U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Albert Alberts - De Vergaderzaal.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=4972 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1664 woorden.

Bibliografische gegevens.
Auteur: A. Alberts
Titel: De vergaderzaal
Plaats: Amsterdam
Jaar: 1975
Eerste druk: 1974
Opdracht: Aan Geert van Oorschot, de geduldigste en lankmoedigste, kortom de Griseldus onder de uitgevers.

Samenvatting.
De hoofdpersoon in dit boek is de heer Dalem. De heer Dalem is een zakenman die werkt op een kantoor. Dalem komen we voor het eerst tegen wanneer hij op weg is naar een vergadering, bij de lift heeft hij een beleefdheidsgevecht met een ander bestuurslid. Het ging erom wie het eerst in de lift stapte. Na wat gekletst te hebben begon de vergadering. Tijdens de vergadering werd Dalem onwel, hij kreeg een vreemd gevoel in zijn hoofd en de andere bestuursleden waren het ene moment ‘ver weg’ en het andere moment weer ‘dichtbij’. Even later verliet hij de vergaderzaal voordat de vergadering was afgelopen, hij zei dat hij hoofdpijn had. De conciërge vroeg of hij water en een aspirientje moest halen, Dalem stemde in en de concierge liep naar boven om het aspirientje te halen. Toen de conciërge even later terug kwam maakte hij een grapje. Dalem moest heel lang heel hard lachen en toen sloeg zijn stemming ineens om. Hij vroeg heel serieus: ‘waar is de aspirine?’. De conciërge zei dat hij die in een buisje had zitten en hij zei dat hij ze maar niet alle tien zou geven. Nu moest Dalem weer heel hard lachen en plotseling sloeg zijn stemmin weer om, hij zei dat het boven erg licht vond. Beneden vond hij het donker. Dalem dronk alleen het water op en hij vergat het aspirientje in te nemen. Toen de conciërge weg liep, prikte hij hem in zijn rug. Toen Dalem het gebouw verliet bleef hij naar het bovenlicht kijken.
Buiten deed Dalem ook vreemd en hij ging naar zijn kantoor. Hij deed vreemd tegen zijn secretaresse en besteld twee karbonades met brood. Hij deed ook weer gek tegen zijn boekhouder en zijn procuratiehouder. Later ging hij naar een vergadering waarvan hij niet wist waar hij gehouden werd, hij zou het wel vinden, zei hij.
Nu schakelt het verhaal opeens over naar het café van Spaan. Hier is het bestuur van de buurtvereniging bij elkaar gekomen. Het bestuur is boos op de gemeente omdat deze een aantal gebouwen wil gaan afbreken.
Toen kwam Dalem binnen, hij vertelde dat hij in de krant had gelezen dat er een vergadering werd gehouden. Hij dacht dat hij daar ook naartoe moest. Hij maakte zich onmogelijk en hij vertrok. Buiten hield hij zomaar een fietser tegen en hij liep weer verder. Hij kwam in een volkstuintje en ging op een bankje zitten. Hij verbeelde zich dat de hele vergadering uit het begin van het verhaal zich weer opnieuw op een andere manier afspeelde. Toen het flink ging regenen schuilde hij samen met een man die langs kwam fietsen onder een afdakje van een tuinhuisje. Later ging hij weer naar de stad. Hier ontmoette hij twee dronken mannen, ze gaan een café binnen en ze drinken en eten wat. En later vertrekt Dalem, Dalem wilde plotseling gaan varen.
Aan de rand van de stad, aan zee, staat een ziekenhuis. Hier woonde vroeger de familie van Dalem. In het stuk tekst wat je in dit gedeelte van het boek leest zie je hoe Dalem tot zakenman gebombardeerd werd. Ook lees je dat het ziekenhuis vroeger eigendom was van de familie van Dalem Bij de ingang wordt Dalem, omdat hij wat vreemd aan kwam wandelen, binnengesluisd door de portier, toen de zusters kwamen rukte hij zich los en sprong hij zomaar in zee.

Na een lange tijd ziek geweest te zijn kondigde hij aan dat hij weer op een vergadering zou verschijnen. De bestuursleden vertrouwden het niet helemaal. “Toen hij op de stoep stond en naar binnen keek, deden ze allemaal een stap terug.”

Vertelinstantie.
In dit boek is er sprake van de auctoriale vertelinstantie. Enkele voorbeelden:
· Pagina. 5: ”De secretaris stond bij het hoekraam van de vergaderzaal en keek naar buiten. Hij hoorde hoe achter zijn rug de conciërge bezig was blocnotes en potloden over de tafel te verdelen. Hij hoorde de conciërge vragen: Denkt u dat de zeven heren zullen komen? Hoe kan ik dat weten, zei de secretaris.”
· Pagina 7:’Ik zal wel een paar straalkacheltjes laten halen, zei de secretaris. Hij ging de vergaderzaal uit, de twee trappen af naar beneden, naar zijn eigen kamer. Hij nam de telefoon en belde en belde de conciërge op. Hij zei: Dadelijk twee straalkacheltjes in de vergaderzaal brengen, maar zet ze niet te dicht bij mij in de buurt.”

Personages.
De heer Dalem: dit is duidelijk een round character. Dit omdat er veel karaktertrekken vermeld worden, door het hele verhaal heen. Ook treed er vaak karakterverandering op. Dalem is “door het toeval van geboorte en dood” tot zakenman gebombardeerd wat hem bijna noodlottig wordt. Dalem is een nerveuze man die een tijdelijke geestelijke afwijking krijgt in dit verhaal, hij gedraagt zich vreemd tegenover andere personen. Zijn uiterlijk wordt niet beschreven.

Over andere personen in dit verhaal kan ik weinig vertellen, deze zijn vaag en onbelangrijk.




Ruimte.
Een van de belangrijkste ruimtes in dit verhaal is de vergaderzaal. Hier wordt Dalem onwel en hier liggen al zijn belangen. De vergaderzaal is op de vierde verdieping en het heeft een hoekraam. In de vergaderzaal staat en tafel met stoelen eromheen.

Tijd.
De verteltijd is 78 pagina’s verdeeld in 9 hoofdstukken. Het verhaal is chronologisch en in medias res verteld.

Motieven.
Een leidmotief in dit verhaal is de rijksdaalder, deze komt voor op de volgende plaatsen:
Inleiding van dit motief pag. 9: “…we zitten alle twee om tien uur te wachten op een bank in de gang en dat duurde maar en dat duurde maar. Ik zeg tegen zo’n bode dat we haast hebben. Hij zegt dat het nog wel even kan duren. De oude heer wordt kwaad, staat op en geeft die vent een rijksdaalder en zegt: En nou wil ik binnen de minuut geholpen worden. Enfin, geen minuut later zitten we alle twee in het kantoor van de meneer die onze zaken daar behandelt. De man zit achter zijn bureau en zegt heel vriendelijk: Dag meneer van Dussen, dag meneer van Beuzekom, ik stel het erg op prijs dat u zich vrij heeft kunnen maken om ons enige inlichtingen te kunnen geven. En bom eroverheen zegt de oude heer: Ik doe geen bek open voor ik mijn rijksdaalder terug heb”
Pag. 24: “Hoofdpijn? vroeg de secretaresse. Meneer Dalem keek haar aan en zei niets.
Wat akelig, zei de secretaresse. Hoofdpijn zei meneer Dalem. Helemaal geen hoofdpijn.
Kiespijn dan, zei de secretaresse..
Hahahaha, lachte meneer Dalem. Die is goed zeg. Die is verdraaid goed. U kunt ermee terecht, juffrouw. Hij werd plotseling stil en legde zijn hand op zijn voorhoofd. Hij zei: Hoe zit dat ook weer met die rijksdaalder.
Welke rijksdaalder? vroeg de secretaresse.
Stil, zei meneer Dalem. Stil. Stil!”
Pag. 39: ”Secretaris, lees de agenda voor. Meneer Beuzekom moet een rijksdaalder betalen! riep de secretaris.”
Pag. 58: “We beginnen ondertussen met de agenda. De agenda kost een rijksdaalder. Willen de heren misschien iets gebruiken?”
De betekenis van dit leidmotief is volgens mij dat geld je helemaal gek kan maken want Dalem heeft het steeds oven een rijksdaalder wanneer hij weer een ‘aanval’ krijgt.

Een verhaalmotief in dit verhaal is psychische gestoordheid, in andere woorden: gekte. Dit komt heel vaak voor. Enkele voorbeelden:
Pag. 18: “Ik zal ze u maar niet alle tien geven, hè? Hahaha. Hahaha, lachte meneer Dalem. Hahaha. Hij brak zijn gelachplotseling weer af. Hij zei: Het is boven zeker erg licht, hè?”
Pag. 24: “Spoedvergadering zei meneer Dalem. Wat vervelend dat u zich nu niet goed voelt, zei de secretaresse. Niet goed, zei meneer Dalem. Kunt u niet weg blijven? vroeg de secretaresse.
Zou u denken? Vroeg meneer dalem. Zou u denken dat ik weg zou kunnen blijven? Natuurlijk, zei de secretaresse. Wie moet ik bellen. Vooral niemand bellen, Ik wil eten. Gaat u in de stad eten? vroeg de secretaresse. In de stad eten, zei meneer Dalem. Of zal ik wat laten halen? vroeg de secretaresse. Laten halen? vroeg meneer Dalem. Ja dat is prachtig, dat is werkelijk prachtig. Dan hoef ik niet naar buiten.
En dan kunt u nog altijd zien hoe u zich voelt, zei de secretaresse.
Ja, zei meneer Dalem, hoe ik mij voel.
Wat wilt u eten? Vroeg de secretaresse. Karbonaden, zei meneer Dalem. Twee karbonaden. Ik heb een geweldige honger. Honger. (…) Ik zal het hier laten brengen, zei de secretaresse. Ja hier, zei meneer Dalem. Vooral hier. Niet buiten.”
Pag. 59: “Drie karbonades, zei de kelner. Hij zette de borden neer voor de dikke man, de vriend en Meneer Dalem. Hij legde er vorken en messen naast. Honger zei meneer Dalem. Hij pakte zijn karbonade met beide handen beet en begon te eten. Het bot kraakte tussen zijn tanden. Hij vreet het bot waarachtig ook op, zei de dikke man.”

Mening.
Over het algemeen vond ik het een leuk boek om te lezen. Het was voor mij af en toe een beetje vaag waar het over ging. Er zaten saaie passages in maar ook leuke, zoals de passage waar hij ook het bot op eet. Het is geen meeslepend verhaal waardoor ik me er niet echt bij betrokken voelde. Ook vind ik dat het boek een beetje te ‘zakelijk’ geschreven is. Er worden allerlei zinnen en woorden gebruikt die je in het dagelijks leven nooit tegen zult komen. Dit kan natuurlijk ook zo zijn omdat dit boek geschreven is in 1974.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen