U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Joris Moens - Een Beest Met Twee Lichamen.
Deze versie komt van http://www.verslagen.com/index.php?page=boek_toon&boek_id=610 en is laatst upgedate op 09/02/2005.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1540 woorden.

Boek: ‘Een beest met twee lichamen’



Auteur: Joris Moens,



1e druk 1999, uitgeverij Contact



1. Signalement.



Het boek heeft 299 bladzijden verdeeld in 3 delen. De delen zijn genoemd naar de plaats van handeling, de hoofdstukken zijn genummerd zonder nadere titelgeving. Op de kaft zie je een bewerkte foto van een gelaat waarvan de gezichtshelften zijn gedeeld door twee verschillende kleurvlakken. Dit staat voor de twee gezichten die de hoofdpersoon in het boek heeft.



2. Samenvatting.



De roman begint in de jaren negentig. Gus is nog niet zo lang getrouwd met Selma, heeft een kind en maakt carrière in een automatiseringsbedrijf. Daan werkt als psycholoog bij het Pieter Baan-centrum. De lezer valt meteen in het verhaal als Daan op kraamvisite gaat: 'Geen gedraai, langs dan maar bij Gus, vroeger een uitgaansmonster, tegenwoordig zorgvader'. Zorgvader blijkt op z'n zachtst gezegd een ironische bijnaam. Het huwelijk is een ijzingwekkende sleur, ‘als een still uit een horrorfilm'.



De vrienden smeren 'm dan ook snel, om - net als vroeger - een nacht de hort op te gaan. In de Lancia van Gus scheuren ze richting Maastricht. Onderweg krijgen de vrienden de eerste contouren. In flashbacks vliegen flarden van hun geschiedenis langs. Daan staat vooral aan de zijlijn, Gus in het middelpunt. Op de achtergrond flitsen herinneringen voorbij: jeugd, milieu, school, studie, met alle specifieke kleuren en eigenschappen. Daan is de verteller, reconstrueert de vriendschap, ontdekt gaten in het verleden. En de lezer zit achter hem in de Lancia en leert vooral Gus kennen.



Al in het begin van de roman blijkt dat Daan een gruwelijke moord onderzoekt op de studente Eefje Limbach in de jaren tachtig in Kampen, gebaseerd overigens op een werkelijke moord toen, op Cécile Bot. In de roman bestaan nog steeds twijfels over de geestelijk minder valide jonge dader B., die altijd hardnekkig is blijven ontkennen. De reconstructie van Daan heeft uiteindelijk alles met hun vriendschap te maken. Gus studeerde toen in Kampen, Gus was hevig verliefd op Eefje, Gus was op de dag van de moord op haar kamer. Bij Daan rijzen vermoedens en speculaties over de rol van Gus toen. En dat leidt uiteindelijk tot bitterharde confrontaties.



3. Titel, ondertitel en motto.



De titel verwijst:



1 naar de hoofdpersonen Gus, die twee gezichten heeft: aan de ene kant is hij een goed aangepast lid van de samenleving, een brave burger zeg maar, aan de andere kant heeft hij een verborgen kant als beestend uitgaansdier;



2 en de titel verwijst tegelijk ook naar de vriendschap tussen hoofdpersoon Gus en de tweede hoofdpersoon Daan: samen vormen ze een wild duo, afzonderlijk functioneren ze heel anders in het dagelijkse leven



Het boek heeft geen ondertitel of motto.



4. Genre.



Literaire thriller



Psychologische roman.



5. Thema, motief en idee.



Thema’s:



1. Onderzoek naar de wegen en betekenis van vriendschap;



2. 2. Whodunnit-thriller



Motieven:



 zoektocht naar (het verval van) vriendschap



 achterdocht en (gebrek aan) vertrouwen



 agressie, moord



 seks



Idee: ‘Je kan niemand werkelijk volledig kennen, zelfs niet je dierbaarste



boezemvriend die je bijna beschouwt als een deel van jezelf’



6. Personages.



Gus Winkelman: dertiger, getrouwd, dochtertje van een paar maanden; werkt als IT-er en hangt de family-man uit. Had vroeger wilde streken, soms op het bizarre af.



Daan Geurts: dertiger, ongetrouwd, psycholoog en boezemvriend van Gus. Was vroeger meer een meeloper misschien, die zich langzamerhand ontworstelt aan de kritiekloze vriendschap van voorheen



7. Tijd en ruimte.



Wisselend tijdsverloop: het verhaal begint in deel I met het heden, afgewisseld door enkele flashbacks; deel II is een totale flashback; en deel III pikt het heden weer op



Plaats van handeling: deel I Amsterdam; deel II: New York en Kampen; deel III Amsterdam



8. Perspectief / Vertelsituatie.



In deel I en III is sprake van een ik-verteller, Daan Geurts; deel II kent een vertelstijl in de derde persoon, Gus Winkelman.



9. Taalgebruik en stijl.



Geschreven in de tegenwoordige en verleden tijd; veel flashbacks (deel II is een volledige flashback). Woordkeuze: eenvoudig, grof, en soms semi-wetenschappelijk. Zinsbouw: eenvoudig, korte zinnen, informeel taalgebruik. Toon: luchtig beschouwend, somber in deel II. Beeldspraak: weinig. Er zijn veel dialogen, verderveel gedachten (beschouwingen) van de hoofdpersonen. Er zijn weinig beschrijvingen.



Naoorlogse literatuur; jaren negentig. Realisme. Het boek heeft iets faction-achtigs (mix van fictie en realiteit, het boek is ook losjes is gebaseerd op een waar gebeurde moord.



II. Achtergrondinformatie.



Joris Moens (Amsterdam, 1962). Gold begin jaren negentig als een van de leden van de generatie NIX. Richtte met Ronald Giphart en Rob van Erkelens het literaire tijdschrift Zoetermeer op. Publiceerde eerder twee romans, in 1993 (Bor) en 1995 (Zondagskind).



10. Eigen leeservaring :



De schrijver schetst met veel vaart een dubbelportret en ontleed dit tot op het bot. Gus en Daan, hoe ze waren en voor een deel zijn gebleven: overjarige pubers, als het even kan willen ze zuipen en achter de meiden aan. Eerst in de jaren zeventig van Amsterdam-West naar het Leidseplein. Later naar Groningen, Den Bosch, Brussel. Gus is de versiermachine. Daan doet mee. Op weg naar Maastricht brult Gus, net vader geworden, tegen een moeizaam parkerende vrouw: 'Schiet op, befteckel, dat parkeervak is zo ruim als je kut'. Algemeen Beschaafd Nederlands is er kortom niet veel bij. De nacht in Maastricht zet wat dat betreft meteen de toon. Meisjes in de kroeg zijn vooral 'dekcavia's'. Vooral Gus bezit een bijna ranzig soort machomentaliteit. En Daan volgt hem daarin. De kater na de nacht in Maastricht (een soort proloog van de roman) treft de lezer al met al vol in de maag. Aardige jongens zijn het niet. Daan Geurts en Gus Winkelman blijven vrienden, maar groeien uit elkaar. Na zijn studie belandt Daan voor onderzoek in New York, Gus studeert in Kampen. Voor beiden geldt dat hun leven weinig evenwichtig is. Dat blijkt uit brieven van Daan en uit de Kampense belevenissen van Gus tussen studentes van de kunstacademie en aankomende theologen. Alsof ze niet loskomen van hun puberteit, blijven ze zwalken. In relaties, in denken, praten en handelen. Een hardnekkig platte schijnwereld houdt ze bij elkaar. Daarachter ontwikkelt zich uiteindelijk zoiets als een onderzoek naar waarden, compleet met loutering en katharsis; de twee vrienden vertrouwen elkaar namelijk niet meer, Daan begint te vermoeden dat Gus een meisje in Kampen heeft vermoord. Van onderzoek komt zelfonderzoek, en achter de harde schijn wordt vervolgens een nog veel hardere werkelijkheid zichtbaar. Uiteindelijk staan ze, als 'automaten aangestuurd door eeuwenoude dwangmatige clichés', voor de spiegel: 'Was Gus een lul, ik ben een ZAK,' overweegt Daan ergens. Het gaat er hem uiteindelijk niet eens om of Gus een moordenaar is, het gaat om twee mannen die krampachtig proberen het ouwejongens-krentenbroodgevoel vast te houden, terwijl hun vriendschap gestorven is, misschien wel nooit echt heeft bestaan. Op dat moment ben je echter al helemaal meezogen naar het einde van het boek. Dat vond ik reuzeknap gedaan: je denkt dat het een whodunnit is en leest gehaast door om er achter te komen of Gus nou een killer is of niet, en dan blijkt het daar niet eens om te doen. Gek genoeg was dit niet eens een afknapper. Volgens mij wil de schrijver de lezer met opzet op het verkeerde been zetten: hij houdt de aandacht vast door te doen alsof het om een thriller gaat (en dat is het ook), maar eigenlijk gaat het hem om iets veel ‘saaiers’, namelijk over hoe een hechte vriendschap een zeepbel kan blijken te zijn en hoe je jezelf voor de gek kan houden en hoe je een ander eigenlijk tiot je stomme verbazing lang niet zo goed kan blijken te kennen als je dacht, en hoe dat komt. Een psychologisch boek dus uiteindelijk in plaats van een misdaadverhaal, en nog sappig leesbaar ook.



11. Evaluatie:



Emotie, gevoelens tijdens het lezen.



Het boek is grappig en shockerend door het taalgebruik, geschreven in spreektaal. Maar het is niet simpel of oppervlakkig en roept tijdens het lezen allemaal vragen op, over hoe je er zelf over denkt of wat je zelf zou hebben gedaan.



De toon is niet gezellig, maar dreigend. Ook is het grof, en dat had voor mij niet zo gehoeven al is het wel leuk dat er tenminste niet zo plechtig wordt gedaan zoals vaak in boeken: dialogen in romans bekken vaak zo stijf, zo onecht.



Normen en waarden.



Het boek gaat heel erg over normen en waarden, namelijk over hoe ver je kunt gaan en waar je de grens trekt, bijvoorbeeld wat betreft loyaliteit aan de vriendschap.



Realiteitswaarde.



Het boek zou van a tot z echt gebeurd kunnen zijn, en is ook deels gebaseerd op echte feiten.



Bedoeling, idee.



Volgens de achterflap is het boek een zoektocht naar het wezen en (het verval van) vriendschap. Nou, dat is ook zo. Ik denk dat de schrijver wil dat de lezer ook zo zijn vragen stelt over zijn eigen relaties en vriendschappen. Dat lukt bij mij dan niet, zo want ik heb niet van die vriendschappen als in het boek. Wel ben ik me meer bewust dat mensen meer geheimen voor elkaar kunnen hebben dan je denkt. Ik weet niet of ik dit zo’n leuke gedachte vind.



Eindoordeel:



Een echte aanrader. Een heel ander boek dan andere boeken: het leest heel snel, want het is spannend en heel makkelijk geschreven, misschien juist wel omdat het vooral spreektaal is. In het midden zijn de brieven wel een beetje te veel van het goede: maar die kan je voor een groot deel overslaan als je er genoeg van krijgt!





Suzanne Smit, 2002


Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen