U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : De Werkelijke Waarde Voor Het Getal Pi Bedraagt 3,14159…, Dus Ze Zaten - De Piramide Cheops Ingezonden Door: Katleen Cat.
Deze versie komt van http://www.scholieren.be/huiswerk/show_stuk.php?id=976 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Overig en het aantal woorden bedraagt 5779 woorden.

1. BEELDHOUWKUNST



A VORM EN PLAATS



Een piramide heeft altijd een bepaalde vorm en een welbepaalde plaats.

I. Vorm



De vorm van de piramide van Cheops bestaat uit wat wij in de wiskunde een piramide noemen. Het is een lichaam waarvan het grondvlak een vierkant is en de vier opstaande zijden driehoeken vormen, die bovenaan in één punt samenkomen. In de architectuur heeft een piramide dezelfde vorm.

Het grondvlak van de Cheops is dus een vierkant met als zijde en afstand van 36 524 Piramide inch*, als men dit nader gaat bestuderen en men gaat dit getal delen door 100, dan bekomt men exact het aantal dagen dat de aarde nodig heeft om rond de zon te draaien.

De hoogte van de piramide heeft als lengte 5 813 Piramide inch*, als men deze afstand zou beschouwen als de straal van een cirkel met als omtrek de lengte van de zijde van de piramide, 36 524 Piramide inch*, dan geeft deze verhouding bijna volledig het getal Pi, nl. 3,144 (de werkelijke waarde voor het getal Pi bedraagt 3,14159…, dus ze zaten er helemaal niet ver af en deze waarde bestond toen nog niet!). De hoogte is ook 1 miljardste deel van de gemiddelde afstand tussen de zon en de aarde.

De basisdiagonalen hebben een afstand van 25 826 Piramide inch*.

Het gewicht van de piramide is naar schatting 5 300 000 ton en de aarde weegt op haar beurt dan weer naar schatting 5 300 000 000 000 000 000 000 ton. Zo is ook de temperatuur in de koningskamer 1/5 van het temperatuurverschil tussen het kookpunt en het vriespunt van de aarde en dit is op haar beurt dan weer de gemiddelde temperatuur op aarde ( hiermee wordt gans de aardbol bedoeld.).

Dit zijn nog maar enkele waarnemingen die men gevonden heeft, maar men kan er hier nog een hele resem aan toevoegen, of al deze waarnemingen toeval zijn of niet is nog altijd een druk discussiepunt. Er is een tijd geweest dat men dacht dat de aarde een schijf was en dat men dacht dat de zon om de aarde draaide, m.a.w. wij weten nu nog maar pas wat men 4 625 jaar geleden wel wist, dus misschien was het toch geen toeval.

* 1 Piramide inch is vergelijkbaar met 1 Britse inch, daarom konden vroeger ook alleen de Britse geleerden werken met deze eenheid omdat zij vertrouwd waren met de afstand.



II. Plaats



Het is geen toeval dat de piramide juist daar staat op de plaats waar hij nu staat, daar zijn namelijk een aantal redenen voor:

Als eerste aspect hebben we dat de piramide van Cheops op het snijpunt van de langste landparallel en de langste landcontact – meridiaan, met als gevolg dat de piramide in het geografisch centrum van de aarde ligt.

De piramide zelf is gericht naar de 4 windstreken: Noord, Zuid, Oost en West, d.w.z. dat de noordzijde van de piramide echt gericht is naar het Noorden en de diagonalen van het grondvlak staan precies op de lijn Noordoost, Zuidwest, Noordwest en Zuidoost.

De plaats mocht vervolgens ook niet te ver van de Nijl liggen, dit was vooral voor een praktisch nut, want hierlangs moesten de materialen aangevoerd worden en men moest ook rekening houden met de lange stoet die aanwezig zou zijn bij de begrafenis van de farao. Voor het bouwen van de onderaardse vertrekken en gangen moest men ook rekening houden met de stand van het grondwater, hiervoor kwam allen de Westoever van de Nijl in aanmerking. Ook moest de piramide dicht bij het paleis liggen en niet te ver van de hoofdstad.

Zo kwam men aan deze plaats in Gizeh voor de bouw van de Grote Piramide.

Interessant om te weten is toch dat deze plaats zelfs de zondvloed heeft overleefd.



B BOODSCHAP VAN DE CHEOPS



Een echte aparte boodschap van de piramide is er niet, maar je hebt wel het gangensysteem dat je nog in andere piramides kan terugvinden, wat wel een betekenis heeft. ( voor doorsnede zie afbeelding 1)

Zo heb je eerst de dalende gang die ons leidt naar de ondergrondse kamer, dit symboliseert de weg naar de verschrikking, maar men krijgt hier de hulp van een goddelijke beschermer tot aan het begin van de stijgende gang welke afgesloten wordt door granietblokken.

Vervolgens heb je de 2 hallen der waarheid, dit bevat de stijgende gang en de grote galerij. Deze plaats staat symbool voor de hergeboorte van de ziel van de overledene.

Als laatste heb je nog de Hal van Osiris, beter gekend als de koningskamer. Hier meent men dat de ziel en het lichaam herenigd worden. De farao wordt op deze plaats ook beoordeeld door de Rechter van het Dodenrijk en hij wordt verheerlijkt door het grote licht als het oordeel goed is.



C FOUT IN HET BOUWEN



Zoals je kunt zien op de plattegrond van de piramide, kun je merken dat er een aantal fouten of veranderingen zijn t.o.v. het oorspronkelijke plan.

De fout ligt bij de bouwers van de piramide. er is namelijk geen topsteen. Dit komt doordat de bouwers deze hebben afgekeurd, en dat komt dan weer omdat er indeukingen in de zijwanden gemaakt waren. Doordat die indeukingen gemaakt waren was de piramide te klein voor de topsteen. De topsteen van de piramide is het symbool voor Christus of voor de zon.



D BOUWEN



I. Waarom zoveel aandacht besteden aan een graf ?



Vele mensen vragen zich af waarom er in het oude Egypte veel minder aandacht werd besteed aan een woonhuis dan aan een graf of hoe het komt dat de huizen zijn verdwenen en de piramides niet. Het antwoord op deze vragen is zeer eenvoudig. Een huis was een woning waar je voor een bepaalde tijd verbleef, de tijdsduur van het leven; een graf daarentegen was een woning waar je voor de eeuwigheid verbleef. Omdat beide woningen niet even lang moesten blijven staan waren er dus ook verschillende materialen gebruikt. Een woonhuis werd gebouwd met baksteen, hout en stuc terwijl het graf uit natuurstenen is opgebouwd.



II. Voorbereidingen

Nadat men een plaats gevonden hadden die aan de voorwaarden voldeed van een geschikte plaats, moest er een bodemonderzoek gedaan worden om te controleren of deze plaats geschikt was. Er mochten geen ’rotte’ stenen of kloven in het terrein aanwezig zijn.

De druk van een piramidecomplex en van een piramide is zo groot dat enkel een goede steenbodem kan garanderen dat de piramide er voor de eeuwigheid kan blijven staan. Omdat de piramide heel wat onderaardse vertrekken heeft, is het dus van het grootste belang dat ook de bodem tot diep onder de grond geschikt is.

Nadat men dit allemaal was nagegaan begon men al het puin, zand en stenen van het terrein weg te halen, daarna werd de oppervlakte vlak gemaakt. Eventuele gaten werden opgevuld met het puin. Als er ergens op het terrein een heuvel was, werd deze als kern van de piramide gebruikt, dit scheelde enorm bij het werk.

In de volgende stap kwamen de priesters bepalen in welke richting het toekomstige bouwwerk moest wijzen; de zijwanden moesten namelijk precies gericht zijn naar de vier windstrekken.

Vervolgens tekenen landmeters het grondplan van de piramide op ware grootte in het zand. Het was hun taak om een perfect vierkant af te bakenen waarbij de vier zijden op de punten van het kompas gericht waren (meestal richtte men de ingang naar het noorden). Tegelijkertijd waren ze ook in de steengroeven bezig met het berekenen van de grootte en het aantal blokken.

Voor het uithakken van de steenblokken had men koperen beitels en grote hamers van doloriet, kwarts of vuursteen. Hierdoor werd het mogelijk om blokken op de millimeter af nauwkeurig uit te hakken. Ook het verplaatsen van de steenblokken was niet vanzelfsprekend, men moest hiervoor gebruik maken van houten sleden, houten koevoeten of houten leirollen. (zie afbeelding 2)

De vraag blijft nog altijd hoe de Egyptenaren deze zware blokken tot 150 m hoogte konden brengen. Het is al wel geweten dat de Egyptenaren gebruik maakten van het slib dat Nijl achterliet. Hiermee hielden ze voortdurend de sleephellingen vochtig en waardoor de blokken door de arbeiders omhooggetrokken konden worden. Men maakte ook vaak gebruik van een aantal glijmiddelen zoals melk en water waardoor ze ook zelf hun sleden konden voorttrekken (af en toe werden voortgetrokken door deze ossen). Om zeker te zijn dat het bouwterrein waterpas is, groeven landmeters langs de omtrek van de toekomstige piramide smalle gootjes, die ze met water vullen. Als het water niet meer stroomt betekent dat het terrein en het fundament klaar zijn en dat het gebouw op een stevige basis rust.



III. Het bouwen kan beginnen.

De farao werpt een handvol zand en legt plechtig de eerste steen. Dan kunnen de bouwwerkzaamheden van start gaan. Iedereen is druk in de weer op de bouwplaats, iedereen werkt mee om het graf van de farao op te richten zodat hij na zijn dood hier zou kunnen rusten. Er worden toegangswegen, loshavens en arbeidersdorpen aangelegd, om de plaats meer bereikbaar te maken. Vergeet niet dat de Nijl het belangrijkste transportmiddel is in Egypte. Over het water van de Nijl vervoeren de schepen de duizenden tonnen stenen waarmee de piramide wordt gebouwd. Als het water hoog staat is het mogelijk om heel dicht bij het grote kalksteenplateau te komen. Als het waterpeil zakt, wordt het zijkanaal gebruikt. Rondom de haven zijn er tempels, gewijd aan de piramide; arbeidersdorpen, kalksteenhoevens en het koninklijk paleis dat de Farao heeft laten bouwen om beter toezicht te kunnen houden op de voortgang van de werkzaamheden.

Schepen uit Libanon lossen hun kostbare lading. Aan de wal hijsen de arbeiders de rotsblokken, waarvan de zwaarste wel 60 ton kunnen wegen, op hun houten sleden. Vervolgens slepen ze de blokken over de sleephelling van de losplaats naar de bouwwerf. Eenmaal op de bouwplaats worden de rotsblokken aan steenhouwers toevertrouwd.

Zij moesten iedere blok houwen en hiervoor gebruikten ze koperen beitels of koperen zagen (voor fijnere steensoorten wreef men de tanden met zand). Daarna moesten ze het blok polijsten met een schuurpoeder. Elk rotsblok wordt dus zeer zorgvuldig geprepareerd om in de piramide geplaatst te worden. Want het is wel duidelijk geworden dat ondanks het toch primitieve gereedschap, de rotsblokken op de halve millimeter nauwkeurig op elkaar aansloten. De steenhouwers besteden de grootste aandacht aan het houwen van de stenen voor de afdeklaag. Ze gebruiken paslood en hoekmeter om alle zijden van de kubus volmaakt glad en helemaal recht te maken.

Iets verder op de bouwwerf zijn arbeiders hefwerktuigen aan het maken waarmee ze de rotsblokken naar de volgende verdieping kunnen hijsen. Het zijn constructies van hout met tegengewichten op een eveneens houten bodem.

De kleine daltempel aan de oever van de Nijl is nu klaar, tegelijk met de opgaande weg van de tempel naar de grote piramide. De eerste laag van het bouwwerk is klaar.

De duizenden arbeiders kunnen nu aan het meest delicate deel van het project beginnen, de bouw van het graf van hun Farao. Het eerste probleem begint al bij het verplaatsen van de sleephellingen, de onderzoekers zijn er nog steeds niet over eens hoe deze verplaatst werden, er bestaan verschillende theorieën over. Er zijn mensen die beweren dat ze als een spiraal om de piramide heen draaien, hierbij werd de helling beetje bij beetje opgebouwd. Als de sleephellingen werden afgebroken maakten de arbeiders de stenen proper en besmeerden hen met een laagje kalk, zodat de piramide glansde in de zon. Deze theorie klopt waarschijnlijk niet helemaal. Het kan zijn dat de helling onderaan groot genoeg was voor een heel leger, bovenaan moest de helling zeker en vast smaller zijn waardoor het werken steeds moeilijker werd.

Meer mensen nemen de tweede theorie aan, hier beweert man dat de sleephellingen loodrecht tegen één van de zijwanden zijn aangebouwd. Onderaan is de helling meer dan 150 m breed maar omdat de piramide in de hoogte steeds smaller wordt worden de hellingen ook smaller. Toch moesten ze voor de gemakkelijkheid een hellingshoek van 9% behouden naarmate de piramide hoger werd. Hierdoor konden immers meerdere ploegen zonder problemen verder werken en konden ze op een veilige manier de rotsblokken omhoog slepen. Het platform dat door de helling ontstond fungeerde als werktafel. Na bestudering van andere piramiden dan die van Cheops heeft men ontdekt dat het gewicht van de rotsblokken afneemt met de hoogte, wanneer de blokken onderaan tot 18 ton wegen, wegen deze bovenaan tot 6 ton. Dit geldt zeker bij de kleinere piramiden maar daarom niet bij de piramide van Cheops waar de blokken tot 60 ton wegen en zich opreist tot een hoogte van 90m (of meer).

Volgens de tweede theorie, die van het hellende vlak tegen één van de zijwanden,zou de helling op driekwart hoogte nog 1500m lang zijn. Hierdoor zou het dus onmogelijk zijn geweest om deze stenen te polijsten tenzij men dit op voorhand had gedaan. Men is het hier dus ook nog niet helemaal over eens, wat men wel zeker weet is dat er altijd mysteries zullen zijn die niet opgelost kunnen worden.



IV. Bouwers

De bouw van de piramide van Cheops is een gigantisch project, dus er werd heel wat mankracht vereist om dit bouwwerk op een aanzienlijke tijd te kunnen bouwen. Allereerst werd er gebruik gemaakt van de arbeiders die de farao in dienst had, verder werden er ook boeren gebruikt, die in de maanden dat de Nijl hun akkers overstroomde mee aan het werk gingen en verder werden er ook nog ‘slaven’ gebruikt. Er wordt het hele jaar doorgewerkt en ploegen van 30.000 arbeiders wisselen elkaar af.



E VERANDERINGEN IN DE LOOP DER EEUWEN.



· De piramide werd beroofd tijdens de periode van politieke en sociale onrust die volgde op de ineenstorting van het centrale vorstelijke gezag na het einde van het Oude Rijk.

· Men begon de versierde steenblokken opnieuw te gebruiken in El Lisjet.

· In de Middeleeuwen werd de piramide geheel ontdaan van de kalkstenen bekleding. (de oude huizen in Gizeh en Caïro hebben hieraan hun stenen te danken)

· Nu is de Cheops, afgezien van de kleine piramiden die koninginnen van Cheops, het enige onderdeel van het oorspronkelijke complex.

* de valleitempel ligt ergens bedolven onder de huizen van het moderne dorp Nazlet el Simman.

* de statieweg, op oude kaarten duidelijk te zien en nog zichtbaar tot de vorige eeuw, verdween toen de stad zich begon uit te breiden.

* er blijft alleen nog maar een klein stukje van een basaltvloer tegen de oostkant van de piramide zichtbaar van de piramidetempel.

· De huidige ingang werd gemaakt in de 9e eeuw door manschappen van kalief Ma-Moen en is gelegen onder en ten westen van de oorspronkelijke ingang, die op het noorden gericht was.

· De dalende gang ging oorspronkelijk van het 1e bouwstadium onder de grond, maar nu loopt het naar de grafkamer op het 2e niveau ( het ligt nu midden in een stenen massief en wordt bereikt door oplopende en waterpaslopende gangen)

· De oplopende gang is uitgebreid met een grote galerij, om de grafkamer op het 3e niveau te bereiken ( opslagplaats voor granietblokken)



G. SFINX



Alle geleerden zijn het er over eens, dat de sfinx een zonnesymbool is. Het woord sfinx zelf stond voor de god Re-Horachte, dit was de zonnegod, later kreeg het de betekenis “levend beeld”.

De sfinx is met een lengte van 73,5 m en een hoogte van 20 m en zo’n 14 m breed het grootste beeld dat ooit door mens gemaakt is. (zie afbeelding 3)

Het beeld bestaat uit het lichaam van een leeuw, wat kracht symboliseert door zijn fysieke vorm en het hoofd van een man, wat intelligentie en bewustzijn symboliseert.

Geologen, zoals John Anthony West kwamen tot de ontdekking dat het hoofd van een hardere steensoort is gemaakt dan het lichaam van de Sfinx en het heeft horizontale strepen, die ontstaan zijn door jarenlange aantasting van regen. Hierdoor zijn er enkele vragen aan het licht gekomen waar men geen antwoord op kan geven, zoals hoe kan de sfinx aangetast zijn door de langdurige regen en de piramides niet? Als men dit nog verder gaat bestuderen komt men tot de conclusie dat het de laatste keer langdurig geregend heeft rond 10.000 v.Christus. Toen eindigde de laatste ijstijd en het landschap veranderde toen langzaam in een woestijn. Dus dan kan het niet zijn dat Chefren opdracht gaf om deze te bouwen, samen met zijn piramide.

De sfinx bewaakt de dodenstad van Chefren.







H. VERSCHILLENDE PIRAMIDES



Men had 4 verschillende soorten piramides. Hieronder vindt u een tekening met een beetje uitleg over deze verschillende piramides.



1) Mastabagraf: deze werden vooral gebouwd tussen 2920 – 2323 v. Chr. Een voorbeeld van een farao die dit soort piramide liet bouwen was Akhethétep.

2) Trappiramide: deze werden vooral gebouwd tussen 2649 – 2575 v. Chr. Een voorbeeld van een farao die dit soort piramide liet bouwen was Djoser.

3) Knikpiramide: deze werden vooral gebouwd tussen 2575 – 2465 v.Chr. Een voorbeeld van een farao die dit soort piramide liet bouwen was Snofroe.

4) Piramide: deze werden vooral gebouwd tussen 2575 – 1640 v. Chr.

Een voorbeeld van een farao die dit soort piramide liet bouwen was Cheops.





2. KUNST



ALGEMEEN

Egypte is in het bezit van grote kunstschatten, zowel oude als nieuwe. De oude Egyptenaren drukten hun godsdienstige gevoelens uit in schilderingen, beeldhouwkunst en relief. In de oude Egyptische kunst wordt de mens uitgebeeld in perfect vorm, jong, mooi en krachtig. De kunstenaars wilden immers geen ouderdom of ziektes uitbeelden, want die tonen de zwakten van een menselijk leven.

"Kunst" had voor de Egyptenaren niet dezelfde betekenis als voor ons. Voor hen had het bouwen van tempels en piramiden, het maken van beelden en het overdekken van oppervlakten met reliëfs en fresco's een onmiddellijk praktisch nut: het huidige rekken tot in de eeuwigheid.

Daarom is de Egyptische kunst zéér traditioneel. De stijl, vastgelegd bij het begin van het Oude Rijk veranderde nauwelijks gedurende 3000 jaar!



A. SCHILDERKUNST

De oude Egyptische kunstwerken vertellen altijd een verhaal. Twee soorten schilderingen en reliëfs versieren de muren van tempels en graven. Enerzijds spreken we over de plechtige afbeeldingen, afbeeldingen die je meestal ziet in tempels en die de wereld van vorsten, goden en het dodenrijk tonen. Anderzijds beschouwen we de afbeeldingen uit het dagelijks leven, zoals vissen en landbouwwerkzaamheden, die vaak zijn afgebeeld in graftomben. Er bestaat echter een zeer belangrijke stelregel: hoe groter de persoon wordt afgebeeld, hoe belangrijker die persoon was.

Aan het hoofd van het Egyptische rijk stonden de farao's. Zij waren niet alleen koning maar werden ook beschouwd als God. Na hun dood werden de muren van hun grafkamers beschilderd met prachtige afbeeldingen. Meestal vertellen deze schilderijen zoals eerder al is gezegd, iets meer over het leven van de farao's. Dikwijls hadden ze ook een religieuze functie. Deze muurschilderingen leren ons veel over het leven in die tijd. Dat komt omdat de kunstenaars zeer realistische voorstellingen gaven van het leven zoals zich dat toen afspeelde.

In 2-dimensionale kunst ( zie afbeelding 4) probeerde men alles natuurgetrouw en met oog voor detail af te beelden. Om zo volledig mogelijk te kunnen zien, horen, ruiken, en spreken moest het portret van de godheid of de overlevende zodanig worden afgebeeld dat elk relevant lichamelijk kenmerk zo duidelijk mogelijk zichtbaar was.

De hoofden worden altijd in profiel (van op de zijkant) weergegeven. De ogen zijn dan weer zo geschilderd dat ze ons steeds aankijken.

Het bovenlichaam (en dan voornamelijk de schouders) is steeds van voren te zien, terwijl de benen en de voeten in looppositie gedraaid zijn.

De meeste muurschilderingen zijn ingekleurde reliëfs. Als je er met de vingers overgaat voel je het beeld uitsteken boven de achtergrond.

Er werden ook vaste kleuren gebruikt. Zo werd de huid van de vrouw altijd okergeel, die van de man altijd roodbruin, de goden groen of blauw, de zon goudgeel en de kleding vaak wit gekleurd.

Voorwerpen ( zie afbeelding 5) werden ook zo duidelijk mogelijk afgebeeld: voorwerpen op een tafel werden gepresenteerd in duidelijk verschillende lagen, waarbij ze soms zelfs in de lucht lijken te zweven. Het echte eten en drinken dat in een tempel of tombe werd geplaatst om een godheid of een dode te onderhouden, werd ook op de wanden afgebeeld en beschreven, en de bijgevoegde taferelen en modellen van voedselproductie zouden een blijvende voedselvoorraad garanderen.

Zelfs afbeeldingen van lichamelijke activiteiten, zoals dansen, werden met een specifiek doel geschapen. Aangezien Egyptenaren soms met meerdere in een tempel werden begraven (en soms zelfs nog levend), werd het afbeelden van dansen en muziek maken, geacht te helpen met het wekken van de god of het opwekken van de zintuigen van de overlevende in zijn of haar tombe.

Het merendeel van de kunst werd dus vervaardigd om de donkere interieurs van de piramide te versieren, buiten het zicht van het publiek, of anders om met de doden te worden begraven in hun tomben, om hen in het hiernamaals te beschermen en te onderhouden.



B. HIEROGLIEFEN

I Ontstaan

De oude Egyptische kunst is onlosmakelijk verbonden met de geschreven tekst die haar vergezelt.

Deze `beeldwoorden`, die bekendstaan als hiëroglyfen werden ontwikkeld in ongeveer 3100 v Chr. en werden aanvankelijk gebruikt door een klein, geletterd ambtenarenapparaat om verslagen bij te houden.

Later werd het schrift gebruikt voor de monumentale inscripties in steen die tomben, tempels, obelisken en beeldhouwwerken bedekken, evenals voor rituele teksten op papyrus en religieuze voorwerpen.

Als belangrijkste cultusplaats van het Osiris-geloof wordt de plaats Abydos in Boven-Egypte aanschouwd. Dit ligt enkele kilometers achter de beroemde tempel van Seti I, daar liggen ook de oudste koningsgraven van het land. Deze gaan terug tot de Predynastieke periode. Men vraagt zich nog altijd af, zeker door de vondsten die men in deze graven deed, of de schriftontwikkeling in Egypte gelijktijdig liep met die van Mesopotamië en Iran. Of het is ontstaan uit het spijkerschrift. Maar de Egyptenaren zelf dachten daar anders over, zij dachten namelijk dat het schrift een geschenk van de god Thot was. Thot was als Maangod verantwoordelijk voor de tijdrekening en ook voor de algemene wetenschap, dus ook voor het schrift en de schrijvers. Zelf noemden ze hun schrift godenwoorden, wij gebruiken nog altijd een term die er wel verband mee houdt, ‘hiërogliefen’ betekent ‘heilige tekens’. Het dodenboek dat de farao’s met zich meenamen in hun graf was geschreven in hiërogliefen. Zoals u op de foto kan zien. Op de foto wordt Hoenefer door de god Anubis naar het gericht geleid, waar zijn hart tegen het symbool van de waarheid, de veer, wordt afgewogen. Als de veer op de weegschaal hetzelfde gewicht als het hart van de overledene heeft, is dit het bewijs dat hij zijn leven via de Oud-Egyptische rechtsnormen heeft geleefd.





II Waarom zijn hiërogliefen zo moeilijk te lezen?

Hiërogliefen bestaan uit 24 fonogrammen. (zie afbeelding 6,7)

Hiërogliefen zijn moeilijk te lezen omdat de Egyptenaren zich niet alleen beperkten tot deze 24 fonogrammen. De Egyptenaren hechten minder waarde aan eenvoud of systematiek, maar meer aan variatiemogelijkheden en optische schoonheid, hierdoor ontwikkelden ze meer consonantentekens, dit zijn tekens die staan voor een combinatie van letters. Maar het werden er steeds meer en meer dus was het moeilijk om er na een periode nog aan uit te kunnen. En ze konden het nagenoeg nog moeilijker maken door, net zoals in het Hebreeuws of het Arabisch, de klinkers weg te laten en alleen de consonanten op te schrijven. Als voorbeeld halen we de mondhiëroglief (de R) aan, deze kan niet alleen voor ‘r’ staan maar ook voor, ‘ra, re, ri, ro, ar, er, ir en or’. Hierdoor kunnen we dus niet weten hoe de Egyptische taal werkelijk geklonken heeft. Hiervoor plaatsen de egyptologen telkens een e tussen de medeklinkers, zo proberen ze toch de Egyptische taal te doen weerklinken. Omdat veel woorden zonder klinkers op elkaar lijken, zetten de schrijvers achter de begrippen determinatieven, tekens zonder klankwaarde die de betekeniscategorie aangaven. Het lezen wordt bemoeilijkt doordat woorden en zinnen noch door afstanden noch door leestekens van elkaar gescheiden werden en de hiërogliefen van links naar rechts, van rechts naar links en van boven naar beneden geschreven kunnen zijn. Een aanwijzing voor de leesrichting geven de dier- en menshiërogliefen, die altijd naar het begin van het woord kijken. Verwarrend is het naast elkaar staan van fonogrammen, determinatieven en de ideogrammen waarmee alles begonnen was.





C. DODENCULTUS

Aan de hand van sarcofagen, lijkkisten, mummies, kanopen, lijkbeeldjes (oesjebti's), hartscarabeeën en andere “funeraire” voorwerpen wordt een overzicht geboden van de diverse begrafenisgebruiken die tijdens de verschillende perioden van de Egyptische geschiedenis gangbaar waren. Van het graf, het eeuwige huis, werd heel veel werk gemaakt. Wij kennen de piramides als een wirwar van gangen met schilderingen die het leven van de dode uitbeelden. Piramides waren alleen weggelegd voor de farao's. Later werden zij in rotsgraven begraven. Maar ook de minder bedeelden maakten veel werk van hun graf. Aangezien het leven in het hiernamaals gewoon doorging werden allerlei gebruiksvoorwerpen aan de dode meegegeven. Servies om ter zijn tijd familie te ontvangen, voedsel, kleding, bedden en voor de farao's beeldjes van naakte vrouwen die moesten doorgaan voor hun bijvrouwen. De Egyptenaar was meestal zelf bij het bouwen van zijn graf aanwezig. Als hij uiteindelijk stierf of zoals de Egyptenaren het noemden ‘als een valk naar de hemel opsteeg’, ging de familie zeventig dagen in de rouw en moesten er zeer veel zaken afgehandeld worden.

Omdat een gaaf en ongeschonden lichaam noodzakelijk was voor het voortbestaan in het hiernamaals werd iedereen, als het mogelijk was, gebalsemd.

De gewone mens liet zich inspuiten met ceder - of radijsolie maar de rijkere, en dan zeker de farao konden zich een specifieke behandeling permitteren.

Deze balsemingen werden uitgevoerd in het ‘pernefer’ (= mummiehuis) of het wabet (= huis van de reiniging), balsemer was een beroep dat gelijk stond met de stand van de priesters.

Maar wat gebeurde er nu juist tijdens de behandeling?

Nagenoeg beschadigde papyri geven ons hier enige informatie over, de eerste papyrus, 3 van Boelak genaamd, wordt bewaard in het museum van Caïro en het 2de, nr. 5158 is in Louvre.

De paraschist deed de 1ste snede in het lichaam en haalde de ingewanden eruit, de 2de man, de tiracheut of pekelaar genoemd leidde het conservatiewerk in, hij moest niet alleen de mummie vervaardigen maar ook de rituele teksten voorlezen die bij de verschillende handelingen horen. Daarna werden de hersenen via de neus uit de schedel gehaald met een bronzen haak. De rest van de organen werden verwijderd en het lichaam werd voor de 1ste keer goed gewassen, de organen werden behandeld en het lichaam werd bedekt met droge natron om het lichaam zo veel mogelijk uit te drogen, dit was een proces dat ettelijke weken in beslag nam. Nadien werd het lichaam voor de 2de keer gewassen, gezalfd en gemasseerd. De schedel en de lichaamsholten opgevuld, dan behandelde men de nagels, de ogen en de genitaliën. De snede werd toegenaaid of verzegeld met was, Dan werd het lichaam met hars behandeld en kon het worden ingewikkeld met honderden meters smalle bandages. Vele amuletten werden mee ingewikkeld. Dan werd de mummie nog eerst in een speciale linnen zak gestoken en in een kist gelegd met een masker van hout of goud op het gezicht, dat het ideale portret van de overleden farao of belangrijk persoon voorstelde, jong en mooi zonder enige afwijkingen nog littekens enz. De kist kon uit verschillende lagen bestaan, soms wel tot 9 kisten in elkaar. Tenslotte werd de kist van de farao met een heel ritueel in de piramide gebracht samen met alle benodigdheden voor het hiernamaals en vele schatten. Hierna werd de piramide gesloten.

Voor de dode zelf, moest zijn toch nog voor een deel beginnen.

De dode moest, voordat hij aan een volgend leven kon beginnen, een tocht door de onderwereld maken, iets wat niet zonder gevaar was. In de dodenboeken stonden voor deze reis allerlei raadgevingen. In de decoraties van de graven, met name die uit het Nieuwe Rijk, spelen de onderwereld (met Osiris) en teksten uit de dodenboeken een belangrijke rol: afbeeldingen van goden die de dode bijstaan om de tocht tot een goed einde te brengen en raadgevingen uit de dodenboeken sieren de wanden. Een beeld dat af en toe terugkeert is dat waarbij het hart van de overledene gewogen wordt door Maat, de godin van de waarheid, gerechtigheid en orde. Is het hart door een slecht leven te zwaar geworden, dan behoudt Maat het en kan de dode niet toetreden tot het nieuwe leven.



D. JUWELEN



Iedereen in Egypte droeg juwelen. Ringen en amuletten werden speciaal gedragen om slechte geesten en ongeluk af te wenden. Zowel mannen als vrouwen droegen oorringen, armbanden, bracelets en enkelbandjes. De rijke Egyptenaren hadden juwelen van goud, zilver of een mix van beide edelmetalen. Daarbij werden ook waardevolle stenen gebruikt. Gedurende de oude tijden is weinig veranderd aan hun kleren, die gewoonlijk werden gemaakt van linnen.

I. Gebruik

Juwelen, waaronder wij ieder sieraad ontworpen om het lichaam te versieren, verstaan, werden wellicht om verschillende redenen gedragen, maar waarschijnlijk was hun voornaamste doel in oud Egypte de bescherming van drager/draagster tegen geheimzinnige vijandige krachten. Dezen konden zowel van zichtbare aard zijn zoals slangen of schorpioenen maar konden zich ook uiten in ziekten of natuurrampen ed.

Juwelen konden ook gebruikt worden om de seksuele aantrekkingskracht van de draagster/drager te vergroten, op dezelfde manier als kleding en cosmetica worden gebruikt. Zo werden haar en hoofdbanden eerder gebruikt om het haar in vorm te houden dan om het hoofd te beschermen. Om schoonheid te vergroten werd onvermijdelijk verse bloemen, vruchten bladeren etc gebruikt.

Verder konden juwelen ook gebruikt worden om de status en rijkdom, en dus ook de macht en het prestige van de eigenaar, tot uiting te brengen. (zie afbeelding 8)

Tenslotte werden er ook juwelen gemaakt om zuivere gebruiksredenen. Massieve cilindervormige zegels van goud of steen, werden aan hoge functionarissen geschonken die in het Oude rijk en het Midden rijk namens de farao moesten optreden. In het Nieuwe rijk werd de zegel vervangen door een zware zegelring met in de kas de cartouche van de koning.

II Materialen

Voor het vervaardigen van deze magische sieraden had men natuurlijk ook magische materialen nodig. Daaronder rekenen we vb. lapis zuli, met de kleur van het levensbloed, maar zeker ook goud. ( zie afbeelding 9)

Meer nog, goud was zelfs het belangrijkste materiaal waaruit Egyptische juwelen werden vervaardigd. De eigenschappen die goud zo begeerlijk maken zijn de volgende: goud kon betrekkelijk makkelijk verkregen en bewerkt worden; het sleet niet; corrodeerde niet bij gebruik, maar was onverwoestbaar en zijn warme glans scheen de vuurgloed van de zon te weerspiegelen. Bovendien beschikte Egypte zelf over grote hoeveelheden van deze veel gebruikte grondstof.

Zilver was in Egypte zeldzamer dan goud en werd vermoedelijk om die reden hoger in waarde aangeslagen tot aan de aanvang van het Middenrijk, toen de invoer vanuit Azië begon. De Egyptenaren noemden dit zilver ‘witgoud’, wat we echter niet mogen verwarren met ons hedendaagse witgoud, een legering van goud met nikkel of platina.

Goud, elektron en in mindere mate zilver waren de edele metalen, gebruikt om edelstenen in te zetten, die wij nu onder de halfedelstenen schikken. De Egyptenaren kozen de stenen om hun prachtige kleuren en zeker niet om hun vermogen licht te weerkaatsen.

Het klassieke trio: de bloedrode kornalijn, de helder blauwgroene turkoois en de diephemelsblauwe lapis lazuli. Uiteraard werd er ook beroep gedaan op nog andere stenen, grondstoffen ed. , maar dezen wogen niet op tegen de bovengenoemde.

Voor kledij denken we vooral aan linnen.

III Vormen

Het sieraad dat zowel door mannen als door vrouwen, koningen als onderdanen om het hoofd werd gedragen, was de hoofdband, bekend uit de bijschriften op de sarcofaagschilderingen uit het Midden rijk als ‘schippershaarband’. In zijn primitiefste vorm schijnt de band een krans te zijn geweest, gevlochten uit waterplanten geplukt langs de rivieroevers en om het hoofd gedragen om het haar bijeen te houden. Het staat vast dat de haarband een koninklijke kroon werd, indien er een uraeus of gier op werd bevestigd.

Onder de haarversierselen moet wellicht ook de nechaoe of amulethanger worden verstaan in de vorm van een vis. Deze werd kennelijk om de zijlok van kinderen vast te maken, wellicht als een soort van bescherming tegen verdrinking.

Een haarversiersel dat ook alleen door kinderen werd gedragen, was een haar-ring of spang om de zijlok op het kinderhoofdje op zijn plaats te houden.

Een van de populairste oorbellen uit het oude Egypte was vervaardigd uit een aantal aan elkaar gesoldeerde holle 3hoekige gouden ringen. Dezen werden kennelijk door vrouwen gedragen, 2 in elke oorlel. De ontwikkeling van de oorbel liep parallel met de ontwikkeling van de oorknop, bijvoorbeeld in de vorm van een paddestoel, gemaakt van steen, glas, metaal of faience. Maar ook in het Oude Egypte gingen de mensen overdrijven, de oorbellen en oorknoppen werden zogroot dat de oorlel zelfs uitgerokken werd.

Halssieraden ( zie afbeelding 10) zijn voortgekomen uit amuletten, hangend aan een koordje. De 2 uiterste ontwikkelingsvormen zijn pectoralen en de halskragen. Een van de meest voorkomende amuletten uit die tijden is een gepolijste, doorboorde steen, geregen aan een leren of linnen snoer. De halskraag werd in het Oude Egypte zo algemeen gedragen, dat hij feitelijk een deel van de kleding geworden is. De meest populaire vorm is de brede halskraag, bestaande uit cilindervormige kralen of kokertjes, verticaal in rijen gelegen. Een speciale soort halsketting is een korte strakke ketting, die nauw om de hals sloot tot vlak onder de kin, een smalle band van kralen en tussenstukjes.

Armsieraden die zowel door mannen als vrouwen werden gedragen, waren armbanden voor bovenarmen en pols. Ze konden buigzaam of strak zijn, al naargelang hun prototype een snoer kralen of een stuk olifantstand was, deze laatste armband is ook nu nog in de mode in verschillende delen van Afrika.

Later evolueerden deze armbanden ook tot scharnierende armbanden, 2 halve cilinders van metaal verbonden met scharnieren en een pin zodat de armband los en vast gemaakt kon worden.

De sieraden voor de benen, de enkelbanden, zijn qua ontwerp en makelij identiek aan de armbanden. Op lijkkistschilderingen zijn ze gelijk en zowel in werkelijkheid als op de monumenten werden ze en suite gemaakt. Meestal zijn enkelbanden echter smaller dan armbanden.

Ik wil hier eindigen met de scarabee, een soort van amuletzegel die in het oude Egypte zeer veel gebruikt werd.



IV. Vondsten aan de piramide van Cheops



Er zijn 5 bootvormige gaten ontdekt die allemaal verband hielden met de Grote Piramide van Cheops. Deze gaten waren in de rotsen uitgehouwen en bedoeld als berging voor de houten boten waarmee de overleden koning zich op aarde kon verplaatsen of langs de hemelen kon reizen in het gezelschap van de zonnegod. In een van de gaten bij het graf van Cheops is een houten boot teruggevonden ( zie afbeelding 11), die buiten het gat weer is gerestaureerd en in elkaar gezet. Waarschijnlijk werden de boten om religieuze redenen niet van tevoren in elkaar gezet.

In de nabijheid van de Grote Piramide werd het graf van de moeder van Cheops teruggevonden, koningin Hetepheres. Het graf bevatte onder meer spectaculaire voorwerpen zoals de resten van een met goud bekleed houten kistje met 2 uitneembare ronde staafjes voor het opbergen van 20 zilveren armbanden.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen