U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : 1882 En 1890 - Heinrich Schliemann Ingezonden Door: Titatje Ca.
Deze versie komt van http://www.scholieren.be/huiswerk/show_stuk.php?id=1136 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Geschiedenis en het aantal woorden bedraagt 7469 woorden.

1. Leven van Heinrich Schliemann.



Geboorte: 6 januari 1822 - Napels, 26 december 1890

Beroep: Hij was een archeoloog. Hij is bekend geworden door zijn vondst van het oude Troje, en geldt als een van de pioniers van dat vakgebied.

Biografie: Schliemann was de zoon van een Evangelisch-Lutherse dominee, maar hijzelf maakte carrière als handelaar. In 1841 werd hij naar Venezuela gezonden, maar leed schipbreuk voor de Nederlandse kust, en werd handelaar voor een Amsterdamse firma. In 1846 werd hij de agent van de firma in Sint Petersburg, en was daar zo succesvol dat hij het volgende jaar zijn eigen handelsfirma kon oprichten. Onder meer in het Californië van de goldrush en in de Krimoorlog breidde hij zijn kapitaal nog eens enorm uit. In 1864 trok Schliemann zich uit de handel terug. Hij maakte een wereldreis, studeerde aan Sorbonne, en in 1868 bezocht hij Griekenland en Turkije. Naar eigen zeggen zag hij Pýnarbaþi aan, dat op dat moment door de meeste experts voor Troje werd aangezien, besloot dat het niet met de Ilias overeenstemde, en zocht vervolgens een betere kandidaat, die hij vond in de vorm van Hisarlýk. Of dit ook werkelijk zo is gegaan, is onzeker, het is zeer wel mogelijk dat het niet Schliemanns eigen vaststellingen, maar overreding door Frank Calvert geweest is die hem naar Hisarlýk heeft geleid. Hoe dan ook, na enkele proefopgravingen in 1870, begon Schliemann in 1871 met de opgravingen in Hisarlýk, dat inderdaad Troje bleek te zijn. Hij deed diverse opwindende vondsten, de meest beroemde daarvan is de 'goudschat van Priamus', ten onrechte door Schliemann zo genoemd - in werkelijkheid was de laag waarvan hij dacht dat het het Troje van de Trojaanse Oorlog was, meer dan 1000 jaar ouder. Hij vond deze tegen het eind van zijn eerste serie opgravingen in Troje, in 1873. Hierna toog Schliemann naar Mycene, waar hij het graf van Agamemnon hoopte te vinden. Hij vond opnieuw grote schatten, waaronder het 'dodenmasker van Agamemnon', hoewel in dit geval opnieuw gebleken is dat zijn vondsten duidelijk ouder zijn dan de Trojaanse Oorlog.

In 1878-1879 groef Schliemann opnieuw in Troje, in 1880-1881 was Orchomenos in Boötië aan de beurt. Daarna groef hij nog twee keer in Troje (1882 en 1890), en deed opgravingen in Tiryns (1884-1885), en kleiner proefopgravingen op andere plaatsen.

Door zijn opgravingen had Schliemann een grote verzameling archeologische vondsten in zijn bezit, die hij schonk aan het Duitse Rijk, om ze in hun totaliteit te vertonen in een aantal naar hem te noemen zalen in het Königlich-Preußischen Völkerkundemuseum in Berlijn.



Beoordeling

Schliemanns werk is erg belangrijk geweest voor de archeologie. Zijn vondsten brachten de oudheid en de archeologie onder de aandacht van het publiek. Daarnaast is ook zijn neiging alles zo snel mogelijk te publiceren, ingegeven door een wens om door de wetenschappelijke elite erkend te worden, zeer nuttig geweest voor de kennis van deze periode. Een andere belangrijke bijdrage van Schliemann was de realisering dat aardewerkstijlen een belangrijke sleutel voor de chronologie vormen.

Collega's uit latere tijden hebben Schliemann echter ook bekritiseerd. Zeker in het begin was hij volgens hen meer een schatgraver dan een archeoloog. Delen van jongere lagen van Troje zijn in zijn enthousiasme het 'Homerische' Troje te vinden onherstelbaar vernietigd geworden. Ter verdediging van Schliemann kan men aanvoeren dat in zijn tijd de archeologie nog in de kinderschoenen stond, en het oneerlijk zou zijn hem naar de maatstaven van latere praktijk te beoordelen. Aan de andere kant is ook voor zijn tijd zijn methode nogal ruw. Aan de andere kant zijn zijn gewoonten op dit punt duidelijk verbeterd, de belangrijkste problemen zijn zijn eerste opgravingen.

Een ander punt van kritiek op Schliemann is dat hij veel autobiografische details simpelweg verzon, wat het voor latere biografen soms vrijwel onmogelijk heeft gemaakt de feiten vast te stellen. Zo is bijvoorbeeld het bekende verhaal dat Schliemann de 'schat van Priamus' bij een op instorten staande muur in de sjaal van zijn vrouw in veiligheid bracht zonder meer gelogen: Sophia Schliemann had op het moment van de vondst de opgravingen al verlaten om wegens de dood van haar vader naar Griekenland terug te keren.

Ten slotte wordt Schliemann wel oneerlijkheid in zijn handelen verweten. Meest bekend is dat hij de 'schat van Priamus' en diverse andere waardevolle vondsten, in het geheim van Turkije naar Griekenland smokkelde, en zo de eis dat de helft van alle vondsten aan de Turkse staat moest worden gegeven omzeilde.

De ruïnes van Troje liggen 32 km ten zuidwesten van Çanakkale bij het dorpje Tevîlldye. een paar kilometer rechts van de weg naar lzmir. Volg de borden in de richting van Truva. de Turkse naam voor de stad. Als u het opgravingsterrein betreedt. valt het oog direct op een modern en tad alleen heeft bestaan in de Griekse mythologie. Men nam aan dat de Trojaanse oorlog, waarin dit paard zo'n belangrijke rol speelde, was ontsproten aan het brein van de dichter Homerus. Al heel wat ontdekkingsreizigers waren op zoek geweest naar de overblijfselen van Troje, voordat de in Duitsland geboren koopman Heinrich Schliemann (1822-'90) in 1868 zijn hele vermogen inzette om hier met toestemming van de Osmaanse sultans te gaan graven. Aanvankelijk had deze amateurarcheoloog moeite om aan te tonen dat dit inderdaad het roemrijke Troje was, maar ruim een eeuw na zijn dood zijn er nog maar weinig wetenschappers die twijfelen aan de betekenis van zijn vondst.

Omdat een archeologische opleiding nog niet bestond, ging Schliemann nogal grof om met de restanten. Hij verwijderde niet alleen veel dingen, zoals de Schat van Priamos, hij heeft in zijn drang om steeds meer bloot te leggen ook veel bouwwerken onherstelbaar beschadigd. Na hem heeft de Duitse archeoloog Wilhelm Dölfeld (1853-1940) de onderzoekingen in Troje op een wetenschappelijkere basis gefundeerd. De voorstelling van het verleden van de stad zoals die hieronder staat vermeld, is voorname- lijk gebaseerd op zijn werk. Op zijn geschriften werd voortgebouwd door onderzoekers van de universiteit van Cincinnati (in de Amerikaanse staat Ohio) onder leiding van Carl W Blegen. In 1988 begon Manfred KorfImann met een Duits-Turks team met nieuwe opgravingen die nog steeds voortduren en waarbij inmiddels ook Amerikaanse, Britse, Oostenrijkse en Nederlandse archeologen betrokken zijn. De ruïnes van Troje zijn heel aardig gelegen op de heuvel Hisarlik, die een weids uitzicht biedt op het vlakke land. Maar omdat er op het opgravingsterrein niet veel meer te zien is dan een hoop puin, is Troje vooral interessant voor mensen met een groot voorstellingsvermogen. Als u zich een beetje verdiept in de geschiedenis en die kennis combineert met de ligging van de lagen puin, kunt u toch veel plezier beleven aan een bezoek.









Het Schliemanns wapenschild en woonst.



Archeologie

Heinrich Schliemann, naar eigen zeggen op basis van de Ilias, maar waarschijnlijk beïnvloed door Frank Calvert, begon in 1870 de opgravingen in de heuvel Hisarlýk, en vond daar het oude Troje. Dit was echter in een tijd dat de archeologie in de kinderschoenen stond en de uiterst zorgvuldige opgravingstechnieken waardoor deze wetenschap vandaag gekenmerkt werd nog niet bestonden. Schliemann ging dus onbekommerd en vrij grof te werk. Hij slaagde er echter inderdaad wel in zijn Troje te vinden, met goudschat en al. Deze goudschat, besaande uit gouden sieraden zou later in Berlijn in de chaos van de Zusammenbruch van 1945 verdwijnen, er is alleen nog een foto van Schliemann's vrouw over in volledig Iliaans ornaat. Hoewel Schliemann dacht dat deze goudschat de "schat van Priamus" was, staat het nu wel vast dat deze schat veel ouder is dan het Troje van de Trojaanse Oorlog.

Latere opgravingen zijn geleid door Carl Blegen in de jaren '30, en Manfred Korfmann sinds 1988.

























Opgravingen in Troje

Jaar Leider Overige belangrijke deelnemers (incompleet)

1863, 1865 Frank Calvert (kleinschalig)

1870 Heinrich Schliemann (proefopgraving)

1871-1873 Heinrich Schliemann Frank Calvert

1878-1879 Heinich Schliemann Rudolf Virchow

1882 Heinrich Schliemann Wilhelm Dörpfeld

1890 Heinrich Schliemann Wilhelm Dörpfeld

1893-1894 Wilhelm Dörpfeld

1932-1938 Carl Blegen











De Trojaanse Oorlog

Hoewel het onomstotelijk kwam vast te staan dat de stad Troje echt bestaan had, riep de opgraving ook grote vragen op. Er werd namelijk niet één stad gevonden maar een heel stel steden boven op elkaar. Troje wordt verdeeld in 10 lagen, die elk zelf in nog weer meer bouwperiodes worden verdeeld. De oudste is van het 3e millennium v. Chr., de jongste uit de Byzantijnse tijd. De stad was dus meerdere malen verwoest en vervolgens op de puinhopen van de vorige weer opgebouwd.

Vandaag vermoeden de meeste wetenschappers dat Troje VIIa het Troje van de Ilias voorstelt. De sporen van de verwoesting van Troje VIIa zijn consistent met wat men bij een inname na belegering zou verwachten, en de tijd (ca. 1180 v. Chr.) komt overeen met de traditionele datum van de Trojaanse Oorlog. Wel is een probleem dat volgens de traditie Mycene de leidende rol had in de Trojaanse Oorlog, maar deze stad werd enige tijd vóór Troje VIIa verwoest. Een niet onwaarschijnlijke theorie is dat deze oorlog een onderdeel was van de brandkatastrofe die het hele oostelijke bekken van de Middellandse Zee overspoelde in de eerste decennia van de 12e eeuw v. Chr.

Geschiedenis

De geschiedenis van Troje wordt uitvoeriger behandeld in de artikelen Troje I-III, Troje IV-V, Troje VI-VII en Ilion. Als we de verschillende lagen waarin resten van de stad liggen de revue laten passeren, zien we:

Troje I-III

· Troje I - ca. 2920-2480/20. Eerste nederzetting, uit de vroege bronstijd.

· Troje II - ca. 2600-2480/20. Een welvarend paleis- of tempelcomplex, dat het hoogste deel van de stad innam.

· Troje III - ca. 2480/20-2300. Het paleis- of tempelcomplex wordt niet weer opgebouwd, en in plaats daarvan ontstaan meer woonhuizen.

Troje IV-V

· Troje IV - ca. 2200-1900. Minder welvarende tijd.

· Troje V - ca. 1900-1750. Wederopbloei van Troje.

Troje VI-VII

· Troje VI - ca. 1700-1250/30. Een grote en machtige stad, met een imposante burcht op de top van de heuvel.

· Troje VIIa - ca. 1250/30-1180. Waarschijnlijk het Troje van de Trojaanse Oorlog.

· Troje VIIb - ca. 1180-na 1000. Troje blijft een handelscentrum, maar niet zo welvarend als ten tijde van Troje VI.

Troje VIII-X

· Troje VIII - ca. 700-85 v. Chr. Griekse stad, aanvankelijk minder belangrijk, maar kwam in de Hellenistische tijd tot grote bloei.

· Troje IX - 85 v. Chr.-ca. 500 n. Chr. Een Romeinse stad, als eerbewijs aan Aeneas, van wie de Romeinen zouden afstammen. Welvarend door bezoeken en giften van keizers en rijke Romeinen.

· Troje X - 12e-13e eeuw. Bescheiden nederzetting in de Byzantijnse tijd.

Vanaf de 14e eeuw was Troje verlaten totdat het door Calvert en Schliemann werd teruggevonden.

Schrift

In 1995 werd voor het eerst een geschreven bron uit het Troje van de Bronstijd (Troje I-VII) gevonden, een zegel van een schrijver uit Troje VIIb (einde 12e eeuw v. Chr.) Het is geschreven in het Luwisch, een Indo-Europese, sterk aan het Hethitisch verwante taal, bekend uit zuidwest- en west-Anatolië. Ook andere aspecten van Troje laten een sterke Anatlische/Hethitische invloed zien, meer dan een (hoewel zeker ook aanwezige) Myceense.





Eenmaal in Turkije, begon hij de omgeving te verkennen van het dorpje Pinarbasi, waar volgens de overlevering de stad Troje had gelegen. Maar de ligging van het terrein en enige andere gegevens klopten niet met de beschrijvingen van Homerus. Schliemann liet het terrein voor wat het was. Een stukje verder, in Hissarlik, vond hij een vlakte waar hij meer van verwachtte. Op die plaats, ongeveer een uur lopen van de zee, stak een soort afgeplatte terp boven de vlakte uit. Schliemann begon te graven en zijn vastberadenheid en vertrouwen werden beloond.

In de loop van de daaropvolgende jaren ontdekte hij niet één, maar negen steden, de een op de ander gebouwd. De vraag was alleen welke stad nu Troje was? Schliemann veronderstelde dat het de tweede of de derde laag van onderaf moest zijn. Daar had hij sporen van vuur aangetroffen en een aantal muren, die heel goed de muren van het paleis van koning Priamus geweest konden zijn. Eigenlijk even voordat Schliemann de opgravingen wilde stopzetten, deed hij in het 'paleis-gebied' een fantastische ontdekking. Hij vond een schat van goud en juwelen: de schat van Priamus. Latere onderzoekingen hebben aan het licht gebracht dat Troje op een hoger niveau lag en dat de schat die Schliemann had ontdekt aan een oudere koning had toebehoord. Hoe dan ook, Schliemann had zijn droom verwezenlijkt: hij had de plaats gevonden waar ooit de oude stad Troje had gelegen. De oudheidkundigen die eerst om die dwaze amateur hadden moeten lachen gaven toe dat hij een heel belangrijke ontdekking had gedaan.



De schrijver van de twee epische gedichten de Ilias en de Odyssee, Homeros, leefde in de achtste eeuw BC aan de Turkse zuidkust, in Jonië, dat toendertijd door Grieken werd bewoond. Homeros was een rapsode. Het was zijn beroep om op feesten en andere samenkomsten te zingen over roemruchte koningen en helden uit een ver verleden. Een rapsode kende vele verhalen over deze koningen uit zijn hoofd. Het was zijn kunst om deze verhalen zo mooi en zo spannend mogelijk ten gehore te brengen. Vooral de verhalen over de Trojaanse oorlog waren populair bij het publiek. Ze vroegen de rapsoden keer op keer om daarover te zingen. Zo onstonden er talloze liederen over de koningen die met die oorlog hadden meegedaan. Ook Homeros specialiseerde zich in deze liederen. Hij was daar bijzonder knap in. Zo onstonden zijn Ilias en zijn Odyssee.

Eeuwenlang hebben geleerden gedacht dat de wereld van de Ilias en de Odyssee een verzinsel van Homeros is geweest. Zij twijfelden eraan of er echt een Trojaanse Oorlog heeft plaatsgevonden. Zij vroegen zich af of het niet allemaal mythe was, net als de godenverhalen die uit de duim van de kunstenaar leken gezogen. Maar dankzij archeologische opgravingen weten we dat er echt koningen als Agamemnon en Achilleus hebben geleefd, waarschijnlijk ook in het echt met die namen. Door ontwikkelingen in de wetenschap van de laatste eeuw zijn we in staat de wereld van Homeros te reconstrueren. Hoe heeft de wereld waarover Homeros in zijn gedichten spreekt er in het echt uitgezien? Om die vraag te beantwoorden moeten we terug naar het allereerste begin van de Griekse beschaving.



2 Het begin van de Griekse beschaving



De Grieken hebben niet altijd in Griekenland geleefd. Omstreeks 2100 BC vielen zij het Balkanschiereiland binnen. Zij waren een Indo-Europees volk dat waarschijnlijk vanuit Rusland op drift is geraakt en zich uiteindelijk in Griekenland vestigde. Zij onderwierpen de oorspronkelijke bevolking van Griekenland en werden de heersers van de streek, zonder overigens direct een hoge beschaving te creëren. Want in die tijd was er een andere beschaving van niet-Grieken die de macht had in de Middellandse Zee. Dit was de beschaving van Kreta. Zij controleerde alle belangrijke handelspunten op de kust van Griekenland en het was met dit volk van Kreta dat de Grieken handel dreven. Zij hadden met hun sterke vloot alle macht op zee. Zij voelden zich zo sterk dat zij zelfs geen forten op hun eiland hoefden te bouwen. Deze beschaving van Kreta noemen we ook wel de Minoïsche beschaving, naar haar belangrijkste koning, Minos.

Zo'n duizend jaar heeft deze beschaving een hoge bloei gekend, van 2500 tot 1500 BC. Dankzij de opgravingen van de Engelsman sir Arthur Evans zijn we meer over deze beschaving te weet gekomen. Hij heeft een schitterend paleis op Kreta opgegraven bij het plaatsje Knossos. De nog heldere fresco's op de muren vertellen je iets over het leven van de oude Kretenzers. Ze hielden van mooie dingen als sieraden en mooie kleding. De stier was voor hen een heilig dier waar jonge mannen gevaarlijke capriolen mee uithaalden. Ook uit de rest van de opgravingen blijkt een hoge welvaart en een rijke cultuur.

De Kretenzers kenden waarschijnlijk ook een schrift, dat we voor een groot deel wel kunnen ontcijferen, maar waarvan we de taal niet kennen, het zgn. Lineair-A. Dit Lineair-A vinden we op kleitabletten van voor 1500 BC. Na die datum wordt er ineens een ander lineair schrift gebruikt op de tabletten: het zogenaamde Lineair-B. Waarin verschilt het lineair-B van het lineair-A en waarom is dit B-schrift zo belangrijk voor onze kennis van de geschiedenis van Griekenland en ook voor onze kennis van Homeros?



Uit de opgravingen blijkt dat de Minoïsche beschaving omstreeks 1500 BC instortte door veroveringen van buitenaf. Evans vroeg zich nog af door welke volkeren Kreta toen is ingenomen, maar vanaf 1952 hebben we daarover zekerheid: het bleken namelijk de Grieken te zijn die zich vanaf 2100 BC in Griekenland hadden gevestigd. Want in 1952 lukte het Michael Ventris, die zich in de tweede Wereldoorlog had gespecialiseerd in het ontcijferen van gecodeerde boodschappen, het Lineair-B schrift te ontcijferen. Tot de verrassing van heel de wetenschappelijke wereld bleek het schrift bij transcriptie in onze letters de Griekse taal te bevatten. Hiermee was bewezen dat na 1500 de Grieken Kreta hadden ingenomen en vanuit de paleizen van Kreta over de Middellandse Zee hadden geregeerd. De handel die zij vanuit deze paleizen hadden gedreven legden zij in hun eigen taal vast op de nu ontcijferde kleitabletten: in het Grieks.



Er was dus vanaf 1500 op het Balkanschiereiland een beschaving van Grieken die haar macht langzaam maar gestaag over de rest van de Middellandse Zee uitbreidde. Dit wordt bevestigd door berichten op Egyptische hiëroglyphen en op Hettitische kleitabletten, die allen gewag maken van een sterk zeevarend volk dat woont aan de overzijde van de zee. De Hettiten spreken zelfs van 'de Grote Koning' als zij het hebben over de leider van de Grieken (of Achaeërs zoals de Grieken zich toen noemden), waarmee ze de macht van de Grieken met ontzag benadrukken.



3 De opgravingen van Heinrich Schliemann en Wilhelm Dörpfeld



We weten meer over deze vroege Griekse cultuur, die tussen 1500 en 1200 BC haar hoogtepunt kende, door de opgravingen van de Duitsers Heinrich Schliemann en Wilhelm Dörpfeld. Zij groeven aan het eind van de vorige eeuw de belangrijkste steden van deze beschaving op. Zo werd op het vasteland van Griekenland de informatie die Homeros in zijn Ilias en zijn Odyssee geeft over een rijke Griekse cultuur in de late Bronstijd door opgravingen bewaarheid. Schliemann vond te Mycene de sterkste en grootste burcht van die beschaving en volgens hem was er geen twijfel mogelijk: dit was de stad en de burcht van de leider van de Griekse expeditie naar Troje, Agamemnon. Naar deze stad noemde hij die beschaving de Myceense beschaving.



In de burchten van deze Myceense beschaving vonden de archeologen vele kleitabletten met het Lineair-B dat Evans ook in Knossos had gevonden. Voor Schliemann was er daarom geen twijfel mogelijk: de Grieken waren vanaf 1500 de baas over de Middellandse Zee. Zij hadden Kreta veroverd. Zij waren omstreeks 1200 in conflict gekomen met de stad Troje aan de Dardanellen. De heroïsche oorlog die daar was uitgevochten had op een manier die voor Schliemann nog niet duidelijk was zijn weerslag gevonden in de gedichten van Homeros. Want Schliemann wilde boven alles bewijzen dat de verhalen van zijn geliefde dichter Homeros teruggingen op een waar gebeurd historisch gegeven. Schliemann geloofde niet dat Homeros de kern van zijn verhalen zelf verzonnen had. Voor Schliemann sprak Homeros de waarheid over de expeditie naar Troje. Om dat te bewijzen had Schliemann nog een andere verbluffende ontdekking gedaan: hij had op de heuvel Hissalrik aan de kust van Turkije Troje zelf opgegraven.



4 Troje opgegraven



Vertrouwend op zijn intuïtie en goed gebruik makend van de gegevens in Homeros, die hij als historisch beschouwde, was hij gaan graven in de heuvel. Hij ging nogal grof te werk en vernielde veel van wat hij niet kon gebruiken en van wat in zijn ogen niet uit de Bronstijd kwam, maar in de kern zat hij met zijn opgravingen goed: hij vond inderdaad Troje, hoewel de laag die hij als het Troje van Homeros aanwees achteraf een paar eeuw eerder dan de tijd van Agamemnon bleek te moeten worden gedateerd. Zo ook de zogenaamde 'schat van Priamos', gouden sieraden die hij vanuit het opgravingsterrein naar Athene smokkelde en waarmee hij zijn Griekse vrouw Sophia op de foto liet poseren. Schliemann's opvolger Dörpfeld heeft het eigenlijke Troje van Homeros gevonden. Hij groef de muren van de stad op die Homeros zo indrukwekkend beschrijft.

Dankzij de opgravingen van Schliemann, Dörpfeld en na hen de Amerikaan Carl Blegen zijn wij in staat de wereld waarover Homeros schrijft te reconstrueren.



5 De wereld van Homerus gereconstrueerd



Er was in de late Bronstijd een bloeiende cultuur in Griekenland waarvan Mycene de belangrijkste stad was. Zij vormde een alliantie met andere steden in Griekenland om een oorlog te voeren tegen de stad Troje. Veel van die andere steden worden in de Ilias en de Odyssee door Homeros genoemd, ook met de naam van hun koningen. De oorlog vond waarschijnlijk plaats uit economische motieven: de Grieken wilden de graanroutes naar de Zwarte Zee onder controle hebben. Een belangrijk strategisch punt daarvoor was Troje dat dan ook in handen moest worden genomen. De Grieken slaagden erin Troje in te nemen, een succes dat volgens Homeros door een list werd behaald: de Grieken verborgen soldaten in een groot houten paard dat als trofee door de Trojanen de stad werd binnengehaald. In de nacht verlieten de Grieken de holle buik van het paard en namen de stad in.



Maar spoedig na de oorlog om Troje (omstreeks 1200 BC) raakte de Myceense beschaving in verval. Uit de opgravingen blijkt dat veel paleizen in Griekenland in die tijd door brand zijn verwoest. De meeste archeologen geven als verklaring voor deze branden een verwoesting van de steden door barbaarse invallen van buitenaf, waarschjnlijk vanuit zee. Anderen menen dat de steden door interne moeilijkheden verwoest zijn. Hoe dan ook, een historisch feit is dat de Myceense cultuur vrij plotseling komt in te storten en dat de bevolking moet vluchten naar Attica en de burcht van Athene. Vandaaruit vluchten veel Grieken over zee naar de kusten van Turkije, waar ook in de Myceense tijd al Griekse nederzettingen waren.



Met dit ineenstoren van de Myceense beschaving begint voor Griekenland een periode van barbarisme die men ook wel de Duistere Eeuwen noemt. Uit archeologische vondsten blijkt dat de Griekse cultuur tussen 1200 en 900 BC op een dieptepunt verkeerde. Er was weinig economische bedrijfzaamheid. Men kende weinig ambacht. Kunstvoorwerpen uit die tijd zijn er nauwelijks gevonden. En wat het meest opvalt: het schrift raakte in deze eeuwen van verval compleet verloren. Pas door handelscontacten met de Phoeniciërs (een volk afkomstig uit het tegenwoordige Libanon) begon men weer te schrijven danzij het alfabet dat de Grieken van hen overnamen.



6 Vanaf de Myceense tijd tot aan Homerus



Maar hoe komt het nu dat Homeros ons zoveel gedetailleerde informatie weet te verschaffen over de Myceense tijd? Hij kon immers geen geschreven documenten raadplegen uit de 13e en 12e eeuw omdat de burchten van de Myceense beschaving in zijn tijd onder het stof lagen of verwoest waren. Er zijn verder geen aanwijzingen dat het Lineair-B voor andere doeleinden dan administratieve notities werd gebruikt, dus geschiedschrijving was er niet in die tijd, die op een of andere manier in de handen van Homeros kon zijn terecht gekomen. Ook kan Homeros geen geschreven bronnen uit de Duistere Eeuwen hebben gebruikt want toen was het schrift in Griekenland verloren gegaan.



Er blijft maar één antwoord op de vraag over: de informatie over de Trojaanse Oorlog is Homeros mondeling overgeleverd. Het is waarschijnlijk dat er in de Myceense tijd barden aan de hoven van de koningen woonden die epische liederen maakten over de wapenfeiten van hun heer. Deze liederen leerden de barden uit hun hoofd. Een voorbeeld van zo'n bard in de Myceense tijd is Demodokos, de zanger aan het hof van de Faiaken, die volgens Odysseus over de inname van Troje zingt alsof hij er zelf bij aanwezig was geweest. Zo knap was zijn lied gemaakt. Deze barden waren beroepszangers die hun kunst leerden aan hun zonen en aan andere leerlingen. Zo werden de liederen over de machtige koningen van Griekenland van generatie op generatie mondeling overgeleverd, want schrijven kon men niet en een goede geheugentraining was een onderdeel van het vak. De verhalen van deze zangers noemt men dan ook orale poëzie omdat ze mondeling is overgeleverd en in een vast rythme van hexameters staat.



Toen de Myceense beschaving instortte zijn de zangers samen met de bevolking van de Myceense steden naar Jonië gevlucht. Daar bleven zij hun liederen eeuwen lang, van generatie op generatie declameren voor een gretig publiek. Want maar al te graag wilden de Grieken in de Duistere Eeuwen horen hoe beroemd hun voorgeslacht was geweest. Deze traditie van orale poëzie duurde tot aan de vijfde eeuw BC. Maar met Homeros bereikte deze traditie zijn hoogte

Frauderen is eenvoudig en valt zelden op. Wél opvallend en invloedrijk zijn die gevallen waarin de onderzoeker niet zozeer zijn collega's als wel zichzélf bedriegt. Juist op zo'n moment kan een losse beschuldiging van fraude hard aankomen - met alle onaangename gevolgen van dien.

Betrayers of the Truth, zo heette het boek dat de Amerikaanse journalisten William Broad en Nicholas Wade in 1982 publiceerden. 'Verraders van de Waarheid'. De titel is typerend voor de manier waarop de Amerikaanse media toentertijd tegen 'fraude in de wetenschap' aankeken. Wetenschappers zochten de Waarheid met grote W, maar er waren ook 'verraders' die dit nobele streven ondermijnden. Volgens de auteurs dreigde fraude in de wetenschap uit te groeien tot een zorgwekkend probleem. Het wetenschappelijk establishment leek niet in staat om daar iets tegen te doen. Sterker nog: men wílde er niets tegen doen. Men negeerde het probleem, hoopte dat het vanzelf zou verdwijnen.

De discussie over fraude in de wetenschap spitste zich uiteindelijk toe rond twee affaires. Ten eerste de strijd tussen de Amerikaanse viroloog Robert Gallo en de Fransman Luc Montagnier over de ontdekking van het hiv-virus (de verwekker van aids). Beiden maakten aanspraak op dit wapenfeit, maar Gallo werd ervan beschuldigd gebruik te hebben gemaakt van het materiaal dat Montagnier hem had toegezonden. De zaak zou uiteindelijk in der minne geschikt worden, en de officiële aanklacht werd in 1994 ingetrokken.

De tweede affaire was de vermeende fraude gepleegd door de immunologe Teresa Imanishi-kari. Zij werd in 1986 door een medewerkster aangeklaagd omdat zij geknoeid zou hebben met de laboratoriumgegevens. Deze zaak loopt nog steeds, maar de hoogstaande principes die ooit op het spel zouden staan zijn inmiddels volstrekt verzonken in een juridisch en medisch-technisch moeras.

De discussie is de laatste jaren sterk geluwd. Alle partijen hebben een lesje geleerd. Politici zijn niet langer in het onderwerp geïnteresseerd omdat ze ontdekt hebben dat het vaak om uiterst ingewikkelde, zo niet onbegrijpelijke zaken gaat, waarmee niet of nauwelijks valt te 'scoren'. Daarnaast hebben veel onderzoeksinstellingen en universiteiten inmiddels regels opgesteld over hoe te handelen indien beschuldigingen van fraude de kop op steken. Een derde effect van de discussie was veel minder gunstig. De media zijn nu gespitst op fraude, en zodra wetenschappers elkaar in de haren vliegen, gaan ze op zoek naar de fraudeur. Met alle gevolgen van dien.

Unieke vondsten

Een titel als 'Verraders van de Waarheid' is gebaseerd op dat versleten ideaal van de boven alle aardse beslommeringen verheven wetenschapper die zijn steentje bijdraagt voor het heil der mensheid. Die opvatting werd filosofisch onderbouwd door Karl Popper en Thomas Kuhn. Een recente wetenschapsfilosofische stroming echter, de Sociology of Scientific Knowledge (SSK) legt veel meer de nadruk op machten en krachten binnen de wetenschappelijke wereld, en retorische gaven van wetenschappers (zie kader). De SSK heeft een stroom van publicaties opgeleverd, die waarin de interacties tussen wetenschappers onderling, en met de politiek en de samenleving in brede zin, centraal staan.

Als al deze werken één ding duidelijk hebben gemaakt, dan is het dat de oude zwart-wit tegenstelling tussen 'goede' en 'foute' wetenschappers, tussen de popperiaanse helden enerzijds en de 'verraders' anderzijds, onhoudbaar is. De wetenschap is een carrière zoals ieder ander, en bedrog kan een wankele carrière overeind houden - en valt niet of nauwelijks op. Wetenschappelijke publicaties worden immers driftig geturfd, maar zelden nagerekend.

De meest eenvoudige vormen van fraude, het simpelweg plagiëren van andermans werk of het verzinnen van resultaten, is uiteraard het veiligst. Een ander betrekkelijk veilige (frauduleuze) manier om een carrière te verstevigen, is het doen van een zogenaamd 'unieke vondst'.

Vondsten spelen in de geologie, de paleontologie, de archeologie en de antropologie een grote rol. In de eerste twee vakgebieden is fraude echter zeldzaam. (Een voorbeeld is de Gupta-affaire, zie Skepter, september 1990). In de archeologie komt het veel vaker voor. Eerzucht speelt hierbij vaak een belangrijke rol. De beruchte Piltdown-schedel (een vervalsing, begin deze eeuw aangetroffen in Zuid-Engeland) was niet alleen een poging om Engeland te promoten als het vaderland van de missing link tussen mens en aap, de vondst sloot ook opvallend goed aan bij de visie van de Britse paleoantropoloog Sir Arthur Keith - die daarmee meteen een van de hoofdverdachten werd in deze nooit volledig opgehelderde affaire.

Een ander voorbeeld is de 'schat van Priamos', een verzameling voorwerpen en sieraden opgegraven door de Duitse archeoloog Heinrich Schliemann (1822-1890), vervolgens naar Duitsland gesmokkeld, in 1945 naar Moskou versleept en daar onlangs tentoongesteld. Schliemann dankt zijn roem aan de ontdekking van het legendarische Troje, maar, zoals de Amerikaanse hoogleraar David Traill in zijn boek Schliemann of Troy (1995) aannemelijk maakt, de door hem opgegraven schat van Priamus (de laatste koning van Troje) is niet veel meer dan een uit meerdere opgravingen bijeengeveegde verzameling, mogelijk aangevuld met vervalsingen. Volgens Traill werd de autodidact Schliemann gedreven door zijn allesverterende verlangen naar academische erkenning.

Wie wil genieten van Nederlandse voorbeelden (dus op bescheidener schaal) van archeologische vervalsingen, kan zijn hart ophalen in het boekje List en bedrog in de Archeologie (1995) van Leo Verhart.

Curiosakast

Fraude in de antropologie is weer betrekkelijk zeldzaam. Beroemd is het geval van Margaret Mead (1901-1978), die in haar boek Coming of Age in Samoa (1928) een volstrekt idyllisch beeld schetste van het leven op dit Zuidzee-eiland, maar zij was geen bedrieger, ze wérd bedrogen door haar informanten.

Bedenkelijker was de handelwijze van antropoloog Kilton Stewart, de ontdekker van de Senoi-'droomtherapie' (zie Skepter, juni 1993) en van Marcel Griaule, de schepper het mysterie van de Dogon (zie Skepter, juni 1996). In hoeverre in deze gevallen sprake was van bewúste fraude valt niet meer na te gaan. Mogelijk waren de onderzoeker op een gegeven moment niet meer in staat eigen opvattingen en de verhalen van informanten uit elkaar te houden, mogelijk maakten ze handig gebruik van het feit dat het recht van onderzoek en publicatie vaak bij een onderzoeker rust. In veel vakgebieden is het not done om een collega tijdens zijn werkzaamheden voor de voeten te lopen, en geldt de ongeschreven regel dat onderzoekers die een bepaalde vondst hebben gedaan of toegewezen hebben gekregen, het recht hebben dat materiaal voor zich te houden totdat hun 'definitieve' publicatie is verschenen. En dat kan lang duren. Het gros der oudtestamentici moest vele tientallen jaren wachten voordat de beroemde Dode-Zeerollen (waaraan de verantwoordelijke onderzoekers soms al jaren niets meer hadden gedaan) volledig werden vrijgegeven (zie Skepter, juni 1992 en september 1997).

Maar er is een keerzijde. Exclusiviteit maakt argwanend. 'Voorlopige mededelingen' over een voor anderen onbereikbare vondst worden daarom alleen met instemming begroet indien ze aansluiten bij bestaande theoretische inzichten. Berichten die de bestaande inzichten op hun kop zetten (een Romeinse munt vastgeklemd in gesteente uit Amerika, bijvoorbeeld) zullen eerst worden genegeerd, en moeten uiteindelijk over zeer overtuigende papieren beschikken. Zodra er een luchtje aan zit (onduidelijke vindplaats, anonieme vinder, et cetera) belanden ze in de curiosakasten van musea - die overigens vaak beter gevuld zijn dan menigeen denkt. (De schaarse vondsten van Romeinse munten op Amerikaanse bodem worden unaniem omschreven als grappen of 'verloren door verzamelaars'.)

Affaires zoals rond Gupta en de Dode-Zeerollen tonen aan dat de verwarring en misleiding, voortkomend uit het 'recht op onderzoek', lang kan duren. Maar ook frauduleuze experimenten kunnen lange tijd een funeste invloed uitoefenen. Replicatie zou in principe snel uitkomst moeten bieden, maar dat is vaak helemaal niet eenvoudig. De volmaakte replicatie vraagt een onderzoeker met dezelfde vaardigheden, dezelfde materialen en dezelfde apparatuur, en bestaat dus in wezen niet. De discussie draait steevast om de vraag of ze dan in ieder geval 'goed genoeg' was, en kan lang voortslepen.

Deze problemen zijn vooral van belang als er sprake is van werkelijk origineel onderzoek, op basis van apparatuur en vaardigheden die slechts in één laboratorium (of een zeer beperkt aantal) beschikbaar zijn. Bovendien schuilt er dan nóg een adder tussen het gras. De onderzoeker zou niet zozeer anderen als wel zichzélf voor de gek kunnen houden.

Rammelen aan de poort

Wie naam wil maken, beroemd wil worden, moet geen platgetreden paden bewandelen maar zijn eigen onderzoeksgebied creëren. Aan die keuze kleven echter grote gevaren. Zoiets vraagt forse investeringen, en de onderzoeker moet heilig overtuigd zijn van zijn eigen kunnen en van de juistheid van zijn opvattingen om zijn geldschieters zover te krijgen. Het instrumentarium moet vaak nog worden ontwikkeld worden en de daarmee gemeten effecten zijn in eerste instantie onbeduidend. Alles bij elkaar is het vaak heel lang onduidelijk of een onderzoeker werkelijk iets nieuws op het spoor is, of slechts ziet wat hij of zij wíl zien. Alleen de tijd kan dat leren.

De Amerikaanse fysicus Irving Langmuir (zie Skepter, maart 1990) formuleerde ooit een aantal kenmerken waaraan men door zelfbedrog ontstane 'pathologische wetenschap' zou herkennen:

- de gemeten effecten zijn uiterst gering.

- er vindt selectie plaats van 'goede' metingen; de onderzoeker is slechts geïnteresseerd in díé metingen die zijn theorie ondersteunen.

- er worden indrukwekkende claims uitgesproken.

- er is geen sprake van een verbetering.

Opvallend is dat de eerste drie kenmerken eigenlijk ook typerend zijn voor grensverleggend onderzoek. Wanneer wordt 'grensverleggend' dan 'pathologisch'? Hier komt het vierde punt om de hoek kijken. De onderzoeker dient, op basis van zijn inzichten, zijn methoden zo te verbeteren dat het niet alleen voor hem maar voor iedereen duidelijk wordt wat de 'goede' metingen zijn. Om dat te bereiken is inzet nodig, vasthoudendheid - en tijd.

Wat dat laatste betreft kan zelfs de grootste geleerde in de problemen komen. Zoals uit Gerald Geisons opmerkelijke studie The Private Science of Louis Pasteur (1995) blijkt, kwam deze beroemde Franse microbioloog op een cruciaal moment in zijn carrière tijd tekort, en overtrad vervolgens moedwillig de spelregels. Zijn beroemde demonstratie van een vaccin tegen de schapenziekte antrax was puur bedrog. Het vaccin was dat van zijn tegenstander, zijn eigen vaccin was pas maanden later gebruiksklaar.

De nachtmerrie van de 'grensverleggende' onderzoeker is natuurlijk dat de verhoopte versterking van de effecten alsmaar uitblijft en dat hij - en eventueel zijn medewerkers - de enigen zijn én blijven die iets menen te zien. De vraag is dan wie de stekkers uit het stopcontact mag trekken. Een zelfstandig onderzoeker heeft daar natuurlijk geen last van, maar de meesten hebben een chef die ze moeten zien te overtuigen. Dat kan lang goed gaan, maar als de critici aan de poorten rammelen, kan die steun snel omslaan in harde kritiek. Het meest beruchte slachtoffer van een dergelijke ommezwaai is natuurlijk de 'ontdekker' van het geheugen van water, de Franse biochemicus Jacques Benveniste (zie Skepter, maart 1994). Die werd, nadat hij al door het tijdschrift Nature keihard was aangepakt, ook door zijn werkgever, de prestigieuze organisatie INSERM, aan de kant werd gezet.

Giftig water

De affaire-Benveniste is nog om een andere reden interessant. Benveniste kreeg een 'onderzoeksteam' over de vloer dat, afgezien van Nature-hoofdredacteur John Maddox, bleek te bestaan uit James Randi en de Amerikaanse biochemicus (en zelfbenoemde 'fraudbuster') Walter Stewart. Maddox achtte Benvenistes resultaten blijkbaar ondenkbaar, en de enige verklaring die hij daarvoor kon bedenken, was fraude. En de enige manier om dat vast te stellen (en de reputatie van zijn tijdschrift te redden) was een inval in het gezelschap van fraude-jagers.

Wat er ook mis moge zijn geweest in Benvenistes laboratorium, voor de beschuldiging dat hij fraude zou hebben gepleegd bestond geen enkele grond. Hij sprak dus volkomen terecht van 'een heksenjacht'.

Het reduceren van de kwestie tot de vraag 'hoe is er gefraudeerd?', droeg uiteraard bij aan de val van deze ooit zo gerespecteerde Franse onderzoeker. De ontwikkeling die hij daarna doormaakte, is echter opmerkelijk. Claimen bewijzen te hebben voor de homeopathie is al heel wat, maar Benvenistes huidige inzichten reiken nog veel verder. Hij meent te weten dat water een elektromagnetische 'herinnering' van een bepaalde stof vast kan houden, en dat die herinnering weer gewist kan worden door middel van zwakke magnetische velden. Ook beweert hij nu dat het mogelijk is die 'herinnering' door middel van een elektrische stroom over te brengen van de ene fles water op de andere. Benveniste waarschuwt de Franse overheid dat zaken als bloedserum en gedestilleerd water 'herinneringen' bij zich dragen aan allerlei gifstoffen die er ooit in hebben gezeten, en daardoor in staat zijn ziekten te veroorzaken.

En die luistert niet. Het is allemaal onderdeel van een grote samenzwering, constateert Michel Schiff in zijn boek Un Cas de Censure dans la Science: L'affaire de la mémoire de l'eau (1994). De bliksemsnelle escalatie van het conflict is blijkbaar niet alleen voor 'ketters' als Benveniste een traumatische ervaring, ook hun volgelingen ervaren de ondergang van hun held als een groot onrecht. De snelheid en grondigheid waarmee die uit de tempel der wetenschap wordt gezet, doet het ergste vermoeden. De wetenschappelijke wereld gedraagt zich als de katholieke kerk ten tijde van de inquisitie, constateert Schiff. Gelukkig zal zijn held binnenkort terugslaan. Het schandaal van het giftige gedestilleerd water zal de wetenschap op haar grondvesten doen schudden.

Benveniste was niet de enige die zich plots geconfronteerd zag met de beschuldiging dat hij fraude zou hebben gepleegd. Hetzelfde overkwam de chemici Fleischmann en Pons, de 'ontdekkers' van de koude kernfusie (zie Skepter, juni 1990), die nu trouwens net als Benveniste nog slechts in het pseudo-wetenschappelijke circuit kunnen publiceren. En Peter Duesberg, de man die beweert dat het hiv-virus helemaal niet de oorzaak is van aids (zie Skepter, september 1992 en juni 1994). Hoeveel er ook op hun denk- en werkwijze valt af te dingen, bewijzen voor fraude zijn er nooit overhandigd. Maar ondertussen werden ze wel verdacht gemaakt. Het lijkt wel alsof het wetenschappelijk establishment hierbij dezelfde irrationele reactie vertoont waar de media zich jarenlang aan hebben bezondigd: simplificeren, zwart maken, roepen om uitstoting.

De reactie is niet uitgebleven. In het alternatief-wetenschappelijk publiceren is het samenzweringsdenken momenteel sterk in opkomst. Er is sprake van een ware vloedgolf van duistere beschuldigingen aan het adres van het - naar verluidt - door en door corrupte wetenschappelijk establishment. De Britse auteur Richard Milton publiceerde The Facts of Life (1994), waarin hij de versleten argumenten tegen de evolutietheorie van stal haalt, maar tevens een 'samenzwering' ontmaskert. In datzelfde jaar verscheen ook zijn Forbidden Science, waarin hij nog veel meer samenzweringen blootlegt, onder andere tegen Fleischmann en Pons en Benveniste. (Milton werd enige tijd geleden uitgenodigd door de Universiteit voor Humanistiek en heeft in de rector, Ilja Maso, een bewonderaar gevonden.) Ook uit 1994: Deadly Deception, van Robert Willner, een schreeuwerige onthulling van de 'samenzwering' tegen Peter Duesberg. En dan was er natuurlijk Michel Schiffs Un Cas de Censure.

Het schrijven van dergelijke boeken heeft ongetwijfeld therapeutisch effect, maar draagt natuurlijk nergens aan bij. Samenzweringstheorieën zijn niet te bewijzen, en ondermijnen slechts iedere kans op toenadering. Maar die mogelijkheid wordt ook van de andere kant aangetast, zolang wetenschappers zich laten verleiden om in geval van 'ketters' onderzoek over fraude te beginnen. In hun streven een kwestie zo snel mogelijk uit de wereld (en de media) te helpen, scheppen zij op die manier tegenstanders voor het leven, die met hun emotionele uithalen en duistere beschuldigingen het imago van de wetenschap blijvende schade kunnen toebrengen.



KADER

Popper, Kuhn en de SSK

Karl Popper schetste het ideaalbeeld van de wetenschapper die op basis van waarnemingen een theorie bedenkt, en vervolgens zijn eigen theorie weer onderuit probeert te halen. Wetenschap was een puur intellectuele aangelegenheid, en hij ontkende expliciet dat als in de wetenschap de ene theorie verworpen wordt ten gunste van een andere, andere dan strikt logische argumenten een rol zouden spelen. De ontwikkeling van de wetenschap zou dus een 'logische' vervolmaking van onze kennis zijn.

Een nuancering van dit beeld was Thomas Kuhns paradigmatheorie, gelanceerd in The Structure of Scientific Revolutions (1963). Volgens hem is een theorie slechts een onderdeel van een 'paradigma', waarin verder ook zaken als voorbeelden, instrumenten en technieken thuishoren. De wetenschappelijke vooruitgang is in zijn ogen de vervanging van een oud door een nieuw paradigma, dat over een groter 'puzzeloplossend vermogen' beschikt. Een dergelijke vervanging kan heel ingrijpend zijn, maar net als Popper acht Kuhn zoiets steevast logisch verdedigbaar, en is ook bij hem ontwikkeling synoniem met vooruitgang.

Kuhns paradigmatheorie leidde tot een hausse in het aantal publicaties waarin aandacht werd besteed aan de psychologische factoren binnen het wetenschapsbedrijf. Op theoretisch vlak leidde zij tot het ontstaan van een radicale wetenschapsfilosofische stroming, de Sociology of Scientific Knowledge (SSK). Deze vatte Kuhns paradigma's op als fundamenteel verschillende en dus onvergelijkbare visies op de werkelijkheid. Dat betekende dat er ook geen logische redenen bestonden voor de overgang van het ene naar het andere paradigma. Wetenschappelijke revoluties waren een kwestie van macht, van politiek, van retoriek. En omdat paradigma's fundamenteel verschillen zijn ze ook niet te vergelijken en kun je ook niet zeggen dat de nieuwe 'beter' is. Volgens de SSK is wetenschappelijke vooruitgang een mythe.

Dit 'fundamentalisme' lijkt haar langste tijd te hebben gehad. Op abstract-theoretisch niveau mogen paradigma's dan onvergelijkbaar zijn (Newtons kosmos is fundamenteel anders dan die van Einstein), maar in wezen worden bij wetenschappelijke revolutie vele begrippen, instrumenten en resultaten direct overgedragen, en blijft het mogelijk om daarop gebaseerde theorieën te vergelijken. Maar de SSK heeft er wel voor gezorgd dat het naïeve beeld van de bij iedere stap weer méér verklarende wetenschap, onderuit werd gehaald. Een nieuw paradigma kan heel goed feiten onverklaard laten waar het oude juist een verklaring voor bood.

Terug

Mycene (Klik voor gedeailleerde informatie op:



Deze plaats hebben we dus ook al diverse keren bezocht, maar we kunnen er niet omheen. Onder de klanken van een zojuist gekochte cd van Yorgos Dalares rijden we richting Mycene. Even naar het “huis” van Schliemann en dan verder de bocht om en daar verschijnt de burcht. Door ervaring wijs geworden moet je hier niet omstreeks 13.00 uur aankomen om de citadel te beklimmen, dus hoe laat kwamen wij daar aan? Juist, rond het middaguur! Diverse mensen zagen er tamelijk slecht uit toen ze naar beneden afdaalden. Gretig werd er van het enige kraantje onderweg gebruik gemaakt. Wij gingen onder de paraplu richting de Leeuwenpoort. En het blijft de moeite waard ondanks de verzengende hitte.

Ook hier blijft men op zoek naar nieuwe schatten. Eén van de mooiste is de koepel van ATREUS.

Leeuwenpoort

Al die toeristen, die in airco-bussen aankomen en dan plotseling in 40 graden staan, moeten wel de sensatie van hun leven meemaken, zo dachten wij.

Iedere keer vraag ik me af hoe Agamemnon en zijn familie het hier hebben kunnen uithouden. Misschien werd hij wel gered door de oorlog tegen Troje, alhoewel het uiteindelijk slecht met hem afgelopen is. In bad vermoord worden is ook niet alles, maar het was in ieder geval cool!



Schatkamer van Atreus Dodenmasker van Agamemnon



MYCENE de burcht.

Zeer oud machtscentrum in de O.-Peloponnesus, volgens de legende gesticht door Perseus, later burcht van Atreus en Agamemnon. Hier vond Heinrich Schliemann (de ontdekker van Troje) voor het eerst de sporen van een prehelleense cultuur, die aan deze plaats de naam Myceens dankt. Opvallend was de goudrijkdom (bekers, versierselen, dodenmaskers). Uit de bloeiperiode (15e/14e eeuw v.Chr.) stammen de thans nog aanwezige machtige burchtresten (met de Leeuwenpoort, zo genoemd naar een driehoekige gevelsteen, 3 m hoog met een basis van ca. 4 m, waarop twee leeuwinnen links en rechts opstaande tegen een zuil) en de koepelgraven, waarvan het grootste (13 m hoog) gewoonlijk Schathuis van Atreus genoemd wordt. Kort na 1200 verwoest. In de 7e eeuw een weinig betekenend stadje, dat in de 5e eeuw grondig werd verwoest door Argos. Reeds in de Romeinse tijd een doel van toerisme.

Roem

Was er in de vorige eeuw aanvankelijk vooral opwinding over de vele sensationele archeologische vondsten, rond 1880 ging men daar langzaam maar zeker toch anders over denken. Steeds vaker werd er geprotesteerd tegen de vernielingen waarmee de opgravingen vaak gepaard gingen. De aandacht ging zich meer en meer richten op de informatie die de vondsten opleverden en minder op die voorwerpen zelf. De roem van de vondsten straalde uiteraard ook uit op de archeologen zelf. De meesten onder ons hebben dan ook wel eens gehoord van Heinrich Schliemann (Troje) en Howard Carter (Toetanchamon). Maar hoe zit dat met de volgende vijf grote archeologen? Wat waren hun jaartallen en op welke locatie hebben zij hun bekendste opgravingen gedaan?



2. Bronnen

http://nl.wikipedia.org/wiki/Heinrich_Schliemann

http://nl.wikipedia.org/wiki/Troje

http://www.turkijegids.nl/truva.htm



http://histoportal.com/oudheid/troje.htm
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen