U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : 900 Km Lang En 150–220 Km Breed - Italië.
Deze versie komt van http://www.scholieren.be/huiswerk/show_stuk.php?id=1102 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Aardrijkskunde en het aantal woorden bedraagt 1896 woorden.

Liesbeth Jannis 3AB nr. 16



• Een republiek in het zuiden van Midden-Europa.

• Heeft een oppervlakte van 301 277 km2 met 190 inwoners per km2 en in totaal

circa 60 miljoen inwoners.

• De hoofdstad is Rome.

• De naam Italië is afgeleid van Italia.

• Binnen de geografische grenzen van Italië liggen de onafhankelijke republiek San Marino en de soevereine staat Vaticaanstad.



1. Fysische geografie

1.1 Landschap

Italië bestaat uit vier landschappen: het Alpengebied, de Povlakte, het Apennijns schiereiland en de eilanden.

Het Alpengebied omvat geheel Noord-Italië met een wijde boog (900 km lang en 150–220 km breed), die begint met de Ligurische Alpen en zich tot de Italiaans-Joegoslavische grens voortzet. Met enkele uitzonderingen volgt de grens van Italië, met respectievelijk Frankrijk, Zwitserland en Oostenrijk, de hoofdkam van de Alpen.

De Povlakte is circa 500 km lang, zeer vruchtbaar en door de Po en haar talrijke zijrivieren bevloeid. In dit gebied treden herhaaldelijk overstromingen op.

Het Apennijns schiereiland, dat een opmerkelijke vorm heeft, heeft als ruggengraat het Apennijnengebergte, een zijtak van de Alpen.

Sicilië en Sardinië zijn de grootste eilanden. Kleinere eilanden zijn o.m. Elba, de vulkanische Liparische eilanden, Ischia en Capri.



1.2 Reliëf De twee belangrijkste kenmerken van het Italiaanse reliëf zijn de Alpen en de Apennijnen.

De Po is de langste rivier van Italië.

De zuidrand van de Alpen helt af naar de Povlakte die in het zuiden aansluit bij de Apennijnen.

De belangrijkste Apennijnenrivieren zijn de Arno en de Tiber.

Italië kent ook een aantal prachtige meren.



1.4 Klimaat

Hoewel Italië in zijn geheel genomen een Middellandse-Zeeklimaat heeft, kan men er toch duidelijk een aantal verschillende klimaatgebieden onderscheiden. Zo heeft de Povlakte hete zomers met temperaturen die slechts weinig lager zijn als op Sicilië, maar de winters zijn er koud en vochtig, met veel nevel en mist. De januaritemperatuur van Piacenza kan beneden het vriespunt komen en er ligt vaak dagenlang sneeuw.

Het merengebied aan de zuidzijde van de Alpen ligt meer beschut en heeft daardoor een zachter klimaat.

Het noordelijk deel van de Apennijnen en de hoog gelegen gebieden in Toscane en Umbrië zijn in de winter maandenlang met sneeuw bedekt.

Terwijl de Riviera reeds enigszins een Middellandse-Zeeklimaat heeft met zachte winters en een droge tijd in de zomer, vertoont Zuid-Italië met zeer droge en hete zomers dit klimaat in extreme vorm. Kenmerkend is daarbij ook een veel groter percentage zonneschijn.

Op en nabij het Italiaanse schiereiland komt een aantal lokale winden voor. Bekend is bijvoorbeeld de zuidelijke wind (sirocco), die als warm en vochtig wordt ervaren en deprimerend werkt. De frisse westelijke tot noordwestelijke wind voert continentaal polaire lucht aan. In Italië komen ook plaatselijk koude valwinden voor die maestrale worden genoemd. Langs de noordelijke oevers van de Adriatische Zee komt in het winterhalfjaar een koude valwind voor, die afkomstig is van de Dalmatische kust en die vaak stormkracht bereikt.



1.5 Vegetatie

Het Italiaanse landschap is fascinerend. In het noorden liggen de Alpen, met in het noordoosten de grillig gevormde toppen van de Dolomieten. In de zuidelijke uitlopers van de Alpen liggen de grote meren met op hun oevers schitterende villa's en een weelderige, subtropische plantengroei.

De vallei van de Po vormt een uitgestrekte laagvlakte tussen de Alpen en de Apennijnen: dit is het vruchtbaarste en meest geïndustrialiseerde gebied in Italië. In het noordoosten gaat de Povlakte over in de Noord-Adriatische laagvlakte met uitlopers van het Joegoslavische karstgebied. De westkust is over het algemeen laaggelegen, met kustvlakten rond Pisa, Roma (Rome) en Napoli (Napels). De grootste Italiaanse rivieren, de Po en de Adige, ontspringen in de Alpen, maar de meeste hebben hun bron in de Apennijnen, o.a. de Tevere (Tiber) en de Arno. De grote meren in het noorden zijn overblijfselen uit het IJstijdvak. Italië ligt in en gordel waar de Afrikaanse plaat en de Euraziatische plaat tegen elkaar liggen. Vulkaanuitbarstingen en aardbevingen zijn het gevolg.

De Apennijnen vormen de ruggengraat van het land. Sommige stukken van deze bergketen, met name de ter hoogte van Rome liggende Abruzzen, zijn heel onherbergzaam en worden nauwelijks nog bewoond. De bergen en dalen zijn er door kap en overbegrazing en de daarop volgende bodemerosie erg onvruchtbaar geworden. Veel van de bewoners van dit gebied hebben in de afgelopen honderd jaar hun leven op het platteland als keuterboer of schaapherder ingewisseld voor een leven in de grote stad.

Ook het platteland van de rest van Zuid-Italië en Sicilië heeft te kampen met ontvolking. Veel dorpen in deze streken zijn daarom niet aangetast door moderne uitbreidingen, maar wel ernstig in verval. De bevolking is vergrijsd en veel huizen zijn verlaten. Het zijn vooral deze dorpen, waar de tijd lijkt stil te staan, die door de toeristen als zeer pittoresk worden gezien.

Heel karakteristiek is het landschap van Toscane . Tussen Florence en Siena liggen oude, statige boerderijen temidden van de wijngaarden waar de druiven rijpen voor Chianti; in Zuid-Toscane liggen de Crete Senesi, een gebied dat gekenmerkt wordt door een opeenvolging van heuvels die bedekt zijn met een laag van lichte leem. De grond is er weinig vruchtbaar en van natuurlijke vegetatie is nauwelijks sprake. Wanneer in het najaar het graan is geoogst en de grond is geploegd, verraden alleen de boerderijen en de bosjes cipressen dat het geen maanlandschap is wat je ziet.

Ook het landschap rond Rome is de moeite van het bekijken waard. Zowel ten noorden als ten zuiden van Rome wordt het gedomineerd door een aantal kratermeren. Toch is het gebied ten noorden van Rome wezenlijk anders dan dat in het zuiden. In het noorden van Lazio (de regio waarvan Rome de hoofdstad is) bestaat de bodem uit een dikke laag zacht tufsteen. Rivieren hebben daar diepe kloven in uitgesleten die forre worden genoemd. Op de plateaus daartussen liggen middeleeuwse stadjes die uiterst schilderachtig zijn. Dit was ooit het kerngebied van de Etrusken die in het zachte tufsteen talloze graven hebben uitgehakt die nog steeds te zien zijn.

Het gebied ten zuiden van Rome is veel lieflijker. Het gesteente van de bergen is harder en de heuvels zijn glooiender. Dit zijn de Albaanse heuvels, in wezen één enorme kraterrand met er omheen een krans van kratermeren.



2. Bevolking

2.1 Samenstelling en spreiding

In de loop der eeuwen is de bevolking van Italië ontstaan uit de samensmelting van diverse volken (Etrusken, Galliërs, Puniërs, Italiërs, Germaanse elementen). De invasies in historische tijd hebben maar weinig sporen nagelaten. Eind 19de en begin 20ste eeuw leidde de snelle bevolkingsgroei tot grote emigratie. Uit Noord-Italië ging men vooral naar Midden- en West-Europa, uit Midden- en Zuid-Italië naar de Verenigde Staten, Brazilië en (vooral) Argentinië. Vele emigranten keerden echter na een aantal jaren naar hun geboorteland terug. In de jaren dertig is de emigratie verminderd. Na de Tweede Wereldoorlog nam zij weer toe in aanzienlijk mindere mate. Sinds 1983 overtreft de immigratie de emigratie. Naast de emigratie heeft er ten tijde van de onstuimige economische groei na de Tweede Wereldoorlog ook een omvangrijke binnenlandse migratie plaatsgevonden: een deel van de plattelandsbevolking in het zuiden is weggetrokken. Vooral de noordelijke industriesteden, Napels en Rome trokken honderdduizenden migranten aan. De gebieden rondom deze steden bezitten dan ook de hoogste bevolkingsdichtheid. Ongeveer 18% van de bevolking woont in steden van meer dan 350 000 inwoners.

Het geboortecijfer is tussen 1979 en 1987 gedaald van 11,9% naar 10,0%. Doordat het sterftecijfer veel minder daalde en zelfs weer ging toenemen (van 9,5 naar 10,0‰), nam de bevolkingsgroei af van 2,4% in 1979 tot 0% in 1993. Er treedt daardoor ook een veroudering van de bevolking op. In 1991 was nog maar 16% jonger dan 15 jaar; liefst de helft van de bevolking was ouder dan 45 jaar. De levensverwachting bij geboorte bedraagt 74 jaar voor mannen en 81 jaar voor vrouwen.



2.2 Talen

Het Italiaans is de landstaal. In de provincie Bolzano (Zuid-Tirol) spreekt men veel Duits, in enkele dalen van Piemonte en Valle d'Aosta wordt veel Frans gesproken en in de dalen van de Dolomieten samen met de regione Friuli-Venezia Giulia wordt Raetoromaans gesproken.







4 Landbouw, wijnbouw, veehouderij, bosbouw en visserij

4.1 Landbouw

De arbeidsproductiviteit in de landbouw is niet hoog: hoewel 7% van de beroepsbevolking in 1993 werkzaam was in de landbouw, bedroeg het aandeel van deze sector aan het bnp slechts 3%. In Midden- en Zuid-Italië draagt de agrarische structuur nog vaak een traditioneel karakter. Globaal gesproken is overal ten zuiden van de Arno de landbouw het dominerende bestaansmiddel, behalve rondom Napels en Rome. De verscheidenheid aan bedrijfstypen en bodemgebruik is groot. Van invloed hierop is de per seizoen wisselende neerslagfrequentie. Slechts in de herfst en winter valt er voldoende neerslag om de verbouw van een groot aantal gewassen mogelijk te maken, maar de oogsten daarvan moeten geschieden voor de aanvang van het droge seizoen. In het droge seizoen komt in deze streken de verbouw van akkerbouwgewassen nagenoeg tot stilstand en daarom is de maïsverbouw in de zuidelijke streken minder verbreid dan men op grond van het temperatuurverloop zou mogen verwachten. Wijnbouw en olijfteelt zijn daarentegen zeer karakteristiek voor deze streken. Ook een bepaalde hellingsgraad legt de akkerbouw in vele streken beperkingen op. Slechts 20% van Italië bestaat uit laagvlakten. De steile hellingen in het resterende gedeelte worden doorgaans benut voor de bosbouw of als (schrale) weidegronden. De Povlakte is het meest productieve agrarische gebied van Italië.

De grootte van de bedrijven is ook regionaal sterk verschillend. Gebieden waar doorgaans gemiddeld grotere bedrijven worden aangetroffen, zijn de hogere delen van de Alpen en delen van de Apennijnen. In het algemeen overheerst echter het kleinbedrijf. Het voornaamste graangewas is tarwe, gevolgd door maïs en rijst. De tarwe is vooral in Midden- en Zuid-Italië geconcentreerd. De maïsverbouw vindt vooral plaats in de laagvlakten ten noorden van de Po en verder ook in Abruzzi, Campania en Sicilië. De (geïrrigeerde) rijstverbouw wordt uitgeoefend in de Povlakte rondom Milaan tussen de rivieren Dora Baltea en Adda. Andere verbouwde gewassen zijn peulvruchten in geheel Italië, aardappelen vooral in Midden-Italië, tabak in Apulië rondom Napels en in de Podelta en katoen op Sicilië. De teelt van groenten en fruit is over geheel Italië verspreid. Bloementeelt wordt onder meer in Ligurië aangetroffen.

Naast de veldgewassen vormen de boomcultures een typisch element van het agrarische landschap; in 1994 werden 9, 4 miljard kilo druiven, 2,2 miljard kilo olijven en bijna 2 miljard kilo citrusvruchten geproduceerd.



4.3 Wijnbouw

Wijnbouw treft men in geheel Italië aan en iedere streek is min of meer zelfvoorzienend (met uitzondering van de grote stedelijke centra). De wijnproductie bestaat voor tweederde uit rode en voor eenderde uit witte wijnen. De olijventeelt wordt zowel in gespecialiseerde als in gemengde vorm uitgeoefend in veelal heuvelachtige gebieden. De olijven worden voor het grootste deel verwerkt tot olijfolie. Ook de citruscultures (sinaasappelen en citroenen) komen in de zuidelijke gebieden voor. Het noorden is daarentegen weer het belangrijkste productiegebied van appels, peren en pruimen (Emilia-Romagna). In Zuid-Tirol bevindt zich het grootste gebied met fruitboomgaarden (voor appels) van Europa. De moerbeibomen voor de zijdeteelt staan voor het merendeel in de Povlakte.



4.4 Veehouderij

Runderteelt wordt vooral aangetroffen in Lombardije, Veneto, Piemonte en Emilia-Romagna. Schapen- en geitenteelt wordt meer bedreven op Sicilië en Sardinië. De varkensfokkerijen bevinden zich vooral in Emilia-Romagna en Lombardije. De melkproductie (van koeien), hoewel gering, is vrijwel geheel in Noord-Italië geconcentreerd. Melk wordt echter vnl. geïmporteerd uit Beieren.

4.5 Bosbouw

De spreiding van het bosgebied is als volgt: ongeveer 60% in Noord- en Midden-Italië en 40% in Zuid-Italië en op Sicilië en Sardinië. Ongeveer 23% van het totaaloppervlak is bebost. Na een eeuwenlange periode van grote ontbossingen worden nu herbebossingen uitgevoerd om erosie te voorkomen. De bossen dienen voor hout- en brandstofvoorziening.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen