U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Christine Arnothy - Jai Quinze Ans Et Je Ne Veux Pas Mourir.
Deze versie komt van http://www.verslagen.com/index.php?page=boek_toon&boek_id=509 en is laatst upgedate op 30/11/-0001.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3907 woorden.

Het boek is geschreven uit de persoonlijke ervaringen van de schrijfster.



Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was zij vijftien en hield in die bange periode dat zijn moest schuilen en vluchten een dagboek bij, waarin zij alle ontberingen en verschrikkingen opchrijft. Een aantal jaren na de oorlog besloot zij er een boek van te maken.



Het boek telt 102 bladzijden en het verhaal begint in een een klein dorpje vlakbij Boedapest, Hongarije.



Eerste druk 1955



Samenvatting



Het loopt tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog. Christine, onze hoofdpersoon leeft in luxe, haar familie bezit zelfs meerdere huizen en ze had tot dan toe weinig last gehad van de oorlog. Natuurlijk wist ze wel van de verschrikkingen van de oorlog en dat hield haar ook wel bezig, maar echt ongerust is ze niet. Maar als de oorlogsdreiging ook voor Hongarije toeneemt en het er steeds slechter uit gaat zien, vallen de Duitsers binnen. Plotseling komt er een einde aan haar mooie, luxe leventje, want haar stad wordt gebombardeerd en bezet. Christine wordt gedwongen samen met haar ouders te schuilen in de schuilkelder van hun huis. Met haar familie in de kleine, benauwde schuilkelder is al een hele inperking van haar leven, die de oorlog veroorzaakt. Maar naarmate de situatie buiten in de loop van de tijd steeds maar verergerd komen er geleidelijk aan steeds meer mensen bij in de toch al kleine schuilkelder:



Ilus, een jonge vrouw met haar zes maanden oude baby, een 2de jaars medicijnstudent en die daarom ‘le docteur’ wordt genoemd. De vrouw van de kolonel, een weduwe, haar man een bankier was al eerder omgekomen, de procureur-generaal met zijn vrouw. De procureur-generaal is door een longontsteking erg ziek en meneer Radnai. Een oudere Joodse man en op de vlucht is voor de Duitsers. Alle zijn bekenden van Christine’s familie of andere bewoners uit Boedapest.



Het is onderhand propvol in de schuilkelder en door de situatie buiten, die het onmogelijk maakt om voedsel, water of medicijnen te halen, ontstaat er een tekort aan eigenlijk alles aan wat men nodig heeft om het leven in de schuilkelder nog enigszins draagelijk te maken. Zo ook aan privacy en bewegingsruimte. Door de gespannen situatie en constante dreiging ontstaan er al snel irritaties. De vrouw van de kolonel klaagt steen en been en voelt zich verheven boven ieder. Zij vind dat zij op alles het meeste recht zou moeten hebben. Er zijn echter ook nog de zieke procureur-generaal en de baby van Ilus. Meneer Radnai gedraagt zich erg koppig en de weduwe kan alleen om geld of haar sieraden geven. Dit maakt, zoals gezegd de situatie soms erg moeilijk en stressvol, zeker met de bombardementen die nog met enige regelmaat plaatsvinden. Het slechte vooruitzicht maakt dat Christine doodsbang is om te zullen sterven. Ze leert in die (korte) tijd wel erg veel over het leven, over mensen en vooral dat oudere mensen zich nog wel eens kinderachtig en opstandig kunnen gedragen. Ieder heeft alleen oog voor zijn eigen problemen, terwijl ze toch allemaal in hetzelfde schuitje zitten en er niet zo gemakkelijk uit zullen komen.



Gelukkig lijkt de situatie zich iets te verbeteren wanneer het Rode leger de Hongaarse soldaten te hulp schiet om tegen de Duitsers te vechten. Deze opluchting is echter van korte duur, want dit heeft tot gevolg dat de gevechten buiten heviger worden en de bombardementen toenemen.



Wederom lopen de spanningen tussen de kelderbewoners hoog op.







Als één van de vrouw luizen constateert en de nood erg hoog dreigt te worden, besluiten ze dat ze zullen proberen om bij het badhuis te komen om daar drinkwater in te slaan en zich te wassen, want naast de luizen is iedereen in de loop van de tijd ook behoorlijk vervuild geworden. Wanneer het buiten wat rustiger is geworden gaan ze. Eindelijk zijn ze, ondanks het dreigende gevaar weer even buiten. Overal om zich heen zien Christine en de andere bewoners van de schuilkelder de verwoestingen en destructie die de gevechten hebben veroorzaakt. Toch lijkt iedereen een stuk minder gespannen en enigszins opgelucht, met het feit dat ze weer even buiten kunnen zijn en het vooruitzicht van een verfrissend bad. Maar groot is de teleurstelling als ze bij het water een lijk vinden, dit maakt het water te gevaarlijk om erin te baden of als drinkwater te gebruiken. Ze gaan op zoek naar ander water en wanneer ze dat eindelijk vinden nemen ze dan ook enkele emmers water mee voor te drinken.



De situatie is iets verbeterd en hierdoor lijkt iedereen een stuk opgeluchter.



Dan verschijnt Pista. Hij is een Hongaarse soldaat en door zijn vrolijkheid is hij een enorme steun en toeverlaat voor de bewoners van de schuilkelder. Hij zorgt voor wat afwisseling in de ‘sleur’ die de oorlog met zich meebrengt en ook voedsel en melk voor de baby van Ilus zelfs en voor medicijnen voor de procureur. Christine merkt dat de groep, die eerst volslagen vreemdelingen voor elkaar waren en ieder met z’n eigenaardigheden, een stuk hechter is geworden en elkaar langzamerhand leert accepteren, al gaat dat niet altijd even goed, omdat ze nu toch eenmaal met elkaar zitten ‘opgescheept’.



Pista vormt ook het de enige hoop van Christine, ze vind dat ze zonder hem, zonder zijn opgewektheid en onbezorgdheid allang allemaal dood waren geweest. Maar Christine wil deze oorlog koste wat kost overleven, ookal wordt dit steeds moeilijker en accepteert ze meer en meer dat ze zou kunnen sterven. Maar ze is jong en heeft nog een heel leven voor zich.



Er komt een nieuw stelletje in de schuilkelder, Ève en Gabriel. Zij hebben hun oude schuilplaats moeten verlaten vanwege de bombardementen. In het begin zijn ze een beetje onwennig in hun nieuwe omgeving, maar iedereen in de schuilkelder zorgt er op zijn maniet voor dat de twee een beetje goed worden opgevangen. Pista vindt dat ze meteen moeten gaan trouwen. Hij en ‘le docteur’ (de medicijnstudent) besluiten om naar een winkel in de stad te gaan om daar een sluier te halen voor Ève. Ze zijn lang weg, te lang. Na een hele lange tijd komt ‘le docteu’ terug.



In zijn armen heeft hij Pista. Hij is dood.



‘Le docteur’ vertelt dat Pista en hij een sluier hadden weten te bemachtigen, maar op de terugweg stapte Pista op en mijn en overleed ter plekke.



Iedereen, maar bovenal Christine is aangeslagen door deze gebeurtenis. Hoe moet ze nu verder zonder haar held, haar hoop. Zijn levensvreugde en relativerende kijk op de verschrikkingen die de oorlog met zich mee bracht, zijn nu allemaal verdwenen. Nu lijkt het alsof alles alleen nog maar erger kan worden. En dat is ook zo. De Duitsers bombarderen de stad nu nog heviger als voorheen, de kelder stroomt over en, op een zeker moment vallen er Duitsers binnen, die hen beschuldigen van het stelen van eten.



De bewoners van de schuilkelder worden gedwongen naar uit de kelder te komen en naar buiten te gaan. Daar moeten ze in een rijtje op het plein te gaan staan, waar de Duitsers hen bedreigen en vernederen.



Dan doet zich een grote wending voor. De Sovjets komen en vallen de stad binnen. Bevrijding lijkt nabij. De Duitsers slaan massaal op de vlucht.



Iedereen in de kelder is opgetogen en vol verwachtingen wachten ze af.



Dan wordt er plotseling op de deur geklopt. Tot hun grote schrik zien de bewoners dat het Duitsers zijn, dezelfde Duitsers die hen kort ervoor nog hadden bedreigde.



De soldaten zijn wanhopig en doodsbang voor het Rode Leger. Ze vragen of ze wat gewone burgerkleding van de bewoners kunnen krijgen, omdat ze geen andere mogelijkheid zien om aan de Sovjets te ontkomen. De bewoners twijfelen, zijn onzeker en zijn het niet helemaal met elkaar eens wat ze moeten doen. Moeten ze de Duitsers in handen laten vallen van het meedogeloze Rode Leger, ze hun ‘verdiende loon’ laten krijgen, na alles wat ze hebben gedaan en aangericht ? Of moeten ze de soldaten helpen, want aan de andere kant; het zijn ook mensen, hebben ook recht op leven. Uiteindelijk wordt besloten dat ze de Duitse soldaten zullen helpen en ze geven hen wat burgerkledij.



Als blijkt dat alle Duitsers de stad uit zijn gevlucht en de stad nu geheel in handen is van de Sovjets, besluiten de bewoners zelf ook te vluchten. Ze hebben dan al twee hele maanden in die kleine, nauwe kelder gezeten, vaak in doodsangst en onzekerheid.



Ze gaan met de Sovjets mee op één van hun boten om zo de Donau over te steken.



Als er plotseling door de vluchtende Duitsers een pijler van een nabij gelegen brug wordt opgeblazen, komen Ilus en haar baby om het leven, hierbij sterft ook een Sovjet-soldaat.



Meneer Radnai wordt dan weer koppig en wil niet meer mee op de boot. De Sovjets dwingen hem en in de ruzie die ontstaat wordt meneer Radnai door een Sovjet-soldaat in zijn buik geschoten. Ook hij sterft.



Dat is voor de rest van de bewoners een enorme schok. Christine zegt er niets van, maar niemand had gedacht dat de Sovjets, hun bevrijders nog wel, zo geweldadig waren.



Christine had tot dan toe gedacht dat de Duitsers de vijand waren, maar nu ziet ze dat anders.



Vanaf dat moment gaan alle bewoners langzamerhand verder, hun eigen weg. Na ruim twee maanden met elkaar te hebben geleefd en te hebben overleefd, komt nu het afscheid.



Christine merkt hier hoe goed je in twee maanden iemand kunt leren kennen, al zijn goede en al zijn slechte eigenschappen. Toch valt het afscheid haar niet erg zwaar.



Na een poos gaan Christine en haar ouders terug richting Boedapest, om naar hun ouderlijk huis te gaan. Als bij hun oude huis aankomen zien ze dat het hele huis geplunderd en overhoop gehaald is.



Vervolgens gaan ze naar het hun buitenhuisje, om daar drie jaar lang te blijven.



Ondertussen is de oorlog afgelopen, maar de Sovjets zijn niet weggegaan. In Hongarije heerst nu het communisme en daarmee ook het stalinistische regime.



De ouders van Christine merken dat steeds meer van hun vrienden worden gearresteerd of gewoonweg verdwijnen. Ze beseffen dat Hongarije niet meer hetzelfde is en dat ze wederom gevaar lopen. Weer zien Christine’s ouders en Christine zich genoodzaakt te vluchten. Ditmaal voor hun zogenaamde ‘bevrijder’, waar ze drie jaar geleden nog zo blij meer waren.



Zelf mag ze niet weten waar ze naar toe gaan. Vermomd gaan ze naar een plaatsje vlak voor de grens van Oostenrijk. Een vriend van haar vader zal hen de



grens over zetten. Als ze eenmaal de Oostenrijks-Hongaarse grens over zijn vertrekken ze met de trein naar Wenen. Nu kan Christine eindelijk aan een nieuw leven beginnen, al zal het nooit meer zo zijn als vroeger.



Titelverklaring



‘J’ai quinze ans et je ne veux pas mourir’



Christine, de hoofdpersoon in het verhaal, is vijftien jaar als de Duitsers Hongarije bezetten en Boedapest bombarderen. Vanaf dat moment is iedere dag van haar leven een strijd om leven en dood geworden. Ze moeten schuilen in de schuilkelder van Christine’s huis, samen met wat andere bewoners van de stad. Opeengepakt in de schuilkelder leert ze de ontberingen kennen van een oorlog waar zij eigenlijk nog niks mee te maken heeft. Ze leert veel van het leven in de korte tijd dat ze daar zat. Omdat ze nog jong is en nog een heel leven voor zich heeft, heeft Christine de sterke wil om te overleven. Want ze is vijftien en ze wil niet dood.


De titel verwoordt één van de gedachtes die Christine heeft tijdens haar verblijf in de schuilkelder.



Genre



Het boek is autobiografisch en vertelt het verhaal van Christine, een Hongaars meisje van 15 jaar oud. Doordat in dit boek de werkelijke gebeurtenissen en belevingen van de hoofdpersoon zijn beschreven, is dit boek te bestempelen als een historische roman.



Hiernaast leren we ook alle gevoelens en gedachtengangen van Christine. We zien hoe ze alles van een afstand observeert en beschrijft, ogenschijnlijk alsof het haar niet deert.



Doordat we precies te weten komen wat ze voelt en denkt is dit boek ook een psychologische roman.



De Hoofdpersonen



Christine Arnothy



De schrijfster van het boek en tevens de hoofdpersoon. Wanneer de oorlog uitbreekt in Hongarije is zij 15 jaar en tijdens de bombardementen op haar woonplaats Boedapest moet ze met haar ouders en nog een paar mensen uit de stad schuilen in de schuilkelder onder haar huis. Naarmate de oorlog en de bombardementen voortduren leert ze de verschillende persoonlijkheden van de mensen in de kelder beter en beter kennen. Christine heeft een sterke wil om niet dood te gaan, maar naar mate de oorlog steeds langer duurt en de hoop op overleving vervliegt, accepteert ze de dood steeds meer en meer.



Tijdens haar ervaringen in de oorlog hield zij een dagboek bij, waaruit uiteindelijk dit boek is voortgekomen. In haar dagboek houdt ze alle gebeurtenissen en al haar gedachtes en gevoelens bij. Toen ze het meemaakte bekeek ze de gebeurtenissen alsof ze haar niet raakte, ze beschreef en observeerde vanaf een afstand. Ze oordeelt niet en veroordeelt ook niet.



Zo doet het haar ogenschijnlijk weing wanneer de Duitse soldaten op het plein haar bedreigen of wanneer Ilus, haar baby en meneer Radnai om het leven komen, maar om het leed van dieren geeft ze des te meer. Alleen de dood van Pista, de jonge, Hongaarse soldaat, haar laatste sprankje hoop, schijnt enige emoties bij haar los te maken.



Doordat we haar gedachtes en gevoelens weten uit haar dagboek, kunnen we haar bestempelen



Als een round-character.



Pista



Deze jonge Hongaarse soldaat kan gezien worden als de held van een deel van dit verhaal. Hij komt bij de bewoners van de schuilkelder terecht en door zijn onuitputtelijke vrolijkheid, opgewektheid en onbezorgdheid, is hij het laatste beetje hoop dat zij nog bezitten. Hij haalt voor hen allerleri eten, drinken en medicijnen. Bovendien is hij altijd vrijgevig en deelt zijn eten met de 'medebewoners'. Christine heeft veel respect voor hem en ziet hem ook als haar held.



Ze vraagt zich af hoe juist een soldaat zo veel vreugde in het leven kan hebben, terwijl er buiten een verschrikkelijke oorlog woedt. Als hij Ève een plezier wil doen om met de jonge medicijnstudent een sluier voor haar bruiloft te halen, trapt hij op de terugweg op een mijn en sterft. Iedereen is zeer aangeslagen door deze gebeurtenis.



We kennen zijn gedachtengangen niet, dus is hij een flat-character.



‘Le docteur’



Hij wordt de doktor genoemd, maar eigenlijk is hij 2de jaars medicijnstudent. Ziet er niet echt oud uit, omdat hij sproeten in zijn gezicht heeft. Met de weinige middelen die hij tot zijn beschikking heeft, probeert hij de zieke procureur-generaal en de andere zo goed mogelijk te verzorgen. Samen met Pista ging hij een sluier voor Eve halen, maar kwam met Pista dood op zijn arm weer terug. Van hem komen we in de rest van het boek weinig te weten.



Hij is een flat-character.



Meneer Radnai



Hij is een Joodse man die op de vlucht voor de Duitsers in de schuilkelder terechtkwam. Hij is een wat ouder, cynisch man, die soms ontzettend koppig kan zijn en niks doet als hij dat niet wil. Een paar keer in het boek loopt hij het gevaar te worden ontdekt, als Jood zijnde.



Aan het einde van het verblijf in de schuilkelder, wanneer de Duitsers zijn verjaagd en de Sovjets de stad hebben bevrijd, besluiten de kelderbewoners met de Sovjets mee te gaan, de Donau over te steken. Maar wanneer Ilus en haar baby omkomen, beluit hij dat hij niet mee wil met de Sovjets, en in de ruzie die daarop onstaat wordt hij in zijn buik geschoten door een Sovjet-soldaat en overlijdt. Ook hij is een flat-character.



Madame la Colonelle



Een ietwat ophooggevallen oudere dame. Binnen het gezelschap is zij niet er geliefd.



Ze denk aanvankelijk alleen aan haarzelf en duldt geen commentaar van andere. Zij doet vaak net alsof zij de baas is over iedereen en alles moet regelen. Bovendien verheerlijkt ze haar man.



Wat later in het verhaal draait ze wel enigszins bij en wordt socialer tegenover de anderen.



Zij is een flat-character.





Ilus



Een jonge vrouw van 36, die in haar eentje haar kind van zes maanden moet opvoeden. Zij probeert zo goed als mogelijk de moeilijke periode door te komen, maar voor haar is dit extra moeilijk omdat zij ook voor haar kind moet zorgen. Veel komen we niet van haar te weten, maar ze stelt zich sociaal en open op tegenover de ander bewoners. Wanneer de Duitsers vluchten en de bewoners van de kelder met de Sovjets meewillen, de Donau over, komen zij en haar baby om het leven door een instortende pijler van een brug, die nog wordt opgeblazen



door vluchtende Duitsers. Ook een flat-character.



De weduwe van de Bankier



Een rijke vrouw, klein en dik die al eerder in de oorlog haar man verloren is, en hierdoor veel verdriet en beklag heeft. Haar man was bankier, en daardoor heeft ze geleerd veel waarde te hechten aan geld. Bovendien heeft ze veel sieraden, die ze nu ze haar man heeft verloren, als haar belangrijkste bezit. Net als Madame la Colonelle voelt zij zich in het begin een beetje te goed voor de andere bewonerd, maar later, als de groep in levensgevaar is, staat ze haar sieraden af om niet te hoeven sterven en ook de anderen te laten sparen.



Ook zij is enigszins bijgedraaid. Net als vrijwel alle andere is ook zij een flat-character.



Ève en Gabriel



Als het verhaal al enigszins gevorderd is komt er nog een jong stel bij in de kelder, omdat hun oude schuilplaats constant onder vuur lag en te gevaarlijk werd en ze die daarom moesten verlaten. Ze zijn allebei erg onzeker van aard, zeker in het begin, maar ze worden goed opgevangen door de groep. Pista vind al snel dat ze moeten trouwen, nu het nog kan.



Eve wil graag een echte bruidsjurk, maar als Pista en ‘le docteur’ er één zullen gaan halen en Pista komt hierbij om het leven, voelt ze zich erg schuldig. Als zij niet graag een jurk had gehad, was Pista nu nog in leven geweest. Ze heeft het gevoel dat ze de andere bewoners hun hoop en vreugde heeft afgenomen. Door deze gebeurtenis krijgen we een beetje een beeld van de (schuld-) gevoelens van Eve, maar toch blijven ze allebei een flat-character hebben.



De procureur en zijn vrouw



Een wat ouder echtpaar, die zich vooral in het begin afzonderen. Hij heeft een ernstige longontsteking, maar krijgt goede verzorging van ‘le docteur’ en als Pista voor meer medicijnen zorgt, gaat het geleidelijk ook steeds beter met hem. Zij is een nogal vreemde vrouw en zegt vaak domme en rare dingen. Je krijgt de indruk dat ze een beetje in de war is, of misschien lijdt ook zij op haar manier onder de oorlog. Zij is Zwitserse, heeft een raar accent, en heeft een grijze pony.



Ideeen, Thematiek en Motieven



Het thema achter het verhaal is de belevenis van de 15-jarige hoofdpersoon tijdens de bezetting van Hongarije in de Tweede Wereldoorlog.



We lezen wat zij 60 jaar geleden heeft opgeschreven en daadwerkelijk heeft meegemaakt.



Deze tijd brengt ze het eerste deel van de schuilkelder, onder haar ouderlijk huis. Deze speelt dan ook een belangrijke rol in het verhaal. Alles wat zich in het begin van het verhaal afspeelt, speelt zich hier af.



Belangrijk in het verhaal is dat Christine merkt dat haar luie, luxe leventje over is nu de oorlog zo dichtbij is gekomen. Zij komt nu in een klein keldertje te zitten, met nog een flink aantal andere mensen, die ze niet of nauwelijks kent. Hier wordt ze geconfronteerd met verschillende persoonlijkheden, die, onvermijdelijk ook met elkaar in conflict raken. Soms om de meest onbenullige dingen. Christine vraagt zich af hoe volwassen mensen zich over kleine dingen of conflicten zich zo kinderlijk kunnen gedragen. Misschien is het gezien de situatie wel begrijpelijk, maar voor haar was het toch verwonderlijk. Hoe dan ook, het feit blijft dat ze het met ze allen zullen moeten zien uit te houden en proberen te overleven, zo goed en zo kwaad als het gaat.



Christine beschrijft in haar verhaal gek genoeg alleen de feiten op over zaken die normaal zeer aangrijpend en emotioneel zijn, zeker voor een jong kind. Zo lijken leed, pijn, dood, vernedering en haat haar niet te deren. Ten minste voor wat betreft mensen.



Het leed van dieren kan ze werkelijk niet verdragen.



Ruimte



Het verhaal speelt zich ten eerste af in een dorp aan de rand van Boedapest, Hongarije, midden – laat Tweede Wereldoorlog.



Hongarije raakt verwikkeld in de oorlog en Christine moet met haar ouders haar toevlucht zoeken in de kelder onder haar ouderlijk huis. Hier speelt een groot deel van het verhaal zich ook af. In de twee maanden die ze daar doorbrengt komen er nog andere mensen bij, maar zo vervuild de kelder ook langzamerhand. Tot overmaat van ranp overstroomt deze ook nog eens enkele keren. Mensen kunnen zich niet wassen en een behoefte doen is ook vrij lastiger.



Er is weinig privacy en bewegingsvrijheid.



Sommige gebeurtenissen spelen zich af op de onveilige straten in het verwoeste Boedapest.



Al naargelang de oorlog vordert en de Duisters wegvluchten voor het Rode Leger krijgt het verhaal een grotere speelruimte.



De dood van Ilus, de baby en meneer Radnai vinden plaats bij de boten van de Sovjets, die klaarliggen om de Donau over te steken.



Vervolgens 'schuilen' ze dan voor drie jaar in een buitenhuisje vlakbij de Donau.



Het Stalinistische regime vormt nu de dreiging en maarmate de dreiging te groot wordt, besluiten de ouders van Christine weer te vluchten. Een vriend van de Christine’s vader smokkelt hen over de grens van Oostenrijk



Christine heeft haar hoop nog niet verloren en gaat nu een heel nieuw leven beginnen in Frankrijk.



Tijd



Het boek speelt zich af rond 1943 –’44, midden in de Tweede Wereldoorlog, wanneer de Duisters Hongarije binnenvallen.



In de twee maanden daarna verblijft Christine met haar familie in de schuilkelder.



Deze periode wordt in het boek het meest uitvoerig beschreven.



Want na deze periode, wanneer de Tweede Wereldoorlog tegen het einde loopt, verblijft Christine nog drie jaar lang in een buitenhuisje van de familie, vlakbij de Donau.



Deze periode wordt echter zeer vluchtig en oppervlakkig beschreven.



Perspectief en Vertelsituatie



Het verhaal is geschreven vanuit een ik-perspectief, Christine.



Alles wat er gebeurd in het verhaal zien we door haar ogen en we krijgen slechts inzicht in andere door wat er over hen wordt verteld, of zelf vertellen, of wat Christine denkt.



We zijn deelgenoot van haar gedachtes en gevoelens. Dit is de meest voorname reden waarom zij als enige in het boek als een round-character gezien kan worden.



We zien hoe bang ze is, niet alleen vanwege de bijna constante dreiging, maar vooral hoe bang ze is te zullen sterven. Want ze wil niet sterven, ze heeft nog een heel leven voor zich, vindt ze zelf. Zoals al eerder gezegd zijn haar emoties nogal vreemd.



Zij geeft niets of weinig om menselijk leed, maar des te meer omdat van dieren.



Persoonlijk Mening



Ook voor dit boek geldt dat het, eerlijk gezegd alweer een tijdje geleden is dat ik dit boek grondig heb gelezen. Ik ben van mening dat het boek een mooi verhaal bied over de belevenissen van een kind in Hongarije, tijdens de oorlog.



Opmerkelijk vind ik dan ook, ondanks het feit dat zij slechts nog een jong meisje was, het feit dat zij veel gebeurtenissen, die veel mensen als aangrijpend zouden ervaren, zo feitelijk en zonder veel gevoelens of emoties weet op te schrijven. Vreemd is ook om te zien hoe zij niet over anderen, goed of fout, durft te oordelen.



Ik zou dit boek aan iedereen willen aanraden om toch eens te lezen, omdat het heel mooi toen hoe een jong kind, of jong volwassene, zo’n afgrijselijke oorlog ervaart.



Taalgebruik is niet moeilijk en meestal zeer goed te begrijpen.



Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen