U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Theo Thijssen - Kees De Jongen.
Deze versie komt van http://www.studentsonly.nl/uittreksels/bv.asp?BvID=239 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2692 woorden.

Bibliografie
Groningen, Wolters-Noordhoff
Oorspronkelijke uitgave: Bussum, Agathon, 1923


Samenvatting
4. Vertelsituatie
De proloog is in de auctoriale ik-verteller geschreven. Hier neemt de verteller het woord over het verhaal.
Daarom: niemand schijnt over Kees te willen schrijven, dan zal ik het doen. Ik ben wel blij, dat ik hem gekend heb: want ik weet het maar al te goed: als alles een beetje anders gelopen was, dan zou iederéén trots zijn op z’n bekendheid met Kees, de belangrijke jongen. Laat ik dan maar de enige zijn, die er nu al trots op is, hem goed gekend te hebben. (Blz. 5 r. 17-21)
Het is aan de lezers, dat ik met een knipoogje dit rare boek opdraag. (Blz. 5 r. laatst)
De rest van het verhaal wordt verteld vanuit de ogen van Kees.
Wanneer was Kees eigenlijk begonnen met postzegels? ‘t Scheen hem toe, als hij zo z’n herinnering naging, dat-ie altijd postzegels had gehad. Nederlandse, en buitenlandse die toch niets waard waren, die de jongens toch weggooiden, die had hij in een blikken doosje bewaard. En later had-ie ze in een oud notitieboekje geplakt, elk land apart. Dat wist’ie nog best: Spanje en Portugal had-ie op één blaadje, en op dat blaadje had een hele tijd één spaanse gestaan, die eigenlijk nog beschadigd was. In het blikken doosje had-ie toen z’n ‘dubbelen’ - helemaal zowat niks natuurlijk. Als ze hem op school vroegen: ‘Spaar je óók postzegels op,’ dan zei hij altijd maar ‘Nee hoor,’ maar ondertussen, hij deed het wél, en op een dag had-ie d’r toch al honderd, allemaal verschillend en onbeschadigd. (Blz. 102 r. 1-13)
Uit het gedeelte Dat wist’ie nog best blijkt dat Kees het op latere leeftijd vertelt.
In dit citaat krijgt men de gedachten van Kees te zien. Hij is een soort kijker voor de lezer.
Hij spreekt ook tegen de lezer.
En dan had je de valse postzegels. Daar moest je altijd voor oppassen. (Blz. 103 r. 16-17)
Dus is er sprake van een achteraf vertellende ik-verteller.


5. Personages
5.1 Hoofdpersoon
De hoofdpersoon is Kees Bakels. Hij is twaalf jaar oud. Zijn vader is schoonmaker. Verder heeft hij een zusje, Truus, van elf en een klein broertje, Tom. Kees fantaseert over vele dingen. Hij fantaseert dan dat hij een held zou zijn. Maar meestal lopen de gebeurtenissen die volgen op een desillusie af.
Kees wil altijd goed voor de dag komen. Daarom hecht hij ook veel waarde aan zijn kleding. Maar omdat zijn ouders niet erg rijk zijn, krijgt hij altijd oudere kleding te dragen. Hij draagt altijd een pet, zoals vele andere in zijn tijd.
Verder wil Kees mensen helpen. Hij doet vaak boodschappen voor zijn ouders. Ook wil hij buitenlanders in Amsterdam helpen. Tevens heeft hij de ‘bel’ op school. Hij moet dan als de bel van de school gaat, de deur openmaken.
Hij wordt op school altijd met Bakels aangesproken. Kees voelt zich meer dan de andere in de klas. Maar hij is ook wel een van de betere van de klas. Hij vindt de andere mensen, maar stommelingen.
Hij spaart postzegels. Verder heeft hij de zwembadpas ingevoerd. Dit is een manier van lopen, die vele malen sneller gaat.

5.2 Bijpersonen
Verder spelen er nog een klein aantal personen een bijrol.
Rosa Overbeek is een meisje dat bij Kees in de klas zit. Ze is anders dan de andere kinderen, omdat ze zich verheven boven de rest gedraagt, net als Kees. Ze heeft als enige van de klas een schooltas. Ze heeft mooi krullend haar. Haar vader is stuurman.
Vader Bakels is de vader van Kees. Hij is schoenmaker. De winkel loopt niet erg goed. Ook is hij vaak ziek. Steeds is het erger, totdat hij overlijdt. Hij is erg zuinig, maar als Kees iets heel erg graag wil, krijgt hij dat ook.
De moeder van Kees is een vrouw die voor het huishouden zorgt. Tevens let ze op de winkel als haar man ziek is. Als haar man overleden is, verhuist ze met de familie, naar een kleiner huis. Daar wordt ze vertegenwoordiger in thee en koffie. Verder naait ze erbij.

5.3 Samenhang personages
Kees kijkt op tegen Rosa. Dit wordt gesymboliseerd door het verschil in beroepen van de vaders. De vader van Rosa is stuurman. Iets wat bij Kees en zijn vrienden hoog in het vaandel staan. De vader van Kees is schoenmaker. Hij doet dus werk ‘laag’ bij de grond. Dus dit is minder belangrijk.


6. Ruimte

6.1 Fysische ruimte
Kees woont in Amsterdam. Eerst in een vrij groot huis Met een tuin. Voor in het huis is de schoenenwinkel. Hij heeft er een kamer met de kinderen. Op een gegeven moment komt ene mevrouw Dubois bij hen inwonen. Dit geeft dus aan dat het een relatief groot huis was. De kinderen spelen vaak op straat.
Als vader overleden is, verhuizen ze naar een klein huisje op de eerste verdieping in een mindere buurt. Daar hebben ze maar drie kamers.0

6.2 Psychische ruimte
Het verhuizen van het grote naar het kleine huis, geeft aan dat het financieel minder gaat. Ze kunnen het grote huis niet meer betalen. Het is eigenlijk verdeeld in twee stappen.
Eerst komt mevrouw Dubois inwonen. Hier ontvingen zij geld.
Ten tweede verhuizen ze naar een kleiner huis, zodat ze minder huur hoeven te maken.

6.3 Zintuiglijke waarnemingen
Kees fantaseert zeer veel. Hij fantaseert dan dat dingen die hij doet, heel goed gaan. Verder hoort hij muziek, die er niet is. Deze geven zijn stemming aan. Bijv.
Maar weldra was het hem, alsof hij muziek hoofde. Blijde, schallende muziek, een juichende mars was het, die in hem klonk; en hij kwam stevig in de maat te lopen. En op de stille, donkere gracht liep hij als een aanvoerder aan het hoofd van een overwinnend leger, trots en zeker en gelukkig, de daverende muziek in zijn hoofd. (Blz. 356 r. 7-12)


7. Tijd

7.1 Historische tijd
Het verhaal speelt zich af rond het einde van de vorige eeuw.

7.2 Verteltijd
De verteltijd is 356 bladzijden.

7.3 Vertelde tijd
Het verhaal wordt chronologisch verteld, omdat Kees steeds ouder wordt. De lezer volgt het leven van Kees.

7.4 Vertraging/versnelling
Het verhaal bestaat uit een aantal beschrijvingen. Bijvoorbeeld over de hobby’s van Kees. Hier staat de tijd eigenlijk stil. Verder worden er een aantal momenten uit de jeugd van Kees genomen. Deze worden redelijk vertraagd verteld, omdat ‘een verre boodschap’ meestal in ongeveer 10 bladzijden verteld wordt. Tussen deze momenten zit meestal een lange tijd, van ongeveer enkele weken tot een paar maanden.


8. Motieven

8.1 Fantasie
Kees fantaseert een hele boel. Elke keer als hij een boodschap moet doen fantaseert hij hoe het zal aflopen. Hij fantaseert dan meestal dat hij als een held, of een hele slimme jongen wordt voorgesteld. Maar meestal loopt het allemaal op een desillusie af.
Kees stelt zich voor dat hij Rosa naar pianoles brengt en ze ondertussen gezellig kletsen. En dat terwijl Rosa al een hele tijd niet op school geweest is. (Parafrase blz. 70-71)
Kees stelt zich voor dat hij er als een edelman uitziet en de klasgenoten als boeren. Verder dat hij kalm en rustig antwoord geeft op alle vragen. (Parafrase blz. 90)
Als ze hem op school vroegen:’Spaar je ook postzegels op,’ dan zie hij altijd maar ‘Nee hoor,’ maar ondertussen, hij deed het wél, en op een dag had-ie d’r toch al honderd, allemaal verschillend en onbeschadigd. (Blz. 102 r. 8-13)
En langzamerhand kreeg Kees schik in de nooit geziene Kaapse postzegels; hij bedacht allerhande manieren, om er aan te komen. Bij voorbeeld. Met oue jaar moest-ie misschien een fles wijn halen. Kon-ie best wat harder lopen, en helemaal naar de winkel van De Veer gaan. Was-ie feitelijke klant. Wou de juffrouw wat toegeven. Een kalender of zo. Hebt u misschien geen schuine Kaapse postzegel voor me. Ging ze ‘es vragen. Kwam De Veer z’n vader lachend naar voren en zei: ‘Nou, jij weet ook wel wat je vraagt. Maar enfin, hier!’
En dan had-ie d’r een.
Of, hij kwam net de Voorburgwal langs, etc. (Blz. 107 r. 11-21)
Dit is een leidmotief, omdat het buiten het verhaal geen betekenis heeft.

8.2 Het schaakbord
Als Kees op school een prijs mag kiezen, denkt hij lang na over wat hij vragen zal. Uiteindelijk kiest hij voor een schaakbord.
‘Ik denk, dat ‘k een schaakspel kies,’ zei Kees de volgende dag in vertrouwen tegen de jongen naast ‘em. (Blz. 127 r. 23-24)
Maar nu kwam hij gauw.
‘Bakels, wat jij.’
Kees ging rechtop zitten. Hij slikte even. Toen liet-ie z’n stem los: ‘Scháákspel!’
Hij voelde de ontroering om zich heen. Wat had-ie gevraagd, wat?
De meester keek op; bekeek z’n pen eens.
‘Een schaakspel?’ vroeg-ie toen, Kees half-lachend aankijkend.
Kees, ineens sprakeloos, knikte. (Blz. 130 r. 3-13)
Weer fantaseert Kees. Hij fantaseert op bladzijde 141 dat hij bij de prijsuitreiking alleen de schaakstukken krijgt. De heren die het uitdelen vinden dat zonde. Daarom mag Kees met een van de heren mee naar huis. Als hij daar komt krijgt hij een schaakbord. Meteen wordt de heer met zijn familie klant van de winkel van de vader van Kees.
Het schaken was eigenlijk ’n beetje mislukt. Pa wist er wel nog ‘n hoop van, maar één ding was-ie vergeten: hoe die paarden precies sprongen. En toen oom Dirk ‘es een keer helpen zou, was die ook niet zeker van zijn zaak. Hij zette zelfse de raadsheren op de plaats waar volgens pa de paarden moesten staan. (Blz. 170 r. 5-9)
Het schaken staat volgens Kees gelijk aan wijsheid. Het is een teken van beter zijn dan de rest. Dit is iets wat Kees altijd al wilde zijn.
Het schaakspel is een leidmotief, omdat het buiten het verhaal geen betekenis heeft. Misschien ligt er in dit motief een link met de Athur-romans.

8.3 Postzegels
Kees spaart postzegels.
Wanneer was Kees eigenlijk begonnen met postzegels? ‘t Scheen hem toe, als hij zo z’n herinnering naging, dat-ie altijd postzegels had gehad. Nederlandse, en buitenlandse die toch niets waard waren, die de jongens toch weggooiden, die had hij in een blikken doosje bewaard. En later had-ie ze in een oud notitieboekje geplakt, elk land apart. Dat wist’ie nog best: Spanje en Portugal had-ie op één blaadje, en op dat blaadje had een hele tijd één Spaanse gestaan, die eigenlijk nog beschadigd was. In het blikken doosje had-ie toen z’n ‘dubbelen’ - helemaal zowat niks natuurlijk. Als ze hem op school vroegen: ‘Spaar je óók postzegels op,’ dan zei hij altijd maar ‘Nee hoor,’ maar ondertussen, hij deed het wél, en op een dag had-ie d’r toch al honderd, allemaal verschillend en onbeschadigd. (Blz. 102 r. 1-13)
Er hingen in de winkels ook vellen papier met postzegels, de prijs er onder. Was altijd om je dood te lachten: de gewoonste postzegels voor twee of drie cent. Hij had wel ‘es zin gehad, om zo’n winkel in te gaan, en te zeggen: die franse van tien, die daar hangt, voor twee cent, daar wil ik er u vijf-en-twintig van bezorgen voor één cent, graag hoor! (Blz. 103 r. 6-11)
En langzamerhand kreeg Kees schik in de nooit geziene Kaapse postzegels; hij bedacht allerhande manieren, om er aan te komen. Bij voorbeeld. Met oue jaar moest-ie misschien een fles wijn halen. Kon-ie best wat harder lopen, en helemaal naar de winkel van De Veer gaan. Was-ie feitelijke klant. Wou de juffrouw wat toegeven. Een kalender of zo. Hebt u misschien geen schuine Kaapse postzegel voor me. Ging ze ‘es vragen. Kwam De Veer z’n vader lachend naar voren en zei: ‘Nou, jij weet ook wel wat je vraagt. Maar enfin, hier!’
En dan had-ie d’r een.
Of, hij kwam net de Voorburgwal langs, etc. (Blz. 107 r. 11-21)
Postzegels zijn heel belangrijk voor Kees. Ze zijn een soort identiteit voor hem. Hoe meer, en hoe duurdere hij heeft, hoe hoger zijn status.
Postzegels is een leidmotief, omdat het buiten het verhaal geen betekenis heeft.


9. Thema
Het thema van Kees de Jongen heeft te maken met het willen hebben van een status in de maatschappij. Kees doet er alles aan om goed voor de dag te komen en een goede indruk te maken. Hij fantaseert altijd dat dit gebeurt, maar in feite gebeurt dit nooit.
Verlangen moet men koesteren als verlangen, en niet als realiteit.
(Dit is hetzelfde thema als Spookliefde van Vonne van der Meer.)


10. Samenvatting
Samenvatting overgenomen uit
Jos Paardekooper,
Analyse en samenvatting van literaire werken, Theo Thijssen, Kees de Jongen, (1993)
Laren, Walva-Boek
(Proloog) In de Proloog stelt de schrijver aan de lezer Kees Bakels: ‘zowat de belangrijkste jongen (..) die er ooit heeft bestaan’. En het kan zijn, dat sommige lezers zich op den duur zullen herinneren dat ze Kees ook gekend hebben.
(1) Toen Kees nog een kleine jongen was, heeft hij, zoals hij zelf zegt, verscheidene ‘stomme streken’ uitgehaald. Maar dat is nu verleden tijd. Overdag en ‘s avonds zit hij op school, en als hij wel eens een boodschap moet doen voor de meester, verbeeldt hij zich dat alle mensen naar hem opkijken. Van een vriendje dat op gymnastiek zit, heeft hij een speciale manier van lopen geleerd, waarmee je veel sneller vooruit kunt komen, bijvoorbeeld naar het zwembad. Daarom heet die looppas de zwembadpas.
(2) Er is een nieuw kind in de klas gekomen: Rosa Overbeek. Ze is duidelijk anders dan de andere meisjes, dat heeft Kees gauw gezien. Ook heeft hij gemerkt dat Rosa speciaal op hem let. Tijdens een gymles wordt hij door een buurvrouw van school gehaald. Zijn vader is plotseling ziek geworden, en Kees wordt erop uit gestuurd om medicijnen te halen. Op den duur mag hij ook allerhande belangrijke opdrachten voor vader doen.
(3) Ook moet Kees zijn tijd regelmatig verdelen tussen allerlei karweitjes, zoals het oppassen op zijn jongere zusje Truus en zijn broertje Tom, en het spelen met zijn eigen vrienden.
(4) Als hij op de Dam het standbeeld van de Hollandse Maagd ziet, en daarbij al die nietsnutten die hun tijd zitten te verdoen met ‘straatslijperij’, wordt hij aangesproken door een heer die hem in het Frans de weg vraagt. Kees komt helaas niet verder dan ‘Ja oewie’, en de heer wordt door een van de straatslijpers de weg gewezen. Dan stelt hij zich voor dat hij een vereniging zou oprichten van flinke jongens die Frans geleerd hebben, zodat ze vreemdelingen in hun eigen taal de weg kunnen wijzen.
(5) Wanneer het op een mooie zomeravond doodstil is in huis, wordt Kees bang dat zijn ouders dood zijn. Het ergste is nog dat de kinderen ondertussen in bed lol hebben gemaakt. Als hij gaat kijken, blijken zijn ouders gewoon aan de deur te staan praten met de buren.
(7) Rosa Overbeek is al een hele tijd niet meer op school geweest. Misschien is ze wel ziek. Kees fantaseert dat hij erop uit gestuurd zal worden met een briefje namens de hele klas.
Als hij weer ‘een verre boodschap’ heeft moeten doen, hoort hij uit een deftig huis aan de Vondelstraat muziek klinken. Als hij merkt dat de musicerende dames hem hebben gezien, blijft hij extra lang naar de muziek luisteren; misschien wordt hij wel binnen genodigd, en zo ontdekt als viool-talent.
Ondertussen kan hij zijn gedachten over Rosa’s mogelijke ziekte niet van zich af zetten. Misschien gaat ze wel dood. Namens de klas mag Kees dan de krans leggen op het kerkhof.
(18) Met de winkel gaat het steeds slechter: er is te weinig klandizie. Er wordt, om aan wat extra inkomsten te komen, een juffrouw op kamers genomen.
(20) Tot overmaat van ramp gaat het met vader ook steeds verder achteruit, totdat hij uiteindelijk aan tuberculose overlijdt.
(25) De winkel wordt van de hand gedaan, het gezin verhuist naar een nog kleinere woning, moeder moet er een agentschap in thee bijnemen, terwijl ze ‘s avonds naaiwerk verricht, wat op den duur haar humeur ook niet ten goede komt.
(27) Met Sinterklaas kunnen er geen andere cadeautjes af dan wat tweedehands spullen die toch al gekocht waren. Langzaamaan doet de armoede zich overal voelen.
(29) Kees merkt dat hij zijn moeder moet bijstaan, en besluit, een paar maanden voordat hij de school zou afmaken, een baantje te nemen als jongste bediende bij de firma waar moeder voor werkt. Moeder gelooft hem eerst niet, is er dan op tegen, maar legt er zich tenslotte bij neer.
(30) Wanneer Kees beseft dat hij nu echt van school af gaat, overvalt hem toch een gevoel van weemoed en eenzaamheid. Hij stort zijn hart uit bij Rosa, die hem zoent en haar arm om hem heen slaat. Als ze uit het zicht is verdwenen, loopt hij versuft naar huis. Maar onder het lopen hoort hij blijde, schallende muziek klinken, en voelt hij zich een overwinnaar, een jongen, ‘die alles zou kunnen, nu hij eenmaal begonnen was’.


12. Mening
Mooi boek, omdat je je zo goed kan inleven in de persoon.
Reacties en/of vragen:
stijn.klaassen@tip.nl


Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen