U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Nescio - De Uitvreter, Titaantjes, Dichtertje.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/1919 en is laatst upgedate op 28/07/1999.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2199 woorden.

Titel

De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje



Nescio

Wie zich verborgen hield achter het pseudoniem 'Nescio' (Latijn voor: 'Ik weet het niet') is jarenlang een mysterie geweest. Deze Nescio publiceerde in 1911 een verhaal met de titel 'De uitvreter' in het eerbiedwaardige en nu nog bestaande tijdschrift De Gids. Het verhaal werd met twee andere novellen in 1918 gebundeld in het boek DichtertjeDe uitvreterTitaantjes; de schrijver noemde zich opnieuw 'Nescio'. De recensenten maakten er grapjes over: 'de schrijver die zelfs zijn eigen naam niet weet' en speculeerden over de man achter de schuilnaam: 'Men zegt, dat hij kantoorbediende is, en ik geloof, dat hij een rustig, nauwgezet kantoorbediende is.' Uitgever De Bois, een Haarlemse kunsthandelaar, hield het geheim op verzoek van de schrijver zorgvuldig intact (met als gevolg dat hij zèlf door sommigen voor de auteur werd aangezien), en ook alle andere betrokkenen zwegen jarenlang. Totdat in 1929 een bekend handboek de mededeling bevatte, dat ene Nico Eissenloeffel Nescio's Dichtertje geschreven had, en dàt werd de werkelijke schrijver toch te gortig. Zijn uitgever maakte in de NRC bekend, dat Nescio 'de heer Grönloh' was, 'thans handelsman te Amsterdam'. Dit herhaalde zich in 1932, toen een schoolboek nogmaals dezelfde fout maakte. En in 1933, toen de tweede druk van zijn boek verscheen, voelde de schrijver zich, naar eigen zeggen, 'min of meer gedwongen' om zijn naam in een Voorbericht te publiceren.

De heer J.H.F. Grönloh was, toen hij zijn verhalen schreef, werkelijk kantoorbediende, en dat was ook de voornaamste reden voor zijn geheimzinnigheid. 'Ik heb altijd zoveel mogelijk stil gehouden dat ik schreef,' zei hij veel later sarcastisch tegen Simon Carmiggelt, 'want ik heb mijn leven lang op een kantoor gezeten en als ze in zulke kringen merken, dat je zulke neigingen hebt, denken ze alleen maar, dat je niet deugt voor je werk.' Een andere oorzaak is te vinden in zijn afkeer van uiterlijk vertoon en gewichtigdoenerij. Aan het literaire leven nam hij geen deel, uitnodigingen wimpelde hij meestal af, en aan Simon Vinkenoog, een van de weinige journalisten die hem in de jaren vijftig kwamen interviewen – het interview was in die jaren bij lange na niet zo populair als nu – verzocht hij met zoveel woorden: 'Schrijft u over mij maar niks.' Zijn pseudoniem wijst ook op bescheidenheid: Nescio, de nietwetende, in tegenstelling tot de nette en gewichtige heren uit 'Titaantjes' die er altijd uitzien of ze het enorm goed weten, en die vinden dat ze vrijwel geslaagd zijn in het leven. En dan te bedenken dat de schrijver zich aanvankelijkhad willen tooien met de nog veel minder gewichtige naam 'Koekebakker', net zoals een van zijn personages. Koekebakker, die naam staat ook nù nog voor een wat onhandig en raar persoon, een prutser, een sukkel. Maar dat voornemen is hem door de Gids-redacteur kennelijk uit het hoofd gepraat, want op het manuscript van 'De uitvreter' is de naam Koekebakker vervangen door Nescio.



Toch maar de voornaamste gegevens over het leven van J.H.F. Grönloh, Frits voor zijn familie en vrienden. Hij werd in 1882 in Amsterdam geboren, en hij heeft vrijwel zijn hele leven in die stad gewoond ('Is u Amsterdammer?' laat hij Bavink aan Japi-de-uitvreter vragen, en die antwoordt uit de grond van zijn hart: 'Ja, Goddank'). De jonge Grönloh was afkomstig uit de kleine middenstand (zijn vader was winkelier en smid). Als de oudste zoon mocht hij doorleren op de driejarige HBS en de tweejarige Handelsschool, maar na die opleiding, te vergelijken met het huidige Atheneum, moest hij naar kantoor, net als Japi-de-uitvreter: 'Dan merk je, dat je al die dingen geleerd hebt om met een kwast papier nat te maken.'

Na een aantal kantoorbanen in kleine provincieplaatsjes kwam hij in 1904 in dienst van de Holland-Bombay Trading Company in Amsterdam, waar hij carrière maakte en het tot procuratiehouder en ten slotte tot mede-directeur bracht. Hij trouwde en kreeg vier dochters. het zakenbestaan in de crisisjaren viel hem niet gemakkelijk. Om gezondheidsredenen trad hij in 1937 af, maar hij bleef als adviseur aan de firma verbonden tot zijn pensioen. Toen hervond hij de vrijheid om te doen en te laten wat hij wou. Net als in zijn jeugd trok hij erop uit naar de landschappen van zijn voorkeur: Waterland, het Gooi, de omgeving van Kortenhoef, het Gein, de Vecht, de Ijssel, Limburg, Zeeland, de Achterhoek. Een beroerte maakte in 1956 een einde aan deze tochten. De schrijver overleed in 1961 op negenenzeventigjarige leeftijd.

Wat was hij voor een man? Hij had 'een helder, zachtmoedig gezicht met iets hoogmoedigs in de blik van de ogen,' zegt de ene interviewer. 'Opvallend grote, lichte ogen,' vult de ander aan, 'waarmee hij dwars door je heen keek'. Een lange en forse, gezond ogende, wat onhandige man, die 'nuchter en dromerig tegelijk was, behept met een brusske oprechtheid.'Hij was vaak in zichzelf gekeerd, soms gekweld en onder spanning staand. Hij sprak wat terzijde, voor zich heen, 'in kortafgebeten zinnen', spottend, een 'half gespeeld, half gemeend mopperen' met onverwacht snelle reacties. 'Precies zoals hij schreef, sprak hij, was hij,' aldus de schrijver C.J. Kelk. 'Met die zelfde opklaringen tussen de regenwolken, diezelfde eenvoud en direktheid, eigenlijk het titaantje dat de heren toch iets had laten zien.' Veel van zijn werk, en in het bijzonder het verhaal 'Titaantjes', is geïnspireerd door de jaren rond 1900, toen hij en zijn vrienden heel idealistisch ijverden voor de verbetering van de maatschappij. Ze waren volgelingen van Frederik van Eeden, schrijver van De kleine Johannes en andere romans, maar ook van brochures waarin hij de arbeiders aanspoorde om voor elkaar te gaan werken en niet meer voor het kapitalisme. Zijn theorie was, dat de arbeiders in onderlinge broederschap zouden samenwonen in landbouwkolonies en de grond zouden bebouwen die zij in gemeenschappelijk eigendom hadden. Zij zouden dan hun eigen levensbenodigdheden kunnen produceren, de overschotten verkopen en de opbrengst investeren in nieuwe grond. Met dit droombeeld voor ogen stichtte Van Eeden in 1898 in Bussum de kolonie 'Walden'. Het idee sloeg aan, en in 1901 kwam het tot een landelijke vereniging voor gemeenschappelijk grondbezit (GGB). Grönloh en zijn vrienden hoorden tot de oprichters. Van Eeden kon hen echter op Walden niet gebruiken: hij had na enige tijd liever arbeiders met verstand van het tuindersvak dan idealistische kantoorbedienden. Voorlopig bleven zij dus sparen voor een eigen stukje land en kwamen ze eens per week bijeen op de zolder van een der spaarders. Kerstmis 1901 werd grond gekocht bij Huizen en begon de kolonie, die 'Tames' heette. Eind 1903 werd de onderneming, waarin veel spaargeld, veel energie en nog meer idealisme geïnvesteerd was, als mislukt beschouwd en opgegeven. In 1907 trok Grönloh zich definitief uit de vereniging terug.

Ouder en wijzer geworden, maar met behoud van sympathie voor de goede bedoelingen van toen: 'Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf.' Bij die afstandelijke terugblik lijkt het, of zijn Titaantjes maar een zeer vaag idealisme koesterden ('Wat we eigenlijk doen zouden, is ond nooit duidelijk geweest'), maar in werkelijkheid meenden Grönloh en zijn vrienden wel degelijk zeker te weten wat hun te doen stond.



Over het werk

Nescio's debuut verscheen, zoals gezegd, in De Gids van 1911. Drie jaar later voltooide hij het verhaal 'Titaantjes', en zond dit opnieuw naar De Gids. Maar daar stuitte het op bezwaren: men vond dat er wat te openlijk over erotiek gesproken werd, en dat er te veel 'goedkoope aardigheden' over God in voorkwamen. Een redactionele bewerking leidde ertoe, dat de naam van God in de slotpassage vervangen werd door 'Zeus', omdat er toch immers sprake was van de mythologische strijd der Titanen. Dat ging de schrijver te ver, en het verhaal verscheen in 1915 in een ander tijdschrift, Groot Nederland. Nescio's plan om de beide novellen in boekvorm uit te geven, vond bij geen van de geraadpleegde uitgevers gehoor. het was toen net de tijd van de roman, zei Nescio tegen Vinkenoog in 1952. 'Ik moest er ook maar een schrijven, zeiden ze me. Ik ben er aan begonnen, maar ik heb nooit iets kunnen verzinnen, het werd niets.' Wel schreef hij in 1917 in één maand het verhaal 'Dichtertje', en in 1918 vond hij eindelijk een uitgever en verscheen het boek DichtertjeDe uitvreterTitaantjes, met het meest recente en nog niet eerder gepubliceerde verhaal vooraan.

Ondanks de lovende besprekingen ging de oplage van 500 exemplaren niet erg vlot van de hand. De tamelijk hoge prijf (F 3,- ingenaaid), de gebrekkige verspreiding door de weinig commercieel ingestelde uitgever, het vreemde pseudoniem, de impopulariteit van novellen bij het grote publiek, de ongewone vrijmoedigheid van spreken, waarvoor een enkele recersent waarschuwde ('Ik durf U niet voetstoots aan te raden: lees deze dingen, want misschien zullen ze U choqueeren; ze gooien alle conventie overboord en lachen met wat voor velen heilig is') en de originele stijl, meer gewone spreektaal dan literatuur: dat alles heeft het lezerspubliek beperkt gehouden tot de kleine kring der fijnproevers. Er kwam een soort fluistercamplagne op gang in het literaire wereldje van die dagen. Mensen als de dichters Bloem, A. Roland Holst, Nijhoff en Van Vriesland maakten elkaar en anderen op dit bijzondere boek attent, maar schreven er niet over. En Nescio, die niet in literaire kringen verkeerde en zich door het gefluister niet kon laten opmonteren, slaagde er niet in om met nieuw werk te komen.

Totdat na vijftien jaar de uitgever eindelijk door zijn voorraad heen was, en een tweede druk kon verschijnen – nu bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Toen kwam er opnieuw aandacht voor Nescio. Van Vriesland stelde vast dat de verhalen 'in geen enkel opzicht verouder', en dus 'hun tijd ver vooruit waren'. Menno ter Braak schreef in een zeer lovende recensie dat Nescio's boek gunstig afstak tegen de mooi-schrijverij van de Tachtigers en de naturalisten, omdat de schrijver een eigen visie had; hij hoort met onder meer Willem Elsschot tot 'de schrijvers van de "lijn Multatuli", anders gezegd de lijn van het "gezond verstand",' aldus Ter Braak. Toch duurde het tot 1947 voor de derde druk kon verschijnen; deze gaf de verhalen in de volgorde van ontstaan: De uitvreterTitaantjesDichtertje. In 1956, bij de vierde druk, werd aan de drie verhalen het dunne bundeltje Mene Tekel toegevoegd, dat in 1946 elders verschenen was. Zo bleef Nescio eigenlijk de auteur van één boek. Dat veranderde pas in 1961 bij de verschijning van de bundel Boven het dal; en andere verhalen. Een redactiecommissie – Nescio zelf was toen ernstig ziek – maakte met zijn instemming een keuze uit de onuitgegeven manuscripten, waaronder veel fragmenten. Vijftig jaar na zijn eerste publikatie, en vlak voor zijn overlijden, werd Nescio de auteur van een oeuvre. De schrijver van drie anekdotische vertellingen kreeg er een dimensie bij.

Nescio is lange tijd 'de schrijver geweest van wie het vaakst is gezegd dat hij te weinig wordt genoemd', zo zei Jan Eykelboom – maar die tijd is voorbij. Inmiddels verschenen er vele artikelen en studies over Nescio (onlangs zelfs een tweedelig onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van 'De uitvreter') en vele schrijvers hebben zich bewonderend over zijn werk uitgelaten. Zijn boeken worden steeds herdrukt: de 28e druk van De uitvreterTitaantjesDichtertje – Mene Tekel verscheen in 1990. Zijn werk wordt nu tot de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur gerekend. Nescio zelf zou daar niet verbaasd over zijn, want hij wist met grote stelligheid: 'Mijn tijd komt nog wel.'

Wat maakt dit werk zo bijzonder? Dat is in de eerste plaats de stijl. 'Nescio schreef, nadat er tientallen jaren tonnen hoogdravende onzin over de Nederlandse lezer waren uitgestort, als een gewoon mens,' zei Gerard Reve. Het is geen wonder dat er in artikelen over Nescio zoveel citaten voorkomen, want Nescio's stijl is sprekender dan welke karakterisering ook. Niemand schrijft zo eenvoudig als Nescio, niemand weet zo beknopt en toch zo doeltreffend te zeggen wat hij zeggen wil. 'Ze kunnen het niet nadoen,' heeft Nescio wel eens tevreden geconstateerd, 'ze hebben het vaak genoeg geprobeerd'.

Maar die schijnbare eenvoud verhindert hem niet om in een simpel verhaaltje gecompliceerde dingen onder woorden te brengen. De thematiek van de drie grote verhalen cirkelt rond het besef dat het individu niet tegen de wereld op kan en maar beter niet in verzet kan komen, en zich vooral niet moet verdiepen in de grote levensvragen, want 'wee hem vraagt: Waarom?' Toch kunnen zijn personages niet anders, ze worden gekweld door vage verlangens en lijden aan de tijdelijkheid der dingen. Slechts af en toe weten ze rust te vinden, en dat gevoel van vrede ervaren ze toch vooral in de natuur, in het Hollandse landschap met zijn rivieren, weiden, bomen, kerktorens, en daarboven de lucht, de zon, de wolken en het licht dat voor schaduweffecten en spiegelingen zorgt. Het zijn de troostende tekenen dat de eeuwigheid toch bestaat.

Nescio kon ontzaglijk goed kijken, 'hij zag de dingen als een schilder,' zei een schilderende vriend, 'en misschien nog dieper dan een schilder'. Er gaat een grote melancholie van Nescio's werk uit, maar daarnaast een grote kracht door zijn gevoel voor tijdloosheid, en door het steeds terugkerende 'En toch…' En dat zijn werk dan óók nog licht en speels en bijzonder grappig is, dat is toch eigenlijk een wonder.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen