U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : E.j. Potgieter - Jan, Jannetje En Hun Jongste Kind.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/2014 en is laatst upgedate op 28/07/1999.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 821 woorden.

Titel

Jan, Jannetje en hun jongste kind



Samenvatting

Dit allegorische verhaal waarin Potgieter het verval van Holland schetst, verschijnt in 1841.

Potgieter is een strijder, een man van de daad, die zich geheel wil inzetten om de ontredderde maatschappij te helpen opbouwen. Hij is vaderlandslievend, zeer gesteld op de burgerlijke vrijheid en tenslotte een waradige romanticus.

In Jan, Jannetje en hun jongste kind wil hij het Nederlandse volk tonen, wat er gebeurt als de Jan-Saliegeest niet verdwijnt. Dat Nederlandse volk-door-de-eeuwen-heen vinden we gepersonifieerd in Jan: de Hollander die in de historie groot geworden is; in Jannetje, de Hollandse vrouw: degelijk, spaarzaam, netjes en godsdienstig; in de kinderen en kleinkinderen op wie Jan en Jannetje zitten te wachten. Immers, het is Oudejaarsavond, allen zullen komen.

Het jaar 1841 loopt ten einde. Het is een slecht jaar geweest, doch "de koetjes zijn al op het droge".

Jan steekt de schone Goudenaar op, de kinderen zijn laat, maar goed, ze zijn naar de oudejaarsavondkerk.

John Bull en Hans Moff e.a. benijden hem, Jan, wel.

Vervolgens wordt Jans afkomst belicht: omstreeks "den jare Vijftienhonderd lag hij in de luiers." Hij is voorbeeldig opgegroeid! In de afrekening is hij nauwgezet. Moeilijke tijden heeft hij ook gekend: "hoe zuur had Jan het niet onder de voogdijschap van de koning van Spanje!"

Jannetjes portret wordt daarna geschilderd: "men moet de gaven van Rembrandt aan die van Rubens paren." Haar deugden zijn talrijk.

Dan komt hun eersteling binnen: "hij zwalkt naar den haar." Het is Janmaat, de zeeman. Onder de Spaanse tirannie: "hij voer uit in een notedop, hij kwam te huis in een linieschip!" Nu is hij echter veranderd, hij is neerslachtig: "Al weêr een jaar, dat ik als een landkrab sleet", verzucht hij. Dan roept eensklaps een pieperig stemmetje uit één der kamerhoeken: "Janmaat! wil je óók een kopje slemp?" Ieder huis heeft zijn kruis! Het is in dit geval de jongste zoon, Jan Salie: "welke doffe oogen! – welk een meelgezigt! – welk eene houding van slierislari! patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen te onzent!" Janmaat wendt zich van de slungel af. Andere gasten komen binnen: Jan Contant en Jan Crediet. Zij vertegenwoordigen het handeldrijvende volk. Jan Contant "die weltevredene, tonronde, overdrieste vent, hij rigtte het huis van negotie op, dat Jan Crediet uitbreidde". Zij hebben het ver gebracht.

Vader Jan neemt het woord: "Kinders, Janmaat heeft zich straks bitter beklaagd, dat ik in langen tijd niets voor hem over heb gehad. – Maar als ik wat aan hem zal doen, dan moet mijn jongste kind geplaatst wezen, dan moet die kwelgeest mijn huis uit."

"Wie van jeluî wil nog eens beproeven wat er in hem steekt?"

Geen van de drie genoemde broers voelt er iets voor. In een hoek zitten de Jantjes Goddome en Jannen Kalebas "te klinken, dat hooren en zien vergaan!" Dat zijn spotters, ploerten. Ze zitten daar met Jan en Alleman ("de misdeeldste kinderen"), met Jan Hagel en Jan Rap en zijn maat. Over deze heertjes heeft Jan zich al zo lang geschaamd.

Jan de Poëet dient zich aan (weliswaar heet hij nu maar Jan de Rijmer); ook hij wijst Jan Salie af: Cats liet het jongsken aan zijn knieën spelen. Neen, dan Hooft! Hooft en Jan Salie!: een bespottelijk idee. "En Vondel – Vondel, wiens oogen zouden gebliksemd hebben, als ik zijne reijen had gestoord door het salieroepen van ons broêrtje."

Jan de Poëet gaat zo enige tijd voort. "Hij moet gedrild, hij moet soldaat worden!" klinkt het. Jannetjes moederliefde (zwakheid) wijst dat uit medelijden af. Jan Compagnie, de vrolijkste, de welgedaanste, kloekmoedigste van Jans kinderen, wijst het idee resoluut van de hand (hij is de koloniaal): "Moeder, Jan Cordaat weigert hem." Jan Cordaat wijst op zijn krijgsverrichtingen: "Ik heb geene plaats voor den treuzel, zoo min bij het leger als bij de schutterij!" Arme Gastheer! "Hoe menigh vader lijdt in zijne zone alleen!" Potgieter citeert Vondel. Niemand wil Jan Salie, want hij mist energie, geestelijk en maatschappelijk veroorzaakt hij alleen maar achteruitgang.

Na lang gepeins neemt Vader Jan zijn besluit: hij zal niemand met de jongen lastig vallen; "ik schaam mij, dat ik zijn vader ben, ik was maar een koopman. Weelde ontzenuwt, verslapt, ontmant, Jan Salie is de zoon van mijn overvloed, Jan Salie besteed ik op een hofje." Nu mag hij nog aanzitten, onder aan. Jannetje pinkt een traan weg.

Jan Klaassen neemt nog het woord, hij betreurt het dan Jan Gat en Jan Hen er niet zijn, dan kon Jan Salie daar tussen zitten. Jan Klaassen vertegenwoordigt het realistische blijspel: "Trijntje Cornelis" van Huygens noemt hij als voorbeeld. Jammer dat Jan Klaassen geen vrijheid heeft in deze tijd: hij zou Jan Salie hebben genezen. Jan Kritiek zal Jan Salie op het hofje bewaken.

Vader stelt de feestdronk in: "Oranje in het hart, en niemands slaaf!", waarna hij de toost besluit met: "God zegene ons, kinderen!" God zegene u, Jan! u en de uwen!



31 december 1841
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen