U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Thea Beckman - De Stomme Van Kampen.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=11480 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 4516 woorden.

Titel: De Stomme van Kampen

Auteur: Thea Beckman

Uitgever: Lemniscaat, Rotterdam

Jaar van verschijnen: 1992

Genre: Historische roman



Korte uitleg waarom het boek gekozen is

Ik heb dit boek gekozen, omdat ik eerder Kruistocht in spijkerbroek en Saartje Tadema , ook van Thea Beckman, had gelezen. Dat vond ik mooie boeken en daarom ben ik meer boeken van deze schrijfster gaan lezen, waaronder De Stomme van Kampen.



Titelverklaring



De titel van het boek, De Stomme van Kampen, slaat op de zeventiende eeuwse schilder Hendrick Avercamp, geboren in het plaatsje Kampen. Deze jongen werd doof geboren en in de zeventiende eeuw betekent dat dat je dan niet meetelt in de maatschappij. Je kunt niet praten, niet horen en toen der tijd dus niets leren. Er bestond nog geen gebarentaal en vroeger verstootten de mensen iemand met een handicap meestal zonder pardon. Een redelijk normaal bestaan was in die tijd dus voor iemand met een handicap haast onmogelijk. Hendrick heeft in zijn hele leven nooit leren praten en is daarom doofstom.



Hij had de bijnaam “De Stomme” aan zijn jongere broer Rutger te danken en ging dus als “De Stomme van Kampen” door het leven.



Fictie en werkelijkheid



Thea Beckman heeft in dit boek op haar eigen manier het leven van Hendrick Avercamp beschreven. Het boek lijkt dus een biografie. Maar de schrijfster heeft aan de hand van de feiten over het leven van deze schilder toch wel een fictioneel boek geschreven, want ze beschrijft in het verhaal ook de emoties van de personages, allerlei nauwkeurige details en extra verhaallijnen, die ze (hoogst waarschijnlijk) verzonnen heeft.



Spanning en open plekken



Er wordt in dit verhaal wel spanning opgewekt door middel van open plekken. Er wordt dan informatie achtergehouden om je nieuwsgierig te maken: een spanningsboog. Een spanningsboog ontstaat bij een open plek. Je leest verder om die open plek in te vullen en wanneer die ingevuld is, eindigt de spanningsboog.



Je weet bijvoorbeeld niet of Hendricks liefde voor Anna van der Heede zal worden beantwoord.



Dat blijft nog een hele tijd onduidelijk. Daarbij wordt je door de schrijfster ook een dwaalspoor gezet, want een tijdje blijf je denken dat Anna Hendrick ook leuk vindt, omdat je leest hoe Hendrick er steeds meer in gaat geloven dat Anna hem leuk vindt. En pas later kom je er achter dat Hendrick de zogenaamde hints van Anna verkeerd had opgevat en dat Anna zo deed omdat ze juist helemaal niets van Hendrick moest hebben.



Ze vond hem zelfs een griezel.



Er worden in het verhaal ook vooruitwijzingen gebruikt. Er wordt dus iets verteld wat zich later heeft afgespeeld. Er wordt bijvoorbeeld verteld over Johannes Isaacz en daar wordt bij vermeld dat hij later bekend zal worden onder de naam Pontanus.



Er worden verder geen terugblikken en overschakelingen op andere verhaallijnen gebruikt.



Personages



Hendrick Avercamp: Hendrick de hoofdpersoon van het verhaal. Hij is een doofstomme jongen die opgroeit in de zeventiende eeuw. Behalve door zijn familie wordt hij niet erg gewaardeerd door de mensen, terwijl hij toch een goed karakter heeft. Maar wanneer blijkt dat hij talent voor schilderen heeft, lijkt het erop dat hij toch een kans krijgt om zich te bewijzen. Voor een gebrekkige in de zeventiende eeuw lijkt het logisch dat je buiten de samenleving staat, maar Hendrick weet door doorzettingsvermogen, moed en ijver toch een waardige plaats in de maatschappij te veroveren.



Beatrix Avercamp: Zij is de moeder van Hendrick. Dankzij haar vastberadenheid dat haar zoon de wereld nog eens versteld zal doen staan, kan Hendrick, ondanks zijn handicap, toch nog een goed bestaan opbouwen. Ze is een doorzetter met een sterke persoonlijkheid. Ze heeft veel ellende meegemaakt, maar is daar altijd weer sterker bovenop gekomen.



Barend Avercamp: Barend is de vader van Hendrick. Hij is een welgestelde apotheker-dokter en hecht veel waarde aan traditie en waardigheid. Ook al is hij geen onrechtvaardig mens, vindt hij het moeilijk om te accepteren dat zijn dove zoon hem nooit zal kunnen opvolgen.. Zijn voorkeur gaat dan ook uit naar Hendricks jongere broer, Rutger. Hij is een gezonde, ambitieuze jongen, die waarschijnlijk wel de familietraditie voort kan zetten.



Rutger, Peter, Lambert, Evert en Femmetje Avercamp: Zij zijn de jongere broers en het zusje van Hendrick. Zij zijn niet gebrekkig en groeien op als gezonde levendige kinderen.



Rutger heeft nooit veel om zijn broer gegeven. Hij wilde altijd overal beter in zijn dan hem, waarschijnlijk omdat hij ergens toch wel jaloers is op Hendrick, omdat die door zijn handicap veel aandacht krijgt.



Mattheus Klaasz (Kladde): Hij is de eerste leermeester van Hendrick. Kladde is geen meesterschilder en heeft ook niet veel bereikt in zijn leven. Hij woont samen met zijn hond Tuck in een huisje in IJsselmuiden. Hij is een lieve, eenzame man en is daarom ook blij met het gezelschap van Hendrick.



David Vinckboons: David is Hendricks eerste leermeester in Amsterdam. Hij is een Vlaamse meesterschilder die uit Antwerpen is gevlucht, omdat deze stad is ingenomen door de Spanjaarden. Hij is een rechtvaardig man met trots en hecht veel waarde aan de Vlaamse traditie.



Arent Arentz. (Cabel): Cabel is de beste en de enige vriend van Hendrick. Hij is ook een leerling van David Vinckboons en heeft net als Hendrick erg veel talent. Cabel is een stille teruggetrokken jongen,maar voert felle discussies met zijn leermeester als hij het ergens niet mee eens is. Cabel en Hendrick voelen elkaar goed aan en zonder woorden kunnen ze elkaar goed aanvoelen.



Pieter Isaacz: Pieter is de derde leermeester van Hendrick. Hij is een verdienstelijk schilder en bij hem maakt Hendrick het schilderij waarmee hij zijn meestertitel behaald.



Structuur en tijd



De gebeurtenissen in het boek worden verteld in de volgorde waarin ze plaatsvinden. De ene gebeurtenis komt logisch voort uit de vorige gebeurtenis. Je leest wat er na elkaar gebeurt, net als in de werkelijkheid. Het boek is dus geschreven in de logisch-chronologische volgorde.



Het verhaal begint wanneer Hendrick zit te spelen en zijn vader een tas laat vallen. Rutger, Hendricks jongere broertje, schrikt wakker en begint te huilen. Hendrick reageert niet en gaat rustig door met spelen. Hierbij wordt het probleem van de hoofdpersoon, Hendrick, al gauw duidelijk: Hendrick reageert niet, omdat hij doof is.

Dit boek begint midden in de gebeurtenissen en is dus geschreven in medias res.



Er zijn al een aantal dingen gebeurt en aan de hand van die gebeurtenissen wordt al gauw duidelijk wat het probleem van de hoofdpersoon is.



Het verhaal speelt zich af in de zestiende en zeventiende eeuw voor Christus. Tot van 1587 tot 1603 speelt het verhaal zich af in het plaatsje Kampen en van 1603 tot 1608 in Amsterdam.



Er verloopt in dit boek behoorlijk veel tijd, namelijk vanaf dat Hendrick een jongetje 2 jaar is, totdat hij een man van 23 jaar is. De hoofdpersoon is dus ook behoorlijk veranderd. Maar hij is niet erg veel veranderd wat betreft zijn karakter, want dat is vrijwel al die jaren hetzelfde gebleven.



Er zijn geen ingrijpende dingen in zijn leven gebeurd waardoor hij op slag veranderde wat betreft zijn gedrag. Hendrick is natuurlijk wel gegroeid, heeft veel geleerd en heeft naarmate hij ouder wordt steeds meer levenservaring opgedaan.



De vertelde tijd is 21 jaar en de verteltijd is 180 bladzijden.



In dit verhaal worden veel tijdsprongen gemaakt omdat de vertelde tijd erg veel is. Je leest bijvoorbeeld in het ene hoofdstuk wat er gebeurt wanneer Hendrick 2 jaar is, dan wordt er een tijdsprong van 2 jaar gemaakt en lees je wat er gebeurt wanneer Hendrick 4 jaar is.



Er is ook sprake van versnellingen en vertragingen. Op een belangrijk moment wordt elk detail vertelt, terwijl een onbelangrijke periode in enkele zinnen wordt samengevat. Er wordt bijvoorbeeld vertraagt wanneer Hendrick leert lezen, een belangrijk moment. Elk detail wordt beschreven. Terwijl Hendricks leertijd bij Pieter Isaacz in enkele alinea’s wordt samengevat, blijkbaar een onboeiende periode.

Omdat in dit boek tijdsprongen en versnellingen en vertragingen voorkomen, spreken we dus van niet-continue vertellen.



Het probleem van de hoofdpersoon is in het verhaal wel opgelost, dus is er sprake van een gesloten einde. Hendrick is doof en zijn probleem is dat hij ondanks zijn handicap een waardig mens, dat goed zijn eigen brood kan verdienen, moet zien te worden. Het boek eindigt, wanneer Hendrick erin is geslaagd zijn probleem op te lossen, want hij heeft veel succes als kunstschilder.



Thema



Ik denk dat de schrijfster met dit boek wil zeggen dat de tijden niet veranderen, ook al lijkt dat wel zo. En hoe omslachtig en moeilijk het kan zijn om een plaats in de maatschappij te vinden. In dit verhaal lijkt Hendrick buiten de maatschappij te staan, vanwege zijn handicap. Tegenwoordig denkt men dat een dove, door gebarentaal, liplezen en telecommunicatie best zijn plaats in de samenleving kan veroveren, maar in werkelijkheid valt dat tegen. Hoe moeilijk is het voor een dove om een goed betaalde baan te vinden?



Of een niet-dove echtgenoot te vinden? De mensen zijn niet veranderd en nog steeds zijn we meestal niet sociaal genoeg om iemand met een handicap te helpen en vooral gelijk te behandelen, omdat het extra tijd en moeite kost. En tegenwoordig is tijd geld en geld lijkt wel steeds belangrijker te worden.



Maar dat Hendrick het nog zover heeft geschopt en zijn plaats in de maatschappij heeft veroverd is een wonder, want dat is niet voor alle gehandicapten weggelegd. Maar door doorzettingsvermogen, ijver en moed heeft Hendrick langs een moeilijke lange weg toch iets bereikt en dat is denk ik ook het moraal van het boek, dat je met die eigenschappen het heel ver kan schoppen. Ik vind dat mensen meer zouden moeten worden beoordeeld op hun talenten, hun doorzettingsvermogen en hun ijver en wat minder op de dikte van hun portemonnee, status en uiterlijk .



Vertelsituatie



Het verhaal is geschreven in de alwetende vertelsituatie. Dat houdt in de verteller iemand is die alles weet van alle personen. Hij weet wat ze zien (,horen), denken en voelen. In dit boek weet de verteller bijvoorbeeld hoe Hendrick zich voelt als hij wordt afgewezen door Anna van der Heede, maar ook hoe Anna van Hendrick walgt. De alwetende verteller is geen verhaalpersonage.



Samenvatting



Deel 1 Kampen 1587-1603

Hendrick Avercamp is de oudste zoon van Beatrix en Barend Avercamp. Het is een welgesteld gezin, want Barend is de stadsapotheker van Kampen. Hendrick is al bijna drie jaar en heeft nog nooit iets gezegd en reageert niet op geluiden uit zijn omgeving. Barend vindt het vreemd dat zijn zoon nog niet praat en vraagt Beatrix wat zij ervan denkt. Beatrix heeft het al langer dan een jaar door; Hendrick is doof en zal waarschijnlijk nooit leren praten. Barend is diep teleurgesteld, want Hendrick zal nooit naar school gaan en dus nooit de familietraditie kunnen voortzetten. Maar Beatrix is vastberaden en zweert dat Hendrick de wereld nog eens versteld zal doen staan.



4 Jaar



Omdat Beatrix niet wil dat Hendrick analfabeet blijft en later niet zijn eigen brood zal kunnen verdienen, begint ze met Hendrick leren schrijven, al weet ze niet of haar methode wel zal lukken. Ze schrijft Hendricks naam op een leitje en wijst naar hem. Daarbij maakt ze hem duidelijk dat hij hetzelfde moet doen. Het duurt even voordat hij het snapt, maar dan begint te schrijven. Hendrick begrijpt niet wat letters, woorden of namen zijn, maar hij begrijpt wel dat ze in een bepaalde vorm en volgorde iets of iemand aanduiden en hij krijgt plezier in het leren schrijven.



7 Jaar



In 1591 wordt het vierde kind van Beatrix en Barend geboren, Lambert. Hendrick is nu bijna zeven jaar oud en zijn verbazing en onbegrip over de wereld neemt steeds maar toe. Waarom happen al die mensen op straat lucht tegen elkaar en gaan ze dan opeens uit elkaar om iets te doen? Met dit soort vragen zit de kleine jongen.



Op een dag ontdekt hij op de tafel van zijn moeder een ganzenveer en een inktpotje en hij begint ermee te schrijven op het papier. Hij schrijft eerst zijn naam en dan tekent hij zichzelf, Lambert en zijn moeder. Beatrix ziet het en is ontroerd. Vanaf dat moment krijgt Hendrick een schriftje en een pen om te tekenen wat hij bedoelt.

Beatrix is alweer in verwachting en Sara, de jongere zus van Beatrix, komt uit Amsterdam om hen te helpen met het huishouden en de kinderen, want de dienstmeid Lientgen kan het niet alleen af.



Op een dag tekent Hendrick voor Sara een mens met zijn mond open en later met zijn mond dicht. Sara snapt wat hij bedoelt en schrijft op dat het mens praat. Hendrick snapt er niets van, maar wanneer Beatrix hem haar trillende keel laat voelen wanneer zij praat, snapt hij voor het eerst in zijn leven dat hij anders is dan die mensen.



Hendrick mag tegenwoordig regelmatig de straat op. Hij vindt het prachtig om al die mensen te zien. Wat hij niet in de gaten heeft is dat de jongens hem uitschelden en uitlachen en dat alle mensen hem vreemd aankijken als hij in hun ogen iets onbegrijpelijks doet.



Beatrix krijgt inmiddels haar vijfde zoon, Evert. Barend is tevreden, want hij zal genoeg opvolgers hebben. Wanneer de stadsdokter overlijdt wordt de stadsapotheker door de Raad benoemd tot dokter-apotheker. Dat betekent wel dubbele inkomsten voor Barend, maar ook twee keer zoveel werk.



9 Jaar



Hendricks ouders, vrome leden van de hervormde kerk, maken zich zorgen, want hun oudste zoon zal opgroeien als ongelovige. Hendrick snapt niets van godsdienst. Hij kent eigenlijk maar weinig woorden en abstracties, beeldspraak en symbolen zijn voor hem raadsels. Hij neemt alles letterlijk.



Sara die gaat inmiddels terug naar Amsterdam. Haar stiefmoeder is gestorven en het wordt tijd dat ze op zoek gaat naar een geschikte echtgenoot.



Het is dit jaar een strenge winter en de Avercamps genieten volop van de ijspret. Barend Avercamp leert zijn oudste zonen schaatsen. Hendrick kan redelijk goed schaatsen en Rutger is jaloers op hem. Hij moet toch beter kunnen schaatsen dan De Stomme? Hendrick heeft niets door, geniet van het mooie winterlandschap en kijkt zijn ogen uit.



11 Jaar



Beatrix is trots op haar vijf zonen. Rutger is al bijna oud genoeg om naar de Latijnse school te gaan. Zijn droom is om net als zijn vader apotheker te worden. En de drie andere jongens hebben ook de ambitie en de hersenen om later een goed beroep te kunnen uitoefenen. Alleen Hendrick…

Beatrix en Hendrick gaan allerlei verschillende ambachtslieden langs om te vragen of Hendrick bij hen in de leer kan.



Maar alle mannen weigeren een doofstomme jongen hun ambacht te leren. Dat vergt te veel tijd en moeite.



13 Jaar



Nog steeds heeft Hendrick geen leermeester, maar hij treurt er niet om. Hij is een aardige jongen die netjes is op zijn kleren, goede manieren heeft en zich nooit verveelt. Meisjes moeten niets van hem hebben en vrienden heeft hij ook niet, maar desondanks is hij niet eenzaam, want hij kan het namelijk goed vinden met dieren.



Als Beatrix en haar zoon op een weer op zoek gaan naar een goede leermeester voor Hendrick, komen ze op straat een tekenaar tegen. Hendrick ziet hoe deze man een portret tekent en is er diep van onder de indruk. Matteus Klaasz uit IJsselmuiden, met de bijnaam Kladde, vertelt dat hij wel een leerjongen kan gebruiken. Wanneer Kladde Hendricks schetsen heeft gezien ziet hij dat Hendrick talent heeft en stelt voor dat de jongen bij hem in de leer gaat. Beatrix en Barend zijn niet zo heel erg enthousiast, maar Hendrick staat te springen!



Als Hendrick voor de eerste keer naar Kladde gaat is hij erg zenuwachtig en onzeker over zichzelf. Die angsten en twijfels zijn meteen over als hij bij Kladde thuis komt, de man heeft zo’n vriendelijke blik in zijn ogen. Kladde praat onder het werk erg veel tegen Hendrick, ook al weet hij dat De Stomme nooit iets terug zal zeggen, maar behalve zijn hond Tuck heeft hij thuis verdrer niemand waartegen hij kan praten. Kladde is geen verdienstelijk schilder, maar hij kent de techniek en leert Hendrick de basisbeginselen.

Beatrix is weer zwanger en hoopt dat haar zesde kind een meisje is. Tot haar vreugde wordt er inderdaad een meisje geboren, alleen het kindje is zwak en na 12 dagen sterft het.



17 Jaar



Volgens Kladde is Hendrick nu wel uitgeleerd bij hem. Hij wil dat Hendrick naar Amsterdam gaat en bij een echte kunstschilder in de leer moet gaan. Maar Hendrick blijft voorlopig nog bij zijn oude leermeester.

Beatrix is weer zwanger en bevalt van haar eerste meisje: Femmetje. Het is een gezond meisje en iedereen is dol op haar.



Ondertussen wordt Kampen getroffen door de pest. De tweede stiefmoeder van Beatrix sterft erdoor en Barend, de apotheker-dokter, doet wat hij kan in de stad. Hij krijgt daarbij hulp van zijn knecht, Samuel, en Rutger die bijna klaar is om zijn apotheekexamen te doen.



Wanneer het buiten warmer wordt breidt de ziekte zich uit. Barend heeft nu zoveel werk te verrichten dat hij nauwelijks slaapt en zwaar overbelast is.



Wanneer Hendrick op een dag bij Kladde thuis komt schrikt hij, want zijn leermeester ligt bleek en korstig op bed. Hendrick weet niet goed wat hij moet doen en haalt de chirurgijn. Deze kan ook niets voor Kladde doen en even later wordt hij afgevoerd naar het pesthuis.



Hij sterft niet veel later en bij Hendrick thuis houdt de hond Tuck het ook niet lang meer vol.



Ondanks alle voorzorgen lopen de overwerkte Barend en Samuel toch de pest op. Beide redden ze het niet en ze sterven een paar dagen later.



Er is geen dokter en geen apotheker meer in de stad, maar Beatrix en Rutger houden de apotheek open. Een dokter is echter moeilijker te vinden, geen arts wil werken in een stad die door de pest is getroffen.



Op een gegeven moment wordt ook Rutger ziek. Hij overleeft het niet en het verdriet is groot.



Hendricks verdriet is ook immens groot, want hij bewonderde zijn broer altijd heel erg. Hij heeft Rutgers rotopmerkingen over hem nooit gehoord en zijn minachting en jaloezie nooit bemerkt.



Korte tijd later raakt de pest uitgewoed in Kampen, maar heeft wel sporen achter gelaten. Hele delen van de stad zijn soms ontvolkt, vooral de armere buurten.



Hendrick weet geen raad met zijn gevoelens en hij weet ook niet wat hij thuis nog kan doen. Daarom besluit hendrick de laatste wil van zijn oude leermeester uit te voeren en gaat naar Amsterdam.



Deel 2 Amsterdam 1603-1608



18 Jaar



Hendricks oom, Samuel, heeft in Amsterdam voor zijn neef een goede leermeester gevonden: David Vinckboons. Als Hendrick in Amsterdam aankomt moet hij nog wel heel erg wennen aan de stank en de drukte. Samuel komt Hendrick halen en samen lopen ze naar het huis Hendricks tantes: Sara, Margit en Suzanne.



Hendrick ontmoet David Vinckboons voor het eerst in een wijnhuis in Amsterdam. Meteen staat zijn nieuwe leermeester hem aan. Hendrick zal voortaan samen met de andere leerlingen in een hoekje van Davids zolder slapen.



19 Jaar



David Vinckboons heeft behalve Hendrick nog drie andere leerlingen, waarvan Cabel het verst is gevorderd. Cabel is de bijnaam van Arent Arentz, een stille maar veelbelovende leerling.



Cabel heeft evenveel talent als Hendrick, maar hij houdt niet van de maniëristische schilderkunst. Daarbij worden ideale, en geen realistische landschappen geschilderd. Hendrick en Cabel worden hele goede vrienden.



20 Jaar



Hendrick heeft een prachtige aquarel gemaakt, maar deze wijkt helemaal af van alles wat David hem geleerd heeft. Volgens David breekt het alle Vlaamse schildertradities. Terwijl David de aquarel afkeurt, neemt Cabel het voor zijn vriend op. Dit leidt tot een grote ruzie en Cabel stapt op.

Hendrick begrijpt het niet helemaal, maar om zijn onderworpenheid aan David te tonen verscheurt hij zijn aquarel, maar beseft ondertussen dat hij iets heel moois heeft kapot gemaakt.



Hendrick vertelt Cabel dat hij zijn aquarel stuk heeft gemaakt en Cabel wordt een beetje boos. Hij stelt voor dat Hendrick bij een nieuwe leermeester in de leer gaat, die hem vrij zal laten in wat hij schildert; Pieter Isaacz wordt zijn nieuwe leermeester. David is verontwaardigd en teleurgesteld over het plotselinge vertrek van zijn beste leerling.



23 Jaar



Hendrick schildert nu al een tijdje bij Isaacz en het wordt tijd voor hem om het schilderij te schilderen wat hem de meestertitel kan bezorgen. Wanneer het af is wordt het door de St. Lucasgilde, waarin ook David Vinckboons zit, goedgekeurd en is David ontroerd door wat hij ziet. Hendricks schilderij is namelijk helemaal in de Vlaamse traditie geschilderd en alles wat David hem geleerd heeft is toegepast in het schilderij. Hendrick is vanaf dan meesterschilder en daarbij een waardig lid van de maatschappij geworden.



Cabel heeft intussen ook de meestertitel behaald, maar is minder verdienstelijk dan Hendrick, omdat hij het bij simpele, realistische, Hollandse landschappen houdt.

De broer van Pieter Isaacz, Johannes, is de stad in gekomen. Hij is een medicus die les geeft op de universiteit van Hardewijk. Hij heeft Hendrick als een proefpersoon voor een onderzoek naar doofheid nodig en volgt hem een tijdje. Hendrick besteedt weinig aandacht aan hem, want hij is verliefd op Anna van der Heede, een vriendin van Margit. Hij bezoekt nu steeds vaker haar huis, hopend dat Anna er ook is.



Anna heeft allang door dat Hendrick gevoelens voor haar heeft, maar zij moet helemaal niets van hem hebben. De arme Hendrick heeft dit echter niet door en maakt een prachtige aquarel voor haar. Wanneer het af is en hij het wil geven gaat Johannes ook met hem mee. Anna vindt het helemaal niet leuk dat ze een aquarel krijgt, maar wat ze wel leuk vindt is het bezoek van Johannes. Johannes en Anna hebben alleen aandacht voor elkaar, terwijl Hendrick er nu pas achter komt dat Anna niets van hem moet hebben. Hij is erg verdrietig wanneer hij merkt dat Anna Johannes erg interessant vindt.



Pieter Isaacz zal binnenkort Amsterdam verlaten om naar Denemarken te gaan. Hendrick besluit nu naar Kampen terug te gaan. Cabel belooft dat als Hendrick zijn schilderijen opstuurt, hij ze in Amsterdam zal verkopen. Gearmd lopen de twee vrienden de horizon tegemoet, wetend dat ze voor de laatste keer samen zijn.



Hendrick heeft nog veel schilderijen gemaakt en is nooit meer weggegaan uit Kampen tot zijn dood in 1634.



Eerste persoonlijke reactie



Ik vond het een ontroerend boek, omdat je een beeld krijgt van hoe het leven met een handicap is. Dan besef je pas hoe zwaar het is om te leven met een gebrek, daar sta vaak niet bij stil. Het ontroerde me om te lezen hoe Hendrick zich via omwegen toch weet te ontwikkelen tot iemand die meetelt in de samenleving en hoe hard de wereld eigenlijk is voor de zwakken. Bijvoorbeeld hoe Anna Hendrick vreselijk kwetst en beoordeelt, terwijl ze Hendricks karakter niet eens kent.



Ik vind het ook erg knap dat Hendrick het zover heeft geschopt, want daarvoor is een sterke wil nodig.

Ik vond het een origineel boek, want het leven van deze schilder is op een hele aparte en boeiende manier beschreven. De schrijfster maakt het verhaal boeiend, omdat het niet alleen is berust op feiten, maar omdat er ook veel gedachtes en gevoelens van de personages en reacties op gebeurtenissen worden beschreven. Je leeft je dan helemaal in in de hoofdpersoon, waardoor je snapt hoe onbegrijpelijk de wereld kan zijn voor een dove.



Ik vond het boek alleen af toe een beetje saai, want de schrijfster ging op sommige momenten heel diep in op de technieken van de schilderkunst en dat interesseert me niet zo.



Informatie over de auteur



Korte levensbeschrijving



Thea Beckman werd in 1923 geboren. Ze was enig kind en bovendien een meisje en haar ouders vonden het vanzelfsprekend dat ze thuis zou meehelpen in de huishouding. Haar vader was kantoorbediende bij de Holland-Amerikalijn en werd in de crisisjaren werkloos.



Studeren was er voor Thea niet bij; omdat er geen geld voor was, maar ook omdat haar ouders het niet nodig vonden voor een meisje. Thea wilde als kind graag schrijfster worden of ontdekkingsreiziger. Voordat in elk geval één van deze dromen uitkwam, werkte ze echter eerst enige jaren op een kantoor. De eerste jaren van haar huwelijk hield ze zich voornamelijk bezig met de opvoeding van de kinderen en het huishouden, maar ze schreef ook journalistieke stukjes en korte verhalen, onder andere voor damesbladen, de Haagse Post en de kindertijdschriften Kris Kras en Taptoe.

Pas toen de kinderen groot waren, had ze meer tijd en begon ze met het schrijven van boeken.

Toen begon ze ook aan de studie sociale psychologie die ze in 1981 voltooide met een scriptie over de invloed van boeken op jongeren.

Vanaf Thea Beckmans debuut bij Lemniscaat Met Korilu de Griemel rond in 1970 volgden de kinder- en jeugdboeken elkaar in hoog tempo op; schrijven werd haar beroep.

‘Ik ben dag en nacht met mijn vak bezig’ vertelt Thea Beckman. ‘Ik probeer zo goed mogelijk te schrijven. Ik tob, ik werk, ik schrap, ik verbeter, net zolang tot ik moet zeggen: “Beter kan ik niet. Hier liggen de grenzen van mijn talent.”’



Soort boeken

Thea Beckman is gefascineerd door de geschiedenis. Ze heeft boeken geschreven over een groot aantal verschillende periodes - van de middeleeuwen tot de achttiende eeuw. In haar historische romans komen vaak (bekende) mensen voor die echt hebben bestaan, maar haar hoofdpersonen bedenkt ze altijd zelf, omdat ze anders als schrijfster te weinig vrijheid heeft.

Haar toekomstromans over Thule spelen tien eeuwen nadat de Derde Wereldoorlog heeft plaatsgevonden. In deze boeken zijn de vrouwen aan de macht; de schrijfster wil daarmee laten zien dat die even veel waard zijn als mannen.

Daarnaast heeft ze een aantal eigentijdse boeken geschreven en enkele fantasieverhalen voor jongere kinderen.

In haar verhalen komt een aantal thema’s steeds weer terug. Zo gaan veel boeken over: de invloed die avonturen op een mens kunnen hebben (Vrijgevochten, de trilogie over de Honderdjarige Oorlog); de positie van gewone mensen vroeger (Stad in de storm, De val van de Vredeborch); inderen die om de een of andere reden voor zichzelf op moeten komen (Wij zijn wegwerpkinderen, Wonderkinderen);

en de strijd van meisjes en vrouwen voor gelijke behandeling als mannen (Hasse Simonsdochter, Saartje Tadema).



De boeken van Thea Beckman gaan vaak over gewone mensen en waarom zij juist vaak de hoofdrol hebben in haar boeken vertelt ze in een interview:

Thea Beckman: ‘In de geschiedenisboeken gaat het bijna altijd over veldheren, koningen, geleerden en andere belangrijke mensen die grote daden in hun leven hebben verricht. Maar over het gewone volk lees je bijna nooit wat, terwijl die mensen toch ook hun dromen en verlangens hadden en van alles meemaakten. Bovendien heeft over ‘gewone mensen’ schrijven ook nog een praktisch voordeel voor mij; omdat die mensen niet beroemd waren en niet in de geschiedenisboeken beschreven zijn, kan ik van alles over hen fantaseren terwijl je je met bestaande figuren altijd aan de feiten moet houden.’



Dit zijn de boeken die Thea Beckman geschreven heeft. Een aantal daarvan zijn bekroond met bepaalde prijzen en sommigen zijn ook vertaald in andere talen.

- Kruistocht in spijkerbroek

- Mijn vader woont in Brazilië

- Geef me de ruimte!

- Triomf van de verschroeide aarde

- Rad van fortuin

- Stad in de storm

- Wij zijn wegwerpkinderen

- Zwerftocht met Korilu

- De gouden Dolk

- Hasse Simonsdochter

- Wonderkinderen

- Kinderen van moeder aarde

- Het helse paradijs

- Bos vol spoken

- De val van de Vredeborch

- Het Gulden Vlies van Thule

- Het geheim van Rotterdam

- De Stomme van Kampen

- De verloren schat

- De doge-ring van Venetië



Bronvermelding informatie over de auteur

www.lemniscaat.nl
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen