn als gevolg van een feestje dat hij voor Duitse officieren heeft georganiseerd. Waldo en Vera vluchten weg en besluiten de spoorlijn richting Gent te volgen. Onderweg zien ze een trein met Belgische krijgsgevangen. Ook Evarist bevindt zich onder de moedeloze soldaten. Ze mogen niet met de trein meereizen. Later, als ze in een schuit op de Leie zitten, worden ze door Duitse soldaten ontdekt. Ze mogen in de zijspan van de motoren gaan zitten en hopen zo snel in Antwerpen te komen. Als ze even stoppen om bij te komen, worden de kinderen door de soldaten dronken gevoerd. Als Waldo weer bijkomt, zijn de soldaten verdwenen. Hij vindt Vera even later tussen de struiken, ze kan niet vertellen wat de Duitsers haar aangedaan hebben. Met de hulp van twee zigeuners brengt een ambulance Vera naar Gent. Waldo volgt in de woonwagen van de zigeuners.



In het ziekenhuis van Gent, de Bijloke, legt een ziekenzuster Waldo omzichtig uit hoe het met Vera gesteld is. Later, als de dokter geweest is, legt ze hem uit dat Vera een engeltje in de hemel is. Voor Waldo stort de wereld in: ‘Ik was negen jaar en reeds ontwaakte in mijn hart deze bittere onkinderlijke wijsheid: dat het leven heel wat anders was dan een verhaaltje met kleurige droomplaatjes. In de kapel waar de zoete dronkenmakende geur van wierook naar hem toedrijft, twijfelt Waldo aan Gods goedheid.



Ervaringsverslag

Personages

Waldo Havermans:



Waldo is negen jaar oud en enig kind. Waldo heeft een opmerkelijke liefde voor de geur van wierook. Hij gelooft heilig in een rechtvaardige God en heeft een kinderlijke kijk op de mens en de wereld. In het begin van het boek is hij ook nog erg naïef. Aanvankelijk is de oorlog voor hem een spannend avontuur met een open einde. Zie citaat pagina 5: “Waar zijn we nu papa?” vroeg ik. “In Poperinge,” zei hij. Een plezierige naam was dat, die had ik nog nooit gehoord. Als men negen jaar is, is er echter heel wat dat men nog nooit gehoord of gezien heeft. Toen we vierentwintig uur geleden van huis weggingen, wist ik ook nog niet wat een volks verhuizing was.” Hij is een rond karakter. Later in het boek verandert Waldo’s karakter; hij is een stuk minder kinderlijk en begint zelfs te twijfelen aan god. Zie citaat pagina 42: “Maar het bidden lag me niet; de oorlog en de vlucht en de vermoeienis, alles drukte zwaar op me en maakte me treurig en bang.” En zie citaat pagina 109,110: “Zij bad, rustig en ingetogen, geheel vervuld van een groot vertrouwen dat ik niet kende. Zij bad tot het witte wolkje, tot het kaarslicht dat in alle kapelletjes en kerken ter wereld eeuwigdurend brandde, tot de verre onbereikbare God van Vera, die beschikte over leven en dood. Ik wist zo bitter weinig van hem af en daarom begreep ik misschien ook niet om welke reden Hij me Vera ontnomen had, waarom Hij dit alles gedoogde, deze oorlog, deze tranen, dit nutteloze leed, dit voortdurend afscheid nemen van wie men liefhad. Of ik het nu begreep of niet, dat deed er niets toe, één ding had ik nu herhaaldelijk kunnen vaststellen: dat Hij een god was die de mensen meer verdriet dan blijdschap gaf. En wanneer de ene mens de andere verdriet gaf, werden ze gewoonlijk elkaars vijanden, maar niemand wilde de vijand van God worden. De mensen waren beducht voor Hem, ze lieten Hem gewoon zijn gang gaan, ze aanvaardden dit bijna als iets vanzelfsprekends en soms waren ze er Hem ook nog dankbaar voor.” Ward Ruyslinck heeft de naam Waldo afgeleid van de zoon van een Vlaams gezin, dat tijdens hun vlucht voor de Duitsers een onderkomen in de buurt van Ward en zijn ouders vond. Die jongen heette Waldo Coremans.

Vera:



Vera is vier tot vijf jaar ouder dan Waldo. Haar vader zit in het leger en ze is haar moeder uit het oog verloren. Vera is gelovig: onderweg stopt ze bij een kapelletje om te bidden en na de oorlog wil ze kloosterzuster worden. Ze heeft een open persoonlijkheid en is heel aardig.







Waldo’s ouders:



Over de ouders van Waldo wordt weinig verteld. Ze vormen een hecht trio in de chaotische massa vluchtelingen. Het is een traditioneel gezin, waarin de vader de beslissingen neemt en de moeder voor het gezin zorgt.

Relaties

Vera en Waldo:



Voor Waldo neemt Vera de plaats van zijn moeder in. Beide zijn een beetje verliefd op elkaar. Vera droomt ervan samen met Waldo in de duinen te gaan wonen en Waldo vindt het niet leuk om te horen dat Vera na de oorlog kloosterzuster wil worden. Vera is een stuk minder onschuldiger dan Waldo; ze is lief, aardig en vrolijk.

Eigenlijk kunnen Waldo en Vera niet zonder elkaar, omdat ze op dat moment alleen maar elkaar hebben. Zie citaat pagina 47,48:’ “Gaan wij dan naar een klooster?…” “Neen,” antwoordde ze, “maar later, als ik oud genoeg ben, ga ik in het klooster leven, voorgoed, voor altijd. Ik word kloosterzuster. Vind ge dat niet heerlijk, Waldo?” Een schok voer door mij heen en ik bleef stilstaan. Hoe kon ze zoiets zeggen? Was ze dan waarlijk vergeten wat ze me gisteren nog had voorgespiegeld, over het huis in de duinen? Een groot ongenoegen kwam over mij, mijn wimpers begonnen te trillen en op dat ogenblik vergaf ik haar dit niet, deze ontrouw, deze smadelijke verbreking van een plechtige belofte. “Ik dacht,” zei ik ontdaan, “dat we een huis zouden bouwen in de duinen en daar blijven wonen totdat we dood gingen?” Ze knipperde met haar ogen en haar mond viel weer eventjes open, zoals ik haar dat gisteren had zien doen, toen ik haar op het plein ontmoette. “Totdat we doodgaan? Heb ik dat gezegd? Neen, o neen, totdat de oorlog gedaan is. Ge hebt me klaarblijkelijk verkeerd verstaan. Zodra de oorlog gedaan is, word ik kloosterzuster. Waarom kijkt ge zo…zo…? Vindt ge dat niet fijn?” “Neen,” zei ik uit het diepst van mijn hart.’ Deze relatie blijft gedurende het hele boek hetzelfde, tot het moment waarop Vera overlijdt, want dan heeft Waldo haar gewoon niet meer.

Perspectief

Het perspectief ligt bij Waldo, de lezer volgt het verhaal door zijn ogen. Hij-perspectief. Dat heeft als gevolg dat je de tekst zelf beter begrijpt dan de hoofdpersoon, omdat hij dingen op een kinderlijke manier beschrijft die hij niet snapt, maar de lezer wel.



Tijd

Het verhaal beslaat zes dagen, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog (mei 1940). De eerste dag wordt niet beschreven. De eerste vijf hoofdstukken beslaan vier dagen (van de tweede dag tot en met de vijfde dag). De laatste dag wordt in de resterende drie hoofdstukken beschreven. Het verhaal wordt in deze hoofdstukken naar een hoogtepunt gedreven. Het verhaal is chronologisch verteld en bevat geen flashbacks.



Ruimte

Het verhaal begint in het Zuid-Belgische Poperinge en speelt zich af tussen de woonplaats van Waldo en de plaats waar Waldo en Vera besluiten terug te keren. Verder speelt het ziekenhuis Bijloke in Gent, waar Vera sterft, een belangrijke rol. De plaatsen waar het verhaal zich afspeelt, de hooischuur, de stuk geschoten kerk, het bootje op de Leie lijken allemaal schuilplaatsen, maar blijk achteraf toch niet zo veilig te zijn. De plaats van het verhaal is erg belangrijk, want het speelt in een mooie omgeving waardoor de gruwelijke oorlogsgebeurtenissen extra benadrukt worden.

Thematiek

Het thema van het boek is de angst die overblijft in het kind dat zijn kinderlijke onschuld verliest.

Motieven

Geweld van de machtigen:

Oftewel het geweld van de Duitsers is een steeds terugkomend onderwerp, daardoor zijn dus ook onder andere Waldo’s ouders en Vera omgekomen. Dit motief is dus met het thema verbonden, omdat het Waldo grote angst inboezemt.

Gebrek aan medemenselijkheid:

Waldo’s angst wordt ook nog versterkt door enkele niet zo sociale en aardige mensen, zoals de boeren en de oom van Vera. Er zijn meer van dit soort mensen verspreid door het boek, vandaar dat dit ook een terugkerend thema is in het boek. Zie citaat pagina 67: ‘”Oom Andreas… ik ben uw nichtje Vera… ik… wij”stotterde Vera. “Nichtje Vera…” bromde oom Andreas en nam haar wantrouwig op. “Ja. Oom Andreas. We kwamen zomaar eens aanlopen, maar als u geen tijd heeft, gaan we weer weg hoor. Wij…” “Aanlopen zegt ge?Is dat nu een moment om bij iemand aan te lopen! Ik heb gasten, ik kan jullie nu niet ontvangen. En wie is dat schooiertje daar?” “Een jongetje uit de buurt,” stelde Vera me voor. “We hebben elkaar tijdens de vlucht ontmoet. Hij heeft zijn pa en ma bij een luchtaanval verloren.” De Puimsteen wierp me een achterdochtige en doordringende blik toe. “Een jongetje uit de buurt? Jullie willen me zeker bedonderen: ik heb dat luizenbroekje nog nooit gezien.” “Neen, neen, uit ónze buurt,” haastte Vera zich te verklaren. Oom Andreas bromde nog wat en toen zei hij: “Uw pa heeft dus nog altijd geen betere manieren geleerd. Wist ge niet dat het onbeleefd is, de mensen onverwachts op de nek te vallen? Waar zijn uw pa en ma? Zijn die ook hier?”

Het geloof in God:

De godsdienst komt heel vaak voor in dit boek. Waldo en zijn ouders zijn katholiek, waardoor Waldo ook geloofde dat hen niks kon overkomen omdat ze een goed leven hadden geleden. Daarom trekt hij zijn geloof in God ook in twijfel als zijn ouders wel omkomen. Ook Vera gelooft onvoorwaardelijk in God en wil later zelfs kloosterzuster worden.

Stijl

Wierook en tranen is een makkelijk te lezen boek. Het perspectief ligt bij de negenjarige Waldo, waardoor het taalgebruik eenvoudig is. Het kinderlijke van Waldo wordt ook door het taalgebruik benadrukt; sommige buitenlandse woorden worden feunetisch gespeld. Zie citaat pagina 87: ‘ “Na na, zai roehig, zie komt bald tsoeruk…” ’



Stroming

Existentialisme



Verwerkingsopdracht



Recensie:

Ruyslinck , Ward

Titel Wierook en tranen

Jaar van uitgave 1958

Bron Tubantia

Publicatiedatum 03-04-1959

Recensent W.L.M.E. van Leeuwen

Recensietitel Ward Ruyslinck : Wierook en tranen ; ontroerend verhaal van twee kinderen in de oorlog

Wat zo meermalen de Vlaamse auteurs onderscheidt van hun collega 's uit het Noorden is een hartelijke gevoeligheid, waarvoor zij zicht bepaald niet schamen, ook al zou men hen er sentimenteel om noemen. En het is deze tederheid des harten, èn hun milde levensvrijheid (waarvan trouwens in wezen die tederheid de vrucht is) die hun schrifturen een bijzonder ontroerend accent verleent. Terwijl het zonder schaamte uitkomen voor hun gevoeligheid hen vrijwaart voor het ten toon spreiden van grove kwajongensachtige zogenaamde flinkheid - vuilbekken, descriptie van seksuele gebeurtenissen, opvallend duidelijk vloeken en schelden, ostentatief leuren met "wereldwijsheid " - waaraan zoveel Noord-Nederlandse auteurs laboreren. Het Zuiden heeft nu eenmaal een oudere cultuur, èn: het is mede gevoed door de cultuur bij uitnemendheid: de Franc, met haar hoffelijke geestesheid en sierlijke ernst, wijze luchtigheid en natuurlijk vormgevoel.

Naast elkaar vindt men in het verhaal over Waldo en Vera, de twee kinderen die in de meidagen van 1940 meetrekken met de vluchtelingenstroom naar de Franse grens, een verhaal (of kleine roman) door Ward Ruyslinck geschreven onder de titel "Wierook en tranen" (A. Manteau, Brussel, 1958) de bittere ernst van de gruwelen van de oorlog èn de gevoelige ongereptheid van de kinderziel. Al te veel wordt thans weer over oorlogen gesproken in termen die slechts van totaliteiten reppen (legers, luchtmachten, volken) en in abstracte woorden (vernietiging; disengagement; infiltratie) - terwijl de werkelijke ellende is het leed van de afzonderlijke mens; de aan stukken gereten lichamen, de soldaat in de modderige granaattrechter, de man in het prikkeldraad onder trommelvuur. Ward Ruyslinck wèèt dat, en hoe het kind (en dus: het kind in de mens) voor het eerst geconfronteerd wordt met diè gruwelijke dood tekent hij - maar hoe sober en in enkele trekken - wanneer Waldo, met zijn ouders op de vlucht, zijn vader en moeder verminkt, dood voor zich ziet liggen, nadat de Duitsers hun bommen op de weerloze mensenstroom hebben neergeworpen. Dàn kent hij de dood - waartegen de gebeden bij de hem zo lieve wierookgeur in de kerk niets vermogen. Dan zijn er de tranen.

Maar Waldo is een kind van een jaar of tien, en Vera is wel enige jaren ouder, maar nog onbedorven - en wanneer zij samen de stroom ontvluchten om eerst te trachten "de kust" te bereiken, daarna om naar hun oude woonplaats terug te keren (ook Vera's ouders zijn dood of vermist), dan zijn het weer een ogenblik de naïeve jonge kinderen - al ligt er een waas van leed over hun blik -, en de schrijver laat ze samen door het lentelandschap gaan (èn wàt voor een schone lente was juist die mei van 1940!):

We kwamen nu in een vlak eentonig landschap, met hier en daar bomen die schuin voorover hingen, alle in dezelfde richting. Onderweg bekeek Vera aandachtig de wegwijzers, zij scheen zich nooit te vergissen. "Hierheen ", zei ze dan en we gingen voort, over zanderige weggetjes, door groene weilanden, langs kronkelende beken en een enkele keer ook langs een verlaten kasteeltje.

In de blauwe bossen, die zich soms in de verte vertoonden, hoorden we de roep van de koekoek. Opeens was er geen oorlog meer: de lieflijke lente, die met glans en kleuren in de lucht en in het landschap uitzette, die zacht en zonnig als het begin van een nieuwe schone tijd over de aarde lag en de vogels deed zingen, kon niet vergeleken worden met de lente in de stad, met het vale voorjaarslicht dat als schimmel op de grauwe huisgevels kleefde. Hier was dat betoverend ànders en, ware het niet dat we voortdurend het verwijderd gedreun van de kanonnen in onze oren hadden, de oorlog zou een boze droom geweest zijn waaruit we zo-even ontwaakten.

Maar een paar minuten later kwam de oorlog ons al tegemoet: een dorp waar bommen waren gevallen. De ingestorte huizen en de diepe bomkraters in de omringende velden maakten ons stil en schuw en we gingen er met benepen hart langs..."

Zo botsten voor de twee eenzame kinderen beelden van milde natuurzegen en van menselijke gruwel op elkaar: wierook en tranen. In de kerk ligt het Christusbeeld onder puin bedolven; bij een oom van Vera blijkt de zwijnerij tussen collaborateurs, Duitsers en wijven al begonnen: een paar straatjongens schreeuwen schunnigheden naar Vera en zwetzen over een mof die dood, zonder kop achter een heg ligt, krijgsgevangenen worden in een trein geladen.. Maar dan komen ze aan een slingerende rivier, de Leie, de "dichterlijkste " rivier van Vlaanderen. Weer toont Ruyslinck zich telg van het land van Streuvels, Teirlinck, Van de Woestijne, Buysse, Lampo. Maar als de kinderen in een boot aan de oever liggen uit te rusten, komt het noodlot: drie Duitsers op motoren spotten met hun vermeende "vrijage " lokken ze mee, voeren ze dronken, en dan wordt Vera hun slachtoffer. - Nogmaals: weer blijkt de Vlaming wijs en kuis: hij heeft er geen behoefte aan die schendende daden "lekker" te beschrijven: ieder niet infantiele lezer weet ook wel wat de schoften doen. Maar Waldo (de "ik"), dronken in slaap gevallen heeft uiteraard niets gezien (en begrijpt ook niet goed wat er gebeurt) doch vind Vera verlaten, vrijwel dood. Hij haalt hulp: Vera wordt naar het hospitaal in Gent gevoerd; Waldo, in een woonwagen meerijdend, ziet haar daar in Gent terug: dood. - En wèèr hangt de wierookgeur in de kapel van het ziekenhuis, maar het Godsgevoel van Waldo is met "zondige " gedachten gemengd; waarom laat God oorlog en Vera 's dood toe? De naïeve onschuld - onwillekeurig dacht ik aan Malot's "Sans famille " - van Waldo is voorbij: de tranen zullen voorgoed blijven. Het tere, mooie vogeltje dat zong toen hij met Vera in het gras lag, is niet meer het enige: hij zal de krekel blijven horen, die tsjilpte toen hij naast de verkrachte Vera zat: de krekel, die in zijn sprookjesboek een lijkwagentje voorttrok, waarop een dode zwaluw lag - die hij met het meisje vereenzelvigde. Zó leerden de "kinderen " het gruwelijke leven kennen in dit gave en prachtige verhaal.

Commentaar:

Deze recensie is al een heel oud, maar toch kan ik er het over het algemeen wel mee eens zijn. Ik vond het net als de recensent een heel aangrijpend en emotioneel verhaal. Het verhaal ontroert je echt, je leeft mee met de kleine Waldo en hoopt voor hem dat alles weer goed zal komen. De schrijver heeft zijn gevoeligheid in het verhaal gelegd en dat merk je heel goed. Hij gebruikt ook helemaal geen scheldwoorden, seksistisch taalgebruik of iets van dien aard. Dat laat heel goed zie dat je dat dus ook niet nodig hebt om een goed verhaal te schrijven. Opdat punt ben ik het dus helemaal met de recensent eens.

In het verhaal staan twee dingen naast elkaar; de bittere ernst van de gruwelen van de oorlog én de gevoelige ongereptheid van de kinderziel. Ik vind dat de emotie en de gruwelen van de oorlog nog tien keer worden versterkt, omdat de oorlog tegenover een gevoelige kinderziel staat, daar heeft de recensent het helemaal niet over. Want als het boek was geschreven vanuit een volwassen persoon dan zou alles veel minder erg hebben geleken, omdat deze wist wat oorlog zou zijn en zich er dus al op voorbereid zou hebben. Het gevolg daar van is dat het contrast veel minder groot zou zijn. Ik ben het er wel mee eens dat de individuele ervaringen veel belangrijker zijn dan de algemene en abstracte woorden. Want door een individuele ervaring komt Waldo in aanraking met de dood van zijn ouders en dan komen eindelijk de tranen.

Dan trekt Waldo samen met Vera door het mooie lentelandschap, de oorlog lijkt al weer voorbij. Vera is op dat moment voor Waldo het enige vaste en betrouwbare in zijn leven dat hij nog overheeft, dit gegeven noemt de recensent ook niet. Daarom wil Waldo ook bij haar blijven en haar beschermen. Dat vond ik in dat gedeelte het mooiste van het verhaal; je wist dat die kinderen op dat moment niet zonder elkaar konden, maar je wist ook wel dat ze uiteindelijk gescheiden zouden worden. En als dat dan inderdaad aan het einde van het verhaal gebeurt door de dood van Vera, komt het toch nog heel hard aan. Op dat moment vervloeken Waldo en de lezer het punt waarop die drie Duitse soldaten langskwamen. Toen ik het verhaal aan het lezen was deed Waldo mij denken aan Remi – de hoofdpersoon van ‘Alleen op de wereld’ – en ik vond het dus heel erg leuk om te lezen in de recensie dat de recensent daar precies op hetzelfde moment ook aan dacht. Waldo’s leven was voorgoed ingestort en de tranen zouden nooit meer verdwijnen.

Ik kan dus eigenlijk niets anders dan zeggen dat ik het volkomen met meneer Van Leeuwen (de recensent) eens ben. ‘Wierook en tranen’ is absoluut een prachtige roman.





























Samenvatting

Auteur: Ward Ruyslink

Titel: Wierook en tranen

1e jaar van uitgave: 1958

Motto: geen



Waldo Havermans, een negenjarige jongen, is met zijn ouders voor de binnenvallende Duitsers op de vlucht. Het verhaal begint als ze op de tweede dag van hun vlucht in het stadje Poperinge aankomen. Daar overnachten ze bij een oude vrouw en haar kleinzoon Willy. Waldo beschrijft de oude vrouw als een heks en is bang voor haar en haar kleinzoon. De kamer waar ze slapen ruikt volgens Waldo naar wierook. Waldo’s voorliefde voor de geur van wierook bezorgt hem de bijnaam ‘kerkuiltje’.



De volgende dag zet de familie de tocht voort. Ze raken in een colonne vluchtelingen verstrikt die bij de grensovergang wordt tegengehouden. Samen met de colonne trekt de familie naar een grensovergang die wel open zou zijn. Onderweg worden ze door Duitse vliegtuigen overvallen. Als Waldo weer om zich heen durft te kijken, komt hij tot de gruwelijke ontdekking dat zijn ouders zijn omgekomen. In een veldhospitaal komt Waldo van het voorval bij. Een ‘witte juffrouw’ legt hem daar omzichtig uit hoe wreed de oorlog is. Een kapitein vertrouwt Waldo aan korporaal Evarist toe. Samen met hem reist Waldo naar een vluchtelingenkamp. In een grote stad ontmoet Waldo zijn oudere buurmeisje Vera. Vera’s vader is ingelijfd bij het leger en haar moeder is ze uit het oog verloren. Ze haalt Waldo over om samen verder te vluchten en Evarist achter te laten. Ze overnachten in een vervallen mosterdfabriek.



De volgende ochtend trekken ze via de binnenwegen naar de kust. Onderweg bidt Vera bij een veldkapelletje. Waldo spreekt met haar over de straffen die God de Duitsers zal opleggen, omdat ze overal kerken verwoesten. Samen schuilen ze op een hooizolder, om aan de inmiddels snel naderende Duitsers te ontkomen. Als ze toch ontdekt worden, blijken de Duitsers erg vriendelijk te zijn. Ze krijgen zelfs vruchten aangeboden. Nadat ze gerust hebben, besluiten ze samen weer naar huis terug te keren. Voor de middag van de volgende dag arriveren ze in Tielt, waar een oom van Vera woont. Oom Andreas blijkt stomdronken te zijn als gevolg van een feestje dat hij voor Duitse officieren heeft georganiseerd. Waldo en Vera vluchten weg en besluiten de spoorlijn richting Gent te volgen. Onderweg zien ze een trein met Belgische krijgsgevangen. Ook Evarist bevindt zich onder de moedeloze soldaten. Ze mogen niet met de trein meereizen. Later, als ze in een schuit op de Leie zitten, worden ze door Duitse soldaten ontdekt. Ze mogen in de zijspan van de motoren gaan zitten en hopen zo snel in Antwerpen te komen. Als ze even stoppen om bij te komen, worden de kinderen door de soldaten dronken gevoerd. Als Waldo weer bijkomt, zijn de soldaten verdwenen. Hij vindt Vera even later tussen de struiken, ze kan niet vertellen wat de Duitsers haar aangedaan hebben. Met de hulp van twee zigeuners brengt een ambulance Vera naar Gent. Waldo volgt in de woonwagen van de zigeuners.



In het ziekenhuis van Gent, de Bijloke, legt een ziekenzuster Waldo omzichtig uit hoe het met Vera gesteld is. Later, als de dokter geweest is, legt ze hem uit dat Vera een engeltje in de hemel is. Voor Waldo stort de wereld in: ‘Ik was negen jaar en reeds ontwaakte in mijn hart deze bittere onkinderlijke wijsheid: dat het leven heel wat anders was dan een verhaaltje met kleurige droomplaatjes. In de kapel waar de zoete dronkenmakende geur van wierook naar hem toedrijft, twijfelt Waldo aan Gods goedheid.



Ervaringsverslag

Personages

Waldo Havermans:



Waldo is negen jaar oud en enig kind. Waldo heeft een opmerkelijke liefde voor de geur van wierook. Hij gelooft heilig in een rechtvaardige God en heeft een kinderlijke kijk op de mens en de wereld. In het begin van het boek is hij ook nog erg naïef. Aanvankelijk is de oorlog voor hem een spannend avontuur met een open einde. Zie citaat pagina 5: “Waar zijn we nu papa?” vroeg ik. “In Poperinge,” zei hij. Een plezierige naam was dat, die had ik nog nooit gehoord. Als men negen jaar is, is er echter heel wat dat men nog nooit gehoord of gezien heeft. Toen we vierentwintig uur geleden van huis weggingen, wist ik ook nog niet wat een volks verhuizing was.” Hij is een rond karakter. Later in het boek verandert Waldo’s karakter; hij is een stuk minder kinderlijk en begint zelfs te twijfelen aan god. Zie citaat pagina 42: “Maar het bidden lag me niet; de oorlog en de vlucht en de vermoeienis, alles drukte zwaar op me en maakte me treurig en bang.” En zie citaat pagina 109,110: “Zij bad, rustig en ingetogen, geheel vervuld van een groot vertrouwen dat ik niet kende. Zij bad tot het witte wolkje, tot het kaarslicht dat in alle kapelletjes en kerken ter wereld eeuwigdurend brandde, tot de verre onbereikbare God van Vera, die beschikte over leven en dood. Ik wist zo bitter weinig van hem af en daarom begreep ik misschien ook niet om welke reden Hij me Vera ontnomen had, waarom Hij dit alles gedoogde, deze oorlog, deze tranen, dit nutteloze leed, dit voortdurend afscheid nemen van wie men liefhad. Of ik het nu begreep of niet, dat deed er niets toe, één ding had ik nu herhaaldelijk kunnen vaststellen: dat Hij een god was die de mensen meer verdriet dan blijdschap gaf. En wanneer de ene mens de andere verdriet gaf, werden ze gewoonlijk elkaars vijanden, maar niemand wilde de vijand van God worden. De mensen waren beducht voor Hem, ze lieten Hem gewoon zijn gang gaan, ze aanvaardden dit bijna als iets vanzelfsprekends en soms waren ze er Hem ook nog dankbaar voor.” Ward Ruyslinck heeft de naam Waldo afgeleid van de zoon van een Vlaams gezin, dat tijdens hun vlucht voor de Duitsers een onderkomen in de buurt van Ward en zijn ouders vond. Die jongen heette Waldo Coremans.

Vera:



Vera is vier tot vijf jaar ouder dan Waldo. Haar vader zit in het leger en ze is haar moeder uit het oog verloren. Vera is gelovig: onderweg stopt ze bij een kapelletje om te bidden en na de oorlog wil ze kloosterzuster worden. Ze heeft een open persoonlijkheid en is heel aardig.







Waldo’s ouders:



Over de ouders van Waldo wordt weinig verteld. Ze vormen een hecht trio in de chaotische massa vluchtelingen. Het is een traditioneel gezin, waarin de vader de beslissingen neemt en de moeder voor het gezin zorgt.

Relaties

Vera en Waldo:



Voor Waldo neemt Vera de plaats van zijn moeder in. Beide zijn een beetje verliefd op elkaar. Vera droomt ervan samen met Waldo in de duinen te gaan wonen en Waldo vindt het niet leuk om te horen dat Vera na de oorlog kloosterzuster wil worden. Vera is een stuk minder onschuldiger dan Waldo; ze is lief, aardig en vrolijk.

Eigenlijk kunnen Waldo en Vera niet zonder elkaar, omdat ze op dat moment alleen maar elkaar hebben. Zie citaat pagina 47,48:’ “Gaan wij dan naar een klooster?…” “Neen,” antwoordde ze, “maar later, als ik oud genoeg ben, ga ik in het klooster leven, voorgoed, voor altijd. Ik word kloosterzuster. Vind ge dat niet heerlijk, Waldo?” Een schok voer door mij heen en ik bleef stilstaan. Hoe kon ze zoiets zeggen? Was ze dan waarlijk vergeten wat ze me gisteren nog had voorgespiegeld, over het huis in de duinen? Een groot ongenoegen kwam over mij, mijn wimpers begonnen te trillen en op dat ogenblik vergaf ik haar dit niet, deze ontrouw, deze smadelijke verbreking van een plechtige belofte. “Ik dacht,” zei ik ontdaan, “dat we een huis zouden bouwen in de duinen en daar blijven wonen totdat we dood gingen?” Ze knipperde met haar ogen en haar mond viel weer eventjes open, zoals ik haar dat gisteren had zien doen, toen ik haar op het plein ontmoette. “Totdat we doodgaan? Heb ik dat gezegd? Neen, o neen, totdat de oorlog gedaan is. Ge hebt me klaarblijkelijk verkeerd verstaan. Zodra de oorlog gedaan is, word ik kloosterzuster. Waarom kijkt ge zo…zo…? Vindt ge dat niet fijn?” “Neen,” zei ik uit het diepst van mijn hart.’ Deze relatie blijft gedurende het hele boek hetzelfde, tot het moment waarop Vera overlijdt, want dan heeft Waldo haar gewoon niet meer.

Perspectief

Het perspectief ligt bij Waldo, de lezer volgt het verhaal door zijn ogen. Hij-perspectief. Dat heeft als gevolg dat je de tekst zelf beter begrijpt dan de hoofdpersoon, omdat hij dingen op een kinderlijke manier beschrijft die hij niet snapt, maar de lezer wel.



Tijd

Het verhaal beslaat zes dagen, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog (mei 1940). De eerste dag wordt niet beschreven. De eerste vijf hoofdstukken beslaan vier dagen (van de tweede dag tot en met de vijfde dag). De laatste dag wordt in de resterende drie hoofdstukken beschreven. Het verhaal wordt in deze hoofdstukken naar een hoogtepunt gedreven. Het verhaal is chronologisch verteld en bevat geen flashbacks.



Ruimte

Het verhaal begint in het Zuid-Belgische Poperinge en speelt zich af tussen de woonplaats van Waldo en de plaats waar Waldo en Vera besluiten terug te keren. Verder speelt het ziekenhuis Bijloke in Gent, waar Vera sterft, een belangrijke rol. De plaatsen waar het verhaal zich afspeelt, de hooischuur, de stuk geschoten kerk, het bootje op de Leie lijken allemaal schuilplaatsen, maar blijk achteraf toch niet zo veilig te zijn. De plaats van het verhaal is erg belangrijk, want het speelt in een mooie omgeving waardoor de gruwelijke oorlogsgebeurtenissen extra benadrukt worden.

Thematiek

Het thema van het boek is de angst die overblijft in het kind dat zijn kinderlijke onschuld verliest.

Motieven

Geweld van de machtigen:

Oftewel het geweld van de Duitsers is een steeds terugkomend onderwerp, daardoor zijn dus ook onder andere Waldo’s ouders en Vera omgekomen. Dit motief is dus met het thema verbonden, omdat het Waldo grote angst inboezemt.

Gebrek aan medemenselijkheid:

Waldo’s angst wordt ook nog versterkt door enkele niet zo sociale en aardige mensen, zoals de boeren en de oom van Vera. Er zijn meer van dit soort mensen verspreid door het boek, vandaar dat dit ook een terugkerend thema is in het boek. Zie citaat pagina 67: ‘”Oom Andreas… ik ben uw nichtje Vera… ik… wij”stotterde Vera. “Nichtje Vera…” bromde oom Andreas en nam haar wantrouwig op. “Ja. Oom Andreas. We kwamen zomaar eens aanlopen, maar als u geen tijd heeft, gaan we weer weg hoor. Wij…” “Aanlopen zegt ge?Is dat nu een moment om bij iemand aan te lopen! Ik heb gasten, ik kan jullie nu niet ontvangen. En wie is dat schooiertje daar?” “Een jongetje uit de buurt,” stelde Vera me voor. “We hebben elkaar tijdens de vlucht ontmoet. Hij heeft zijn pa en ma bij een luchtaanval verloren.” De Puimsteen wierp me een achterdochtige en doordringende blik toe. “Een jongetje uit de buurt? Jullie willen me zeker bedonderen: ik heb dat luizenbroekje nog nooit gezien.” “Neen, neen, uit ónze buurt,” haastte Vera zich te verklaren. Oom Andreas bromde nog wat en toen zei hij: “Uw pa heeft dus nog altijd geen betere manieren geleerd. Wist ge niet dat het onbeleefd is, de mensen onverwachts op de nek te vallen? Waar zijn uw pa en ma? Zijn die ook hier?”

Het geloof in God:

De godsdienst komt heel vaak voor in dit boek. Waldo en zijn ouders zijn katholiek, waardoor Waldo ook geloofde dat hen niks kon overkomen omdat ze een goed leven hadden geleden. Daarom trekt hij zijn geloof in God ook in twijfel als zijn ouders wel omkomen. Ook Vera gelooft onvoorwaardelijk in God en wil later zelfs kloosterzuster worden.

Stijl

Wierook en tranen is een makkelijk te lezen boek. Het perspectief ligt bij de negenjarige Waldo, waardoor het taalgebruik eenvoudig is. Het kinderlijke van Waldo wordt ook door het taalgebruik benadrukt; sommige buitenlandse woorden worden feunetisch gespeld. Zie citaat pagina 87: ‘ “Na na, zai roehig, zie komt bald tsoeruk…” ’



Stroming

Existentialisme



Verwerkingsopdracht



Recensie:

Ruyslinck , Ward

Titel Wierook en tranen

Jaar van uitgave 1958

Bron Tubantia

Publicatiedatum 03-04-1959

Recensent W.L.M.E. van Leeuwen

Recensietitel Ward Ruyslinck : Wierook en tranen ; ontroerend verhaal van twee kinderen in de oorlog

Wat zo meermalen de Vlaamse auteurs onderscheidt van hun collega 's uit het Noorden is een hartelijke gevoeligheid, waarvoor zij zicht bepaald niet schamen, ook al zou men hen er sentimenteel om noemen. En het is deze tederheid des harten, èn hun milde levensvrijheid (waarvan trouwens in wezen die tederheid de vrucht is) die hun schrifturen een bijzonder ontroerend accent verleent. Terwijl het zonder schaamte uitkomen voor hun gevoeligheid hen vrijwaart voor het ten toon spreiden van grove kwajongensachtige zogenaamde flinkheid - vuilbekken, descriptie van seksuele gebeurtenissen, opvallend duidelijk vloeken en schelden, ostentatief leuren met "wereldwijsheid " - waaraan zoveel Noord-Nederlandse auteurs laboreren. Het Zuiden heeft nu eenmaal een oudere cultuur, èn: het is mede gevoed door de cultuur bij uitnemendheid: de Franc, met haar hoffelijke geestesheid en sierlijke ernst, wijze luchtigheid en natuurlijk vormgevoel.

Naast elkaar vindt men in het verhaal over Waldo en Vera, de twee kinderen die in de meidagen van 1940 meetrekken met de vluchtelingenstroom naar de Franse grens, een verhaal (of kleine roman) door Ward Ruyslinck geschreven onder de titel "Wierook en tranen" (A. Manteau, Brussel, 1958) de bittere ernst van de gruwelen van de oorlog èn de gevoelige ongereptheid van de kinderziel. Al te veel wordt thans weer over oorlogen gesproken in termen die slechts van totaliteiten reppen (legers, luchtmachten, volken) en in abstracte woorden (vernietiging; disengagement; infiltratie) - terwijl de werkelijke ellende is het leed van de afzonderlijke mens; de aan stukken gereten lichamen, de soldaat in de modderige granaattrechter, de man in het prikkeldraad onder trommelvuur. Ward Ruyslinck wèèt dat, en hoe het kind (en dus: het kind in de mens) voor het eerst geconfronteerd wordt met diè gruwelijke dood tekent hij - maar hoe sober en in enkele trekken - wanneer Waldo, met zijn ouders op de vlucht, zijn vader en moeder verminkt, dood voor zich ziet liggen, nadat de Duitsers hun bommen op de weerloze mensenstroom hebben neergeworpen. Dàn kent hij de dood - waartegen de gebeden bij de hem zo lieve wierookgeur in de kerk niets vermogen. Dan zijn er de tranen.

Maar Waldo is een kind van een jaar of tien, en Vera is wel enige jaren ouder, maar nog onbedorven - en wanneer zij samen de stroom ontvluchten om eerst te trachten "de kust" te bereiken, daarna om naar hun oude woonplaats terug te keren (ook Vera's ouders zijn dood of vermist), dan zijn het weer een ogenblik de naïeve jonge kinderen - al ligt er een waas van leed over hun blik -, en de schrijver laat ze samen door het lentelandschap gaan (èn wàt voor een schone lente was juist die mei van 1940!):

We kwamen nu in een vlak eentonig landschap, met hier en daar bomen die schuin voorover hingen, alle in dezelfde richting. Onderweg bekeek Vera aandachtig de wegwijzers, zij scheen zich nooit te vergissen. "Hierheen ", zei ze dan en we gingen voort, over zanderige weggetjes, door groene weilanden, langs kronkelende beken en een enkele keer ook langs een verlaten kasteeltje.

In de blauwe bossen, die zich soms in de verte vertoonden, hoorden we de roep van de koekoek. Opeens was er geen oorlog meer: de lieflijke lente, die met glans en kleuren in de lucht en in het landschap uitzette, die zacht en zonnig als het begin van een nieuwe schone tijd over de aarde lag en de vogels deed zingen, kon niet vergeleken worden met de lente in de stad, met het vale voorjaarslicht dat als schimmel op de grauwe huisgevels kleefde. Hier was dat betoverend ànders en, ware het niet dat we voortdurend het verwijderd gedreun van de kanonnen in onze oren hadden, de oorlog zou een boze droom geweest zijn waaruit we zo-even ontwaakten.

Maar een paar minuten later kwam de oorlog ons al tegemoet: een dorp waar bommen waren gevallen. De ingestorte huizen en de diepe bomkraters in de omringende velden maakten ons stil en schuw en we gingen er met benepen hart langs..."

Zo botsten voor de twee eenzame kinderen beelden van milde natuurzegen en van menselijke gruwel op elkaar: wierook en tranen. In de kerk ligt het Christusbeeld onder puin bedolven; bij een oom van Vera blijkt de zwijnerij tussen collaborateurs, Duitsers en wijven al begonnen: een paar straatjongens schreeuwen schunnigheden naar Vera en zwetzen over een mof die dood, zonder kop achter een heg ligt, krijgsgevangenen worden in een trein geladen.. Maar dan komen ze aan een slingerende rivier, de Leie, de "dichterlijkste " rivier van Vlaanderen. Weer toont Ruyslinck zich telg van het land van Streuvels, Teirlinck, Van de Woestijne, Buysse, Lampo. Maar als de kinderen in een boot aan de oever liggen uit te rusten, komt het noodlot: drie Duitsers op motoren spotten met hun vermeende "vrijage " lokken ze mee, voeren ze dronken, en dan wordt Vera hun slachtoffer. - Nogmaals: weer blijkt de Vlaming wijs en kuis: hij heeft er geen behoefte aan die schendende daden "lekker" te beschrijven: ieder niet infantiele lezer weet ook wel wat de schoften doen. Maar Waldo (de "ik"), dronken in slaap gevallen heeft uiteraard niets gezien (en begrijpt ook niet goed wat er gebeurt) doch vind Vera verlaten, vrijwel dood. Hij haalt hulp: Vera wordt naar het hospitaal in Gent gevoerd; Waldo, in een woonwagen meerijdend, ziet haar daar in Gent terug: dood. - En wèèr hangt de wierookgeur in de kapel van het ziekenhuis, maar het Godsgevoel van Waldo is met "zondige " gedachten gemengd; waarom laat God oorlog en Vera 's dood toe? De naïeve onschuld - onwillekeurig dacht ik aan Malot's "Sans famille " - van Waldo is voorbij: de tranen zullen voorgoed blijven. Het tere, mooie vogeltje dat zong toen hij met Vera in het gras lag, is niet meer het enige: hij zal de krekel blijven horen, die tsjilpte toen hij naast de verkrachte Vera zat: de krekel, die in zijn sprookjesboek een lijkwagentje voorttrok, waarop een dode zwaluw lag - die hij met het meisje vereenzelvigde. Zó leerden de "kinderen " het gruwelijke leven kennen in dit gave en prachtige verhaal.

Commentaar:

Deze recensie is al een heel oud, maar toch kan ik er het over het algemeen wel mee eens zijn. Ik vond het net als de recensent een heel aangrijpend en emotioneel verhaal. Het verhaal ontroert je echt, je leeft mee met de kleine Waldo en hoopt voor hem dat alles weer goed zal komen. De schrijver heeft zijn gevoeligheid in het verhaal gelegd en dat merk je heel goed. Hij gebruikt ook helemaal geen scheldwoorden, seksistisch taalgebruik of iets van dien aard. Dat laat heel goed zie dat je dat dus ook niet nodig hebt om een goed verhaal te schrijven. Opdat punt ben ik het dus helemaal met de recensent eens.

In het verhaal staan twee dingen naast elkaar; de bittere ernst van de gruwelen van de oorlog én de gevoelige ongereptheid van de kinderziel. Ik vind dat de emotie en de gruwelen van de oorlog nog tien keer worden versterkt, omdat de oorlog tegenover een gevoelige kinderziel staat, daar heeft de recensent het helemaal niet over. Want als het boek was geschreven vanuit een volwassen persoon dan zou alles veel minder erg hebben geleken, omdat deze wist wat oorlog zou zijn en zich er dus al op voorbereid zou hebben. Het gevolg daar van is dat het contrast veel minder groot zou zijn. Ik ben het er wel mee eens dat de individuele ervaringen veel belangrijker zijn dan de algemene en abstracte woorden. Want door een individuele ervaring komt Waldo in aanraking met de dood van zijn ouders en dan komen eindelijk de tranen.

Dan trekt Waldo samen met Vera door het mooie lentelandschap, de oorlog lijkt al weer voorbij. Vera is op dat moment voor Waldo het enige vaste en betrouwbare in zijn leven dat hij nog overheeft, dit gegeven noemt de recensent ook niet. Daarom wil Waldo ook bij haar blijven en haar beschermen. Dat vond ik in dat gedeelte het mooiste van het verhaal; je wist dat die kinderen op dat moment niet zonder elkaar konden, maar je wist ook wel dat ze uiteindelijk gescheiden zouden worden. En als dat dan inderdaad aan het einde van het verhaal gebeurt door de dood van Vera, komt het toch nog heel hard aan. Op dat moment vervloeken Waldo en de lezer het punt waarop die drie Duitse soldaten langskwamen. Toen ik het verhaal aan het lezen was deed Waldo mij denken aan Remi – de hoofdpersoon van ‘Alleen op de wereld’ – en ik vond het dus heel erg leuk om te lezen in de recensie dat de recensent daar precies op hetzelfde moment ook aan dacht. Waldo’s leven was voorgoed ingestort en de tranen zouden nooit meer verdwijnen.

Ik kan dus eigenlijk niets anders dan zeggen dat ik het volkomen met meneer Van Leeuwen (de recensent) eens ben. ‘Wierook en tranen’ is absoluut een prachtige roman.

























































Samenvatting

Auteur: Ward Ruyslink

Titel: Wierook en tranen

1e jaar van uitgave: 1958

Motto: geen



Waldo Havermans, een negenjarige jongen, is met zijn ouders voor de binnenvallende Duitsers op de vlucht. Het verhaal begint als ze op de tweede dag van hun vlucht in het stadje Poperinge aankomen. Daar overnachten ze bij een oude vrouw en haar kleinzoon Willy. Waldo beschrijft de oude vrouw als een heks en is bang voor haar en haar kleinzoon. De kamer waar ze slapen ruikt volgens Waldo naar wierook. Waldo’s voorliefde voor de geur van wierook bezorgt hem de bijnaam ‘kerkuiltje’.



De volgende dag zet de familie de tocht voort. Ze raken in een colonne vluchtelingen verstrikt die bij de grensovergang wordt tegengehouden. Samen met de colonne trekt de familie naar een grensovergang die wel open zou zijn. Onderweg worden ze door Duitse vliegtuigen overvallen. Als Waldo weer om zich heen durft te kijken, komt hij tot de gruwelijke ontdekking dat zijn ouders zijn omgekomen. In een veldhospitaal komt Waldo van het voorval bij. Een ‘witte juffrouw’ legt hem daar omzichtig uit hoe wreed de oorlog is. Een kapitein vertrouwt Waldo aan korporaal Evarist toe. Samen met hem reist Waldo naar een vluchtelingenkamp. In een grote stad ontmoet Waldo zijn oudere buurmeisje Vera. Vera’s vader is ingelijfd bij het leger en haar moeder is ze uit het oog verloren. Ze haalt Waldo over om samen verder te vluchten en Evarist achter te laten. Ze overnachten in een vervallen mosterdfabriek.



De volgende ochtend trekken ze via de binnenwegen naar de kust. Onderweg bidt Vera bij een veldkapelletje. Waldo spreekt met haar over de straffen die God de Duitsers zal opleggen, omdat ze overal kerken verwoesten. Samen schuilen ze op een hooizolder, om aan de inmiddels snel naderende Duitsers te ontkomen. Als ze toch ontdekt worden, blijken de Duitsers erg vriendelijk te zijn. Ze krijgen zelfs vruchten aangeboden. Nadat ze gerust hebben, besluiten ze samen weer naar huis terug te keren. Voor de middag van de volgende dag arriveren ze in Tielt, waar een oom van Vera woont. Oom Andreas blijkt stomdronken te zijn als gevolg van een feestje dat hij voor Duitse officieren heeft georganiseerd. Waldo en Vera vluchten weg en besluiten de spoorlijn richting Gent te volgen. Onderweg zien ze een trein met Belgische krijgsgevangen. Ook Evarist bevindt zich onder de moedeloze soldaten. Ze mogen niet met de trein meereizen. Later, als ze in een schuit op de Leie zitten, worden ze door Duitse soldaten ontdekt. Ze mogen in de zijspan van de motoren gaan zitten en hopen zo snel in Antwerpen te komen. Als ze even stoppen om bij te komen, worden de kinderen door de soldaten dronken gevoerd. Als Waldo weer bijkomt, zijn de soldaten verdwenen. Hij vindt Vera even later tussen de struiken, ze kan niet vertellen wat de Duitsers haar aangedaan hebben. Met de hulp van twee zigeuners brengt een ambulance Vera naar Gent. Waldo volgt in de woonwagen van de zigeuners.



In het ziekenhuis van Gent, de Bijloke, legt een ziekenzuster Waldo omzichtig uit hoe het met Vera gesteld is. Later, als de dokter geweest is, legt ze hem uit dat Vera een engeltje in de hemel is. Voor Waldo stort de wereld in: ‘Ik was negen jaar en reeds ontwaakte in mijn hart deze bittere onkinderlijke wijsheid: dat het leven heel wat anders was dan een verhaaltje met kleurige droomplaatjes. In de kapel waar de zoete dronkenmakende geur van wierook naar hem toedrijft, twijfelt Waldo aan Gods goedheid.



Ervaringsverslag

Personages

Waldo Havermans:



Waldo is negen jaar oud en enig kind. Waldo heeft een opmerkelijke liefde voor de geur van wierook. Hij gelooft heilig in een rechtvaardige God en heeft een kinderlijke kijk op de mens en de wereld. In het begin van het boek is hij ook nog erg naïef. Aanvankelijk is de oorlog voor hem een spannend avontuur met een open einde. Zie citaat pagina 5: “Waar zijn we nu papa?” vroeg ik. “In Poperinge,” zei hij. Een plezierige naam was dat, die had ik nog nooit gehoord. Als men negen jaar is, is er echter heel wat dat men nog nooit gehoord of gezien heeft. Toen we vierentwintig uur geleden van huis weggingen, wist ik ook nog niet wat een volks verhuizing was.” Hij is een rond karakter. Later in het boek verandert Waldo’s karakter; hij is een stuk minder kinderlijk en begint zelfs te twijfelen aan god. Zie citaat pagina 42: “Maar het bidden lag me niet; de oorlog en de vlucht en de vermoeienis, alles drukte zwaar op me en maakte me treurig en bang.” En zie citaat pagina 109,110: “Zij bad, rustig en ingetogen, geheel vervuld van een groot vertrouwen dat ik niet kende. Zij bad tot het witte wolkje, tot het kaarslicht dat in alle kapelletjes en kerken ter wereld eeuwigdurend brandde, tot de verre onbereikbare God van Vera, die beschikte over leven en dood. Ik wist zo bitter weinig van hem af en daarom begreep ik misschien ook niet om welke reden Hij me Vera ontnomen had, waarom Hij dit alles gedoogde, deze oorlog, deze tranen, dit nutteloze leed, dit voortdurend afscheid nemen van wie men liefhad. Of ik het nu begreep of niet, dat deed er niets toe, één ding had ik nu herhaaldelijk kunnen vaststellen: dat Hij een god was die de mensen meer verdriet dan blijdschap gaf. En wanneer de ene mens de andere verdriet gaf, werden ze gewoonlijk elkaars vijanden, maar niemand wilde de vijand van God worden. De mensen waren beducht voor Hem, ze lieten Hem gewoon zijn gang gaan, ze aanvaardden dit bijna als iets vanzelfsprekends en soms waren ze er Hem ook nog dankbaar voor.” Ward Ruyslinck heeft de naam Waldo afgeleid van de zoon van een Vlaams gezin, dat tijdens hun vlucht voor de Duitsers een onderkomen in de buurt van Ward en zijn ouders vond. Die jongen heette Waldo Coremans.

Vera:



Vera is vier tot vijf jaar ouder dan Waldo. Haar vader zit in het leger en ze is haar moeder uit het oog verloren. Vera is gelovig: onderweg stopt ze bij een kapelletje om te bidden en na de oorlog wil ze kloosterzuster worden. Ze heeft een open persoonlijkheid en is heel aardig.







Waldo’s ouders:



Over de ouders van Waldo wordt weinig verteld. Ze vormen een hecht trio in de chaotische massa vluchtelingen. Het is een traditioneel gezin, waarin de vader de beslissingen neemt en de moeder voor het gezin zorgt.

Relaties

Vera en Waldo:



Voor Waldo neemt Vera de plaats van zijn moeder in. Beide zijn een beetje verliefd op elkaar. Vera droomt ervan samen met Waldo in de duinen te gaan wonen en Waldo vindt het niet leuk om te horen dat Vera na de oorlog kloosterzuster wil worden. Vera is een stuk minder onschuldiger dan Waldo; ze is lief, aardig en vrolijk.

Eigenlijk kunnen Waldo en Vera niet zonder elkaar, omdat ze op dat moment alleen maar elkaar hebben. Zie citaat pagina 47,48:’ “Gaan wij dan naar een klooster?…” “Neen,” antwoordde ze, “maar later, als ik oud genoeg ben, ga ik in het klooster leven, voorgoed, voor altijd. Ik word kloosterzuster. Vind ge dat niet heerlijk, Waldo?” Een schok voer door mij heen en ik bleef stilstaan. Hoe kon ze zoiets zeggen? Was ze dan waarlijk vergeten wat ze me gisteren nog had voorgespiegeld, over het huis in de duinen? Een groot ongenoegen kwam over mij, mijn wimpers begonnen te trillen en op dat ogenblik vergaf ik haar dit niet, deze ontrouw, deze smadelijke verbreking van een plechtige belofte. “Ik dacht,” zei ik ontdaan, “dat we een huis zouden bouwen in de duinen en daar blijven wonen totdat we dood gingen?” Ze knipperde met haar ogen en haar mond viel weer eventjes open, zoals ik haar dat gisteren had zien doen, toen ik haar op het plein ontmoette. “Totdat we doodgaan? Heb ik dat gezegd? Neen, o neen, totdat de oorlog gedaan is. Ge hebt me klaarblijkelijk verkeerd verstaan. Zodra de oorlog gedaan is, word ik kloosterzuster. Waarom kijkt ge zo…zo…? Vindt ge dat niet fijn?” “Neen,” zei ik uit het diepst van mijn hart.’ Deze relatie blijft gedurende het hele boek hetzelfde, tot het moment waarop Vera overlijdt, want dan heeft Waldo haar gewoon niet meer.

Perspectief

Het perspectief ligt bij Waldo, de lezer volgt het verhaal door zijn ogen. Hij-perspectief. Dat heeft als gevolg dat je de tekst zelf beter begrijpt dan de hoofdpersoon, omdat hij dingen op een kinderlijke manier beschrijft die hij niet snapt, maar de lezer wel.



Tijd

Het verhaal beslaat zes dagen, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog (mei 1940). De eerste dag wordt niet beschreven. De eerste vijf hoofdstukken beslaan vier dagen (van de tweede dag tot en met de vijfde dag). De laatste dag wordt in de resterende drie hoofdstukken beschreven. Het verhaal wordt in deze hoofdstukken naar een hoogtepunt gedreven. Het verhaal is chronologisch verteld en bevat geen flashbacks.



Ruimte

Het verhaal begint in het Zuid-Belgische Poperinge en speelt zich af tussen de woonplaats van Waldo en de plaats waar Waldo en Vera besluiten terug te keren. Verder speelt het ziekenhuis Bijloke in Gent, waar Vera sterft, een belangrijke rol. De plaatsen waar het verhaal zich afspeelt, de hooischuur, de stuk geschoten kerk, het bootje op de Leie lijken allemaal schuilplaatsen, maar blijk achteraf toch niet zo veilig te zijn. De plaats van het verhaal is erg belangrijk, want het speelt in een mooie omgeving waardoor de gruwelijke oorlogsgebeurtenissen extra benadrukt worden.

Thematiek

Het thema van het boek is de angst die overblijft in het kind dat zijn kinderlijke onschuld verliest.

Motieven

Geweld van de machtigen:

Oftewel het geweld van de Duitsers is een steeds terugkomend onderwerp, daardoor zijn dus ook onder andere Waldo’s ouders en Vera omgekomen. Dit motief is dus met het thema verbonden, omdat het Waldo grote angst inboezemt.

Gebrek aan medemenselijkheid:

Waldo’s angst wordt ook nog versterkt door enkele niet zo sociale en aardige mensen, zoals de boeren en de oom van Vera. Er zijn meer van dit soort mensen verspreid door het boek, vandaar dat dit ook een terugkerend thema is in het boek. Zie citaat pagina 67: ‘”Oom Andreas… ik ben uw nichtje Vera… ik… wij”stotterde Vera. “Nichtje Vera…” bromde oom Andreas en nam haar wantrouwig op. “Ja. Oom Andreas. We kwamen zomaar eens aanlopen, maar als u geen tijd heeft, gaan we weer weg hoor. Wij…” “Aanlopen zegt ge?Is dat nu een moment om bij iemand aan te lopen! Ik heb gasten, ik kan jullie nu niet ontvangen. En wie is dat schooiertje daar?” “Een jongetje uit de buurt,” stelde Vera me voor. “We hebben elkaar tijdens de vlucht ontmoet. Hij heeft zijn pa en ma bij een luchtaanval verloren.” De Puimsteen wierp me een achterdochtige en doordringende blik toe. “Een jongetje uit de buurt? Jullie willen me zeker bedonderen: ik heb dat luizenbroekje nog nooit gezien.” “Neen, neen, uit ónze buurt,” haastte Vera zich te verklaren. Oom Andreas bromde nog wat en toen zei hij: “Uw pa heeft dus nog altijd geen betere manieren geleerd. Wist ge niet dat het onbeleefd is, de mensen onverwachts op de nek te vallen? Waar zijn uw pa en ma? Zijn die ook hier?”

Het geloof in God:

De godsdienst komt heel vaak voor in dit boek. Waldo en zijn ouders zijn katholiek, waardoor Waldo ook geloofde dat hen niks kon overkomen omdat ze een goed leven hadden geleden. Daarom trekt hij zijn geloof in God ook in twijfel als zijn ouders wel omkomen. Ook Vera gelooft onvoorwaardelijk in God en wil later zelfs kloosterzuster worden.

Stijl

Wierook en tranen is een makkelijk te lezen boek. Het perspectief ligt bij de negenjarige Waldo, waardoor het taalgebruik eenvoudig is. Het kinderlijke van Waldo wordt ook door het taalgebruik benadrukt; sommige buitenlandse woorden worden feunetisch gespeld. Zie citaat pagina 87: ‘ “Na na, zai roehig, zie komt bald tsoeruk…” ’



Stroming

Existentialisme



Verwerkingsopdracht



Recensie:

Ruyslinck , Ward

Titel Wierook en tranen

Jaar van uitgave 1958

Bron Tubantia

Publicatiedatum 03-04-1959

Recensent W.L.M.E. van Leeuwen

Recensietitel Ward Ruyslinck : Wierook en tranen ; ontroerend verhaal van twee kinderen in de oorlog

Wat zo meermalen de Vlaamse auteurs onderscheidt van hun collega 's uit het Noorden is een hartelijke gevoeligheid, waarvoor zij zicht bepaald niet schamen, ook al zou men hen er sentimenteel om noemen. En het is deze tederheid des harten, èn hun milde levensvrijheid (waarvan trouwens in wezen die tederheid de vrucht is) die hun schrifturen een bijzonder ontroerend accent verleent. Terwijl het zonder schaamte uitkomen voor hun gevoeligheid hen vrijwaart voor het ten toon spreiden van grove kwajongensachtige zogenaamde flinkheid - vuilbekken, descriptie van seksuele gebeurtenissen, opvallend duidelijk vloeken en schelden, ostentatief leuren met "wereldwijsheid " - waaraan zoveel Noord-Nederlandse auteurs laboreren. Het Zuiden heeft nu eenmaal een oudere cultuur, èn: het is mede gevoed door de cultuur bij uitnemendheid: de Franc, met haar hoffelijke geestesheid en sierlijke ernst, wijze luchtigheid en natuurlijk vormgevoel.

Naast elkaar vindt men in het verhaal over Waldo en Vera, de twee kinderen die in de meidagen van 1940 meetrekken met de vluchtelingenstroom naar de Franse grens, een verhaal (of kleine roman) door Ward Ruyslinck geschreven onder de titel "Wierook en tranen" (A. Manteau, Brussel, 1958) de bittere ernst van de gruwelen van de oorlog èn de gevoelige ongereptheid van de kinderziel. Al te veel wordt thans weer over oorlogen gesproken in termen die slechts van totaliteiten reppen (legers, luchtmachten, volken) en in abstracte woorden (vernietiging; disengagement; infiltratie) - terwijl de werkelijke ellende is het leed van de afzonderlijke mens; de aan stukken gereten lichamen, de soldaat in de modderige granaattrechter, de man in het prikkeldraad onder trommelvuur. Ward Ruyslinck wèèt dat, en hoe het kind (en dus: het kind in de mens) voor het eerst geconfronteerd wordt met diè gruwelijke dood tekent hij - maar hoe sober en in enkele trekken - wanneer Waldo, met zijn ouders op de vlucht, zijn vader en moeder verminkt, dood voor zich ziet liggen, nadat de Duitsers hun bommen op de weerloze mensenstroom hebben neergeworpen. Dàn kent hij de dood - waartegen de gebeden bij de hem zo lieve wierookgeur in de kerk niets vermogen. Dan zijn er de tranen.

Maar Waldo is een kind van een jaar of tien, en Vera is wel enige jaren ouder, maar nog onbedorven - en wanneer zij samen de stroom ontvluchten om eerst te trachten "de kust" te bereiken, daarna om naar hun oude woonplaats terug te keren (ook Vera's ouders zijn dood of vermist), dan zijn het weer een ogenblik de naïeve jonge kinderen - al ligt er een waas van leed over hun blik -, en de schrijver laat ze samen door het lentelandschap gaan (èn wàt voor een schone lente was juist die mei van 1940!):

We kwamen nu in een vlak eentonig landschap, met hier en daar bomen die schuin voorover hingen, alle in dezelfde richting. Onderweg bekeek Vera aandachtig de wegwijzers, zij scheen zich nooit te vergissen. "Hierheen ", zei ze dan en we gingen voort, over zanderige weggetjes, door groene weilanden, langs kronkelende beken en een enkele keer ook langs een verlaten kasteeltje.

In de blauwe bossen, die zich soms in de verte vertoonden, hoorden we de roep van de koekoek. Opeens was er geen oorlog meer: de lieflijke lente, die met glans en kleuren in de lucht en in het landschap uitzette, die zacht en zonnig als het begin van een nieuwe schone tijd over de aarde lag en de vogels deed zingen, kon niet vergeleken worden met de lente in de stad, met het vale voorjaarslicht dat als schimmel op de grauwe huisgevels kleefde. Hier was dat betoverend ànders en, ware het niet dat we voortdurend het verwijderd gedreun van de kanonnen in onze oren hadden, de oorlog zou een boze droom geweest zijn waaruit we zo-even ontwaakten.

Maar een paar minuten later kwam de oorlog ons al tegemoet: een dorp waar bommen waren gevallen. De ingestorte huizen en de diepe bomkraters in de omringende velden maakten ons stil en schuw en we gingen er met benepen hart langs..."

Zo botsten voor de twee eenzame kinderen beelden van milde natuurzegen en van menselijke gruwel op elkaar: wierook en tranen. In de kerk ligt het Christusbeeld onder puin bedolven; bij een oom van Vera blijkt de zwijnerij tussen collaborateurs, Duitsers en wijven al begonnen: een paar straatjongens schreeuwen schunnigheden naar Vera en zwetzen over een mof die dood, zonder kop achter een heg ligt, krijgsgevangenen worden in een trein geladen.. Maar dan komen ze aan een slingerende rivier, de Leie, de "dichterlijkste " rivier van Vlaanderen. Weer toont Ruyslinck zich telg van het land van Streuvels, Teirlinck, Van de Woestijne, Buysse, Lampo. Maar als de kinderen in een boot aan de oever liggen uit te rusten, komt het noodlot: drie Duitsers op motoren spotten met hun vermeende "vrijage " lokken ze mee, voeren ze dronken, en dan wordt Vera hun slachtoffer. - Nogmaals: weer blijkt de Vlaming wijs en kuis: hij heeft er geen behoefte aan die schendende daden "lekker" te beschrijven: ieder niet infantiele lezer weet ook wel wat de schoften doen. Maar Waldo (de "ik"), dronken in slaap gevallen heeft uiteraard niets gezien (en begrijpt ook niet goed wat er gebeurt) doch vind Vera verlaten, vrijwel dood. Hij haalt hulp: Vera wordt naar het hospitaal in Gent gevoerd; Waldo, in een woonwagen meerijdend, ziet haar daar in Gent terug: dood. - En wèèr hangt de wierookgeur in de kapel van het ziekenhuis, maar het Godsgevoel van Waldo is met "zondige " gedachten gemengd; waarom laat God oorlog en Vera 's dood toe? De naïeve onschuld - onwillekeurig dacht ik aan Malot's "Sans famille " - van Waldo is voorbij: de tranen zullen voorgoed blijven. Het tere, mooie vogeltje dat zong toen hij met Vera in het gras lag, is niet meer het enige: hij zal de krekel blijven horen, die tsjilpte toen hij naast de verkrachte Vera zat: de krekel, die in zijn sprookjesboek een lijkwagentje voorttrok, waarop een dode zwaluw lag - die hij met het meisje vereenzelvigde. Zó leerden de "kinderen " het gruwelijke leven kennen in dit gave en prachtige verhaal.

Commentaar:

Deze recensie is al een heel oud, maar toch kan ik er het over het algemeen wel mee eens zijn. Ik vond het net als de recensent een heel aangrijpend en emotioneel verhaal. Het verhaal ontroert je echt, je leeft mee met de kleine Waldo en hoopt voor hem dat alles weer goed zal komen. De schrijver heeft zijn gevoeligheid in het verhaal gelegd en dat merk je heel goed. Hij gebruikt ook helemaal geen scheldwoorden, seksistisch taalgebruik of iets van dien aard. Dat laat heel goed zie dat je dat dus ook niet nodig hebt om een goed verhaal te schrijven. Opdat punt ben ik het dus helemaal met de recensent eens.

In het verhaal staan twee dingen naast elkaar; de bittere ernst van de gruwelen van de oorlog én de gevoelige ongereptheid van de kinderziel. Ik vind dat de emotie en de gruwelen van de oorlog nog tien keer worden versterkt, omdat de oorlog tegenover een gevoelige kinderziel staat, daar heeft de recensent het helemaal niet over. Want als het boek was geschreven vanuit een volwassen persoon dan zou alles veel minder erg hebben geleken, omdat deze wist wat oorlog zou zijn en zich er dus al op voorbereid zou hebben. Het gevolg daar van is dat het contrast veel minder groot zou zijn. Ik ben het er wel mee eens dat de individuele ervaringen veel belangrijker zijn dan de algemene en abstracte woorden. Want door een individuele ervaring komt Waldo in aanraking met de dood van zijn ouders en dan komen eindelijk de tranen.

Dan trekt Waldo samen met Vera door het mooie lentelandschap, de oorlog lijkt al weer voorbij. Vera is op dat moment voor Waldo het enige vaste en betrouwbare in zijn leven dat hij nog overheeft, dit gegeven noemt de recensent ook niet. Daarom wil Waldo ook bij haar blijven en haar beschermen. Dat vond ik in dat gedeelte het mooiste van het verhaal; je wist dat die kinderen op dat moment niet zonder elkaar konden, maar je wist ook wel dat ze uiteindelijk gescheiden zouden worden. En als dat dan inderdaad aan het einde van het verhaal gebeurt door de dood van Vera, komt het toch nog heel hard aan. Op dat moment vervloeken Waldo en de lezer het punt waarop die drie Duitse soldaten langskwamen. Toen ik het verhaal aan het lezen was deed Waldo mij denken aan Remi – de hoofdpersoon van ‘Alleen op de wereld’ – en ik vond het dus heel erg leuk om te lezen in de recensie dat de recensent daar precies op hetzelfde moment ook aan dacht. Waldo’s leven was voorgoed ingestort en de tranen zouden nooit meer verdwijnen.

Ik kan dus eigenlijk niets anders dan zeggen dat ik het volkomen met meneer Van Leeuwen (de recensent) eens ben. ‘Wierook en tranen’ is absoluut een prachtige roman.































Samenvatting

Auteur: Ward Ruyslink

Titel: Wierook en tranen

1e jaar van uitgave: 1958

Motto: geen



Waldo Havermans, een negenjarige jongen, is met zijn ouders voor de binnenvallende Duitsers op de vlucht. Het verhaal begint als ze op de tweede dag van hun vlucht in het stadje Poperinge aankomen. Daar overnachten ze bij een oude vrouw en haar kleinzoon Willy. Waldo beschrijft de oude vrouw als een heks en is bang voor haar en haar kleinzoon. De kamer waar ze slapen ruikt volgens Waldo naar wierook. Waldo’s voorliefde
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen