U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Dit Is Een Put Waarin Alle Menselijke Uitwerpselen Opgevangen Werden. - Dagelijks Leven In De Middeleeuwen.
Deze versie komt van http://www.scholieren.be/huiswerk/show_stuk.php?id=1104 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Geschiedenis en het aantal woorden bedraagt 3272 woorden.

Het dagelijks leven in de Middeleeuwen

Inhoud

1. Wat zijn de Middeleeuwen?

2. Hoe waren de gezinnen in de Middeleeuwen?

3. Hoe was het dagelijks leven op het platteland?

4. Wat aten ze zoal?

5. Hoe was de hygiëne en gezondheid?

6. Hoe was het leven in de stad?

7. Hoe was het onderwijs?

8. Hoe was de middeleeuwse mens gekleed?

9. Wat deden ze in hun vrije tijd?

10. Wat was de functie van de gilden en de kooplieden in de handel?

11. Welke soorten ambachten waren er in de middeleeuwen?

12. Hoe was het leven op en om het kasteel?

13. Wat at en dronk de mens op het kasteel?

14. Wat was de taak van de ridders?

15. Wat deden de ridders in de strijd?



1. Wat zijn de Middeleeuwen?

De Middeleeuwen beginnen ongeveer in het jaar 450 en eindigen ongeveer bij het jaar 1500. In de Middeleeuwen leefde ridders in kastelen, boeren werkte op het land en de koning regelde alles in het rijk. Het verschil tussen arm en rijk was toen erg groot. Ook hadden vrouwen op weinig dingen recht tenzij ze geld hadden.



2. Hoe waren de gezinnen in de Middeleeuwen?

In de Middeleeuwen kon je meestal niet zelf bepalen wat je wilde worden, met wie je wilde trouwen of wat voor een opleiding je kreeg. Het gezin waar je uit kwam bepaalde hoe je leven eruit zag. Het leven van arme boerengezinnen zag er heel anders uit dan dat van ridders, edelen of mensen uit de stad. Zo hadden arme gezinnen meestal de achternaam genomen van hun ambacht, bijvoorbeeld Molenaar en Smid, of de naam van de woonplaats waar ze woonden. Baby’s werden meteen gedoopt nadat ze geboren werden, maar vaak stierven ze al na een paar dagen door één of andere ziekte. Kinderen waren toen al vanaf hun tiende jaar volwassen. Vrouwen hadden meestal niets te zeggen over hun leven, en moesten werken voor hun heer. De rijke jongens leerden te paard vechten en zich te gedragen als ridders. De rijke meisjes leerden hoe ze een huishouden in goede banen moest lijden. De arme mensen wilde maar al te graag bij de rijke in de huishouding werken. Zij dachten dat dat de manier was om rijk te worden. Bij de arme gezinnen ging het er heel anders aan toe dan bij de rijke gezinnen. Bij de arme gezinnen sliepen ze meestal met het hele gezin in een bed. Ook moesten de kinderen meehelpen om de kost te verdienen en gingen niet naar school. De armen konden niet zo heel veel mensen in huis hebben en konden zelf nog maar bijna rondkomen, want ze moesten ook nog eten afstaan aan de heer van het landgoed. Als een arme man wilde trouwen moest hij eerst bedenken of hij wel genoeg land had om een gezin te kunnen onderhouden.







3. Hoe was het dagelijks leven op het platteland?

De manier van leven veranderde in de Middeleeuwen drastisch. De meest belangrijke verandering was dat er een scheiding kwam tussen het privé-leven en het openbare leven. In de Middeleeuwen was er nauwelijks sprake van privacy, ook niet voor de rijken. Het hele gezin woonde en sliep in een en dezelfde kamer en in kastelen en huizen. In de stad deelden verschillende gezinnen soms een grote ruimte met elkaar. Deze grote ruimte was met gordijnen in kleinere vertrekken opgedeeld.

In het begin van de vijftiende eeuw kregen steeds meer gezinnen een eigen huis of woonruimte. In huizen waren er aparte slaapkamertjes voor mannen en vrouwen.

Door de toenemende handelscontacten konden ideeën zich snel verspreiden en ontstond er zoiets als mode op het gebeid van kleding en inrichting van de huizen. Er kwamen steeds meer rijke mensen en de mensen kregen steeds meer vrije tijd. Gedrukte bladmuziek en lesboeken zorgden ervoor dat iedereen muziek kon maken. In veel huiskamers werd prachtige muziek gemaakt.

Ook werd de hygiëne steeds belangrijker. De meeste steden verbeterden het rioleringssysteem en begonnen aandacht te schenken aan de verwerking van afval. Rijke mensen hadden soms een eigen bad, de mensen die dat niet hadden gingen naar badhuizen.



4. Wat aten ze zoal?

In de middeleeuwen waren de eetgewoontes heel anders dan nu. Op het platteland verbouwde bijna iedereen zijn eigen eten. Als de oogst mislukte was er sneller kans op een hongersnood. De rijken aten veel verschillende maaltijden. In de middeleeuwse keuken werden veel sterke kruiden en specerijen als peper en kaneel, deze zijn voor de smaak van bijna bedorven voedsel minder te maken. De specerijen werden door kooplui vanuit het Oosten naar Europa gehaald en waren ontzettend duur. Er bestonden maar weinig makkelijke manieren om voedsel goed te houden, dus de kans was heel groot die melkproducten en vlees snel bedierven. Aan het begin van de 14de eeuw mislukte de oogst een paar keer achter elkaar door slecht weer. Er braken veel ziektes uit onder de schapen en het vee. Veel arme mensen overleefde het niet.



5. Hoe was de hygiëne en gezondheid?

In de middeleeuwen nam men het niet zo nauw met de hygiëne. Men maakten zich niet zo druk over vuil dat er was en vieze luchtjes die daar hingen. De wc was een soort gat waar je op moest gaan zitten. Dit gat kwam uit op de gracht of een beerput (dit is een put waarin alle menselijke uitwerpselen opgevangen werden.) Zo rond de 15e eeuw werd dit gelukkig wel wat luxer, want echt fris en hygiënisch was het niet. Als wc-papier gebruikte men repen linnen en de vloer werd bestrooid met lekker geurende kruiden. Een heet bad was alleen voor de allerrijksten. Dit kwam omdat men natuurlijk moeilijk aan warm water kon komen. Daar ging heel wat aan vooraf. Linnen werd gebruikt om de binnenkant van het bad mee te bekleden. Om het water een lekker geurtje te geven deed men badolie in het water. Voor dit alles moest geld betaald worden. Het geld dat betaald moest worden was evenveel als het bedrag waar een arbeider een hele week voor moest werken. In die tijd zaten overal ratten, in de kelder en keuken bij het eten en in de stallen. Deze ratten aten van het eten en verspreiden op deze manier allerlei ziekten. De vlooien in hun huid verspreidden onder andere de verschrikkelijke ziekte, de pest en werd ook wel de zwarte dood genoemd. De zwarte dood heerste heel erg tussen 1347 en 1351. In Europa en Azië stierven door deze ziekten wel zo'n 25 miljoen mensen. Dit kwam natuurlijk omdat men nog niet wist dat deze ratten de ziekte verspreidden en dat men niet echt een schoon leven leidden.



6. Hoe was het leven in de stad?

De steden vormden in Europa tijdens de Middeleeuwen het middelpunt van de samenleving. De stad waar mensen vandaan kwamen, was erg belangrijk. Het was belangrijker dan sociale status of nationaliteit (uit welk land je kwam). De steden werden bevolkt door rijke kooplieden en grote aantallen burgers. Samen zorgden ze voor een leger en vormden ze een systeem waarmee ze het omringende platteland en de kleine steden die in de buurt lagen, controleerden. De steden lagen best veilig achter hoge vestingmuren.

Het was altijd druk op straat en overal kwamen arm en rijk, geestelijken, kunstenaars en handelslieden elkaar tegen. De steden deden een soort "wedstrijden" met elkaar wie de mooiste en modernste gebouwen had. Je kunt je dan wel voorstellen dat er prachtige nieuwe stadhuizen en kerken kwamen. Sommige steden werden zelfs helemaal nieuw opgericht.



7. Hoe was het onderwijs?

Het onderwijs veranderde erg tijdens de Middeleeuwen. De mensen verwachtten van edellieden niet meer dat ze zich alleen met vechten bezighielden, maar dat ze ook leerden lezen en schrijven om zo meer kennis te krijgen. Gilden stichtten vaak scholen waar goede handwerkslieden konden leren boekhouden en rechtsboeken konden bestuderen en andere dingen die handig waren voor later.

Er was ook onderwijs dat minder op de praktijk was gericht (dus waar je in het dagelijks leven niet zoveel aan had). Dit onderwijs bestond uit het lezen van oude Griekse en Latijnse teksten, grammatica en het maken van goede toespraken. Examens kende men niet, ook niet aan de universiteiten. Leerlingen hielden op met leren als ze nodig waren in het familiebedrijf of als ze vonden dat ze genoeg geleerd hadden.



8. Hoe was de middeleeuwse mens gekleed?

Kleding werd in de Middeleeuwen met de hand en door de vrouwen gemaakt. De vrouwen die wol sponnen werden “spinsters” genoemd. Er was een sterk verschil in kleren van rijk en arm. Boeren droegen hele eenvoudige kleren, ze maakten ze meestal ook zelf. De mannen droegen een tuniek (een soort jurk) tot boven hun knie, daaronder een middeleeuwse maillot of beenkappen. Over hun hoofd en schouders droegen ze een soort capuchon en een lange sjaal die ze om hun hals konden wikkelen als ze het koud hadden. Vrouwen droegen een lange tuniek en kinderen meestal hetzelfde als hun ouders. De rijke droegen veel en dure kleren en overal in Europa liepen ze in prachtige kostuums van de duurste stoffen, zoals zijde en fluweel. Hieronder vind je nog een paar prentjes van hoe de rijke vrouwen hun kleedden.

9. Wat deden ze in hun vrije tijd?

Voor de meeste mensen was er weinig verschil tussen werk en vrije tijd. In de oogsttijd gaf de heer enorme feesten om zijn arbeiders te belonen. Veel boeren jaagden op konijnen, herten en vogels, zelfs de kleinste vogeltjes kwamen op tafel terecht. Spelletjes en dansen deden ze vaak. Op veel plaatsen in Europa deden de mensen aan sporten zoals hockey, voetbal en worstelen om zich niet te vervelen. De favoriete hobby’s van ridders waren jacht en toernooien. Net als bij de arme was dit bedoeld omdat de mensen zich dan verveelden maar ook voor het trainen voor de oorlog. In plaats van echte gevechten werden in die tijd voor de edelen toernooien georganiseerd: gevechten als een wedstrijd. Het echte vechten gebeurde niet meer zo vaak en er was minder oorlog dan aan het begin van de Middeleeuwen. In de toernooien waren de ridders geen vijanden, het ging er om de eer. De winnaar kreeg een prijs, bijvoorbeeld een wapenuitrusting of goud en soms hoopte de winnaar dat hij met de dochter van de kasteelheer mocht trouwen.

Bij een toernooi ging het er vaak feestelijk aan toe: het wedstrijdterrein was versierd met vlaggen en wapenschilden. Er stonden tribunes voor het publiek en er werd gewed wie er zou winnen. Zelfs toen al waren er soms gevechten tussen de supporters van de toernooiridders.



10. Wat was de functie van de gilden en de kooplieden in de handel?

Tijdens de Middeleeuwen veranderde er in Europa veel. Mensen verdienden eeuwenlang hun geld door de landbouw. De landbouw was dus de belangrijkste bron van inkomsten. Vanaf 1400 waren het vooral de handel en de producten van handwerkslieden die geld opleverden. In de steden werden gilden opgericht om de kwaliteit en de prijs van de spullen te bewaken. Kooplieden hielden zich bezig hielden met het vervoeren van goederen en producten tussen verschillende steden en landen. Al gauw waren er ook kooplieden die als bankier gingen werken. Mensen waren erg bezig met geld verdienen en spulletjes kopen. Mensen dachten dat er een grote rijkdom kon komen.



11. Welke soorten ambachten waren er?

Naam beroep Foto(‘s) Wat?

Handwever

Het weven met de handen en een houten of benen kam.

Beenbewerker

Het maken van gebruiksvoorwerpen van een hoorn, gewei of dierenbotten.

Borduurster

Het aanbrengen van versieringen op een stof met een naald.

Brouwer

Het maken van bier met gerst en kruiden.

Houtdraaier

Het draaien van houten voorwerpen op een zweepdraaibank voor allerlei huishoudelijke en culturele toepassingen.

Kleermaker

Het met de hand maken van kledingstukken en hoofddeksels.

Kok

Het koken en bakken van gerechten boven een open houtvuur in aardewerken potten of op metalen platen.

Kruidenier

Het bezighouden met diverse kruiden en hun specifieke eigenschappen met de geneeskrachtige of smaakmakende werking hiervan.

Leerbewerker

Het met de hand maken van schoenen en ander leerwerk.

Mandenmaker

Het vlechten van manden.

Pijlenmaker

Het maken van pijlen voor de langboog uit houten schachten, ijzeren punten en echte veren.

Schrijnwerker of meubelmaker

Het met de hand maken van meubelen, waaronder tafels, krukken, banken en kisten (schrijnen).

Schrijver

Het schrijven van teksten met een echte ganzenveer en noteninkt op perkament of handgeschept papier, soms op het verzoek van de mens schrijft hij hun brieven en verkoopt hij vrijgeleides en ziekbrieven.

Smid

Het maken van gebruiksvoorwerpen op een aambeeld en verplaatsbaar smidsvuur.

Spellenmaker

Het maken van kinderspeelgoed en spelletjes voor de vrije tijd van de mens.

Teenvlechter

Het vlechten van kleine voorwerpen met wilgentakken.

Tingieter

Het gieten van allerlei tinnen insignes op een open houtskoolvuur.



Touwslager

Het draaien van een touw op een touwbaan.

Verver

Het verven van wol met natuurlijke ingrediënten.

Visroker

Het roken van diverse vis in een ton boven een smeulend vuur van zaagsel en eikenblokjes.



12. Hoe was het leven op en om het kasteel?

De meeste kastelen die gebouwd werden waren bedoeld om in te wonen. Koningen en hoge adel waren degene die vaak in de kastelen woonden . Ze hadden vaak wel meer dan een kasteel. Door het jaar heen reisden ze dan heen en weer tussen hun kastelen. De gewone ridders woonden vaak in kleinere versterkte landhuizen, die wel een grote zaal en soms ook een kapel hadden. Ridders leefden samen met hun familie, pages en schildknapen, soldaten , bedienden, koks en stalknechten. In het kasteel zorgde de kasteelvrouwen dat alles goed geregeld werd. Zij lette op de bedienden en ontving bezoek van andere adellijke dames. Als de kasteelheer er niet was zorgde zij ervoor dat de voorraden met eten aangevuld werden en bezocht zij zelf ook de boerderijen. Die tijd was een echte mannen wereld waarin vrouwen niet echt serieus genomen werden. Jammer voor de kasteelvrouwen , want zij mocht geen land bezitten of een testament hebben. De kinderen mochten vrij in het kasteel rondlopen en spelen. Ze liepen de stalknechten in de weg of werden verjaagd uit de keuken als ze weer eens van het eten hadden zitten snoepen. In de zomer konden ze lekker buiten spelen en in de winter zaten ze veel binnen bij het vuur waar hun moeder borduurde en verhalen vertelde. Naast het spelen moesten de kinderen ook wel mee helpen in het huishouden en kregen les. Vanaf hun zes jaar werden de kinderen naar een ander kasteel gestuurd. Daar leerden de jongens vechten en werden opgeleid tot pages. Meisjes daarin tegen leerden nette manieren bij en hoe zij het huishouden moesten regelen. Op veertien jarige leeftijd werd men uitgehuwelijkt. Dit lijkt voor onze begrippen heel jong, maar je moet bedenken dat de mensen van toen niet ouder werden dan veertig jaar.

Vroeg in de middeleeuwen waren de kastelen en huizen vaak koud en vochtig. Dit kwam omdat men toen nog geen glazen in de ramen had. Glas bestond toen al wel maar het was in die tijd een duur en lux iets. In plaats van glazen ramen hadden ze tralies en luiken. Als je dus wat daglicht wilde zien of gewoon naar buiten wilde kijken kreeg je altijd de wind van buiten erbij. Gelukkig hadden de meeste kamers een eigen open haard waardoor je er toch prettig kon wonen. In de torens van het kasteel bevonden zich meestal de kamers. Het bovenste deel van de toren was het vertrek van de persoonlijke bedienden van de kasteelvrouwen. Al het linnengoed werd daar ook in opgeborgen. De kamer daaronder was de leef -en slaapkamer van de hofdame. Daaronder kwam de privé-woonkamer van de kasteel heer. Daar at hij en kon hij uitrusten. In de kelder werden wapens en kostbaarheden bewaard. Kastelen werden vaak bezocht door rondreizende artiesten. Zij zorgden voor vermaak. De kasteelheer en kasteelvrouwen maakten zelf ook graag muziek, zongen en maakten gedichten. Verder vermaakten zij zich door te schaken, te borduren (vrouw) en te luisteren naar ridderverhalen.



13. Wat at en dronk de mens op het kasteel?

In het kasteel was er door het jaar heen maar een kleine voorraad voedsel aanwezig. Dit kwam natuurlijk omdat een kasteelheer of koning meestal niet een heel jaar op een kasteel verbleef. Hij had meerdere kastelen waar hij door het jaar heen verbleef. Maar als ze dan wel aanwezig waren dan moest men er wel voor zorgen dat er veel eten en drinken aanwezig was. Vroeger had men geen koelkast dus legde men het voedsel in de stenen kelders van het kasteel. Helaas bleef het meest verse voedsel daar niet heel lang goed. Daar hadden ze gelukkig wel wat op gevonden. Het vlees werd gerookt of flink gezouten, de groente werd gedroogd of ingelegd. Soms werd het fruit en het vlees ook wel eens samen in een ton gedaan. Het vruchtensap drong dan in het vlees waardoor het langer houdbaar bleef. Koeien , schapen en geiten gaven hen melk. Daar werd dan room, boter en kaas van gemaakt. Om brood te kunnen bakken moesten wel eerst tarwe, rogge en gerst tot meel vermalen worden. Dit werd gedaan in de windmolens. Sommige kastelen hadden zelfs hun eigen windmolen. Hiernaast was het ook erg belangrijk dat men iedere dag fris water had om zich te wassen en te drinken. Dit water kwam uit putten die meestal binnen het kasteel lagen. Deze putten waren met de hand gegraven. Om aan het water te komen moest men op zoek gaan naar onderaardse bronnen. Als deze was gevonden werd daar een put omheen gebouwd. Kleinere kastelen moesten meestal het voedsel van ver laten komen, maar grotere kastelen haalden hun voedsel van het omringende boerenland.

14. Wat was de taak en de ridders in de Middeleeuwen?

Om ridder te worden moest je een man zijn en je moest uit een rijke familie komen, maar soms werd daar over gelogen. Ook had je wel veel geld nodig of een land, want het was duur om ridder te zijn. Tenslotte moest je bewijzen wat je waard was in een strijd. Als teken dat je een ridder was tikte een andere ridder met zijn zwaard op bij de schouders of in het begin met de hand op de zijkant van je hooft. De zoon van een rijke ridder werd in de meeste gevallen ook een ridder. Als hij een jaar of 14 was werd hij schildknaap. Hij moest de ridders helpen bij de voorbereiden op de strijd en aan zijn zijde vechten. Daarna word hij meestal eert nog wachter en na ongeveer 4 jaar ervaring de in strijd kon de schildknaap een echte ridder worden. Na het jaar 1200 kreeg het woord ridder een andere betekenis. Ridders waren niet alleen vechters te paard, maar ook rijke, belangrijke en edele mensen. Anderen keken tegen hen op. Ridders leefden volgens strenge regels. Ze moesten zich heel netjes gedragen en andere mensen beschermen. Ridders geloofden in God en ze wilden dat andere mensen dat ook deden. Het was heel belangrijk hoe een ridder eruitzag, hoe hij leefde, hoe hij at, hoe hij feesten organiseerde en wie hij daarvoor uitnodigde.



15. Wat deden de ridders in de strijd?

Een ridder moest goed voor zijn wapens en wapenuitrusting zorgen. Zijn heer of de koning zelf kon hem elk ogenblik oproepen voor de strijd. Soms kon hij betalen in plaats van te vechten, maar eens kwam de dag dat hij toch de oorlog in moest. Meestal nam hij dan een gevolg mee dat bestond uit zijn schildknaap, een paar ruiters, soldaten en boogschutters. De eerste middeleeuwse ridders vochten in maliënkolders die gemaakt waren van een heleboel ijzeren ringetjes. Het stevige, buigzame materiaal bedekte het hoofd en vormde het lichaam, maar een maliënkolder bood geen volledige bescherming. Een pijl of wapen kon er doorheen gaan. Vanaf het eind van de 13de eeuw bedekten ridders hun knieën met stalen platen en in de volgende honderd jaar werden steeds meer platen toegevoegd.

In de 15de eeuw droegen ridders een stevige platharnas, waarvan de verschillende delen met klinknagels en riempjes aan elkaar vastzaten. Het viel niet mee om te vechten in een harnas van 25 kilo. Maar het was licht genoeg om snel te bewegen en op te staan als je van het paard viel.































Bibliografie

1. mediatheek.thinkquest.nl

2. www.iselinge.nl

3. Encarta encyclopedie ‘99

4. Wereldwijzer
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen