U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Frankrijk, Vs En Engeland - Ddr & Brd Ingezonden Door: Cedric C.
Deze versie komt van http://www.scholieren.be/huiswerk/show_stuk.php?id=856 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Geschiedenis en het aantal woorden bedraagt 4317 woorden.

Duitse Democratische Republiek en de Bondsrepubliek Ontstaan BRD en de DDR

De Bondsrepubliek

Oprichting, door wie?

Gevolg na WOII

Duitse Democratische Republiek

Staatsinrichting

Administratieve indeling

Aansluiting bij een internationale organisatie

Politieke organisaties, partijwezen en vakbewegingen

Economie

1945-1949

De jaren vijftig

Buitenlandse betrekkingen

Regime Honecker

Opening van de Berlijnse muur

Duitse hereniging

Ijzeren gordijn

Berlijnse muur

Conferentie van Potsdam





Ontstaan van de BRD en de DDR

Na de tweede wereldoorlog werd het Duitse rijk door de overwinnaars in vier bezettingszones verdeeld, met de bedoeling het gezamenlijk te besturen en tot een democratie op te voeden. De snel aan den dag tredende tegenstelling echter tussen het Westen en de Sovjet-Unie maakte dit plan onmogelijk en verhinderde ook het tot stand komen van een formeel vredesverdrag met Duitsland. Zo ontwikkelden zich onder invloed van de Koude Oorlog in de jaren na 1945 al spoedig twee afzonderlijke staten de Bondsrepubliek Duitsland (Frankrijk, VS en Engeland) en de Duitse Democratische Republiek(Rusland), beide in 1949 tot stand gekomen.

De Bondsrepubliek

Oprichting, door wie ?

De conferentie van Potsdam(1945) was heel belangrijk in de verdeling van Duitsland. *

De Bondsrepubliek Duitsland werd op 14 aug. 1949 gevormd uit de Amerikaanse, Britse en Franse bezettingszones van het voormalige Duitse Rijk, met uitzondering van de westelijke sectoren van Berlijn en van Saarland. Krachtens de akkoorden uit 1950 werden de westelijke sectoren van Berlijn een Land van de Bondsrepubliek. Het door de Fransen bezette Saarland kwam op 1 jan. 1957 bij de Bondsrepubliek. Ten slotte bezegelde het Herenigingsverdrag – dat op 3 okt. 1990 van kracht werd – de aansluiting (Beitritt) van de Duitse Democratische Republiek (DDR) bij de Bondsrepubliek Duitsland.

Gevolg na de WOII

De miljoenen die naar de Bondsrepubliek vluchtten uit de gebieden die na de Tweede Wereldoorlog werden toegewezen aan de Duitse Democratische Republiek (DDR), Polen, de Sovjet-Unie en Tsjechoslowakije, zorgden ook op het gebied van de sociale voorzieningen voor problemen. In de jaren vijftig werden zij onder de bevolking opgenomen (Eingliederung). De grote inspanningen die de regering zich op dit gebied getroostte en de opgaande conjunctuur leverden vluchtelingen ook later dezelfde status op als de burgers van de Bondsrepubliek.

Als schadevergoeding werd de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog een vergoeding toegekend in de vorm van de Lastenausgleich wie nog wat bezat, stond een deel daarvan af aan wie niets meer had. Ten slotte is er de Wiedergutmachung uitkeringen aan de slachtoffers van het nationaal-socialistisch regime. Met Israël werd in 1952 een speciale regeling getroffen met betrekking tot hulp aan joodse vluchtelingen, voorts met 12 Europese staten over slachtoffers onder hun burgers. Tot 1988 is voor 77 miljard DM uitgekeerd; het eindbedrag zal ca. 85 miljard DM zijn.



Duitse Democratische Republiek (officieel Deutsche Demokratische Republik, afk. DDR), van 7 okt. 1949 tot 3 okt. 1990 republiek in Midden-Europa.

De Duitse Democratische Republiek werd in 1949 gevormd uit de Sovjet-Russische bezettingszone van het voormalige Duitse Rijk, eerst als bondsstaat, sedert 1952 als eenheidsstaat. Hoofdstad was Oost-Berlijn. De oppervlakte was 108178 km2; het aantal inwoners was in 1989 (incl. Oost-Berlijn) 16,7 miljoen.



1. Staatsinrichting

De laatste grondwet van de DDR dateerde van 1968. Zij verving een eerdere uit 1949, waarin het socialistisch karakter nog niet zo benadrukt werd. Zij beoogde m.n. een duidelijke weergave te zijn van de toen nieuwe – in de loop van twintig jaren gegroeide – politieke realiteit, die van een ‘socialistische staat van arbeiders en boeren’. De nauwe betrekkingen met de Sovjet-Unie werden in de grondwet uitdrukkelijk vermeld. De grondrechten werden beschermd, maar de praktische uitvoering ervan moest wel in overeenstemming zijn met de socialistische beginselen en doelstellingen. De sociale grondrechten werden met nadruk opgesomd. Een groot aantal bepalingen handelde over de economische orde.

Op 7 okt. 1974 werden enkele fundamentele wijzigingen in de grondwet van kracht. Het concept van de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, dat er twee Duitse staten zijn en één Duitse natie – tot dan toe ook door de DDR aanvaard – kwam in de gewijzigde grondwet niet meer voor. In deze constitutie werd de nadruk gelegd op het feit dat de DDR een internationaal erkende staat was met een eigen soevereiniteit.

Hoogste orgaan van de republiek was de uit 500 afgevaardigden samengestelde Volkskammer. Actief en passief kiesrecht gold vanaf 18 jaar. De functie van staatshoofd werd uitgeoefend door de Staatsrat, een door de Volkskammer gekozen collectief orgaan dat aan de Volkskammer verantwoording schuldig was. De door de Volkskammer gekozen ministerraad, uitvoerend orgaan van de Volkskammer en de Staatsrat, werd geleid door een minister-president. De werkelijke macht werd uitgeoefend door de communistische Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED). In 1989 werd de Staatsrat opgeheven. De functie van staatshoofd werd overgenomen door de voorzitter van de Volkskammer. In nov. 1989 werd de leidende rol van de communistische partij opgeheven.

2. Administratieve indeling

Sinds 1952 was de DDR een gecentraliseerde eenheidsstaat, verdeeld (exclusief Berlijn) in veertien Bezirke (districten), naar het voorbeeld van de Russische oblasten*. De Bezirke waren verdeeld in Kreise, deze weer in gemeenten.

*oblasten: districten

3. Aansluiting bij internationale organisaties

In 1950 werd de DDR opgenomen in de Raad voor Wederzijdse Economische Hulp (Comecon). Sinds de oprichting in 1955 maakte de DDR deel uit van het Warschaupact. Tegelijk met de Bondsrepubliek Duitsland werd de DDR op 18 sept. 1973 toegelaten tot de Verenigde Naties.

4. Politieke organisatie, partijwezen en vakbeweging

De Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED) ontstond in 1946 door samensmelting van de traditionele arbeiderspartijen SPD en KPD (sociaal-democraten en communisten). De SED was de leidende partij in de DDR. Deze veranderde eind 1989 onder invloed van de snelle omwenteling zijn naam in Partei für Demokratisches Sozialismus (PDS). Er werd vlak daarna een aantal nieuwe politieke partijen gevormd, w.o. de Sozial-Demokratische Partei (SDP) en de Frei Demokratische Partei (FDP). Naast nieuwe voorheen ondergronds opererende oppositionele groeperingen, zoals Demokratischer Aufbruch en Neues Forum, waarin het verzet van kerken, intellectuelen en kunstenaars was verenigd, deden de oude blokpartijen, christendemocraten ([Ost-]CDU), boerenpartij (DBP) en middenstandspartij (NPDP) weer van zich spreken. De blokpartijen hadden in de veertig jaar daarvoor aan de leiband van de SED meegelopen. Vele van deze partijen zochten rond de hereniging met de Bondsrepubliek Duitsland in het najaar van 1990 aansluiting bij hun zusterpartijen in de Bondsrepubliek.

De FDGB, Freier Deutscher Gewerkschaftsbund (1946), was de eenheidsvakbeweging waarvan vrijwel alle werknemers lid waren. De politieke leiding van de SED en het marxisme-leninisme* als ideologie werden door de FDGB erkend. De functie van deze vakbond was principieel anders dan die in de westelijke democratieën. Niet de vertegenwoordiging van de belangen van de werknemers tegenover de werkgevers of de staat stond centraal, maar de organisatie van werkenden, die tevens mede-eigenaren waren van de genationaliseerde productiemiddelen en dus mede-uitvoerders van de politieke en economische doeleinden van de partij en de staat. Tot zijn taken behoorden o.a. ook de uitvoering van de sociale wetgeving. Voorts waren de jeugdorganisatie FDJ (Freie Deutsche Jugend) en de vrouwenorganisatie DFD (Demokratischer Frauenbund Deutschlands) op politiek terrein van belang.

Het belangrijkste blad was Neues Deutschland met een oplage van ca. 1 miljoen exemplaren.

*Marxisme-leninisme: benaming voor de door Vladimir Iljitsj Lenin verder uitgewerkte interpretatie van het dialectisch materialisme van Karl Marx (zie ook marxisme), waarin de socialistische revolutie niet langer wordt gezien als het noodzakelijke uitvloeisel van nationale burgerlijke revoluties, maar als een door de communistische partij aangevoerde wereldrevolutie tegen het zich tot een mondiaal stelsel ontwikkelend kapitalisme.



5. Economie

De Sovjet-Russische bezettingsautoriteiten voerden aanvankelijk een beleid van demontage van de zware industrie en ontmanteling of nationalisering van de bedrijven. Grootgrondbezit en landbouwbedrijven boven 100 ha werden onteigend. De DDR moest jaren lang hoge herstelbetalingen aan de Sovjet-Unie afdragen. Later werd besloten het industriële karakter te handhaven en uit te bouwen.

De DDR had een geleide economie alle economische activiteiten werden geleid en gecoördineerd door de Staatliche Plankommission door middel van vijfjarenplannen. Een belangrijk jaar voor de economie was 1961; de bouw van de Berlijnse muur moest het platteland behoeden voor ontvolking en, meer in het algemeen, de Oost-Duitse economie redden van een totale ontwrichting door de vlucht van honderdduizenden naar het Westen (m.n. de Bondsrepubliek Duitsland).

In de jaren zeventig en tachtig werd door middel van het aanpassen van de prijzen van de industriële producten aan de werkelijke productiekosten getracht deze producten concurrerend te maken.

In de periode 1970–1980 bedroeg de groei van het nationaal inkomen 2, 6% per jaar. In 1984 werd een record-groeipercentage van 5,5 bereikt. Het vijfjarenplan 1986–1990 had als doel een stijging van het nationaal inkomen van 4,4% en was sterk gericht op modernisering van de economie. Het aandeel van de industrie in het nationaal inkomen bedroeg in 1985 80%, dat van de landbouw 7,5%. Het industriële aandeel werd geïllustreerd door het feit dat de DDR eind jaren tachtig de grootste industriële productie per hoofd van de bevolking had van alle Oost-Europese landen. De beroepsbevolking bedroeg 54% van de totale bevolking, een hoog percentage vergeleken met de meeste West-Europese landen, veroorzaakt door het grote aantal werkende vrouwen (1986 48%).

De handel was een staatsmonopolie. Zowel voor de invoer als voor de uitvoer was de DDR door dwingende contracten sterk aangewezen op de Sovjet-Unie, die de belangrijkste handelspartner was (voor ruim 25% in 1985); omgekeerd was de DDR ook voor de Sovjet-Unie de belangrijkste handelspartner. De tweede handelspartner was de Bondsrepubliek Duitsland.





6. 1945–1949

Met de Berlijnse Viermogendhedenverklaring van 5 juni 1945 werd het hoogste gezag in Duitsland na de capitulatie van nazi-Duitsland overgenomen door de opperbevelhebbers van de vier overwinnaars (de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, Frankrijk en Groot-Brittannië). De voormalige Pruisische provincies, Brandenburg, Saksen en het westelijk deel van Pommeren, alsmede de landen Mecklenburg, Saksen, Thüringen en Anhalt, kwamen daarmee onder Sovjet-Russisch bewind.

Op grond van de door de overwinnaars op de Conferentie van Potsdam* gemaakte afspraken om tot demilitarisering, denazificering en demontage van de zware industrie over te gaan, begonnen de Sovjet-Russische bezettingsautoriteiten met een grootscheepse zuivering van het bestuursapparaat, het onderwijs en de justitie, terwijl tevens een aantal grote bedrijven genationaliseerd en gedeeltelijk gedemonteerd werd, terwijl later landbouwbedrijven en grootgrondbezit van meer dan 100 ha onteigend werden.

Op veel leidende posities werden communisten benoemd, van wie een deel de nazi-tijd in Moskou doorgebracht had. In 1945 mochten de politieke partijen die tijdens de nazi-tijd verboden waren geweest, hun activiteiten weer hervatten. De Kommunistische Partei Deutschland, onder aanvoering van Walter Ulbricht, wist al spoedig de andere partijen, de sociaal-democratische Sozialistische Partei Deutschland, de christelijke CDUD en de liberale LDPD tot nauwe samenwerking te bewegen. Tevens werden communistisch georiënteerde massaorganisaties, zoals een vrouwenbeweging, een jeugdbeweging en een vakbondsorganisatie opgericht. In 1946 fuseerden de sociaal-democraten en de communisten tot de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED), die bij de eerste regionale verkiezingen als overwinnaar uit de bus kwam. De betekenis van de andere politieke partijen nam snel af.

Als gevolg van de internationale politieke verhoudingen verslechterde de verstandhouding tussen de geallieerden snel. De drie westerse bezettingszones gingen in politiek en economisch opzicht nauwer samenwerken en in de Sovjet-Russische bezettingszone werd het politiek, sociaal en economisch leven meer en meer naar het voorbeeld van de Sovjet-Unie ingericht. Tijdens een in 1948 door de SED georganiseerd Volkscongres voor Eenheid en Rechtvaardige Vrede werd besloten een Duitse Volksraad te kiezen, waarin vertegenwoordigers van de SED en de massaorganisaties benoemd werden. Deze volksraad riep zich op 7 okt. 1949 tot voorlopig parlement uit. Dezelfde dag werd een grondwet aangenomen en werd de Duitse Democratische Republiek uitgeroepen.



7. De jaren vijftig

De regering die 7 okt. 1949 werd gevormd, berustte op de SED. President werd Wilhelm Pieck (in 1953 en 1957 herkozen), minister-president werd Otto Grotewohl, secretaris van de partij Walter Ulbricht. De DDR ontwikkelde zich hierna in snel tempo tot een eenpartijstaat. In 1950 vonden de eerste verkiezingen voor de Volkskammer plaats, waarbij de zetelverdeling voor de verschillende politieke partijen van tevoren vastgelegd was, en voor de SED het grootste aantal zetels was gereserveerd. De SED zelf werd georganiseerd naar het model van de Sovjet-Russische communistische partij met een Politburo en een secretaris-generaal als hoogste verantwoordelijke functionaris. De inbreng van de sociaal-democraten werd, in strijd met de afspraken gemaakt tijdens de oprichting van de SED, geheel ongedaan gemaakt.

Al spoedig werden andersdenkenden uit de partij gezet, terwijl het lidmaatschap van de partij noodzakelijk werd om functies in het staatsapparaat te kunnen bekleden. De in 1950 opgerichte Staatssicherheitsdienst (SD; ook Stasi genoemd) werd ingeschakeld om andersdenkenden te vervolgen.

In 1952 werd officieel besloten dat de fase van de opbouw van het socialisme was ingegaan. In het kader daarvan werd een wet aangenomen tot opheffing van de vijf Länder (deelstaten) Mecklenburg, Brandenburg, Thüringen, Saksen en Saksen-Anhalt, waardoor de DDR een eenheidsstaat werd. Het aandeel van de staat in de industrie en het bedrijfsleven werd vergroot. Met de collectivisering van de landbouw werd een begin gemaakt. Het onderwijs kreeg als voornaamste taak persoonlijkheden op te leiden die in staat zouden zijn het socialisme op te bouwen. De druk op de kerken (het merendeel van de DDR-bevolking was lid van de Evangelische Kerk) werd vergroot. Het deelnemen aan kerkelijke activiteiten kon de beroeps- en studievooruitzichten schaden. Om de aantrekkingskracht van de kerken te verminderen werden allerlei vervangende plechtigheden, zoals de jeugdwijding, in het leven geroepen, die de kerkelijke ceremoniën moesten vervangen.

Na de dood van Stalin (5 maart 1953) veranderde de tactiek; de maatregelen tegen de kerken werden verzacht en de houding ten opzichte van vroegere tegenstanders werd milder. Hierop volgde de onverwachte reactie van 16 en 17 juni 1953 in de vorm van een uitbarsting van verzet onder arbeiders en aan de universiteiten. Dit verzet werd met behulp van arrestaties en executies onderdrukt. Daarna werd het regime weer straffer.

Na de dood van president Pieck (1960) werd een Staatsrat aan het hoofd van de DDR gesteld, onder voorzitterschap van Ulbricht. Tussen 1953 en 1961 werd de herstructurering van de economische en sociale orde naar Sovjetmodel in versterkte mate voortgezet. Tegenstanders van dit streven, ook binnen het partijapparaat, werden geroyeerd en vaak tot langdurige gevangenisstraffen veroordeeld. In 1958 trad, na een zuivering binnen het Politburo, Erich Honecker tot de hoogste leiding van de partij toe.

De economische ontwikkeling van de DDR bleef verre ten achter bij die van de op 14 aug. 1949 gestichte Bondsrepubliek Duitsland. Vanaf het begin van de oprichting van de DDR hadden jaarlijks honderdduizenden hun toevlucht in de Bondsrepubliek gezocht, met als recordjaar 1953, toen ruim 300000 Oost-Duitsers naar het Westen vluchtten. De duidelijke verschillen in levensstandaard en de na de opstand van 1953 toegenomen repressie deden in de tweede helft van de jaren vijftig de vluchtelingenstroom gestadig toenemen en er werd besloten tussen Oost- en West-Berlijn een muur te bouwen (13 aug. 1961). De verhouding tot de Bondsrepubliek werd daardoor nog vijandiger. In de volgende jaren trad echter een verbetering van het levenspeil en de economische toestand in. Van een duidelijke politieke liberalisering kon evenwel nauwelijks worden gesproken.

8. Buitenlandse betrekkingen

De eerste belangrijke stap in de richting van autonomie had plaats in 1953, toen de Sovjet-Russische (militaire) Controlecommissie werd vervangen door een Hoge Commissaris. Op 26 maart 1954 werd de DDR door de Sovjet-Unie soeverein verklaard, onder voorbehoud dat de Russische troepenmacht er gestationeerd zou blijven. Op 20 sept. 1955 breidde de Sovjet-Unie deze soevereiniteitsverklaring uit tot de buitenlandse betrekkingen van de DDR, in het bijzonder tot de betrekkingen met de Bondsrepubliek, die, evenmin als de andere westerse landen, de DDR erkende. Inmiddels bleef de Sovjet-Unie in feite de buitenlandse politiek van de DDR beheersen. Met alle volksrepublieken werden diplomatieke betrekkingen aangeknoopt. Met Polen werd een verdrag gesloten ter bevestiging van de Oder-Neisse-grens; met Tsjechoslowakije werd in een verdrag bevestigd, dat de uitwijzing van de ca. 2 miljoen Sudetenduitsers als permanent en rechtvaardig moest worden beschouwd. Vanaf het begin was de DDR betrokken bij de Comecon. In 1956 trad de DDR toe tot het Pact van Warschau.

Met staten buiten het Sovjetblok ontstonden geen eigenlijke diplomatieke verbindingen, daar deze landen de DDR niet erkenden. Wel werden economische betrekkingen aangeknoopt. In 1958 werd door de Sovjet-Unie in de vorm van het zgn. ‘Berlijn-ultimatum’ druk op het Westen uitgeoefend om tot de gewenste erkenning van de DDR te komen en in 1959 dreigde de DDR een afzonderlijk vredesverdrag met de Sovjet-Unie te zullen sluiten, wanneer – zoals werd gezegd – de Bondsrepubliek de desbetreffende onderhandelingen zou blijven saboteren.

In 1959 werd door het Westen de concessie gedaan, dat de DDR de controle op het grensverkeer met de Bondsrepubliek van de Sovjet-Unie zou kunnen overnemen als ‘agent’ van de Sovjet-Unie. Het afzonderlijke vredesverdrag en het voornemen om de status van Berlijn te wijzigen werden echter door de Sovjet-Unie op de lange baan geschoven en in feite bleef de status quo gehandhaafd. De val van premier Chroesjtsjov (okt. 1964) bracht hierin evenmin verandering. De DDR trachtte daarom door uitbreiding van officiële of informele contacten, juist ook buiten de communistische wereld om (bezoek van Ulbricht aan president Nasser van Egypte, voorjaar 1965), haar prestige te vergroten om via een de facto-erkenning ten slotte ook een de jure-erkenning door het Westen te bereiken. Dit gebeurde echter pas, toen de betrekkingen tussen de Bondsrepubliek en de DDR verbeterden ten gevolge van de ‘Ostpolitik’ van de bondskanselier Willy Brandt.

Er vonden voor het eerst ontmoetingen plaats tussen de regeringsleiders van beide staten, Stoph en Brandt, op 19 maart 1970 te Erfurt en op 21 mei 1970 te Kassel. Op 21 dec. 1972 werd een basisakkoord met de Bondsrepubliek ondertekend, dat normalisering van de betrekkingen beoogde. Met de ratificatie van dit verdrag in 1973 gaf de Bondsrepubliek haar verzet tegen de erkenning van de DDR op. In sept. 1973 trad de DDR toe tot de Verenigde Naties. Parallel aan deze ontwikkelingen liep de diplomatieke erkenning van de DDR door tal van neutrale en westerse landen.



9. Regime Honecker

In 1971 werd de leiding van de SED van Ulbricht overgenomen door Erich Honecker; na Ulbrichts overlijden (1 aug. 1973) werd W. Stoph, tot dan premier, voorzitter van de Staatsrat. Deze wisselingen aan de top leidden niet tot een wijziging in de afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van de Sovjet-Unie (die ook nog duidelijk gebleken was uit de deelname van de DDR aan de inval in Tsjechoslowakije in 1968). Zowel kunstenaars als politieke publicisten kwamen in conflict met het regime wanneer zij wezen op de kloof tussen de marxistische theorie en de praktijk van het communistische stelsel in hun land (in 1979 werd zelfs het verstrekken van alle informatie aan het Westen wettelijk strafbaar gesteld).

In de jaren tachtig kon ook de DDR zich niet vrijwaren van oppositionele tendensen die soms het karakter van politieke dissidentie hadden, maar meestal, als onafhankelijke vredesbeweging, antikernenergie- en milieugroepen, beperkte doelstellingen nastreefden. De kerken in de DDR speelden als katalysator hiervan een belangrijke rol. Het regime-Honecker paste hierop de tactiek van een gedifferentieerde repressie toe. Sommige uitingen van kritiek werden draconisch afgestraft, andere liet men toe; wel werd de samenleving door de alom aanwezige binnenlandse veiligheidsdienst (Stasi) onder leiding van E. Mielke nauwlettend in de gaten gehouden.



10. Opening van de Berlijnse muur

Nadat Hongarije op 2 mei 1989 letterlijk een begin maakte met het afbreken van het IJzeren Gordijn*, de versperringen aan de grens met Oostenrijk, begon in augustus een massale vlucht naar het westen van DDR-vakantiegangers die in Hongarije en andere Oost-Europese landen verbleven. De DDR-regering moest toestaan dat treinen met vluchtelingen vanuit Tsjechoslowakije over grondgebied van de DDR naar de Bondsrepubliek reden.

Kort na de viering van het veertigjarig bestaan van de DDR op 7 okt. 1989, werd de zieke Erich Honecker afgezet (18 okt.). Zijn opvolger Egon Krenz werd geconfronteerd met ongekend massale betogingen, met name in Leipzig, die afschaffing van de eenpartijheerschappij eisten. Op 9 nov. 1989 besloot de regering de Berlijnse muur te openen. De communistische SED – tot nov. 1989 de leidende partij in de DDR – veranderde eind 1989 onder invloed van de snelle omwenteling haar naam in Partei für Demokratisches Sozialismus (PDS).

Er werd vlak daarna een aantal nieuwe politieke partijen gevormd, w.o. de Sozial-Demokratische Partei (SDP) en de Frei Demokratische Partei (FDP). Naast nieuwe voorheen ondergronds opererende oppositionele groeperingen, zoals Demokratischer Aufbruch en Neues Forum, waarin het verzet van kerken, intellectuelen en kunstenaars was verenigd, deden de oude blokpartijen, christen-democraten ([Ost-]CDU), boerenpartij (DBP) en middenstandspartij (NPDP) weer van zich spreken. De blokpartijen hadden in de veertig jaar daarvoor aan de leiband van de SED meegelopen.

De onderhandelingen aan de ronde tafel, waar de oppositie, aangevoerd door het Neues Forum, wezenlijke concessies afdwong, leidden tot de coalitieregering onder leiding van Hans Modrow, terwijl Krenz zijn presidentschap aan Manfred Gerlach en zijn partijleiderschap aan Gregor Gysi moest afstaan (dec. 1989). De SED veranderde haar naam in Partei des Democratischen Sozialismus (PDS).

Naast de roep om democratisering werd in de talloze demonstraties ook vaker de eenheid van Duitsland geëist. Op 19 dec. 1989 bezocht bondskanselier Helmut Kohl Dresden waar hem een overweldigende ontvangst werd bereid, waarbij bleek dat het thema van de hereniging dat van de democratisering van het bewind op de achtergrond had gedrongen.

Op 22 dec. 1989 werd in Berlijn de Brandenburger Poort, die sedert de bouw van de Muur het symbool van het verdeelde Duitsland was geworden, geopend.

11. Duitse hereniging

Op 10 febr. 1990 kregen Kohl en zijn minister van Buitenlandse Zaken Hans-Dietrich Genscher van de Sovjet-Russische leider Gorbatsjov de verzekering dat de Duitsers zelf over het tempo en de interne voorwaarden van hun hereniging konden beslissen. Later in die maand werd afgesproken dat de DDR en de Bondsrepubliek met de vier voormalige bezettingsmachten zouden onderhandelen in een serie twee-plus-vier-conferenties over de verdere externe voorwaarden. In het kader van het Duits-Duitse overleg dat daarna op gang kwam, bezocht premier H. Modrow op 13 febr. Bonn. Kohl zegde Modrow daar toe dat als eerste stap op weg naar de eenheid een monetaire unie tot stand zou komen.

De verkiezingen voor de nieuwe Volkskammer werden uiteindelijk vervroegd op 18 maart 1990 vastgesteld. Na een felle verkiezingsstrijd, waaraan politici van de Bondsrepubliek driftig deelnamen en die ook door een reeks pijnlijke schandalen werd gekenmerkt, kwam de uitslag als een volslagen verrassing. De christen-democraten onder leiding van Lothar de Maizière wonnen; met hun bondgenoten kregen zij 48% van de stemmen. De sociaal-democraten, door de ontmaskering van hun voorman I. Böhme als Stasi-agent zwaar aangeslagen, kwamen niet verder dan 21,9%, terwijl de PDS ondanks alles nog meer dan 10% wist te vergaren. Conform de uitslag vormde De Maizière samen met de sociaal-democraten een nieuwe regering. De regering moest de taak op zich nemen de DDR te liquideren en haar opgaan in een nieuwe Duitse staat te realiseren. In juli 1990 werd een monetaire unie zonder veel strubbelingen volbracht, terwijl twee staatsverdragen de politieke aspecten van de eenwording moesten regelen. In aug. 1990 verliet de SDP de regering.

Ten slotte bezegelde het Herenigingsverdrag – dat op 3 okt. 1990 van kracht werd – de aansluiting (Beitritt) van de Duitse Democratische Republiek bij de Bondsrepubliek Duitsland.



Ijzeren gordijn

Term ter aanduiding van het na de Tweede Wereldoorlog door de Sovjet-Unie ontwikkelde systeem van maatregelen tot beperking van het contact (van personen en ideeën) tussen de westelijke en de communistische wereld. De term werd voor het eerst gebruikt door (Paul) Joseph Goebbels ( ‘eiserner Vorhang’) in febr. 1945, maar raakte ingeburgerd door Winston Churchills gebruik ervan ( ‘iron curtain’; o.m. in de befaamde Fulton-rede van maart 1946). Onder invloed van de ontspanning die vanaf de jaren zestig (zie Koude Oorlog) in de betrekkingen tussen Oost en West intrad, werd de term gaandeweg minder gebruikt.

Berlijnse muur

benaming voor de muur die van 1961 tot 1990 het westelijke en het oostelijke deel van de stad Berlijn van elkaar scheidde. In 1961 besloten de Oost-Duitse autoriteiten, in een poging de massale vlucht van Oost-Duitsers via Berlijn naar de Bondsrepubliek Duitsland een halt toe te roepen, de scheidingslijn tussen Oost- en West-Berlijn te veranderen in een muur. Op 13 aug. 1961 werd begonnen met de bouw van de muur, waarin op zeven plaatsen doorgangsposten werden opengelaten. De muur, met een lengte van 45 km, werd door de Oost-Duitse grenspolitie zwaar bewaakt, was voorzien van prikkeldraad en was van Oost-Berlijnse kant door de aanleg van mijnenvelden nauwelijks te benaderen. Toch werden in de loop der jaren vaak spectaculaire pogingen ondernomen om over de muur te klimmen, waarbij naar schatting 76 mensen werden doodgeschoten. Door de jaren heen werd de muur het symbool van de Koude Oorlog en de Duitse verdeeldheid.

Na de val van de Oost-Duitse communistische partijtop in het najaar van 1989 en de daarop volgende liberalisering van de Oost-Duitse samenleving, werden o.a. de uitreismogelijkheden van DDR-burgers versoepeld en in snel tempo meer doorgangsposten in de muur aangebracht. Begin 1990 werd begonnen met de sloop van de muur.

Bij de feestelijkheden naar aanleiding van de liberalisering in de DDR was de muur, en in het bijzonder het deel bij de Brandenburger Tor, vaak het centrum van grote demonstraties en manifestaties.

Conferentie van Potsdam

Potsdam wordt in 993 voor het eerst vermeld. De stad kwam in 1415 in het bezit van de Hohenzollerns en was van 1685 tot 1918 naast Berlijn residentie van de keurvorsten van Brandenburg en de koningen van Pruisen (onder wie Frederik de Grote). De stad maakte van 1949 tot 1990 deel uit van de Duitse Democratische Republiek, eerst als hoofdstad van Brandenburg en sinds 1953 als hoofdstad van het gelijknamige Bezirk.

Potsdam, Conferentie van, werd gehouden van 17 juli tot 2 aug. 1945 tussen de regeringsleiders van de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en Groot-Brittannië, resp. Truman, Stalin en Winston Leonard Spencer Churchill (na 25 juli Attlee). Ten aanzien van Duitsland werd besloten tot de instelling van een bezettingsbestuur in drie zones, een Amerikaanse, Britse en Sovjet-Russische, later met een Franse vermeerderd. De geallieerde bestuursraad te Berlijn diende het land, ook economisch, als een eenheid te administreren, en voorts ontwapening, denazificatie, berechting van oorlogsmisdadigers en democratische heropvoeding ten uitvoer te leggen. De oostelijke provincies van Duitsland werden onder Pools bestuur gesteld. Het noorden van Oost-Pruisen met Koningsbergen (thans: Kaliningrad) werd bij de Sovjet-Unie gevoegd. Een definitieve grensregeling, wat het oosten aangaat, werd echter niet getroffen. Men ging akkoord met de verdrijving van de Duitse inwoners uit Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije. Ingesteld werd een raad van ministers van Buitenlandse Zaken ter voorbereiding van de vredesverdragen met de satellietstaten van Duitsland. Ook richtte men aan Japan een oproep tot overgave. De conferentie verliep zeer moeizaam. Men kwam niet tot een regeling van de Europese problemen als geheel. Er bleef onenigheid bestaan over de Duitse herstelbetalingen en over de sovjetpolitiek in de Balkanlanden.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen