U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Harry Mulisch - Voorval.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/1911 en is laatst upgedate op 15/12/1999.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 476 woorden.

Samenvatting

Het is een verhaal over iemand die bij vlagen teruggezogen wordt in zijn verleden. Het heeft anonieme personages en is niet in tijd gelokaliseerd. Het is een vlucht van de verbeelding.

Een ingenieur valt, door een plotselinge rukwind, uit een in aanbouw zijnde wolkenkrabber en zes verdiepingen lager door een onverhoedse windstoot weer naar binnen gedreven, op de 49e verdieping, terwijl men met het bekleden van de buitenzijde tot de 48e gekomen was. "Even uitwaaien" had hij nog gezegd, niet wetend hoe waar dit kon zijn. Tijdens zijn val, zijn voorval, als voorbijganger, vallen hem allerlei herinneringen in, waar we kennis van nemen. De avond tevoren was hij op de bouwplaats aangesproken door een hoertje dat hem, met haar engelengezicht, aan zijn dochter deed denken, die naar Los Angeles was vertrokken. Bij het meisje in huis, een oud pakhuis, ontplooit hij geen enkel initiatief: een Hell's Angel slaapt er zijn roes uit en een pitbull terriƫr likt zijn hand. Hij geeft haar het overeengekomen bedrag zonder meer. Het symbolon, dat past goed op zichzelf, en dat was ook wat Anton Steenwijk onbedoeld naar opzoek was: het op zichzelf passende; de ingenieur niet; hem overkomt het alleen tijdens de luttele seconden van zijn val. Vlak voor hij uit de 55e verdieping zou vallen, zag hij dat beneden het hoertje haar arm uit een raam van het pakhuis stak, haar hand met de palm naar boven, om te voelen of het nog regende.

Wanneer hij de 49e verdieping binnenwaait, heeft hij door dat het hoertje het heeft waargemaakt: 'Ik zal voor je bidden'. Ze heeft hem op haar handen gedragen, in haar beschuttende handpalm opgevangen. Drie seconden van de eeuwigheid paste zij op hem, maar dat was net genoeg.

Toen hij in zijn jeugd eens aan een ongeluk ontkomen was zei zijn moeder: "Dat heb je aan je beschermengel te danken'

Tijdens zijn val moet de ingenieur denken aan zijn collectie zandlopers, opeens zag hij wat hij nog nooit had opgemerkt: dat een zandloper een driedimensionale acht is, het enige cijfer, waarvan de lijn in zichzelf terugkeert: zijn geluksgetal. Dat verhevigde nog zijn overtuiging, dat hem niets kon gebeuren, ook nu niet. Hij heeft een volmaakt evenwicht in zichzelf gevonden.



Uit de chaos komt toch weer orde voort. De ingenieur heeft een tijd een nachtboek bijgehouden, tegenhanger van een dagboek, waarin hij zijn dromen noteerde.



Hij had de kunstenaar in zich het zwijgen opgelegd en was vervlakt tot een anonieme ingenieur. In deze voorval is hij, heel even weer, de kunstenaar. Maar zo kent men hem niet. De directeur, de opperbouwmeester, wiens denkbeeld alles is, is iemand van hogere orde, maar de technocraat, de verstandsmens, behoort slechts uit te voeren. Van hem wordt dan ook geen 'hoge vlucht' verwacht.

De directeur reageert op zijn verhaal met: 'Stel je voor.' En dat geldt inderdaad voor kunst.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen