U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Onbekend - Beatrijs.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/1940 en is laatst upgedate op 18/10/1998.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1524 woorden.

Titel

Beatrijs



Titelverklaring

De titel verwijst naar de hoofdpersoon.



Samenvatting

1. Kennismaking

Beatrijs is een non in een klooster. Zij is bijzonder beschaafd en welgemanierd, bijzonder schoon en met een grote plichtsbetrachting. Beatrijs is van voorname afkomst, en gedraagt zich dienovereenkomstig in het rijke adelijke klooster. Dit verhoogde het aanzien van het klooster. Beatrijs is ook vroom, zoals blijkt uit haar gebeden tot God en Maria als zij in tweestrijd verkeert. Het werk dat Beatrijs verricht is het verzorgen van de eredienst, het bewaren van de sleutels (het bewaren van de kerkschatten) en toezicht houden op de ordelijke gang van zaken van de godsdienstoefeningen. Voor het schoonhouden van de kerk had ze lekezusters ter beschikking.



2. De hoofse liefde

Beatrijs heeft een minnaar waar ze zo verliefd op is dat ze denkt dat ze zal sterven. Beatrijs bidt geregeld tot God om vertroosting. Dit is haar poging haar heftige gevoelens de baas te blijven. Ze vindt dat ze haar kloosterkleed niet langer kan dragen en ze het klooster moet verlaten. Ze stuurt een bode naar haar minnaar met een brief. In deze brief staat dat hij zo spoedig mogelijk naar haar toe moet komen. Hij gaat zo snel als hij kan naar haar toe. hij hoopt haar te zien. Als hij daar is en onder hetspreekvenstertje zit zegt ze hem dat ze hopeloos verliefd is op hem. Hij vraagt of hij haar zover kan krijgen dat ze haar klooster kleed zou neer willen leggen en hoe ze haar op een veilige manier naar buiten kan krijgen. Hij zal voor kleren zorgen en vervoer. Zij antwoordt dat ze in de kloostertuin op hem zal wachten acht dagen na vandaag. Hij zegt dat ze op hem moet wachten en vertrekt.



3. Het vertrek uit het klooster

In het klooster heeft Beatrijs angst voor het hoogaltaar. In de aanwezigheid van God spreek ze haar besluit uit. Ze zegt dat haar lichaam het kloosterkleed niet langer kan verdragen. Ze wijst erop dat Maria weet wat er in haar omgaat en dat ze zo haar best heeft gedaan, maar dat het niet geholpen heeft. Nu maakt ze Maria als het ware verwijten: ze heeft dag en nacht gesmeekt, maar ze heeft er 'geen snars' aan gehad. Als het kleed heeft afgedaan verlaat ze het klooster in grote angst. Zij is zowel bevreesd voor ontdekking door een kloosterling, vooral nu zij zonder kloosterkleed is, als beangst omdat de hemel alsnog zou kunnen ingrijpen of wat nog erger zou kunnen zijn, de duivel zou haar kunnen grijpen, vooral omdat zij nu in het duister en buiten het klooster komt. Buiten gekomen in de kloos tertuin staat haar minnaar haar reeds op te wachten. Hij geeft haar kleren en zegt dat die hemelsblauwe kleren haar beter staan dan dat grauwe habijt. Als Beatrijs zo 'stralend' voor hem staat, denkt de minnaar niet dat het begint te dagen maar daardoor denkt hij wel aan de komende dag, en beseft hij dat zij dus niet langer in de boomgaarden moeten blijven. Daarom gaan ze nu haastig weg. De minnaar deelde mee, dat hij zoveel geld bij zich had, dat ze lange tijd genoeg zullen hebben, en hun kostbaarheden niet zullen behoeven te verkopen.



4. Der minne spel (Het spel der liefde)

Als Beatrijs' minnaar vraagt of ze met hem 'der minne spel' wil spelen wordt Beatrijs bijzonder boos en haar woorden zijn in tegenstelling tot haar vriendelijkheid ervoor, zeer heftig. Beatrijs is zo boos door het voorstel tot het liefdesspel, omdat de plaats (buiten) het voor haar tot een vorm van bermprostitutie maakt. Hij reageert verschrikt en zegt dat hij haar niet zozeer als zijn bruid beschouwd maar hij haar als edelvrouw ziet wiens gunst hij tracht te verwerven. Hij ziet van zijn voorstel af en biedt zijn excuses aan. Beatrijs is door zijn excuus gerustgesteld, en antwoord nu ook dat zij hem niet voor de legendarisch scho ne Absalon zou willen ruilen, evenmin als hij haar voor een keizerin.



5. In de stad

Zij leefden zeven jaren in weelde: ze kregen twee kinderen. Het beviel hen echt goed in de stad. Na die zeven jaar, als het geld op is, moesten hun sieraden, kleren, paarden verkopen. Het werd een dure tijd in het hele land. Beatrijs en haar man zouden liever dood zijn dan dat ze zouden bedelen. Die armoede en ellende veroorzaakte een scheiding. Hij liet haar in groot verdriet achter. Zij zag hem nooit meer terug. Zij bleef alleen met haar twee kinderen achter. Noodgedwongen wordt ze prostitue. Zeven jaar leefde ze op deze manier. God houdt zich voor haar verborgen.



6. het vertrek uit de stad

Beatrijs gaat uiteindelijk toch nog bedelen, omdat ze liever haar hoofd laat afslaan dan nog langer prostitutie plegen. Ze vertrekt daarom uit de stad en gaat samen met de twee kinderen zwerven. Vlak bij het klooster, waar ze in het begin van het verhaal leefde, vindt ze onderdak bij een weduwe. Als Beatrijs over het klooster heeft blijkt dat ze Beatrijs in het klooster niet gemist hebben. Beatrijs is een beetje verbaasd en zegt dat, dat niet waar is. De weduwe wordt dan zo kwaad, ze zegt dat Beatrijs de zuiverste ziel heeft die een non maar kan hebben.



7. De opdracht van God

Als Beatrijs op een nacht ligt te slapen krijgt ze een visioen; ze moet weer terug gaan naar het klooster. Beatrijs vertrouwt het niet. Ze verzoekt God daarom niet allen de boodschap te herhalen, dat is niet voldoende, maar haar deze zelfs nog een derde keer te laten brengen. Het heldere licht helpt Beatrijs over alle twijfel heen: In wakende toestand heeft ze met ogen en oren de opdracht voor de derde maal vernomen.



8. Terug naar het klooster

Na de derde keer dat de opdracht wordt herhaald is Beatrijs zeker dat het God is die haar de opdracht geeft en niet de duivel. Stil verlaat ze het huis van de weduwe en laat haar kinderen achter. Bij het klooster vindt ze een geopende deur. Zonder aarzelen gaat ze naar binnen. Ze begeeft zich in de kerk en bij het Mariabeeld liggen haar kleren en de sleutels nog precies op dezelfde plaats.

Die veertien jaar lang dat Beatrijs uit het klooster is geweest heeft Maria haar taak vervult. 's Morgens vroeg in het huis van de weduwe zorgen de kinderen voor een groot gejammer als ze merken dat hun moeder er niet is.



9. Het bezoek van de abt

Eenmaal per jaar komt de abt om het klooster te bezoeken. Iedereen moet dan bij de abt komen en biechten. Beatrijs dus ook; ze vertelt het hele verhaal. De abt schonk haar absolutie en vertelde haar dat hij in zijn volgende preek dit verhaal zou openbaren. Het zou verkeerd zijn dit te verzwijgen, dit heerlijke mirakel. Mensen zullen zich hierdoor ekeren en Maria eren.



10. Het einde

De abt vertelde het verhaal aan de kloosterlingen maar hield de naam van de non geheim. De kinderen van Beatrijs nam hij beiden mee en ze werden beiden twee vrome mannen. Dit heerlijke wonder bewees dat Maria haar uit alle ellende hielp.



Tijd

Het verhaal begint midden in een situatie. Er is sprake van tijdver dichting, omdat de zeven jaren die ze doorbrengt met haar geliefde slechts in vier regels worden samengevat.



Ruimte

De ruimte waar het zich afspeelt is voornamelijk in een niet met name genoemd klooster en een onbekende stad.



Personen

Beatrijs, de hoofdpersoon van het verhaal, werkt als kosteres in een rijk klooster, met een eigen bode en een slaande klok. Beatrijs is mooi en van aristocratische afkomst. Ze is rein van geest, vroom en liefdevol. Ze offert haar eer (als prostitu‚e) slechts op ter wille van haar kinderen. Ze is en blijft een sympathieke figuur. Haar naam is van Romaanse oor sprong. Haar naam kan afgeleid zijn van de twaalfde-eeuwse keizerin Beatrijs, die in haar tijd populair was.

De jongeling kent noch trouw noch berouw. Hij laat Beatrijs en de kinderen in de steek als de tijd van rijkdom voorbij is. Zodra zijn rol is uitgespeeld, verdwijnt hij uit beeld.

Maria is het symbool van barmhartigheid. Zij speelt als middelares een cruciale rol. Dankzij haar kan zelfs de grootste zondaar, mits hij berouw toont, gered worden. Zij is de toevlucht voor de mens in nood.



Perspectief

Het boek heeft een ik-perspectief. De alwetende verteller richt zich regelmatig tot de lezers. In de proloog zegt hij, dat hij het verhaal gehoord heeft van een zekere broeder Ghijs brecht. Over deze Ghijsbrecht is verder niets bekend.



Thema

Het harmonische geheel tussen het aards gebeuren en hemels ingrijpen, met als kern het wonder van de vergeving. Aardse liefde is vergankelijk, hemelse liefde blijvend.



Mening

Ik vond het een aardig verhaal, maar net als alle andere middeleeuwse verhalen vond ik het moeilijk te begrijpen. Ik denk dat als ik niet het verhaal vertaald in de taal van nu had gelezen ik er een stuk minder van begrepen had. Verder vond ik het toch wel een aardig verhaal, omdat er een goed thema in zat. De nadruk op berouw en vergeving vond ik goed.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen