U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : J. Presser - De Nacht Der Girondijnen.
Deze versie komt van http://www.studentsonly.nl/uittreksels/bv.asp?BvID=234 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 952 woorden.

Samenvatting
1) Wat verwachtte je van dit boek voordat je het ging lezen? Geef duidelijk aan hoe het kwam dat je dat verwachtte. Geef ook aan waar om je dacht dat dit boek in jouw thema zou passen.
Ik dacht dat het dramatisch zou zijn, omdat ik de achterpagina heb gelezen. En op de achterflap zag ik ook dat het spannend was.

2) Welk personage vond je het sympathiekst? Welk vond je het minst sympathiek. Leg bij beiden ook uit waarom en gebruik daarbij citaten.
Ik vond George het sympathiekst. Hij stelde namelijk voor om bij zijn vader te werken in het kamwesterbork. Ik vond Schaufinger het minst sympathiek. Hij liet al die Joden naar Auschwitz vervoeren.

3) Wat een verhaalpersonage voelt is vaak een aanwijzing voor wat hij of zij zal doen. Kies een belangrijk personage uit en vul voor hem de volgende matrix in.

Emotie Handeling Resultaat (goed/slecht en waarom
Woede Jacques sloeg Cohns omdat deze een rabbijn trapte Jacques gaat met de eerstvolgende trein naar Auschwitz

4) A)Vanuit wie wordt het verhaal verteld?
Vanuit Jacques Schasso Henriques.
B)Wat is, denk je, hiervan het gevolg?
Het verhaal is geworden zoals hij het ziet.
C)Kies een kort fragment ui en herschrijf dit vanuit een ander personage.
(Blz. 27) “Nog erger.” zei ik. “schrikt u niet. Ik haat die Joden. En het Jodendom. Het is een ongeluk. Het is meer dan een ongeluk. Het is een pest,” zei ik, “en hij schrok niet eens, maar dat dacht ik wel want anders had ik het nooit verteld.”
6. Ja mijn opa is ook weggevoerd naar westerbork dit gebeurt steeds weer in het boek.
7) Geef drie citaten die weer weergeven wat dit boek jou te zeggen heeft.
Citaat Blz. 30. (Verdomd- ervan)
“Verdomd, Suasso, nog eens en drieduizendmaal: Word hard. Wat wil je toch? Ik zál blijven leven, waarachtig niet voor mezelf, want na tien jaren kamp en nog wat is het voor mij bekeken. Ik doe het alleen voor die jongen van me, dat is een genie, zei ik je immers, dat is een levenskunstenaar, een Rimbaud, een Dorian Gray. Begrijp me toch! Die jongen sleep ik als het moet door de vlammen van de hel heen. Ik zal dit godvergeten rotspel niet opgeven, ik zal de baas zijn, al moet ik hier op de hei standbeelden onthullen of schepen te water laten; ik hou mijn gezicht in de plooi. Doe als ik, Suasso, doe als ik. Jij en ik hopen de dag te beleven, dat we samen Schaufinger aan de galg hangen. Maar daar is maar één weg heen en die heb ik je nu aangewezen. Wel nu, wat zeg je ervan?”
Citaat Blz. 18-19 (Als- haastig)
“Als u wat van plan, mag u dat gauw doen, óf nu, hoort u, nu, onderduiken, óf...” “Of?” “Of een negenennegentig percent veilige baan zoeken. Honderd bestaat niet, maar Vati wilt u die een percent met rabat wel verschaffen.” “En waar vind ik die negenennegentig percent?” “Open één plaats in Nederland. Op Westerbork. Nee lacht u niet; Vati zelf zei het en die maakt geen grapjes. Ikzelf ga er trouwens ook over een paar maanden heen, zodra ik in de gevaarzone kom. Maar daar zit u vroeger in dan ik; zult u dan wel aannemen, niet?” “Maar wat moet ik doen in Westerbork?” “Precies. Daar gaat het nu om. Welnu: in de baan der banen stappen en dat is Vati’s ordedienst, de OD. Wíe ook weg moet, díe gaat met de allerlaatste trein; dat spreekt ook vanzelf. Maar er is nog een reden, waarom u daar het best in kunt.” Hij aarzelde even. “Kijk, nu ga ik u iets zeggen, dat u wel gek zult vinden; ik heb trouwens toch al die tijd het idee, dat dit geen gesprek tussen leraar en leerling is, maar vooruit. Ik had dit allang in mijn gedachten, maar vanochtend nog, onder de les, viel het me weer in.” “Je maakt me nieuwsgierig.” “Nu dan: het was bij dat verhaal van die laatste nacht van de Girondijnen. Het was mooi, hoor, weet u, dat u, mieters kunt vertellen? Dat vinden we allemaal. En u had het goed geprepareerd, och, dat merk je altijd. U was enorm op dreef; u zij nog dat het een Fransman of Engelsman was; ach jakkes, nu ben ik die namen kwijt. Bijlessen in geschiedenis nemen, niet?” Ik lachte. “Lamartine en een beetje Carlyle.” “Goed dan. Maar herinnert u zich, dat ik nog vroeg, of dat allemaal zo echt gebeurd was met die Girondijnen? Ik zei het natuurlijk niet, maar het leek mij een doodgewone roman, onzinnig, een bedenksel. Ja, heus. Maar u zei: ja, echt gebeurd. En ik dacht weer: die man heeft geen idee. Geen idee van wat er te koop is. Dat heb ik al meer gemerkt. U vond het heerlijk, u- u bent toch niet boos- nou, u zwelgde erin. En dan moet je in dat genre al het een en ander meegemaakt hebben. In Westerbork, waar ik met vakantie ben geweest, bij Vati. Met de Kerst. Ja, logeren, heus. Ik kon mee met de Webrmachtsauto, met mijn ster op. Dat verzorgt Vati allemaal. We daarginds duizend uitgepraat en ik heb hem alles van u verteld. En weet u, wat hij zei? Zult u echt niet boos worden? Hij zei, nu goed, hij zei dan: stuur hem hier naar toe. Ik zal een man van hem maken. Maar zeg hem dat hij zich haast.”
Citaat Blz.62 (De- mythe)
De trein is een duivel. Zoals hij uit het duister opdoemt met zijn dolfglorende koplampen, zoals hij met een schil geluid zijn triomf uitgilt, zoals hij klotsendbonkend langs het perron glijdt en eindelijk stilstaat in heet gesis en een trillende nadreun, lijkt hij een voorwereldlijk dier van ontzaglijke kracht, de draak ui een boosaardige mythe.


Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen