U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Jona Oberski - Kinderjaren.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/1927 en is laatst upgedate op 05/12/1998.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2201 woorden.

Uitgever

BZZTôH, 's-Gravenhage (1978)



De auteur

Jona Oberski werd op 20 maart 1938 geboren in Amsterdam, hij was enig kind, zijn ouders zijn van Duits-Joodse afkomst. In de dertiger jaren zijn ze van uit Hitler-Duitsland naar Nederland gevlucht. Met zijn ouders kwam hij kwam hij in de Tweede Wereldoorlog, via Westerbork, in het concentratiekamp Bergen-Belsen terecht, waar beide ouders overlijden. Na de oorlog keert Oberski terug naar Amsterdam, waar hij opgroeit in een pleeggezin. Nadat hij in 1956 zijn gymnasiumdiploma behaalde ging hij wis- en natuurkunde studeren aan de Universiteit van Amsterdam en specialiseert zich als kernfysicus. In de jaren zeventig volgt Oberski, inmiddels getrouwd en vader van drie kinderen, een cursus gedichten schrijven bij Judith Herberg. Zo komt hij op het idee om zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog op te schrijven. In nauwelijks 6 weken schreef hij de novelle Kinderjaren. Hij doet er nogal vaag over of het boek autobiografisch is, wel heeft hij gezegd dat de verhouding feit-fictie ongeveer fifty-fifty is. Hij doet zo onduidelijk, omdat hij niet wil dat mensen zullen zeggen dat zijn jeugdjaren niet zo erg waren, omdat het toch allemaal is goed gekomen. Er staat op de één na laatste bladzijde wel dat hij dit boek opdraagt aan zijn pleegouders die volgens hemzelf: "heel wat met me hadden uit te staan." Naast Kinderjaren heeft Oberski maar twee ander boek geschreven, in 1995 kwam de novelle De ongenode gast uit en in 1997 de roman De eigenaar van niemandsland. Verder heeft Oberski wel een proefschrift en twee wetenschappelijke werken geschreven maar geen romans of novelles.



Samenvatting

Als de hoofdpersoon wakker wordt, bevindt hij zich samen met zijn moeder in een barakkenkamp. Moeder zegt dat het een vergissing is dat ze hier zijn, dat klopt na een paar dagen mogen ze weer naar huis. Thuis gaat het gewone leven weer verder, maar opeens wordt het gezin hun leven moeilijk gemaakt, de hoofdpersoon wordt gepest en opeens wil de kruidenier, die hen altijd gewoon heeft geholpen, niets meer aan hen verkopen, hij zegt dat het verboden is. Zijn moeder naait een gele ster op zijn jas, hij vond het wel mooi, maar had toch liever geen ster gehad.



Op een dag komt een onbekende man het huis binnen en schreeuwt dat ze moeten opschieten. Ze moeten alle drie, de hoofdpersoon, vader en moeder hun spullen pakken en meekomen naar het station waar nog veel meer mensen staan, ook Trude is daar. Iedereen moet de trein in, vader hoopt nu snel door te reizen naar Palestina, maar ze worden weer naar Westerbork gebracht, dit keer bleek het geen vergissing te zijn. De mannen slapen gescheiden van de vrouwen en kinderen, overdag mogen ze elkaar wel zien. Na een tijd moeten ze weer de trein in, ze zijn blij en denken eindelijk door te reizen naar Palestina, maar dat blijkt weer niet zo te zijn, dit keer worden ze naar het kamp Bergen-Belsen getransporteerd. In dit kamp is het nog erger dan in het vorige kamp, vader krijgen ze meteen na aankomst al niet meer te zien, de bedden zijn smaller. Ook krijgen ze minder te eten, één keer per mogen de kinderen de pannen schoon likken. Op vader zijn verjaardag mogen moeder en de hoofdpersoon vader zien, hij is erg veranderd, hij heeft een baard en is kaal, ook is hij sterk verzwakt. Ze geven vader een taart van bij elkaar gespaarde stukjes voedsel. Op een dag ligt vader weer in de ziekenbarak, de hoofdpersoon gaat na hem toe. Als hij er is hoort hij dat hij zo snel mogelijk zijn moeder moet halen, maar hij verdwaalt en vergeet daardoor zijn moeder te waarschuwen. Als zijn moeder het hoort gaan ze zo snel mogelijk naar de ziekenbarak, ze zijn nog net op tijd. De hoofdpersoon wil er perse bij zijn als zijn vader overlijdt. Omdat hij erbij geweest is mag hij voortaan met de oudere kinderen opschieten, maar hij moet wel eerst een test afleggen. Hij moet het 'ketelhuis' binnen gaan, overal liggen lijken, hij zoekt wanhopig naar zijn vader, die ligt daar niet. Later blijkt dat dit niet het 'ketelhuis' is maar het 'knekelhuis'. Op een ochtend wordt de jongen gewekt door zijn moeder, als ze opschieten kunnen ze met de trein meer naar 'Palestina'. Weken zitten ze in de trein, net als de trein alweer een paar dagen stil staat, komen de Russen en ze zijn bevrijd. De trein gaat weer rijden, dit keer naar Tröbitz, waar de jongen samen met Trude en Eva, in een van de Duitsers gevorderde villa komt te wonen. Moeder is door alle gebeurtenissen erg verzwakt, ze begint ze door te slaan. Na een tijdje overlijdt ook moeder. Trude wil dit niet aan de hoofdpersoon vertellen en zegt dat 'de weg is afgesneden', maar dit begrijpt hij niet. Even is men ook bang dat de jongen zelf ook dood gaat, hij heeft erge koorts, maar dat gaat over. Dan worden ze op een Canadese wagen naar Mokum gebracht. Meneer Paul, iemand die bij vader op kantoor werkte, willen wel voor de jongen zorgen. Dat doet hij ook samen met zijn vrouw, 'mevrouw G.' ofwel tante Lisa.



Titel, ondertitel en motto

De titel van dit boek is duidelijk, met Kinderjaren worden de kinderjaren bedoeld van de hoofdpersoon, die heel zwaar waren vooral de jaren in de concentratiekampen, waar hij beide ouders verloren is. Dit boek heeft geen ondertitel.. Het motto van dit boek is wat minder duidelijk, het motto is:



gras, in een blauwe theepot,

apart tussen het groeiend

uitbloeiend, doorlevend gras gezet.




Judith Herzberg

Uit: 'Beemdgras en zachte dravik'



Hiermee kunnen twee dingen bedoeld worden;

- Met het gras worden mensen bedoeld. Het gras in een blauwe theepot apart tussen het groeiend, uitbloeiend, doorlevend gras gezet slaat op de joden die in een concentratiekamp gezet worden, apart van de 'andere' mensen, die doorleven of uitbloeien: worden vermoord.

- Met het gras dat apart in een blauwe theepot is gezet, wordt de hoofdpersoon, het jongetje zelf, bedoeld. Het jongetje heeft de oorlog overleefd en voelt zich alleen zonder zijn dode familieleden: het uitbloeiend, doorlevend gras.



Genre

Het hoofdgenre van dit boek is epiek, er wordt een verhaal verteld. Verder wordt dit boek onderverdeeld in het subgenre proza, omdat de bladzijden over de voorledige breedte gebruikt worden en er dus geen witte stukken na elke zin zijn. Dit boek is een oorlogsnovelle, een novelle omdat er maar één hoofdpersoon is en er een aantal bijfiguren zijn, het boek is kort (maar 101 bladzijden) en heeft maar één thema ook staan vooral de gebeurtenissen centraal en niet de gedachten en gevoelens van de hoofdpersoon. Het is een oorlogsnovelle omdat het verhaal zich afspeelt in de Tweede Wereldoorlog. Dit boek is voor een gedeelte autobiografisch, maar daar doet de schrijver, Oberski, nogal vaag over.



Thema, motief, idee en wereldbeeld

Het thema van dit boek is het leven van een klein kind in de oorlog, waar hij vreselijke dingen meemaakt in concentratiekampen, hij beseft niet wat er gaande is. Enkele motieven zijn:

- Onmacht, de familie kan niets zelf beslissen, alles kan met ze gedaan worden.

- In het hele verhaal komt steeds de angst naar voren om dood te gaan.

- De hoofdpersoon snapt niet wat er gaande is, hij snapt niet waarom zijn vader en moeder huilen, hij snapt niet waarom ze in het kamp zijn, hij snapt niet wat Trude bedoelt met "de weg is afgesneden" enz.

- De ouders van de hoofdpersoon proberen hem af te schermen van de verschrikkelijke werkelijkheid.

- Het speelse leven van de hoofdpersoon, ook al is het oorlog, hij blijft gewoon doorspelen.

- De hoofdpersoon laat zich opjutten door grotere kinderen, hij moet van hen zijn tong uitsteken naar een Duitser (blz. 51/52), later moet hij van hen het 'ketelhuis' in (blz.63 t/m 66).



Het idee van dit boek is om mensen te laten blijken, hoe verschrikkelijk het is voor een klein kind in de oorlog. Het wereldbeeld van Oberski is hier niet helemaal duidelijk, dit komt doordat het verhaal wordt verteld door een klein kind.



Personages

De eerste persoon, de ik-figuur, is duidelijk de hoofdpersoon. Zijn naam wordt nergens in dit verhaal genoemd, ook zijn leeftijd is niet helemaal bekend, hij is in het begin van het boek zo rond de vier jaar. Hij snapt duidelijk niets van de oorlog, hij blijft een kind en blijkt vriendjes belangrijker vinden dan de dood van zijn vader. Er is geen grote ontwikkeling te zien in het verhaal, wel wordt hij wat 'volwassener'. De ik-figuur is een rond karakter. De volgende personen zijn bijfiguren, het zijn allemaal vlakke karakters:

Moeder beschermt de ik-figuur tegen de buitenwereld, ze houdt veel van hem. Als haar man dood gaat is de ik-figuur de enige die ze nog over heeft. Er is niet zo heel veel over haar bekend.

Vader werkte voor de oorlog op een kantoor. Omdat vader in een ander deel van het kamp zit, komt hij niet zo vaak voor in het verhaal. Wel wordt er veel over hem gesproken, het is een aardige man.

Trude is een vriendin van moeder, zij zit in dezelfde kampen als het gezin van de hoofdpersoon. Vanaf de dood van moeder zorgt zij samen met Eva voor hem, tot dat er een pleeggezin zich aanmeldt.

Eva wordt na de bevrijding samen met de hoofdpersoon en Trude ondergebracht in de villa van de Duitser. Zij zorgt ervoor dat de hoofdpersoon weet dat zijn moeder is overleden, omdat Trude dat niet wilde vertellen.

Meneer Paul en mevrouw G. (tante Lisa) zijn de pleegouders van de hoofdpersoon, als zijn ouders zijn overleden. Meneer Paul werkte voor de oorlog bij vader op kantoor. Tante Lisa is zijn vrouw.



Persoonlijke reactie

Het onderwerp van Kinderjaren is mij duidelijk, het gaat om een joods jongetje die de oorlog van dichtbij meemaakt. Ook al is het onderwerp de Tweede Wereldoorlog en concentratiekampen al veel beschreven, vind ik het wel origineel dat de schrijver het verhaal laat beleven door de ogen van een klein jongetje. De jongen snapt niet altijd wat er gaande is, en daardoor weet de lezer dus niet wat er allemaal gebeurt en waarom dat gebeurt, maar doordat jezelf de achtergronden van de Tweede Wereldoorlog weet, kan jezelf die lege plekken opvullen. Hierdoor krijgt het verhaal een zekere diepgang. Bijvoorbeeld, op bladzijde 24; moeder had een gele ster op z'n jas genaaid, net als bij zijn vader. De jongen snapt niet waarom ze dat gedaan heeft, maar de lezer weet wel waarom ze dat deed. De gebeurtenissen staan, gelukkig, wel ver van me af. Ik weet dingen over concentratiekampen alleen van anderen en van de televisie. De nadruk van dit verhaal ligt duidelijk op de gebeurtenissen, dit komt doordat een kind niet makkelijk over zijn gevoelens praat. Er komen veel dramatische gebeurtenissen voor in het verhaal, zoals de dood van beide ouders. Ik vind de gebeurtenissen niet altijd geloofwaardig, want als ik mij concentratiekampen voorstel, denk ik aan ergere dingen dan dat er in het verhaal beschreven worden. Dit komt doordat de jongen nogal speels is, en daardoor niet snapt wat er gaande is. De gebeurtenissen komen logisch uit elkaar voort. De gebeurtenissen worden niet echt spannend verteld, dat komt door de koele blik van de ik-persoon. Het verhaal is makkelijk opgebouwd, de tijd verloopt zoals in de werkelijkheid, chronologisch. Er zijn helemaal geen terugblikken aanwezig in het verhaal. Wel wordt er de ene keer een gebeurtenis uitgebreid verteld en de andere keer wordt een gebeurtenis minder uitgebreid verteld, er komen versnellingen en vertragingen in voor. Ook heb ik het idee dat er grote stukken tijd worden weg gelaten, want het boek beschrijft ongeveer drie à vier jaar, maar er worden maar een paar gebeurtenissen verteld. De personages gingen niet echt voor me leven, dat komt doordat de ik-figuur geen inzicht heeft in de gedachten en gevoelens van de andere personages. Moeder vind ik een sympathieke personage, ze blijft, ondanks alle problemen, goed voor de hoofdpersoon zorgen. Toch vind ik het onvoorstelbaar dat moeder aan het eind van het verhaal (blz. 83 t/m 87), begint door te slaan, terwijl ze het hele verhaal zo sterk was. Ik kan het ook niet begrijpen dat Trude niet tegen de hoofdpersoon wil zeggen dat zijn moeder dood is, terwijl hij intussen al zoveel heeft meegemaakt dat hij dat best wel aan zou kunnen. Het taalgebruik was heel makkelijk, dit komt doordat het wordt verteld door een klein kind, hierdoor had ik zeker geen moeite om de taal te begrijpen. Er worden korte zinnen gebruikt. Het verhaal bevat weinig dialoog, wel worden er veel zinsdelen gebruikt als "moeder zei dat ik…" en "ik zei van niet." Wat ik wel vreemd vind, is dat als het gaat over Duitsers dat ze allemaal Nederlands praten, er komt geen Duits woord voor in het verhaal. Ook vind ik dat de schrijver soms zinnen gebruikt die een kind van die leeftijd niet zal gebruiken, zoals op bladzijde 93: "Er zat een donker gat in de tijd." Kort samengevat vind ik dit een goed en origineel boek wat heel makkelijk te lezen is. Ik vind het een leuk effect dat het verhaal door een kind verteld wordt.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen