U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Thea Beckman - Hasse Simonsdochter.
Deze versie komt van http://scholieren.samenvattingen.com/documenten/show/8460442/ en is laatst upgedate op 07/04/2002.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1598 woorden.


Aantal bladzijden: 261 pagina’s


Uitgeverij: Lemniscaat


Eerste druk: 1983




Het verhaal begint op een mooie lentedag, in de 15e eeuwse stad Kampen. Daar staat het hutje van de mandenvlechter en zijn vrouw. Ze zijn arm en toch gelukkig. Maar dan…


Vrouw Marte ontdekt dan, verschrikt door Hasses driftbuien, dat haar dochter een ‘wisselkind’ is. Zij gelooft dat haar eigen kind is weggenomen door de rietelven en dat zij daarvoor een lelijk, onruststokend, brutaal wangedrocht hebben teruggelegd. Hasse is anders dan vrouw Martes’ andere kinderen, die hebben donkerblond haar en blauwe ogen, ze zijn altijd gehoorzaam en zeker nooit brutaal. Maar Hasse? Zij heeft gitzwart haar, vonkelende diepe bruine ogen en blikkerende tanden. En dan die driftbuien! Dan gooit Hasse dingen kapot, ze scheldt iedereen de huid vol, is brutaal tegen haar ouders en dan is ze verdwenen.




De mandenvlechters maken Hasse het leven heel erg zuur. Ze hopen dat de riet elven dat niet aan kunnen zien en het kind weer wisselen met hun eigen kind. Maar Hasse is gewend aan die slechte behandeling. Bijna elke ochtend vlucht Hasse weg, weg van dat benauwde hutje, naar de rietlanden. Daar heeft ze haar eigen hut gemaakt. En daar ligt ook haar boog! Het mandenvlechters meisje is heel goed in boogschieten. In de rietlanden schiet ze op eenden en andere vogels.





Soms, als het heel mooi weer is, blijft Hasse dagenlang weg van huis. Op ook zo’n mooie dag hoort ze ossen lopen. Meteen gaat ze kijken wat er aan de hand is. Het is een kudde runderen die naar Kampen moet. Ze verstopt zich, maar de veedrijvers vinden haar en willen haar aanranden. Dan opeens komt er een knappe man op een wit paard en die verjaagt de veedrijvers en doodt er eentje. Het blijkt een huurling te zijn. Hij is heel erg aardig tegen Hasse. Eigenlijk is hij de eerste die aardig tegen haar is in haar hele leven. Dan gaat ze weer naar huis. Daar hoort Hasse dat er een huurling is opgepakt en de volgende dag zal worden onthoofd. De aanklacht is roof van runderen en doodslag. De volgen de ochtend vroeg gaat ze direct naar Kampen. Daar beseft Hasse dat het haar schuld is dat de huurling (ze kent zijn naam niet) terecht wordt gesteld. Daarom verbidt ze hem. Dat wil zeggen dat je iemand van het schavot redt, door met hem te trouwen. Het pas getrouwde paar wordt verbannen van het Kampens grondgebied. En dan gaan ze op pad.




Jan van Schaffelaar, want zo heette de huurling, was op weg naar Zutphen, om daar met zijn vendel ten strijde te trekken met de andere soldaten van Hertog Adolf. Ze brachten hun bruidsnacht door in een klein, armoedig herders hutje. Toen ze de volgende dag in Zutphen aankwamen, huurde Jan een adellijke hotelkamer, om de vorige nacht goed te maken, zei hij. Hij kocht ook prachtige nieuwe kleren voor haar. Maar toen haar Jan, die nooit boos op haar werd, en haar nooit sloeg wegging, was ze erg alleen. Ze kocht een hele lieve bruine hond, Tieske. En trok in een, in Hasses zin, veel te donker huisje. Waar ze drie weken woonde. En daarna…





Hasse had genoeg van de vieze stinkende stad. En daarom ging ze naar het bos en daar leefde ze de hele zomer. Toen ze, in de nazomer, terug kwam in Zutphen om Jan weer te zien, hoorde Hasse van Heer Wijnand, Van Schaffelaars werkgever, dat Jan waarschijnlijk omgekomen was met zijn vendel. Hasse werd gek van verdriet en besloot om terug naar de rietlanden en naar haar hut te gaan. De volgende dag kwam Jan van Schaffelaar in Zutphen aan. Hij zocht Hasse overal. Uiteindelijk hoorde hij dat ze dacht dat hij dood was en dat ze vertrokken was uit Zutphen. Hij vond haar weer bij het hutje waar ze hun bruidsnacht hadden door gebracht. Jan besloot dat hij nooit meer weg zou gaan zonder Hasse. En zo kwam Hasse bij het vendel.




Met het vendel trokken ze naar de Veluwe. In een boerderij huisvestten ze zich en elke dag ging een groepje naar de weg om daar voorbijtrekkende (alleen maar rijke) mensen, te beroven. Hasse Simonsdochter deed net zo goed mee als alle mannen. Met pijl en boog dwong ze respect af. Natuurlijk speelde het ook mee dat ze de vrouw van hun leider was. De groep ‘barbaren’ in de boerderij werden de Graafschappers genoemd.




Er kwamen ook wel eens bezoekers op de boerderij, vrijwillig of onvrijwillig. Zo kwam er een keer een klokkengieter, Geert van Wou en zijn neef, Gerrit van Wou uit Kampen. Die wilden ze uitruilen tegen twee van hun eigen mensen die in Kampen gevangen zaten. Gerrit, de neef van de klokkengieter, was een beetje verliefd op Hasse. Maar daar wou Hasse niks van weten. Na een tijdje mochten ze toch weer naar huis en het leven ging weer verder. Een andere keer kwamen er twee monniken. De ene was een dikke, vriendelijke monnik en de andere was er zo een die streng was, met een haakneus. Die wees Hasse terecht dat ze bij die bende ‘rovers’ leefde en dat ze met hun roofpartijen meedeed. Hasse werd woedend en ze waren snel weg.




Een tijd later kreeg Hasse een kindje. Ze noemde het Lysken, naar de moeder van Jan. Hasse was blij met de baby, maar nu kon ze niet meer mee met de rooftochten.




De strenge monnik -de aardige was gestorven - ging naar de stad waar alle reizigers die ze beroofden naar toegingen. Daar vertelde hij dat er maar een handjevol rovers in die boerderij waren. De stadsheren verzamelden een heel leger en gingen op weg om de Graafschappers te verdrijven. Hasse had Lysken geleerd om een poosje zonder borstvoeding te kunnen en ze was net met een deel van de mensen op pad gegaan. Ze zagen het leger aankomen en ze vluchtten naar de kerk van Barneveld. Maar het leger schoot met kanonnen! De Graafschappers mochten vrij als ze hun leider, Jan van Schaffelaar dus, uitleverden. Jan besloot om dat te doen om Hasse te redden, zodat zij Lysken op kon voeden. Hij wil zich niet laten vernederen, dus springt hij van de toren. De overgebleven Graafschappers mochten vrijuit gaan.




Die nacht sliepen ze in een berm. Hasse had veel verdriet om het verlies van Jan en omdat ze Lysken waarschijnlijk nooit meer zou zien. Ze nam het de Graafschappers heel erg kwalijk dat ze Jan niet hadden tegenhouden om te springen. Maar toen kwam Klein Butsken op zijn paard. Hij had een bundeltje bij zich en… daar was Lysken! Klein Butsken nam het op voor Hasse en beschermde haar tegen de Graafschappers die, nu Jan dood was, allemaal wel met Hasse wilden trouwen. Hasse verliet de groep waar zij haar hele leven zo gelukkig was geweest. En Klein Butsken ging met haar mee.




Daar ging ze dan, met haar dochtertje en Klein Butsken, naar Kampen. Onderweg werd Lysken ziek. Zo konden ze niet verder en ze zochten onderdak in een lege hooischuur. Klein Butsken kwam elke morgen thuis met kleren, eten en andere spullen. Hasse vroeg niet waar het vandaag kwam, maar ze vermoedde wel iets. Maar toen op een ochtend kwam Klein Butsken niet thuis. Lysken was weer beter en ze besloot om naar het dorp te gaan om Klein Butsken te zoeken. Daar zag ze hem… onder de galg. Hij zou opgehangen worden! De schout las de beschuldiging voor: het stelen van een schaap. Hasse wist dat hij dat voor haar had gedaan en dat ze hem móést verbidden. Maar ze kon het niet, dat kleine gebochelde mannetje. En toen was het te laat. Hij werd opgehangen.




Toen herinnerde Hasse zich iets dat Jan haar vlak voor hij van de toren sprong had verteld. Ze ging meteen terug naar Barneveld. Wel in het donker natuurlijk, anders werd ze gevangen genomen. En daar, bij de appelboom van de boerderij, drie handen onder de grond… lag Jans schat. Hij had van de rooftochten geld achteruit gehouden voor noodgevallen. Daarmee ging ze naar Kampen. En kocht een een klein huisje voor aan de kade. Ze richtte dat in zodat ze daar samen met Lysken kon wonen.




Toen ze een keer in de kerk ging bidden zag ze een monnik… Het was dè monnik! De monnik die haar de rooftochten verbood, de monnik die ervoor had gezorgd dat Jan dood was. En, de monnik die Hasse vervolgde als heks met duivelse praktijken. Die monnik was hier om haar op de brandstapel te krijgen! Zìj was niet bang voor een strijd tegen de Dominicaan. Maar ze moest Lysken beschermen.




Hasse veranderde haar identiteit. En deed zich voor als zigeunerin die de toekomst kon voorspellen. Ze voorspelde alles vaag en voor meerderlei uitleg vatbaar, waardoor ze meestal gelijk kreeg. De ‘zigeunerin van de kade’, zoals ze werd genoemd, kreeg zo een goede reputatie.




Ook Gerrit van Wou, de neef van de klokkengieter, had van de helderziende zigeunerin gehoord. Hij zocht Hasse nog steeds en Gerrit vond Hasse nog steeds fantastisch. De nu volleerde klokkengieter had gehoord dat Jan van de toren van Barneveld was gesprongen.


Hij wilde Hasse beschermen tegen de Dominicaanse monnik. Toen hij naar de ‘zigeunerin’ ging zag hij dat zìj het was. Gerrit vroeg of hij ervoor mocht zorgen Hasse niet gepakt werd… Door met haar te trouwen. Hasse Simonsdochter zou erover nadenken, maar Gerrit mocht elke dag even komen. Zou Hasse Simonsdochter trouwen met Gerrit van Wou. Misschien voor de veiligheid van Lysken?




Bijna vijf eeuwen later vond een historicus in de Kamper archieven een aantekening over


‘Hasse, meyster Gbert clockgieters husfrou’




Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen