U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Ward Ruyslinck - Wierook En Tranen.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/2066 en is laatst upgedate op 28/07/1999.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1508 woorden.

Titel

Wierook en tranen



Schrijver

Ward Ruyslinck (= Raymond de Belser)



Uitgever

Manteau, Antwerpen



1e druk

1958



Gelezen druk

?e uit 1989



Indeling

9 hoofdstukken



Samenvatting

H1. Waldo Havermans was met zijn vader en moeder op de vlucht voor de Duitsers. In het plaatsje Poperinge stopten ze om een overnachtingsplaats te zoeken. Terwijl Waldo en z’n moeder bij de fietsen bleven wachten, ging pa een kamer zoeken. Na 10 minuten kwam hij terug met het bericht een slaapplaats gevonden te hebben bij een oud vrouwtje en haar kleinzoon Willy. Het vrouwtje bracht ze naar hun kamer en liet ze alleen. Het lukte hen niet om in slaap te komen, en toen ze eindelijk in slaap gevallen waren, werden ze wakker doordat er iemand aan de deur morrelde. Het was Willy, die midden inde nacht rattengif kwam strooien. Volgens vader was hij aan het slaapwandelen. Na dit voorval vielen ze allen weer in slaap.



H2. Ze waren nu bijna bij de Franse grens aangekomen. Moeder had onderweg nog een lekke band gehad, maar die was al snel weer door Pa geplakt waarna ze weer verder konden. Maar bij de grens werd hun door een veldwachter verteld dat de grens voorlopig gesloten was. Even later vertelde een andere veldwachter de menigte die voor de grens stond dat de grens bij Menen waarschijnlijk nog open was. En zo vertrokken ze weer, op weg naar de grenspost bij Menen. Nadat ze een tijdje gefietst hadden, vroeg ma of ze even konden stoppen ‘om een boompje op te zoeken’. Terwijl ze in de bosjes zat, kwamen er Duitse vliegtuigen in zicht. Zodra ma uit de bosjes kwam, trok vader hun beide met zich mee de greppel in langs de kant van de weg. Toen ze daar lagen vielen de bommen. Waldo voelde hoe hij opgetild werd er weer neergesmeten. ‘Een wit licht dat kraakte’. Hij dacht dat hij blind was, maar na enige tijd kreeg hij zijn gezichtsvermogen weer terug. Hij riep om z’n vader en moeder, maar kreeg geen antwoord. Hij krabbelde overeind om ze te zoeken. Zijn voet hing zwaar aan z’n been. Hij zag vader een stukje verderop liggen, starend naar de hemel. Toen hij naar pa toeliep, zag hij dat z’n vader dood was. Van z’n moeder vond hij niet meer dan een schoen terug. Toen hij wakker werd, lag Waldo in een soort noodhospitaal. Hij had een verband om z’n voet. Hij herinnerde zich alles weer en begon zacht te huilen. Een zuster kwam naar hem toe om hem te troosten. Even later kwam er een kapitein binnen, die met de zuster begon te praten in het Frans.



H3. Waldo reed met Evarist mee, een soldaat die een vrachtwagen uit een legerkolonne bestuurde. Ze waren op weg naar de kust, naar een vluchtelingenkamp. Waldo’s voet was alweer bijna genezen. Onderweg moesten ze nog geruime tijd stilstaan, en uiteindelijk kwamen ze in een stadje aan waar ze soep kregen van hulpverleners. Toen Waldo z’n soep zat te eten, zag hij ineens zijn buurmeisje Vera zitten. Ze vertelde hem dat hij beter met haar mee naar de kust kon gaan, omdat het leven in een vluchtelingenkamp erg slecht was. Hij besloot met haar mee te gaan, maar eerst zouden ze de nacht doorbrengen in een oude mosterdfabriek die in het stadje stond.



H4. Toen Waldo en Vera wakker werden, hoorden ze geschut in de verte en zagen ze grote rookpluimen aan de horizon. Ze besloten gelijk te vertrekken, en mengden zich weer in de stroom vluchtelingen. Na een tijdje gelopen te hebben kozen ze een andere route, waar geen mensen liepen. Onderweg stopte Vera even bij een veldkapelletje om te bidden, waarna ze hun weg weer vervolgden. Ze kwamen in een dorpje dat bijna geheel door bommen was verwoest. Ze stopten even om in een half verwoeste kerk te kijken. Vera begon te huilen omdat ze zich zo ellendig voelde. Ze verlieten de kerk en kwamen weer in de stroom vluchtelingen terecht.



H5. Rond een uur of 2 was er plotseling geen mens meer op de weg. Er kwam met grote snelheid een veldwachter aangefietst, die hen toeriep dat de Duitsers er aankwamen. Zo snel ze konden renden Vera en Waldo naar een hooischuur langs de weg, waarin ze zich verstopten. Daar kwamen de Duitsers. Ze hoorden de kolonne tanks naderen en vlak bij de schuur tot stilstand komen. Een Duitser schreeuwde dat ze naar buiten moesten komen. Met hun handen omhoog kwamen ze naar buiten, waar de Duitsers verrast keken naar de twee kinderen. Waldo en Vera kregen sinaasappels van de Duitsers. Toen ze die opgegeten hadden zochten ze tussen de eikenbosjes een plekje om wat te slapen. Maar in slaap komen lukte hen niet. Toen ze daar lagen besloten ze dat ze beter weer naar huiis konden gaan nu de Duitsers hen ingehaald hadden.



H6. Op de terugweg had Vera haar pijnlijke voeten laten verzorgen bij een Rode Kruispost. Ze gingen eerst naar Tielt,waar een oom Andreas van Vera woonde. Hij zou misschien wel een treinkaartje voor hen willen betalen. Omdat Vera er maar 1 keer in haar leven was geweest, was het nog wel even zoeken. Toen oom Andreas open deed, begreep Waldo meteen waarom hij als bijnaam ‘De Puimsteen’ had gekregen. Oom Andreas wilde hen eerst niet binnenlaten omdat hij gasten had (waarvan 1 een Duits officier was), maar liet hen toch even in de keuken om een boterham te eten. Waldo keek door het sleutelgat van de keukendeur om te kijken waarom de gasten zoveel lawaai maakten, en hij zag een vrouw met ontbloot bovenlijf en een man stomdronken over de grond rollen. Toen Vera dit ook te zien kreeg, wilde ze meteen weg. Ze gingen er door de achterdeur vandoor en begonnen de spoorlijn richting Gent te volgen. Toen het begon te regenen gingen ze schuilen in de stationshal. Precies op dat moment kwam er een trein met krijgsgevangenen binnen. Tussen de krijgsgevangenen ontdekte Waldo soldaat Evarist. Toen de soldaten met de krijgsgevangenen wegwaren, kwam de stationschef melden dat het weer droog was en dat de mensen moesten vertrekken, omdat er van de Duitsers geen vluchtelingen meer met de trein mochten.



H7. Vera en Waldo kwamen tijdens hun reis bij een rivier genaamd ‘de Leie’ aan. Ze gingen in een bootje liggen dat langs de kant gemeerd lag en lagen stil te luisteren naar het klotsen van het water, toen ze twee motoren met Duitsers hoorden aankomen. De Duitsers stopten vlak bij de plaats waar het bootje lag om pauze te houden. Het duurde niet lang voordat de Duitsers hen ontdekten en ze uit het bootje moesten komen. Ze mochten met de Duitsers meerijden naar Antwerpen. Maar voordat ze in Antwerpen waren verlieten de Duitsers de verharde weg om ‘pauze te houden’ en stopten achter een bos bomen. Vera moest bij een van de Duitsers op schoot komen zitten en ze moesten beide alcoholische drank drinken uit de veldflessen van de Duitsers. Het laatste wat Waldo zag was hoe de Duitsers Vera meenamen naar een groepje bomen.



H8. Toen hij weer bijkwam, waren de Duitsers weg. Hij voelde zich ziek en moest overgeven. Hij liep naar de bosjes toe om Vera te zoeken en vond haar kreunend en niet in staat om te lopen. De Duitsers hadden haar verkracht, alleen begreep Waldo dat niet. Hij rende naar de verharde weg om hulp te zoeken. Eerst kwam er alleen een Duitse kolonne voorbij, die hij liet gaan, maar toen kwam er in de verte een woonwagen met paard aangereden. Hij vertelde tegen de man op de bok met moeite wat er gebeurd was. Er kwam een man, Juul genaamd, uit de woonwagen die met hem meeliep naar Vera. Vera zag er erg slecht uit, en Juul rende terug om meer mensen te halen. Hij kwam terug met nog 4 man, en met z’n allen tilden ze Vera op en droegen haar naar de ambulance, die inmiddels door de bestuurder van de woonwagen was aangehouden. Er stonden ineens veel mensen, die door Duitse soldaten op afstand werden gehouden. Vera werd naar Gent gebracht, en Waldo reed met de woonwagen mee naar Gent.



H9. Tegen de avond kwamen ze in Gent aan. Juul had hem gezegd dat hij de Bijloke, het grootste hospitaal van Gent waar Vera moest zijn, makkelijk zou vinden als hij het water volgde. Toen hij bij de Bijloke binnenging vertelde hij aan de zuster achter de balie dat hij Vera zocht, die door de Duitsers gebracht was. De zuster bracht hem naar kamer 31, waar Vera lag. De zuster ging naar binnen en kwam even later weer naar buiten met de dokter. Toen de dokter weg was, vertelde de zuster Waldo dat Vera dood was. Hij mocht nog even afscheid van haar nemen en ging daarna met de zuster mee naar de kapel om voor haar te bidden, in de bedwelmende geur van wierook. Toen ze de kapel verlieten gooide hij het geldstuk dat hij van Juul gekregen had in het offerblok. De zuster glimlachte en aaide hem over zijn haar.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen