U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : J. Bernlef - Hersenschimmen.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=10013 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3690 woorden.

Samenvatting



(ZONDAG) Hoofdpersoon en verteller in deze roman is de Nederlandse Maarten Klein, 72 jaar oud. Hij woont met zijn vrouw Vera al zo'n vijftien jaar in de Verenigde Staten, in het plaatsje Gloucester, aan de kust boven Boston (Massa-chusetts). Hun twee kinderen, Fred en Kitty, wonen niet meer bij hen. Klein is sinds enkele jaren gepensioneerd. Hij is in zijn dienstwoning, die uitkijkt op de in zee uitstekende rost Eastern Point, blijven hangen. Voor zijn pensionering werkte Klein bij de IMCO (Intergovernmental Maritime Consultative Organisation), een internationale visserijorganisatie. Eerst notuleerde hij de vergaderingen, later hield hij zich bezig met het vaststellen van de vangstquoanta.

Het verhaal begin op een winterse zondag; buiten ligt sneeuw. Maarten Klein staat voor het raam en ziet uit naar de schoolbus die de kinderen uit de buurt thuis-brengt. Op zondag rijdt de bus echter niet. Een blik op de buitenthermometer, die aan Kleins vader heeft toebehoort, stuurt zijn gedachten naar het verleden: Domberg, zijn ouders, school, opa en oma. Maarten Kleins herinneringen leiden ertoe dat hij op een stoel klimt om een potlodendoos te zoeken, in de veronderstel-ling dat hij zich in het materiaalhok van de bewaarschool bevindt. Achteraf dringt het besef dat hij iets vreemds deed, wel tot hem door. Op tafel ligt The Heart of the Matter van Graham Greene met een buskaartje erin. Nu eens meent Maarten het boek voor het eerst te zien en weet hij van het buskaartje niets af, dan weer herinnert hij zich het boek zelf gekocht te hebben en de busreis zelf gemaakt te hebben. Op zondag eet het echtpaar traditioneel pizza. De pizza is aanleiding tot het ophalen van gezamelijke herinneringen van Maarten en Vera aan Rome. Maarten blijkt zich van die vakantie niets te herinneren, maar weet dit feit, dat hem verontrust, voor Vera verborgen te houden. Na een partij schaak begeeft het echtpaar zich in bed.



(MAANDAG) Na een nacht die Maarten voor een groot gedeelte (vergeefs) puzzelend aan de keukentafel heeft doorgebracht, brengt hij Vera ontbijt op bed. Vera blijkt al tien jaar geen suiker meer in haar koffie te gebruiken. "Verstrooid-heid," zegt Maarten. Tijdens zijn dagelijkse wandeling met zijn hond Robert doet Maarten een café aan. Hij vindt dat het barmeisje sprekend lijkt op zijn eerste liefde, Karen. Met haar had hij voor het eerst van zijn leven gevreeën, in een vakantiehuisje in Noord-Holland. Bij Maarten dringt echter het besef door dat dit meisje Karen niet kan zijn. Hij vervolgt zijn wandeling en doet een antiquariaat aan. Tot zijn verassing blijkt dat hij daar eerder The Heart of the Matter van Graham Greene gekocht had. Maarten koopt nu van dezelfde schrijver Our Man in Havana. Inmiddels is hij zijn hond al lang uit het oog verloren. De dodelijk ongeruste Vera spoort Maarten op. Robert was alleen naar huis gelopen.

Maarten vraagt Vera of zij zich nog herinnert hoe zij in Holland hand in hand liepen op de oude Slaperdijk. Vera weet niet waar hij het over heeft. De lezer weet dat dit herinneringen aan Karen zijn. Als Maarten zich moet scheren, blijkt hij onder-weg al vergeten te zijn wat hij van plan was te doen en meent dan dat hij hout-blokken voor de open haard moet gaan halen. Later komt Ellen Robbins, die in de buurt woont, op bezoek. Maarten informeert naar haar man Jack. Die blijkt al jaren dood te zijn. Vera vertelt Ellen dat ze zich zorgen maakt over Maartens toestand. Maarten gaat piano spelen en denkt aan zijn vroegere pianolerares, op wie hij als jongetje verliefd was. Hij gaat vroeg (zeven uur) naar bed.



(DINSDAG) Nadat Maarten is opgestaan, blijkt Vera niet thuis te zijn. Hij denkt dat ze naar de bibliotheek is waar ze vrijwilligerswerk doet. Na een geweldige schran-spartij wil Maarten naar zijn werk (IMCO). Alle deuren naar buiten blijken echter op slot te zijn. Maarten forceert de deur van het washok. Hij moet immers naar de IMCO-vergadering, die in een zomerhuisje dichtbij is belegd. Het zomer-huisje is afgesloten en ook hier forceert Maarten de deur. Hij weet opeens niet meer wat hij in het zomerhuisje te zoeken heeft en keert terug naar huis. Daar vertelt de geschrokken Vera hem dat de laatste IMCO-vergadering vier jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat zij zelf al lang niet meer in de bibliotheek werkt. Vera vertelt dat ze aan dokter Eardly heeft gevraagd om binnenkort langs te komen, omdat ze vindt dat Maarten de laatste tijd zo vreemd doet.

Maarten denkt terug aan zijn vroegere collega Karl Simic. Kort na een bezoek van Maarten had Simic in bad zijn polsen doorgesneden en was daarna verdronken. Vera tracht met behulp van een fotoalbum Maartens herinneringen weer op orde te brengen. Hoe dichter echter de foto's het heden naderen, des te ondoordring-baar-der en raadselachtiger lijken ze te worden. Na de fotosessie gaat Maarten even rusten. Als hij wakker wordt, meent hij dat hij als kind bij opa logeert. Vera knipt het licht aan en Maarten is terug in het heden.

Dokter Eardly komt op bezoek. Hij adviseert Vera om Maarten binnen te houden, hem veel te laten rusten en pillen te laten slikken. De buurjongen, William Cheever, brengt boodschappen langs. Maarten informeert naar zijn witte keeshondje Kiss. Een pijnlijke vraag, omdat het beestje al lang dood is. Een televisieprogramma over de opkomst van Hitler brengt Maartens gedachten terug naar die tijd. Hij was toen verloofd met Karin. Plotseling wil Maarten voor Vera knielen, want dat is wat hij vijftig jaar geleden voor Karin had willen doen.



(WOENSDAG) Na zijn late ontbijt wil Maarten de hond gaan uitlaten. Vera houdt hem tegen. Nu ziet Maarten in haar zijn moeder die hem iets verbiedt. "Ik ben het, Vera" snikt ze.

Terwijl Vera even langswipt bij Ellen Robbins slaat Maarten een ruit stuk om de hond Robert, die buiten rondscharrelt, binnen te laten. Dan meent Maarten weer dat hij als kind bij opa en oma logeert. Als Vera door de voordeur binnenkomt, roept hij: "Ik ben hier oma." De buurjongen William Cheever repareert de kapotte ruit provisorisch. Maarten informeert weer naar zijn hondje Kiss. De verwarring wordt steeds groter en de momenten waarop hij dan weer kind, dan weer volwas-sene is, volgen elkaar steeds sneller op. Nu eens meent hij als kind bij zijn grootou-ders te logeren, dan is hij het kind dat nog bij papa en mama woont en dan weer is hij de vader die wacht op zijn twee kinderen. Ook zijn er ogenblikken van totale vervreemding, zoals wanneer hij in zijn eigen huis meent op een hotelkamer te vertoeven. Maar er zijn ook korte momenten van besef.

Dokter Eardly komt weer langs. Hij wil Maarten een spuit geven, maar Maarten slaat hem de spuit uit zijn handen. Hij is bang dat de spuit een waarheidsserum bevat, waarmee de nazi's hem iemand willen laten verraden. Even later denkt hij dat er vloeibaar voedsel in zit en dat Eardly een van de Amerikaanse bevrijders is. Hij laat zich gewillig inspuiten.



(DONDERDAG) "Een vrouw" (Vera) helpt Maarten met wassen en aankleden. Eerst denkt Maarten dat zij zijn moeder is, dan dat hij met Vera naar papa's verjaardag gaat en even later dat hij naar zijn werk moet. Weer even later is hij het jongetje dat zijn pianoles wil instuderen voor Greet Laarmans, de pianolerares op wie hij verliefd is.

Er komt een meisje in huis als gezinshulp, de blonde Phil Taylor. Maarten verwart haar met zijn jeugdliefde Karen en met zijn dochter Kitty. Als Phil piano speelt, weet hij zeker dat ze Greet Laarmans is en durft hij eindelijk zijn hoofd in haar schoot te leggen. Tot Maartens verbazing zegt "Greet" in het Engels tegen hem: "Dat moet u niet meer doen. Anders zal ik moeten gaan."

De hele dag door vraagt Maarten zich af wie toch dat blonde meisje is. 's Nachts zwerft hij in huis rond en loopt hij zomaar Phils kamer binnen. Even later aan de piano slaagt hij er niet in zich te herinneren hoe het adagio uit Mozarts veertiende pianosonate klinkt. Hij kan het begin niet vinden en wordt door Vera en Phil huilend aan de piano aangetroffen.



(VRIJDAG) Als Maarten wakker wordt, blijkt dat hij met riemen aan de spijlen van het bed is vastgebonden en dat hij "het echtelijke bed heeft volgescheten". Twee vrouwen, een oude (Vera) en een jonge (Phil) tillen hem in bad. Zijn stijve ge-slachtsdeel veroorzaakt schaamte en verwarring.

Met Phil werkt Maarten weer een fotoalbumn door. Maarten herkent Vera en zichelf niet meer. Vera komt thuis en overtuigd Maarten ervan dat hij even moet rusten. Maarten wordt wakker en ontsnapt ongezien naar buiten, zonder jas, op zoek naar de lente. Als hij over het schelpenpad langs het strand loopt, is hij weer de kleine Maarten die in Holland op weg is naar zijn ongeruste vader en moeder. Tom, de vuurtorenwachter van Eastern Point, pikt Maarten op. Hij brengt Maarten in zijn jeep naar huis, naar Vera. Maarten denkt dat het 1945 is, de bevrijding. Ook dokter Eardly, die weer eens langskomt, wordt door Maarten gezien als een van de Amerikaanse bevrijders. Maarten krijgt een injectie en valt in slaap.



(ZATERDAG) Maarten wordt 's nachts wakker met zware hoofdpijn en hevige dorst. Hij staat op. Zijn in het donkere raam weerspiegelde gestalte herkent hij niet. Beneden peutert hij de foto's uit het album los en verbrandt ze in de open haard. Een vrouw (Vera) leest voor uit een boek met op het omslag een man met een hoed (Our Man in Havana). Dan staat er een lange witte auto voor de veranda; Maarten wordt afgevoerd naar een inrichting.



(ZONDAG) In de inrichting. "Mensen zitten in lange rijen op banken en houten schragen... vrouwen en mannen... verdoofd lijkt wel zoals ze daar voor zich uit zitten te staren naar de witgesausde muur." Een dag gevuld met zitten, bezig-heidstherapie, koffie, thee en pillen. Dan brengen zij "het" naar een ruimte met bedden... "zij kleden het uit... zij doen het een pyjama aan [...] zij duwen een pil in zijn keel [...] zij leggen hem in bed." In de nacht vindt Maarten "haar" hand (van zijn moeder of van Vera) die hem troost en rust geeft. "...zij draagt je...ik draag je...kleine jongen van me...de hele lange bange nacht door zal ik je dragen tot het weer licht wordt."



(MAANDAG) Maartens waarneming van deze dag beslaat acht regels. Met zijn ogen gesloten hoort Maarten de stem van een vrouw (Vera) die fluistert dat het raam gemaakt is en dat de lente op het punt staat te beginnen.





Tijd

Het verhaal is niet-chronologisch verteld. De logische tijdsvolgorde beslaat negen achtereenvolgende dagen, maar wordt regelmatig onderbroken door herinnerin-gen en overpeinzingen (flashbacks). Het tijdsperspectief is vision avec: Maarten vertelt met de gebeurtenissen mee en weet net zomin als de lezer hoe het allemaal zal aflopen. Dit geldt uiteraard niet voor de vele herinneringen die achteraf worden verteld. Het verhaal speelt zich af rond 1982: Maarten vertrok in 1967 uit Bonn en is nu vijftien jaar in de Verenigde Staten. De verteltijd is 160 bladzijden, de vertelde tijd (inclusief de flashbacks) is circa 65 jaar (van ver voor de Tweede Wereldoorlog tot 1982). De gebeurtenissen tijdens de negen achtereenvolgende dagen worden in de tegenwoordige tijd verteld, net ald de herinneringen.

Het begrip tijd is een belangrijk aspect in deze roman, waarin Maarten Klein steeds meer zijn greep op de werkelijkheid verliest, mede omdat hij zijn besef van tijd kwijtraakt. Hij vergeet de dingen uit het nabije verleden, maar gebeurtenissen uit het verre verleden herinnert hij zich soms heel precies, zelfs dingen die zelfs Vera al niet meer weet (bijv. de herinnering aan de schepenlift van de Postjesweg, blz.58 en 71). Bij de foto's uit het album kan hij zich steeds minder voorstellen. Hij heeft het gevoel dat er een lek in hem zit, waardoor al zijn herinneringen verdwij-nen. De gebeurtenissen uit het verleden dringen zich willekeurig aan hem op. Steeds vaker verwart hij heden en verleden. In een gesprek met Phil Taylor maakt Vera duidelijk hoe belangrijk herinneringen zijn: "Mensen zoals wij leven van hun herinneringen. Als die er niet meer zijn, is er niets meer. Ik ben bang dat hij zijn hele leven aan het vergeten is. En alleen met die herinneringen leven terwijl hij ernaast zit...leeg" (blz.102).



Ruimte

Maarten Klein en zijn vrouw Vera wonen al zo'n vijftien jaar in de Verenigde Staten, in het stadje Gloucester ten noorden van Boston. In de flashbacks speelt Nederland een grote rol, met name de kustgebieden van Zeeland en Noord-Holland. Ook zijn er herinneringen aan Rome. De situering van de dementerende Maarten en zijn vrouw Vera in dit winterse, desolate kustgebied in de Verenigde Staten is niet toevallig. De kinderen van de Kleins wonen ver van hen vandaan, Maartens banden met zijn werk in Boston bestaan al enkele jaren niet meer en de meeste van zijn herinneringen liggen in Holland. Het echtpaar bevindt zich geografisch en sociaal in een isolement. Maartens isolement gaat nog verder, hij vervreemdt uiteindelijk ook van Vera. De ruimte-elementen Amerika (ander land, andere taal) en sneeuw (geen onderscheid meer tussen de dingen, alles lijkt op elkaar en vervlakt) spelen een belangrijke rol. Herhaaldelijk geeft Maarten de winter de schuld van zijn vergeetachtigheid, hij verlangt naar de lente.



Personages

De hoofdpersonen in dit boek zijn Maarten Klein en zijn vrouw Vera. Maarten, ±72 jaar, is geboren in Alkmaar, maar verblijft al vijftien jaar in Amerika, waar hij werkte als secretaris bij een internationale visserijorganisatie. Inmiddels is hij gepensioneerd. Maarten is een gewone, alledaagse man. Hij is een beetje verlegen; zijn vader noemde hem een archeoloog, omdat hij altijd naar de grond keek.

Zijn vrouw Vera, die al zo'n vijftig jaar aan zijn zijde leeft, is hulpeloos toeschou-wer en slachtoffer van het dementeringsproces dat zich bij Maarten in vrij snel tempo voltrekt. Zij hebben 2 kinderen, Fred en Kitty. Zij leiden hun eigen leven en hebben vrijwel geen contact meer met hun ouders. Er wordt niet gezegd wat ze doen of waar ze wonen., alleen dat ze "overkwamen" toen Maarten en Vera veertig jaar getrouwd waren; ze zouden dus in Nederland kunnen wonen.

De personages uit Maartens Hollandse verleden bestaan alleen in zijn herinnerin-gen. Van belang zijn "pappa", die in 1956 is overleden, en "mamma", volgens Maarten overleden in 1950. In zijn verwarring meent Maarten verschillende malen dat beiden nog in leven zijn. Aan "pappa" wordt Maarten voortdurend herinnerd door diens bureau dat nu in zijn bezit is, en door de Heidensick-thermometer die nu aan het raamkozijn van Maartens Amerikaanse behuizing is vastgeschroefd.

Over zijn moeder zegt Maarten: "Een betere moeder was er waarschijnlijk niet. Ze zorgde zo goed voor me dat ik me nauwelijks een moment kan herinneren dat ik ruzie met haar had. Als ze kwaad was, zweeg ze alleen maar. Dan ging ze aan tafel zitten met een kop thee voor zich en dan keek ze me zwijgend aan [...]. Dat vond ik veel erger dan ruzie, zoals ik die wel met pappa had" (blz.62). Maartens vader vergeleek zijn vrouw met het adagio uit de veertiende pianosonate van Mozart: "Even klaar, helder en ondoorgrondelijk" (blz.117). Deze woorden hebben een diepe indruk op Maarten gemaakt, hij herhaalt ze enkele malen in de roman (zie o.a. blz.118 en 145).

Aan opa en oma bewaart Maarten dierbare herinneringen vanwege zijn logeerpar-tijen daar. Opa hield van knutselen en oma had een geheim snoepvoorraadje: Kwatta-reepjes, zuurballen en peredrups. Oom Karel schoor als verzetsdaad tegen de Duitsers zijn knevel (=snor) af en zwoer deze pas weer te laten groeien als de Duitsers uit Nederland zouden zijn verdwenen.

Karen is Maartens eerste liefde. Zij wijdde de onervaren jongen in. Zij leeft nog sterk voor Maarten, soms zelfs verwart hij Vera met Karen. Een andere sterke herinnering is Maartens pianolerares Greet Laarmans. Op haar was Maarten zeer verliefd, maar ze was voor hem onbereikbaar.

Uit Maartens vijftienjarige Amerikaanse periode zijn van enig belang de collega's van zijn werk en zijn naaste buren. De collega's van Maarten bestaan ook nog slechts in zijn herinnering. Van Maartens collega's Simiv, Chauvas, Bähr en Johnson speelt Simic de belangrijkste rol in zijn herinneringen. Nog altijd voelt Maarten zich schuldig vanwege het deit dat Simic kort na een bezoek van Maarten zelfmoord pleegde.

In Maartens huidige Amerikaanse omgeving wonen de families Cheever, Robbins en Stevens. Van deze families treedt een beperkt aantal personen in deze roman actief op, maar binnen het geheel van de roman hebben zij slechts een decoratieve functie. Dokter Nick Eardly is het type van de wat naïve plattelandsarts. Hij meent Maartens uitdovend bewustzijn weer te kunnen doen opflakkeren door hem rust en medicijnen voor te schrijven. Vera heeft wel vertrouwen in hem, maar Maarten lapt zijn adviezen aan zijn laars.

De gezinshulp Phil Taylor, met haar oergezonde fysiek en motoriek en haar oernuchtere boerenverstand, treedt te laat Maartens leven binnen om voor hem nog een rol van belang te kunnen spelen. Voor haar is Maartens bewustzijn inmiddels gesloten: hij kan haar naam niet onthouden, vraagt zich voortdurend af wie zij is en verwart haar met Karen, zijn dochter Kitty en met Greet Laarmans. Als Phil niet een van deze drie is, is ze voor Maarten "dat blonde meisje" of "die jonge vrouw" van wie hij de naam niet weet.



Thematiek

Op concreet niveau gaat de roman over een man die dement wordt. In snel tempo verliest Maarten Klein de greep op tijd en ruimte. De onthechting van de werkelijkheid brengt hem in een geestelijk isolement. Zijn vrouw Vera, met wie hij zoveel jaren heeft samengeleefd, en met wie hij zoveel dierbare herinneringen deelde, herkent en begrijpt hij soms niet meer. Vooral deze geestelijke scheiding tussen Vera en Maarten is een tragisch element in deze roman.

Maartens geordende leven valt tijdens het snelle dementeringsproces in brokstuk-ken uiteen, die geen enkele samenhang meer vertonen. Op abstracter niveau komt in de roman de vraag aan de orde of het leven wel samenhang vertoont, of het leven wel zinvol is. De vader van Maarten was griffier: hij registreerde feiten. In zijn vrije tijd noteerde hij weergegevens. Hij geloofde in het vastleggen van feiten. Hij veronderstelde dat er een systeem was achter die feiten, maar zijn tijd was te kort om het systeem te achterhalen (zie blz.8). Maartens werk bij de IMCO bestond ook uit het vastleggen van feiten (notuleren van vergaderingen en statistieken maken van de vangstquantums). Steeds vaker vraagt hij zich echter af of dat werk wel zinvol was. De scholen vissen in de zee bijvoorbeeld trekken zich niets aan van die cijfers in de statistieken. Dit alles lijkt te wijzen op de opvatting (die ook in ander werk van Bernlef naar voren komt) dat de mens alleen feiten kan registreren, maar niet in staat is de werkelijkheid achter de feiten te bepalen; de mens is niet in staat het systeem, de zin van het leven - zo die er al is - te achterhalen. Maar ook het registreren van feiten is niet zo makkelijk als het lijkt, wat heel duidelijk wordt bij het dementeringsproces van Maarten. Op blz.54 denkt hij: "Een mens kan een tijd lang kijken zonder te zien. [...] Om iets te zien moet je eerst iets kunnen herken-nen. Zonder herinnering kun je alleen maar kijken. Dan glijdt de welerd spoorloos door je heen [...]." Voor Maarten wordt de werkelijkheid steeds nietszeggender, omdat hij steeds minder herkent. Herinneringen heeft hij nog wel, maar ze zijn chaotisch, uit hun verband gedrukt, zonder kop of staart. Ze lopen niet meer parallel met die van Vera, met wie hij toch het grootste deel van zijn leven gedeeld heeft. Bij Vera - en soms ook bij Maarten als hij in een heldere bui is - brengt dit een scherp besef van vergankelijkheid teweeg (zie bijv. Maartens opmerkingen op blz. 15 dat veel voorwerpen uit zijn directe omgeving hem zullen overleven).



Titel

De titel staat in verband met het thema van de vergankelijkheid. Aan het eind van de roman, als Maarten nauwelijks meer besef heeft van het hier en nu, denkt hij in een van zijn spaarzame heldere momenten: "In het leven terug?...maar waar is zo iets gebleven?...is er wel zo iets?...of was alles gewoon alles inbeelding van het hoofd?...hersenschimmen?" (blz.153)



Eigen mening>

Ik vond het een goed boek, omdat je er normaal helemaal niet bij stil staat dat zoiets jou ook kan overkomen. Niet alleen anderen, maar iedereen. En als je dankzij een boek ergens bij stil staat, dan vind ik dat positief voor het boek.

Je hebt als je het leest ook niet door dat dit hele verhaal zich maar in negen dagen afspeelt. In negen dagen verandert heel hun leven (dat van Maarten èn dat van Vera). Dat is toch een verschrikkelijk idee, dat in nog géén twee weken heel je leven anders is.

Het woordgebruik was niet erg ingewikkeld, dus dat is ook mooi meegenomen.

Verder weet ik er niets meer over te zeggen, alleen dat ik iedereen aan kan raden het te lezen.



Auteur

J. Bernlef is het Pseudoniem van Hendrik Jan Marsman. Hij is geboren in het Noordhollandse Sint-Pancreas maar is opgegroeid in Amsterdam en Haarlem. Zijn leraar nederlands interesseerde hem in Nescio, Carmiggelt en Elsschot. Na het eindexamen H.B.S. in 1955 studeerde hij een half jaar aan de Politiek-Sociale faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Tijdens zijn militaire dienst debuteert hij met het verhaal Mijn zusje Olga in het tijdschrift Hoos. Tussen 1958 en 1960 reist Bernlef heen en weer tussen Zweden en Nederland. Hij heeft verschillende baantjes zoals bordenwasser en ober. Ondertussen werkt hij aan verhalen en gedichten zoals Stenen spoelen en Kokkels. In 1959 krijgt hij voor deze beide gedichten de Reina Prinsen Geerligsprijs. Samen met G. Brands en K. Schippers richt hij het tijdschrift Barbarber op. Bernlef was tot het einde van het blad (1872) hoofdredacteur. Voor zijn dichtbundel Morene krijgt hij van de gemeente Amsterdam de po‰zieprijs van de gemeente Amsterdam. Vanaf 1970 is Bernlef betrokken bij het toneel en er worden enkele toneelstukken van hem opgevoerd oa. Sterf de moord en In verwachting. In 1977 is hij een van de oprichters van het tijdschrift Raster. Hij schrijft nog een aantal romans: Sneeuw, Meeuwen, De man in het midden, Onder ijsbergen, Hersenschimmen, en Publiek geheim. Zijn romans gaan over het algemeen over eenzame zwervers en stille vlaktes. Dat wil zeggen dat het meestal gaat over haperingen in het menselijk brein. In 1984 ontvangt Bernlef de Constantijn Huygenprijs voor zijn totale werk.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen