U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Paul Biegel - Anderland (brandaan Mythe).
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=12008 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1596 woorden.

Personages:

@ Malle:

Malle is een zwakbegaafde jongen die voortdurend getreiterd wordt. De mensen laten duidelijk merken dat hij er door zijn geestelijke handicap niet bij hoort. Malles leven verandert totaal als Bran verschijnt. De man neemt hem in bescherming en geeft hem een gevoel van veiligheid.



Als Malle op een bepaald moment totaal over zijn toeren naar het strand gevlucht is, zoekt Bran hem op en praat op hem in. Bran maakt hem duidelijk dat hij weg moet gaan, omdat hij op deze plaats nooit gelukkig zal worden.



@Bran:

Bran is een nuchtere kerel die zonder enige overdrijving vertelt wat hij beleefd heeft. Nergens blijkt dat hij een monnik is, in tegendeel, hij heeft in de landen waar hij gewoond heeft. met verschillende vrouwen samengeleefd.



Hij lacht maar een beetje schamper om de opmerkingen die zijn toehoorders maken, vooral als ze aan het overdrijven slaan. Wat hij vertelt, klinkt heel logisch en geloofwaardig. Daar lijkt geen woord van verzonnen te zijn. Bran kijkt een beetje neer op de mannen aan wie hij zijn avonturen vertelt. Alleen aan Malle vertelt hij wat hij over hen denkt: "Ja. lach jij maar, je begrijpt heel goed wat ik zeg. Je begrijpt het beter dan de anderen hier. Jou kan ik vertellen dat een Paradijs waar gebraden eenden je mond binnen vliegen goddonderse kul is."



De groep mannen bij wie Bran terechtkomt zijn buitengewoon nieuwsgierig naar de verhalen van de zeevaarder. Nergens blijkt dat deze mannen monniken zijn, maar ze leven wel zonder vrouwen. Dat blijkt niet eenvoudig te zijn. Cuchu. een van de mannen, heeft het voortdurend over aantrekkelijke jongedames die in het Paradijs voorhanden zijn en komt daar steeds op terug als hij met de andere mannen over Brans verhalen napraat.





Samenvatting:

De zwakbegaafde jongen Mallc staat uit te kijken over de zee en denkt aan de verhalen die men vertelt over de Overkant, een paradijsachtig land. Plotseling ziet hij een man op het strand aanspoelen. De jongen haalt hulp en de drenkeling wordt naar het huis gebracht.

De oude Iarnan herkent de drenkeling. Het is de man die jaren geleden per boot vertrokken is, op zoek naar de Overkant. Hij blijkt Bran te heten.

Bran is er slecht aan toe. Malle verzorgt hem en heel langzaam knapt de zeeman op. Na een week is Bran in staat op te staan en wat te zeggen. Dan blijkt hij een reus van een kerel te zijn met een donderstem.

De mannen in het huis zijn nieuwsgierig naar wat Bran te vertellen heeft en beginnen honderduit te vragen. Stukje bij beetje vertelt de reusachtige kerel zijn belevenissen vanaf het moment dat hij met zestien anderen vertrokken is, tot het moment dat hij op de kust aanspoelde.

Bran laat duidelijk merken dat hij op Malle gesteld is en de jongen blijft daarna voortdurend in zijn buurt.

Elke dag vertelt Bran aan de nieuwsgierige toehoorders een stukje van zijn verhaal. Dat doet hij op een heel nuchtere toon. Na afloop praten de mensen nog na en voegen hun eigen fantasieën over verre landen en streken toe aan de verhalen van Bran.

Door zijn verhalen krijgen de mensen steeds meer ontzag voor Bran. Ze denken dat hij in het paradijs, wat zij Anderland noemen, geweest is en daardoor krijgt hij haast een goddelijke uitstraling.

Bran vertelt over walvissen, ijsbergen, sneeuwlanden en over een vruchtbaar land (waarschijnlijk Amerika) waar hij jarenlang gewoond heeft. Maar zijn reisgenoten kregen na verloop van tijd heimwee en hij wilde niet alleen achterblijven. Tijdens de terugtocht is iedereen om het leven gekomen.

Tussen zijn verhalen door trekt Bran veel met Malle op. De jongen is ongelukkig. Hij wordt gepest omdat hij een geestelijke achterstand heeft. Bran dringt er bij hem op aan dat hij van deze plaats moet weggaan, al dat gepieker maakt het alleen maar erger.

Enkele dagen later leert Bran Malle hoe hij met een visnet moet omgaan. Als Bran wil terugkeren naar de wal. zegt Malle dat hij nu naar het westen wil varen. Bran zegt dat zo'n reis goed voorbereid moet worden, anders kom je binnen de kortste keren om het leven door gebrek aan drinkwater en voedsel. De jongen wil of kan Bran niet begrijpen en valt snikkend neer op de bodem van de boot. Bran roeit terug naar de kust. De volgende morgen is Malle met de boot verdwenen. Van de jongen is nooit meer iets vernomen.





Taalgebruik:

Paul Biegel gebruikt in dit boek korte zinnen en een flitsende, vooral beeldende woordkeus : "Het nieuws over de aangespoelde drenkeling had zich verspreid en het huis zat vol nieuwsgierigen. Er was een vis het strand opgekropen en voor de ogen van de Malle veranderd in een kerel. Die lag alleen maar te slapen onder een dek van vijf wolvenvachten, maar een nieuwsgierige dienstmeid had eronder gegluurd en z’n kieuwen gezien. Die jongen, die Malle, die week niet van zijn zijde. Die was ingetoverd door de visman. Dat krijg je gauw met zulke halfgaren, die komen van Elders. Ja, ze zeggen van de Overkant. maar dat moet nog blijken."



Vooral in de gesprekken komen vrij veel onvolledige zinnen voor: "Jongens afb1ijven! moest ik telkens roepen, maar ze vraten er toch stiekem van, die schoften. Vooral die drie. Daar hebben we nog mee te stellen gehad, met die drie. O, er was ook nog een kat daar in die hut. Nou ik zo bezig ben komt het allemaal weer in mijn herinnering terug. Die kat! Want het gebeurde ook met een van diezelfde drie - die ziet daar aan de muur een riem hangen, een stuk van een paardentuig met een zilveren gesp eraan. Mooi ding. Mooi bewerkt. Hij pakt het van de muur om het goed te bekijken, springt me die kat op hem toe en geeft hem een haal over z’n smoel. Bijna z’n oog eruitgekrabd. Haha! Wij lachen. Waakse kat!"



Zoals uit dit stukje blijkt. ligt de taal heel dicht tegen de spreektaal aan. Dat is begrijpelijk, omdat het verhaal grotendeels uit twee vertellingen bestaat: het verhaal van Bran en de gesprekken van de mannen over die avonturen.



Bij die gesprekken wordt zelden aangegeven wie er aan het woord is en het taalgebruik (in die gesprekken) is soms nogal grof.



Over het gebruik van korte zinnen en snelle wisselingen heeft Biegel gezegd: "Ik ben me steeds meer bewust geworden van de concurrentie van de t.v. Dat ik moet proberen zo snel mogelijk in het verhaal te komen. Geen woord te veel. Per woord moet het raak zijn. anders gooien kinderen het weg. Als je niet verdomd goed schrijft, zitten ze aan de buis.





Verband boek met het leven:

Paul Biegel is aan Anderland begonnen toen zijn uitgever Rolf van Ulzen hem vroeg het oude Brandaan-verhaal eens voor lezers van nu te bewerken. Biegel had zoiets al eens gedaan met het verhaal van Reinaart de Vos.



Het werk kostte Biegel veel meer moeite dan hij had gedacht: "Ik vond Anderland een vreselijk moeilijke kluif. Ik ben er zeven jaar geleden aan begonnen door me te verdiepen in die ontzaglijk interessante geschiedenis van Ierland. Wat me van die Brandaan-mythe vooral boeide. was de heidense, niet-christelijke achtergrond.



In die oudste, heidense versies van het verhaal is Brandaan geen monnik "maar een man die gedreven wordt door het eeuwige verlangen om aan de andere kant van de zee te zijn. Ik liep rond bij Sail Amsterdam en zag boven de bomen de masten met al die ra's uitsteken. En ineens begreep ik: ja, dat wil je dan. Aan boord en mee."



Ook het onderwerp van het oorspronkelijke verhaal - een zoektocht naar het paradijselijk geluk - sprak Biegel erg aan: "Je moet het buiten de deur zoeken om te begrijpen dat het in je huis zit. Maar als je niet gaat, dan vind je het niet. Daar geloof ik echt in."





Boodschap en bedoeling:

Anderland is een bewerking van een beroemd verhaal uit de middeleeuwen: De reis van Sint Brandaan. In dit oude verhaal komen allerlei wonderlijke avonturen voor en heel lang heeft men gedacht dat deze vertelling voor een groot deel op fantasie berustte. In 1976/1977 heeft de Ier Tim Severin echter aangetoond dat het destijds mogelijk moet zijn geweest zo'n reis te maken. Severin zeilde in een boot van hout en leer via de Far Oer-eilanden naar IJsland en Amerika. Hij kwam tot de volgende conclusie: "Andermaal kwamen de nuchtere feiten boven en kon een begrijpelijke verklaring worden gegeven aan de wilde fantasieën uit de vertelling."



Deze zin heeft Paul Biegel geïnspireerd tot het schrijven van Anderland. Hij laat daarin duidelijk zien dat Bran een geloofwaardig verslag geeft van wat hij heeft meegemaakt. Zodra zijn toehoorders er commentaar op gaan leveren en het verhaal doorvertellen aan anderen, voegen zij hun eigen ideeën toe en dikken het verhaal aan. Dat gaat soms heel ver en het gevolg is dat de oorspronkelijke belevenissen slechts met heel veel moeite te herkennen zijn.



Het verhaal dat wij uit de middeleeuwen kennen, is het resultaat van dat mondeling doorvertellen. Wat er in de loop der tijd allemaal aan toegevoegd is, weten we niet, maar zeker is dat het werkelijke verhaal van Brandaan minder fantastisch is geweest.



Wij kennen het verhaal uit een handschrift dat dateert uit 1370, maar het verhaal is dan al 800 jaar lang mondeling van generatie op generatie doorverteld. In die tijd is er natuurlijk heel wat mee gebeurd. Het is telkens aangepast aan de mode van de tijd, aan de denkwijze van de toehoorders, vermengd en aangevuld met eigen fantasieën.



Biegel heeft zich nu voorgesteld wat het oorspronkelijke verhaal van Brandaan geweest zou kunnen zijn en laat dit Bran vertellen. Bovendien laat Biegel door het commentaar van de toehoorders zien op welke manier zo'n verhaal heel snel van inhoud, toon en sfeer kan veranderen.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen