U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Harry Mulisch - De Aanslag.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/1868 en is laatst upgedate op 06/05/2000.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 5824 woorden.

Voorwerk:



Titelbeschrijving:



Harry Mulisch

De aanslag

De bezige bij, Amsterdam, 1982

Gelezen druk: 15e druk, 1985



Uiterlijke beschrijving:



De aanslag bestaat uit een proloog en vijf delen. Ieder deel is weer onderverdeeld in genummerde hoofdstukken. Deze hoofdstukken hebben geen titels. Het boek heeft 254 bladzijden. De kaft van het boek is, op de titel na, leeg.



Samenvatting:



Proloog:



Aan de rand van Haarlem staan langs het Spaarne vier villa’s. In ‘Buitenrust’ woont de familie Steenwijk: vader (griffier bij de rechtbank), moeder, Peter (zeventien jaar) en Anton (twaalf jaar). Links van hun huis staat de villa van de familie Beumer en rechts het huis van meneer Korteweg en zijn dochter Karin.



Eerste episode, 1945:



Op een avond in januari 1945 wordt de familie Steenwijk opgeschrikt door zes schoten. Voor het huis van de buren Korteweg ligt het lijk van Fake Ploeg, hoofdinspecteur van politie. Korteweg en Karin slepen het lijk voor het huis van de familie Steenwijk. Peter rent naar buiten om het dode lichaam weer weg te zeulen. De Duitsers komen: Peter vlucht weg en neemt het pistool van Ploeg mee.

Anton en zijn ouders worden uit hun huis gehaald en de villa wordt in brand gestoken, nadat eerst de ruiten kapot zijn geslagen. Anton wordt in een auto gestopt en weggevoerd. Wat er met zijn ouders gebeurt, weet hij niet. Hij wordt in een cel in het politiebureau in Heemstede geworpen. In deze cel zit al een vrouw. Ze troost Anton en praat met hem over fascisten (‘ze zullen zeggen, dat het de schuld van de illegaliteit is’) en over de noodzaak hen te haten.

Anton wordt de volgende dag overgebracht naar de Ortskommandant in Haarlem, van wie hij naar zijn oom en tante in Amsterdam mag gaan. Tijdens de rit van Haarlem naar Amsterdam wordt het konvooi door een Engels vliegtuig beschoten, waarbij enige doden vallen. In Amsterdam komt Anton bij een Duitse generaal terecht, die vriendelijk voor hem is. Oom Peter haalt hem op.



Tweede episode, 1952:



Anton wordt opgevoed door zijn oom en tante, een kinderloos doktersechtpaar aan de Apollolaan te Amsterdam. Na de oorlog blijkt dat zijn ouders en Peter in de fatale nacht ter plekke zijn doodgeschoten. Anton reageert beheerst; hij gaat niet op onderzoek uit.

Na het gymnasium gaat hij medicijnen studeren. Als hij tweedejaars is, wordt hij door een studiegenoot uitgenodigd op een feestje in Haarlem. Zo komt hij in 1952 voor het eerst weer terug in de stad die hij in januari 1945 heeft verlaten. Het feestje wordt voor hem een teleurstelling, omdat een paar brallerige studenten kwetsende opmerkingen maken. Anton wordt hierdoor herinnerd aan hetgeen hij in de oorlog heeft meegemaakt. De aansporingen om zich als vrijwilliger aan te melden voor de oorlog in Korea doen hem besluiten het feestje vroegtijdig te verlaten.

Op de terugweg komt hij langs de kade waar zijn ouderlijk huis heeft gestaan. Mevrouw Beumer roept hem binnen. Ze vertelt dat Antons moeder op die fatale januari-avond een Duitser is aangevlogen en dat zij en haar man daarna zijn doodgeschoten. Anton vertrekt zwijgend en loopt langs het monument dat is opgericht voor de slachtoffers van de januari-tragedie. Hij leest de namen van de gefusilleerden, waaronder de namen van zijn ouders. De naam van Peter staat er niet bij.

Bij navraag blijkt dat zijn oom hem wel verteld heeft over het monument, maar dat hij de onthulling niet wilde bijwonen. Anton voelt voor het eerst iets van angst voor het afgesloten verleden.





Derde episode, 1956:



Na zijn kandidaatsexamen gaat Anton op kamers wonen in de binnenstad van Amsterdam. In 1956 vallen de Russen Hongarije binnen. Dagenlang is het rumoerig rond het hoofdkwartier van de CPN in Amsterdam (het gebouw Felix Meritis). Tijdens een relletje ontmoet Anton in het portiek van zijn huis Fake Ploeg jr., die een kei in zijn hand heeft. Op de kamer van Anton ontwikkelt zich een heftig gesprek. Omdat zijn vader in de oorlog fout was, heeft Fake niet kunnen studeren. Hij werkt nu in een zaak voor huishoudelijke artikelen. Hij is fel anti-communistisch (‘Het zijn niet toevallig diezelfde rotcommunisten geweest, die mijn vader hebben vermoord.’). Anton verwijt Fake dat het de vrienden van zijn vader waren, die Antons familie hebben uitgeroeid. Fake wordt woedend en verbrijzelt de spiegel met zijn kei. Kort daarop ontploft de oliekachel, waardoor de kamer vol roet komt. (Er is sprake van een herhaling van hetgeen in januari 1945 is gebeurd: de Duitsers sloegen alle ruiten kapot en staken het huis van Antons ouders in brand.)



Vierde episode, 1966:



In 1959 doet Anton artsexamen. Hij krijgt een assistentschap in de anesthesie en gaat in de buurt van het Leidseplein wonen. Hij werkt in het Wilhelmina Gasthuis. In Londen ontmoet hij de stewardess Saskia de Graaff. Een jaar later trouwen ze. Ze kopen een half huis in de buurt van het Concertgebouw. De vader van Saskia is ambassadeur in Athene. In de oorlog speelde hij een belangrijke rol in het verzet.

Begin juli 1966 wordt Sjoerd begraven. Hij was een bekend journalist, die in de oorlog in het verzet zat. Omdat hij een vriend was van De Graaff, gaan Anton, Saskia en hun dochtertje Sandra ook naar de begrafenis. Na afloop van de plechtigheid komt Anton in contact met de verzetsstrijder Cor Takes. Deze heeft Fake Ploeg doodgeschoten. Anton wil eigenlijk niet meer over het gebeurde uit de oorlog praten, maar Takes moet zijn hart luchten. Hij tracht zich te rechtvaardigen door te vertellen over de gruweldaden van Ploeg. Over het gezeul met het lijk van Ploeg weet hij niets. Hij vertelt over zijn vriendin Truus Coster. Zij blijkt het meisje te zijn met wie Anton een nacht in de cel heeft gezeten. Anton hoort nu dat ze drie weken voor de bevrijding is terechtgesteld. Takes geeft zijn adres en telefoonnummer aan Anton.

Anton gaat met zijn gezin en schoonouders ergens lunchen. Daarna gaat hij met Saskia en Sandra naar het strand. Door de onthullingen van Takes is hij helemaal uit zijn evenwicht. Hij wil de foto van Truus, die in het bezit is van Takes, zien. In een foto van Saskia herkent hij het beeld, dat hij sinds 1945 in zijn hoofd heeft van Truus.

De volgende dag gaat Anton naar Takes, die nog helemaal met zijn gedachten in het oorlogsverleden leeft. Het vrijlaten van de oorlogsmisdadiger Lages maakt de verzetsheld woedend. Anton ziet de foto van Truus. Takes vertelt over zijn verhouding met Truus. Zij was het die de laatste twee schoten op Ploeg afvuurde. Ploeg heeft haar daarna nog met een schot verwond. Anton is zeer geëmotioneerd.



Laatste episode, 1981:



Anton en Saskia zijn gescheiden en Anton is hertrouwd met Liesbeth, die kunstgeschiedenis studeert. Ze hebben een zoon: Peter (1969). Anton verdient veel en heeft vier huizen. Hij is vaak in Italië. Hij wordt neerslachtig en heeft soms ook last van een crisis.

In 1978 gaat hij met Sandra naar Haarlem. Op de plaats waar het verbrande huis heeft gestaan, is een bungalow gebouwd. Ze bezoeken het monument en het graf van Truus Coster op de erebegraafplaats in Bloemendaal. Sandra legt een roos op het graf. Door de emoties weet Anton nu plotseling wat Truus in de cel tegen hem gezegd heeft. Als Anton het aan Takes wil vertellen, blijkt het huis van de verzetsman te zijn gesloopt.

Tijdens de vredesdemonstratie op 21 november 1981 te Amsterdam ontmoet Anton Karin Korteweg. Van haar verneemt hij dat Peter in januari 1945 bij de Kortewegs is binnengevlucht. De Duitsers hebben hem neergeknald. Korteweg en zijn dochter zijn naar de Ortskommandatur gebracht. Anton herinnert zich dat hij Korteweg daar even heeft gezien (zie p. 59). Hij hoort nu ook waarom Korteweg het lijk weg wilde hebben: hij was bang voor zijn hagedissen. Toen bleek welke represaillemaatregelen de Duitsers namen, heeft hij de beestjes zelf doodgetrapt. Hij wilde het lijk niet voor het huis van Aarts leggen, omdat daar drie joden ondergedoken zaten.

Nu weet Anton alles. Hij laat Karin hulpeloos achter en wordt opgenomen in de stroom demonstranten. Samen met Peter loopt hij verder.



Persoonlijke reactie:



Voor dit boekverslag heb ik ‘De Aanslag’ van Harry Mulisch gelezen. Na wat ik allemaal over het boek gehoord heb vond ik dat ik het moest lezen. Ik verwachtte een heel goed boek, maar dat bleek nogal tegen te vallen. Daarvoor heb ik de volgende argumenten.



Het onderwerp van het boek heeft me aan het denken gezet, omdat het over iets gaat, dat je zelf nooit meegemaakt hebt. Je weet dus niet hoe het gaat, dat is wel interessant. Maar ik vind wel dat het allemaal vrij langdradig wordt beschreven in het boek.

Het onderwerp Tweede wereldoorlog is natuurlijk niet origineel, maar het is wel op een originele manier uitgewerkt. Ten eerste omdat het over een aanslag gaat, en niet over de hele oorlog. En ten tweede wordt er nog veel langer doorverteld dan dat de oorlog voortduurt.

Het onderwerp viel mij tegen, verder is het boek best goed geschreven. Je kunt het boek god begrijpen en lekker lezen.



Het verhaal bevat enkele hele belangrijke gebeurtenissen, zoals de aanslag, de demonstraties, en de begrafenis. Deze gebeurtenissen bepalen eigenlijk het hele boek. Door de aanslag wordt alles aan het rollen gebracht. Bij de eerste demonstratie ontmoet Anton de zoon van Fake Ploeg. Bij de begrafenis ontmoet hij Cor Takes. En bij de tweede demonstratie realiseert Anton zich dat hij het verleden nu eens achter zich moet laten.

Maar het verhaal bestaat niet alleen uit gebeurtenissen. Er worden ook veel gedachtes besproken, vooral die van Anton. Doordat je de gedachtes van Anton kunt ‘lezen’ begrijp je het boek, zo wordt alles duidelijk.

De rol van het toeval is in het boek heel groot. Het begint al met de aanslag, waarom leggen de Kortewegs het lijk bij Anton voor de deur en niet bij de andere buren? Het is heel toevallig dat Anton de zoon van Fake tegenkomt bij de demonstratie. Verder is het natuurlijk nog toevalliger dat hij Cor Takes over de aanslag hoort praten.



De bouw van het boek is niet ingewikkeld, alles wordt verteld in de volgorde van de werkelijkheid. Dit zorgt er voor dat het boek geordend is en het makkelijk leest.



Van Anton krijg je een heel goed beeld in het boek, je weet precies hoe hij is. Hij gaat ook een grote verandering door, hij wordt volwassen. Anton reageerde heel normaal in het boek, best voorspelbaar. Hij reageerde net als ieder mens zou doen in zo’n situatie.



Het taalgebruik in het boek is makkelijk, er staan geen moeilijke woorden in. Ook de zinsbouw is makkelijk, hierdoor kun je het boek lekker snel uitlezen. Wat ook wel belangrijk is, want als je een boek hebt waar je niet doorheen kunt komen is het sowieso geen mooi boek, wat het onderwerp ook is.



Aan deze argumenten kun je zien dat ik het onderwerp van het boek niet echt geweldig vond. Toch kan ik het boek iedereen aanraden, want het is goed geschreven en niet moeilijk.



Analyse:



Titelverklaring:



De titel spreekt voor zich. Het leven van de familie Steenwijk krijgt een totaal andere wending door de aanslag op Fake Ploeg.

(Literama modern)



Motto:



Het motto luidt:

‘Overal was het al dag, maar hier was het nacht, neen meer dan nacht.’

Het is ontleend aan de Romeinse senator C. Plinius Caecilius Secundus, die verslag doet van de rampzalige uitbarsting van de Vesuvius in het jaar 1979. Pompeï werd bedolven en kwam in een absolute duisternis. Zo’n ramp is ‘de aanslag’ voor Anton. Hij komt terecht in een diepe duisternis.

(Literama modern)



Genre:



Het genre van De aanslag is oorlogsroman. Je hebt twee verschillende soorten oorlogsromans, De aanslag is van het soort dat over het verdriet van de oorlog gaat. De oorlog blijft heel het boek aanwezig, ook al speelt niet heel het boek zich in de oorlog af.



Thema:



In de Tweede Wereldoorlog wordt een foute politieman doodgeschoten. Dit heeft zeer ingrijpende gevolgen voor het gezin Steenwijk. De problemen van schuld en verantwoordelijkheid die hiermee verbonden zijn, beheersen het hele boek.

( Literama modern)



Idee:



In een radiogesprek zei Mulisch dat hij geen vooropgezette ideeën heeft gehad bij het schrijven van deze roman, maar dat de denkbeelden zich tijdens het schrijven uit de beelden ontwikkelden.

(Memoreeks)



Motieven:



-Dobbelsteen: dit symbool van het lot komt een aantal malen voor als Antons leven een

beslissende wending neemt, bijvoorbeeld vlak voor de aanslag en aan het begin van de crisis

in Italië.

-Kruidnagel: in de eerste episode probeert Antons moeder haar kiespijn te onderdrukken met

dit huismiddel, in de laatste episode krijgt hij het van Liesbeth. Dit motief verbindt de eerste

met de laatste episode.

(Memoreeks)

-De verwoestende werking van vuur.

-De goede haat en de verkeerde haat.

(Literama modern)



Volgorde van de gebeurtenissen:



De volgorde van de gebeurtenissen in de Aanslag is zoals in de werkelijkheid. Wel wordt er veel tijd overgeslagen. Er zijn vijf episodes waarin elke keer maar een paar dagen vertelt wordt.



Samenhang:



Tussen de gebeurtenissen in het boek is redelijk veel samenhang. Door de Aanslag wordt Anton geconfronteerd met Takes. Zo zijn er nog wel meer voorbeelden te vinden.



Verhaallijn:



Het boek bevat een verhaallijn, het leven van Anton Steenwijk. Met de aanslag erin. Deze verhaallijn wordt wel verschillende keren onderbroken, omdat niet het hele leven de moeite van het vertellen waard is. Er worden grote stukken van het leven van Anton weggelaten.



Spanning:



De Aanslag is een spannende roman, al lijkt het begin van de eerste episode heel ontspannen: het is koud en ze zijn hongerig, maar eigenlijk zitten de Steenwijks rustig bijeen in hun achterkamer. Ieder heeft zijn eigen bezigheid, moeder haalt een trui uit, vader leest een boek, Peter maakt huiswerk en Anton is verdiept in een artikel; ze voeren schijnbaar onbelangrijke gesprekjes, maar bij de lezer wordt wel spanning opgeroepen: hij weet dat deze schijn bedriegt, want het is geen vrede, het is oorlog. En hoe vrediger de schrijver de sfeer tekent, hoe sterker de dreiging wordt.

Op het moment dat iedereen klaar is of stopt met zijn werk en mens-erger-je-niet te voorschijn wordt gehaald, op het moment dus dat de situatie helemaal open is, voelt de lezer dat de spanning zich zal ontladen.

Op de ontlading va die spanning, de zes schoten, volgt een reeks verwarrende, angstaanjagende gebeurtenissen.

(Memoreeks)







Begin en einde van het verhaal:



Het begin van het boek is informatief. Het verhaal begint bij het begin, de avond van de aanslag.

Het einde van het verhaal is gesloten. Veel mensen die iets met de aanslag te maken hebben gehad zijn dood. Anton kan de oorlog helemaal vergeten. Dat hoofdstuk in zijn leven is afgesloten.









Personages:



In tegenstelling tot de hoofdpersonen in de meeste andere boeken van Mulisch, is de hoofdpersoon van De Aanslag een round character: hij is een uitvoerig uitgewerkt personage. Dit geldt niet voor de andere verhaalfiguren; deze markeren Antons persoonlijkheid, beïnvloeden zijn ontwikkeling en zorgen voor de overdracht van ideeën. Het zijn flat characters. Een aantal van hen legt ook een stukje in de puzzel, zodat uiteindelijk de hele geschiedenis van de aanslag ad acta is gelegd. Dat is een functie die vanuit het heden naar het verleden voert (Takes, Karin). Daarnaast hebben sommigen een functie die in het heden ligt, maar door het verleden werd bepaald. Ze staan namelijk model voor groepen mensen wier leefwijze in het heden op verschillende manieren door de oorlog beïnvloed is (Takes, De Graaff).

Anton zelf representeert de groep die alles wat met de oorlog te maken heeft wil vergeten (hij wordt anesthesist: specialist in het opzettelijk vergeten). Als er echter iets Voorvalt waardoor de oorlog wordt opgerakeld, verzet hij zich daar niet tegen. Hij heeft dus geen syndroom, hij verdringt de herinneringen niet, maar zijn migraineaanvallen wijzen er wel op dat er iets broeit in zijn hoofd. Hij laat de dingen komen, zoals ze komen. Hieraan ligt geen fatalistische stelling ten grondslag, maar zijn steeds groeiende overtuiging dat niets uit de geschiedenis verdwijnt en dat alles ten slotte ad acta gelegd wordt. (p. 208).

Verder is Anton rustig beschouwend (p. 215-216) en intelligent. Hij is gevoelig zoals blijkt uit de scene in de cel, zijn gesprek met Sandra (p. 220) en uit de ontmoeting met zijn zoon tijdens de betoging (p. 252). Hij interesseert zich voor kunst; dit wordt duidelijk bij zijn bezoeken aan Londen en Italië. Voor geschiedenis en politiek heeft hij geen belangstelling (p. 111-115). Hij heeft geen vijanden, maar eigenlijk ook geen vrienden. Agressief of haatdragend is hij niet, zelfs niet ten opzichte van de Duitsers of Fake Ploeg. Alleen al door de geschakeerdheid van eigenschappen en opvattingen die Anton vertoont, wordt duidelijk dat we te maken hebben met een round character. Dat blijkt eveneens uit het feit dat hij een ontwikkeling doormaakt. Zoals iedereen verandert hij, doordat hij ouder wordt. Aanvankelijk is hij volgzaam (eerste episode, maar ook nog zijn gedrag bij Beumer: p. 90-91), later wordt hij zelfstandiger, zelfbewuster (de gesprekken met Takes). Hij ontwikkelt eveneens een zeker gevoel voor humor, waardoor hij bijvoorbeeld bepaalde emoties in de hand kan houden (gesprekken tijdens de begrafenis: p. 141, 159). Opvallend is verder dat hij langzamerhand meer waarde gaat hechten aan materiele zaken. Andere ontwikkelingen in zijn persoonlijkheid zijn een gevolg van het steeds completer wordende beeld van de aanslag. Zijn handelen wordt hier soms sterk door beinvloed, zoals bij de scheiding van Saskia, maar het belangrijkste is de rust die hij bereikt, als alles ten slotte duidelijk is. Ondanks zijn rustige karakter bleek namelijk uit zijn migraine en zijn aanvallen bij zee (p. 172-175) en in Italië (p. 212-213), dat al het duistere rond de aanslag aan hem vrat. Ten gevolge van de laatste gebeurtenissen, raakt de a-politieke Anton geïnteresseerd in de wereldpolitiek, hij beseft dat er samenhang bestaat tussen zijn eigen lot en dat van de wereld.





Overzicht van de verhaalfiguren:



Vader Steenwijk is griffier bij de rechtbank. Dit beroep symboliseert zijn houding bij de aanslag: hij kan alleen toekijken (registreren wat er gebeurt), maar niet ingrijpen in de situatie (zie ook p. 160). We hebben hier misschien te maken met een verwijzing naar Toth, de Egyptische god die griffier is bij het dodengericht van de maangod Osiris.

De Graaffs: opvattingen over actuele politieke gebeurtenissen worden volledig bepaald door de normen die hij in de tweede wereldoorlog hanteerde: de Amerikanen zijn goed en dus zijn hun tegenstanders slecht (gesprek na de begrafenis, p. 145 e.v.).

Sandra staat model voor de generatie die omstreeks 1980 volwassen wordt: wonen in een kraakpand, ongehuwd moeder worden.

Liesbeth geeft Anton, in tegenstelling tot Saskia, het gevoel los te kunnen komen van de oorlog, want zij ‘was kort na hun repatriëring geboren en had niets meer te maken met dat alles’(p. 209).

Truus Coster handhaaft ook in de diepste ellende hoge ethische waarden. Zij wortelt met de vraag hoever iemand kan gaan bij de bestrijding van de fascisten zonder zo te worden als zij (p. 54). Takes vertelt bijvoorbeeld dat zij heeft geweigerd de kinderen van Seyss Inquart te ontvoeren (p. 195). Heel kenmerkend zijn ook haar uitspraken over de uitstralende kracht van de liefde op degene die bemind wordt (p. 54-55).

Cor Takes kijkt alleen naar het heden voor zover dat rechtstreeks te maken heeft met de tweede wereldoorlog (oordeel over de vrijlating van Lages; p. 185). Hij heeft zichzelf buiten de maatschappij geplaatst, is aan de drank en woont boven een voormalig hoofdkwartier van het verzet, een soort heiligdom (p. 189). Zijn normen zijn niet genuanceerd zoals die van Truus Coster: ‘Fascist tegenover de fascisten, is mijn devies, want een andere taal verstaan ze niet’ (p. 196). De oorlog duurt voor hem nog steeds voort.

Fake ploeg heeft zich omhoog gewerkt uit de vernederingen die hij als zoon van een NSB’er na de oorlog heeft moeten ondergaan. Zijn houding tegenover actuele gebeurtenissen wordt niet door de actualiteit bepaald, maar door die vernederingen en de wil zijn vader te rechtvaardigen. In tegenstelling tot Anton is hij niets vergeten wil ook niets vergeten. Hij lijkt uiterlijk op zijn vader (p. 119) en heeft ook diens ideeen overgenomen (p.124), maar Mulisch heeft van hem geen simpel type gemaakt, hij komt heel menselijk over in zijn emoties (p. 128) en is oprecht in zijn erkentelijkheid voor Antons houding in de klas (p. 129).

Karin Kortewegs levensloop is volledig bepaald door haar schuldcomplex en dat van haar vader, ze is niet getrouwd, leeft van de steun en zelfs haar biecht verlost haar niet: Anton laat haar hulpeloos achter (p.250).



Periode waar het verhaal zich afspeelt:



Het verhaal speelt zich af in de laatste winter van de tweede wereldoorlog. Dat is wanneer de aanslag gepleegd wordt. De gebeurtenissen, in het boek, die daarop volgen spelen zich af in de jaren vijftig, zestig, zeventig en tachtig. Per episode een ‘tijdperk’



Verhaaltijd:



De verhaaltijd van het boek is ongeveer zevenendertig jaar. In die tijd wordt de aanslag gepleegd en trouwt Anton twee keer en krijgt twee kinderen.



Verteltijd:



De verteltijd van het boek is ongeveer 6,5 uur, als je uit gaat van een gemiddelde leessnelheid van 40 bladzijden per uur. Want het boek heeft 254 bladzijden. Toch klopt deze berekening niet voor dit boek, omdat de bladzijden klein en leeg zijn. Verder is het boek makkelijk geschreven, waardoor het lezen ook sneller gaat.





De verhouding tussen verteltijd en de verhaaltijd:



De verhaaltijd is langer dan de verteltijd. Dit zo in de meeste boeken, en het zorgt ervoor dat je een samenvatting te lezen krijgt van wat er gebeurt in het leven van Anton Steenwijk. Het verhaal wordt panoramisch verteld.



Tijdsvolgorde:



De volgorde van het verhaal is chronologisch. Wel is er sprake van een paar kleine flash-backs, maar die zijn zo klein dat de volgorde wel chronologisch blijft.



Tijdsperspectief:



Het boek is in de vision par derrière geschreven. Dat kun je zien omdat het boek helemaal in de verleden tijd vertelt wordt. De hoofdpersoon, Anton Steenwijk, is dus een vertellend-ik.



Perspectief en vertelsituatie:



Mulisch hanteert het perspectief van de alwetende verteller, in het begin zelfs op haast negentiende-eeuwse wijze door de uitvoerige beschrijving van de omgeving (p. 7,8,9). Hierdoor creëert hij een rustige, statische situatie. Dezelfde verteltrant zet hij voort in de eerste episode.



Als het boek met een personaal perspectief (via Anton) begonnen was, zou de lezer de mogelijkheid gemist hebben boeven het verhaal te staan en de bewegingloosheid te voelen; hij was dan meteen in de huid van Anton gekropen en had alleen diens stemming kunnen ervaren.

Hoewel de verteller zich verderop in het boek niet meer op zo’n nadrukkelijke wijze manifesteert als in de proloog, blijft hij voortdurend aanwezig, hij stuurt het verhaal, ook al zien we de meeste gebeurtenissen door Antons ogen. De verteller wijst vooruit in de tijd (p. 10,21, 211-212), zet gebeurtenissen in historisch verband (p. 20,56) en maakt beschouwende opmerkingen (ook via sommige verhaalfiguren, p. 207). Kortom, hij laat de lezer door Antons gen kijken zolang dat goed uitkomt, maar als er op die manier informatie achterblijft, licht hij de lezer onmiddellijk in. Vooral als andere personen ter sprake komen, is het de alwetende verteller die de lezer informeert. Overigens kent de lezer de andere personen alleen door wat ze doen of zeggen, niet door wat ze denken. In de eerste hoofdstukken van de tweede, derde en vierde episode lezen we ook over Antons gedachten nauwelijks iets. In die hoofdstukken wordt door de alwetende verteller de tussenliggende periode samengevat; bij de vijfde episode geldt dit alleen voor het begin van het eerste hoofdstuk.

Dit vertelperspectief, dat wisselt van personaal perspectief naar dat van de alwetende verteller, is heel belangrijk voor de scène in de cel. Grotendeels via Anton, die er weinig van begrijpt, verneemt de lezer nauwkeurig wat het meisje vertelt en betoogt. De lezer zal haar woorden onthouden, maar het tegelijk natuurlijk vinden dat Anton die op dat moment pas twaalf jaar is, ze later vergeten is (zie vooral p. 192). Dit verschil in herinnering tussen de lezer en Anton werkt spanningverhogend, want de lezer vraagt zich af of en zo ja hoe de geheugenblokkade bij Anton zal worden opgeheven.

(Memoreeks)





Ruimte:



De ruimtes die in het boek voorkomen, zijn altijd de ruimtes waar Anton is. Het huis van zijn ouders in Haarlem, het huis van zijn oom in Amsterdam, Antons huizen, het vakantiehuis in Italië. Maar het zijn niet altijd ruimtes, zoals op het strand of tijdens de betoging.

De plaats van de aanslag is in het boek heel belangrijk, omdat Anton daar een soort van angst voor heeft. Hij wil niet meer terug naar Haarlem. Verder zijn de plaatsen niet zo belangrijk.



Taalgebruik en stijl:



De sprookjesachtige toon van de auctoriale verteller is niet kenmerkend voor het hele boek, eigenlijk alleen voor de proloog en enkele korte, beschouwende fragmenten. Het verhaal vertelt Mulisch heel direct, dikwijls in korte, eenvoudige zinnen, ook als hij een gedachtegang weergeeft.

In het boek komen geen uitgebreide omgevingsbeschrijvingen voor, de verhaalruimte wordt sober, maar beeldend typerend.

Ook gesprekken zijn realistisch weergegeven, een benadering van de spreektaal, waarbij de woordkeus en de zinsbouw passen bij de spreker.

Opvallend is dat de woorden van de Duits sprekende SS-officier in de Erlebte Rede worden weergegeven (p. 56,57), terwijl die van de Nederlands sprekende Ortscommandant direct worden aangehaald (p. 61 e.v.). Mulsich suggereert dat Anton de SS’er verstaat en die suggestie kan hij alleen bereiken door de woorden halfdirect in het Nederlands weer te geven, omdat Anton natuurlijk geen Duits verstaat.

Om duidelijk te maken hoe bepaald feiten en waarnemingen door Anton worden ervaren, gebruikt Mulisch soms heel treffende vergelijkingen.

Op enkele plaatsen komt een homerische vergelijking voor (p. 21, 223, 236).

(Memoreeks)



Achtergronden:



Achtergronden van de schrijver:



Biografische gegevens:



Harry Kurt Victor Mulisch wordt op 29 juli 1927 in Haarlem geboren als eerste (en enige) zoon van Karl Victor Kurt Mulisch (geboren 1892 in Gablonz, Oostenrijk-Hongarije, thans Jablonec, Tsjechie) en Alice Schwarz (geboren 1908 in Antwerpen).

Zijn grootouders van moederszijde waren voor de oorlogsgebeurtenissen van de Eerste Wereldoorlog naar Nederland gevlucht; zijn grootvader was bankdirecteur in Amsterdam geworden. Via hem krijgt Harry’s vader (in de Eerste Wereldoorlog commandant; daarna in Nederland geëmigreerd) een betrekking. In het ouderlijk huis zorgt Frieda Falk (geboren in Polen) voor de huishouding. Hoewel thuis Duits gesproken wordt, krijgt Harry een opvoeding in het Nederlands. Hij bezoekt de lagere school (van 1933 tot 1939) en het Christelijk Lyceum (van 1940 tot 1944) in Haarlem. In 1936 scheiden zijn ouders; zijn moeder vestigt zich in Amsterdam, Harry blijft bij zijn vader en Frieda. In de oorlogsjaren is Harry’s vader directeur bij Lippmann-Rosenthal & Co, het bankiershuis dat verplicht ingeleverde Joodse bezittingen ‘beheerde’. In die functie kan hij zijn joodse ex-echtgenote en zijn zoon uit Duitse handen houden. Na de oorlog wordt hij gearresteerd en verblijft hij drie jaar in een interneringskamp; hij overlijdt in 1957. Harry’s moeder emigreert in 1951 naar San Fransisco en verkrijgt de Amerikaanse nationaliteit.

Harry Mulisch debuteert met een kort verhaal, ‘De kamer’, in Elseviers Weekblad (1947). Na enkele baantjes wijdt hij zich vanaf 1949 aan ‘de schrijverij’.

Twee jaar werkt hij aan de roman Archibald Strohalm, die wordt bekroond met de toen nog gezaghebbende Reina Prinsen Geerlingprijs (1951). In 1955 verlaat hij het huis van zijn vader; sedert 1958 woont hij in Amsterdam. Uit zijn huwelijk met Sjoerdje Woudenberg (in 1971) worden twee dochters geboren, Anna en Frieda. In 1992 maakt Mulisch bekend dat hij op 65-jarige leeftijd vader is geworden van een zoon, genaamd Menzo, geboren uit zijn verhouding met een nieuwe vriendin.

Van 1958 tot 1962 is Mulisch redacteur van Podium, van 1961 tot 1969 eveneens van Randstad en van 1965 tot 1990 van De gids. Sedert 1962 is hij bestuurslid van De Bezige Bij.

Zijn werk is veelvuldig bekroond met belangrijke literaire prijzen. Behalve de Reina Prinsen Geerlingprijs voor zijn debuutroman Archibald Strohalm (1952) ontving hij de Bijenkorf Literatuurprijs (1957, voor Het zwarte licht), de Anne Frankprijs (1957), de Visser Neerlandisprijs (1960, voor zijn toneelstuk Tanchelijn), de Athosprijs (1961, voor zijn oeuvre), de Vijverbergprijs (1963, voor De zaak 40/61), de Constantijn Huygensprijs van de Jan Camperstichting (1977, voor zijn oeuvre), en in 1978 de Nederlandse staatprijs voor letterkunde, de P.C. Hooftprijs 1977. Voor de bestseller De Aanslag (1982) krijgt hij in 1986 de diepzee-prijs voor de meest gewaardeerde auteur onder middelbare scholieren. De ontdekking van de hemel wordt bekroond met de Multatuli-prijs 1993 namens literaire critici in Nederland en Vlaanderen. Ter gelegenheid van zijn 50ste verjaardag (1977), die gevierd wordt met openbare feesten in Amsterdam en ’s-Gravenhage, wordt hij benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag richt het Letterkundig museum en Documentatiecentrum (Den Haag) een tentoonstelling over zijn leven en werk in. Bij de uitreiking van het eerste exemplaar van De ontdekking van de hemel wordt hij bevorderd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau; tevens krijgt hij de zilveren eremedaille van de gemeente Amsterdam.

Werk van Mulisch is ook verfilmd. In 1977 het korte verhaal ‘De grens’(regie Bobby Eerhart), in 1981 met een internationale rolbezetting de roman Twee vrouwen (1972) (regie George Sluizer). Fons Rademakers’ film van De Aanslag wordt in 1986 bekroond met de Golden Globe en een Oscar. In 1994 is Hoogste tijd (1985) verfilmd, onder regie van Franz Weisz.

(Kritisch literatuur lexicon)



Beeld van het schrijverschap:



Thematiek:

Thematisch wordt het oeuvre bijeengehouden door de magisch-mythische levensfilosofie van Mulisch. Hij schrijft niet over een naar niets verwijzende realiteit; voortdurend poogt hij de systemen te duiden die achter het menselijk handelen schuilgaan. De werkelijkheid wordt in zijn werk niet gekopieerd, maar getransformeerd. Het gaat hem zowel om het vastleggen van ‘het mythisch moment’, als om het ontraadselen, misschien wel ontmaskeren van de mythe. Beweging tegenover stilstand, het leven tegenover de verstening: daarmee is het probleem van ‘de tijd’ aan de orde gesteld.

(Kritisch literatuur lexicon)



Ontwikkeling:

Het magisch-mythische vormt het grondpatroon van Mulisch’ schrijverij. In de vormen waarin het zich manifesteert kan een ontwikkeling aangegeven worden. Mulisch’ oeuvre is in te delen in drie periodes, die ongeveer parallel lopen met de jaren 50, 60 en 70.

In de tien jaar tussen De Aanslag en De ontdekking van de hemel toont Mulisch zich literair bijzonder actief. In De Aanslag demonstreert hij een virtuoos spel met ‘de’ geschiedenis; in Hoogste tijd (1985) jongleert hij niet minder virtuoos met ‘de’ literatuur. Het lijkt net in of deze roman een belofte wordt ingelost uit zijn debuut Archibald Strohalm (1952).

(Kritisch literatuur lexicon)



Relatie leven / werk:

Er is bij Mulisch een nauwe inhoudelijke verwevenheid van autobiografische en fictionele geschriften; soms is het zelfs onmogelijk een werk tot een van beide genres te rekenen. Oorzaak daarvan is Mulisch’ opvatting van het schrijven. In zijn fotoalbum Mijn getijdenboek (1975), dat de periode vanaf zijn betovergrootvader tot 1950 bestrijkt.

(Kritisch literatuur lexicon)



Verwantschap:

In de Nederlandse literatuur neemt Mulisch een unieke plaats in. In literatuurgeschiedenissen wordt hij vaak in een adem genoemd met zijn generatiegenoten (Van het) Reve, Hermans en Wolkers. Allen hebben als bijna volwassenen de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en daarover, zij het op heel verschillende manier, geschreven. Vanuit zijn biografie zegt Mulisch: ‘Ik heb mijn bestaan te danken aan de Eerste Wereldoorlog, ik ben de Tweede Wereldoorlog.’ Die opvatting verklaart het fundamenteel verschil met Hermans en Reve in de literaire verwerking van de oorlog. Hermans en Reve konden terugzien op een door nazi-Duitsland verloren oorlog, Mulisch was en is door zijn ouders met beide partijen in het Nederlands op een ander manier verbonden.

(Kritisch literatuur lexicon)





Kritiek:

Door zijn hoogstpersoonlijke interpretatie van de wereld, de (wereld)literatuur en de filosofie is Mulisch lange tijd een omstreden figuur geweest. Hoewel hij zowat alle bestaande literaire prijzen kreeg, wisten veel recensenten niet goed raad met zijn werk. Uitspraken als ‘boerenbedrog’, ‘arrogantie’, ‘charlatanerie’, ‘intellectualistisch geklets’ zijn in vele variaties in de kritieken terug te vinden. Dat geldt ook, zij het wat eufemistischer verwoord, voor de kritieken van filosofen op De compositie van de wereld. Opvallend is dat juist dit werk in de literaire kritiek aanzienlijk positiever ontvangen wordt; men beschouwt het daar dan wel hoofdzakelijk als ‘kunstwerk’.

(Kritisch literatuur lexicon)



Publieke belangstelling:

Gelet op de herdrukken van het werk is er sprake van een vrij constante belangstelling, ook voor het oudere werk. De meeste van Mulisch’ romans en verhalen, maar ook zijn essaybundel Voer voor psychologen (1961) zijn tien of meer malen herdrukt.

Mulisch’ grote doorbraak naar het leespubliek dateert vanaf de jaren tachtig. Van De Aanslag werden in 24 herdrukken ongeveer 500.000 exemplaren verkocht. De roman is inmiddels in meer dan 20 talen vertaald.

(Kritisch literatuur lexicon)



Achtergronden van het boek:



Verband tussen het gelezen boek en andere boeken van de schrijver:

Ook de roman Het stenen bruidsbed gaat over de gevolgen van ‘een aanslag’. De schuldproblematiek die in beide romans ( in verschillende belichting overigens) aan de orde komt, heeft Mulisch ook in een essay uit de jaren vijftig centraal gesteld. Dit scala van opvattingen over schuld treft men ook in De aanslag aan. Behalve in genoemd essay kan men voor het thema van de oorlog ook terecht bij Mulisch’ autobiografische boeken De toekomst van gisteren (1972) en Mijn getijdenboek (1975).

(Lexicon van Literaire Werken)



Verband tussen het gelezen boek en andere boeken / andere schrijvers uit dezelfde tijd of stroming:

Mulisch’ werk werd en wordt vaak in verband gebracht met dat van Hermans en Van de Reve. Mulisch zelf zegt dat hij weinig met hen gemeen heeft. De overeenkomst blijft beperkt tot het onderwerp van een aantal romans: de tweede wereldoorlog en de nawerking daarvan. Het werk van Mulisch is minder realistisch dan dat van Hermans en Van het Reve, het is symbolischer, filosofischer en zijn taalgebruik is beeldender.

Het werk van Mulisch vertoont wel overeenkomst met dat van een aantal andere schrijvers, maar we kunnen niet van invloeden spreken. Beïnvloed is Mulisch wel door de theorieën van Freud.

(Memoreeks)



Als oorlogsroman zal men De aanslag buiten het werk van Mulisch waarschijnlijk het allereerst relateren aan het boek van Theun de Vries, Het meisje met het rode haar. Als men De aanslag op zijn filosofische merites bekijkt, is de kern de vraag naar de relevantie van begrippen schuld en verantwoordelijkheid. In concreto spitst zich er schuldig is / zijn aan de dood van de onschuldige ouders en broer van Anton. Psychologisch gesproken ligt dan eigenlijk dichtbij een roman als Pastorale ’43 (1946) van Simon Vestdijk.

(Lexicon van Literaire Werken)



Secundaire literatuur:



* Kritisch literatuur lexicon

* Literama modern

* Memoreeks De aanslag

* Lexicon van Literaire Werken
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen