U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Ward Ruyslinck - Wierook En Tranen.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/2068 en is laatst upgedate op 28/01/2000.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1470 woorden.

Samenvatting:



Waldo Havermans was met zijn vader en moeder op de vlucht voor de Duitsers. In het plaatsje Poperinge stopten ze om een overnachting plaats te zoeken. Terwijl Waldo en zijn moeder bij de fietsen bleven wachten, ging pa een kamer zoeken. Na 10 minuten kwam hij terug met het bericht een slaapplaats gevonden te hebben bij een oud vrouwtje en haar kleinzoon Willy. De vrouw bracht hun naar hun kamer maar ze konden niet slapen. Toen ze eenmaal sliepen werden ze gewekt door Willy die midden in de nacht rattengift kwam strooien.



Ze waren nu bij de Franse grens. Bij de grens werd hun door de veldwachter verteld dat de grens voorlopig gesloten was. Een andere veldwachter vertelde dat de grens bij Menen waarschijnlijk nog open was, dus fietsten ze daarheen. Toen ze een stukje gefietst hadden vroeg moeder of ze even een boompje wilde zoeken. Terwijl moeder in de bosjes was kwamen de vliegtuigen. Nadat ma uit de bosjes kwam gingen ze in de greppel liggen. Toen vielen een paar bommen en Waldo werd tijdelijk verblind. Nadat hij weer kon zien zag hij dat zijn vader dood was en van zijn moeder vond hij alleen een schoen. Hij werd wakker in een nood hospitaal. Hij had verband om zijn voet en wist nog alles en begon zacht te huilen.



Waldo reed met Evarist mee, een soldaat die een vrachtwagen uit een leger colonne bestuurde. Ze waren op weg naar de kust, een vluchtelingen kamp. Uiteindelijk kregen ze in een dorpje soep van hulpverleners. Daar ontmoette hij Vera en ging samen met haar naar de kust, maar eerst moesten ze de nacht doorbrengen in een oude mosterd fabriek.



Toen Waldo en Vera wakker werden hoorden ze geschut in de verte en zagen ze grote rookpluimen aan de horizon. Ze besloten gelijk te vertrekken en mengden zich weer tussen de stroom vluchtelingen. Onderweg stopte Vera even bij een veldkapelletje om te bidden waarna ze hun weg vervolgden. Ze kwamen in een dorpje dat bijna geheel door bommen was verwoest. Ze stopten even om in een halfverwoeste kerk te kijken. Daarna liepen ze weer verder.



Rond een uur of twee was geen mens op de weg. Toen kwam er een veldwachter aan gefietst en riep dat de Duitsers kwamen. Waldo en Vera verstopten zich in een schuur langs de weg. De colonne Duitsers stopte bij de schuur en riep dat iedereen met de handen omhoog naar buiten moest komen. Iedereen deed dat maar de Duitsers keken raar op toen ze Waldo en Vera zagen. Waldo en Vera kregen sinasappelen van de Duitsers en nadat ze die ophadden gingen ze slapen, maar dat lukte niet echt. Toen ze daar lagen besloten ze naar huis gaan.



Ze gingen naar Andreas (is een oom van Vera) in Tielt. Misschien betaalde hij de treinkaartjes wel. Andreas wou hen eerst niet binnenlaten omdat hij bezoek had maar liet ze daarna toch in de keuken een boterham eten. Nadat ze de boterham op hadden gingen ze via de achterdeur naar buiten. Buiten aangekomen volgden ze de spoorlijn naar Gent.



Ze schuilden in een stationshal toen het begon te regenen. Op dat moment kwam er een trein binnen met krijgsgevangenen. Tussen de krijgsgevangenen zat ook Evarist. Toen de soldaten en de krijgsgevangenen weg waren moesten Waldo en Vera van de stationschef vertrekken.



Waldo en Vera kwamen tijdens hun reis bij een rivier genaamd ‘de leie’ aan. Ze gingen in een bootje liggen en lagen stil te luisteren naar het klotsen van het water, toen ze opeens twee Duitsers met motoren hoorden aankomen. Het duurde niet lang voor ze hun ontdekten. Ze mochten met de Duitsers mee naar Antwerpen rijden, maar de Duitsers reden al snel van de verharde weg af. Het laatste wat Waldo zag was hoe de Duitsers Vera meenamen het bos in.



Toen hij bijkwam waren de Duitsers weg. Hij ging Vera zoeken en vond haar kreunend en niet instaat om te lopen. De Duitsers hadden haar verkracht. Hij rende naar de verharde weg om hulp te zoeken. Hij zag in de verte een woonwagen met paard. Tegen de man vertelde hij wat er gebeurd was en er kwam een man, genaamd Juul, uit de woonwagen die met Waldo naar Vera ging. Juul haalde nog vier man en ze droegen Vera naar de ambulance die inmiddels door de bestuurder van de woonwagen was aangehouden. Vera werd naar Gent gebracht en Waldo reed met de woonwagen mee naar Gent.



In Juul vindt Waldo al gauw een vriend. Tegen de avond komen ze aan in Gent. In het ziekenhuis waarnaar Vera werd overgebracht brengt een ziekenzuster Waldo omzichtig op de hoogte van Vera’s toestand: Eerst zegt ze dat ze op God moeten hopen en bidden voor haar genezing, later, nadat een doktor bij haar is geweest, dat Vera nu een engeltje in de hemel is. Voor Waldo start de wereld in elkaar. In de kapel, waar de zuster met hem wil bidden en waar ‘ de zoete dronken makende geur van wierook’ naar hem toedrijft, twijfelt Waldo aan Gods goedheid. Bij het verlaten van de kapel stopt hij het geldstuk, dat hij van Juul gekregen had, in het offerblok. De zuster glimlachte en aaide hem nog eens over het hoofd.





TITELVERKLARING

Op verschillende momenten in het boek meent Waldo wierook te ruiken. Wierook bedwelmt hem en hij geniet van de geur ervan. Zijn vader noemt hem dan ook enigszins spottend ‘kerkuiltje’.





SOORT VERHAAL

Het verhaal is een oorlogsroman. Het is een literatuur boek dat kan je aan de volgende dingen zien: de nadruk op gevoelens en gedachten, er komen weinig gebeurtenissen in het verhaal voor en er komen terugblikken in het verhaal voor.





GEBEURTENISSEN

Het probleem van de hoofdpersoon is dat hij moet vluchten voor de Duitsers met zijn ouders en daarbij komen zijn ouders om. Hoofdlijn: gevlucht van huis- aangekomen in poperinge- weer vertrokken van poperinge- vluchten naar de kust- haast bij kust aangekomen- terugkeer naar huis. Het begin van het verhaal zit je midden in een situatie ze vluchten voor de duitsers.

Het Eind van het verhaal eindig open. Het is best wel een spannend verhaal die spanning wordt veroorzaakt door het vluchten voor de Duitsers en dan maken ze allemaal dingen mee.





PERSONEN

Hoofdpersonen:

Waldo Havermans: Hij is 9 jaar oud hij heeft donker bruin haar hij beschouwd de oorlog meer als een soort avontuur maar later in het verhaal veranderd hij dan denkt hij er wel anders overen het is een round character.

Vera: Zij is 5 jaar ouder dan Waldo het was vroeger een buurmeisje van Waldo en zij is niet echt bang voor de oorlog en het is een round character.

Andere Personen:

Vader van Waldo: hij is zeer snel bezorgd.

Moeder van Waldo: Zij is bang dat er wat met hun gaat gebeuren.

Evarist: Hij is chauffeur in het leger en hij nam Waldo mee naar de kust.







TIJD

Het verhaal speelt zich af in de tweede wereld oorlog. Er verloopt ongeveer tussen het begin en eind 5 dagen van het verhaal. Het verhaal is chronologisch vertel want de tijd loopt gewoon als anders. Het verhaal bevat enkele terugblikken. Er komen geen sprongen in de tijd voor.





VERTELWIJZE

Het verhaal beleven we door Waldo’s ogen, en het is een ik verhaal want er stat steeds ik ga enz. Er is geen personale verteller en ook geen alwetende verteller.







RUIMTE

Het verhaal speelt zich voornamelijk af in West-Vlaanderen, en voor een klein stuk in Oost-Vlaanderen. Precieze plaatsnamen zijn Poperinge, Menen, Tielt, Gent.



THEMA

Thema: Vluchten voor de oorlog, de gruwelijkheid van een oorlog.

Motieven: angst, wreedheid



BEDOELING/BOODFSCHAP

De bedoeling van het verhaal is volgens mij om te laten zien hoe erg de oorlog kan zijn. Dat heeft mee wel aan het denken gezet hoe erg de mensen het vroeger eigenlijks gehad hebben.



TAAL

Ik vond het taal gebruik normaal maar er staan nog wel veel oud Nederlandse woorden in. Het verhaal bevat geen dialogen maar wel wat beschrijvingen.



MENING

Ik vond het wel een leuk verhaal om te lezen maar het is een niet een echt spannend verhaal maar voor de rest was het wel een leuk verhaal niet moeilijk om te lezen.



SCHRIJVER

Ward Ruyslinck is een Vlaamse schrijver. Ward Ruyslinck, het pseudoniem voor Raymond de Belser werd 17 juni 1929 vlak bij Antwerpen geboren. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij met zijn ouders naar Noord-Frankrijk. De herinneringen aan deze oorlog vind je terug in het boek 'Wierook en tranen'. De dood van zijn broer in 1948 deed hem zijn geloof in een goede God verliezen. Hij heeft de volgende boeken ook nog geschreven: De ontaarde slapers.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen