U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : H. Adema - Karel Ende Elegast.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=6772 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2180 woorden.

H. Adema, Karel ende Elegast






Leesverslag Karel ende Elegast





Boekbeschrijving





tekstverzorger: H. Adema





titel: Karel en Elegast





druk: vijfde druk





uitgever, plaats, jaar: Taal & Teken, Leeuwarden, 1992





jaar van eerste druk: 1982





aantal pagina’s: 63





indeling:





Het boek begint met het vermelden van boeken uit dezelfde reeks op pagina twee. Pagina

drie is de titelpagina. Op pagina vier staan de jaartallen van alle drukken. Op pagina

vijf tot en met acht staat een voorwoord geschreven door H. Adema. Dit voorwoord heeft als

titel "Karel en Elegast" en als tussenkoppen "De oude tekst", "De

taal", en "De vertaling". Op pagina negen staat de eerste tekstpagina van

Karel ende Elegast, incunabel A afgedrukt. Vanaf pagina tien begint het echte verhaal met

op de linker pagina’s de originele tekst en op de rechter pagina’s de vertaling.

Het boek is niet verdeeld in hoofdstukken. De vertaling is verdeeld in zes delen: Bevel en

gehoorzaamheid, De ontmoeting, De diefstal, Het verraad, De beschuldiging en De tweekamp

als godgericht.





Boekbeschrijving origineel





auteur: onbekend





titel: Karel ende Elegast





jaar van schrijven: ±1230





aantal versregels: 1414





indeling: Het boek is niet in hoofdstukken ingedeeld.





Samenvatting





Karel de Grote, keizer en koning, verblijft in zijn paleis te Ingelheim, waar hij

morgen een hofdag wil houden, "omme te meerne sinen lof" (roem). Als hij naar

bed is gegaan en slaapt, verschijnt hem een engel, die hem beveelt op te staan en uit

stelen te gaan. Het is Gods bevel. Zijn leven en eer staan hierbij op het spel. Hij moet

onmiddellijk zijn wapens nemen en uitrijden. Karel meent het in zijn slaap te hebben

gehoord; hij ziet niemand en wil weer inslapen. Weer klingt het bevel van een engel. Zou

ik door een nachtmerrie gekweld worden, denkt de koning? Wat voor nut kan het voor hem

hebben, hem als machtig vorst, dat hij uit stelen gaat? Hij zou niet graag een gebod van

God overtreden, maar hij kan onmogelijk geloven, dat God hem zoiets opdraagt Hi j slaapt

weer in, maar voor de derde keer klinkt de stem van de engel. Als Karel nu niet

gehoorzaamt, is het met hem gedaan, het zal hem zijn leven kosten! De koning slaat een

kruis en neemt zich voor Gods gebod op te volgen, al is stelen voor hem een grote schande.

Nu moet God hem verder helpen ,oordeelt hij.





Hij gaat zich klaarmaken en hoopt vurig dat hij uit het kasteel kan komen zonder dat

iemand iets merkt. Dat gebeurt: deur en poort staan voor hem open en al het volk slaapt

vast "als God woude". Hij gaat naar de stal, zadelt zijn paard, rijdt langs de

wachters die ook vast slapen en er geen idee van hebben, dat de koning zo dicht bij hen

is. Eenmaal buiten de poort gekomen, bidt Karel God om hulp op deze tocht in de donkere

nacht. Zijn gedachten gaan als vanzelf naar dieven en rovers, die er 's nachts op

uittrekken om hun slag te slaan. Hij heeft hun het leven nooit makkelijk gemaakt, maar nu

oordeelt hij wel wat milder over hen. Een van de rovers kent hij, Elegast, een ridder die

hij "om cleyne sake" verbannen heeft. Al dieper rijdt Karel het bos in.





Opeens hoort hij hoe iemand nadert, eveneens te paard. Het is een zwarte ruiter op een

zwart paard. Karel slaat snel een kruis, want hij meent dat die zwarte gedaante de duivel

is. Zonder groeten rijden zij elkaar voorbij. Maar de zwarte wil toch weten wie de ridder

met zo'n mooie wapen-uitrusting is; in lange tijd heeft hij niet zo'n mooie gezien.

Blijkbaar is hij verdwaald in het donkere bos. Misschien heeft hij kwaadin de zin; als hij

wist dat het een verspieder was die hem en de zijnen bij de koning - die hij vreest - in

moeilijkheden zou brengen, zou hij niet zonder meer wegrijden... Hij wendt zijn paard en

gaat de onbekende achterna. Hij eist dat de vreemdeling zijn naam noemt en zegt wat hij

hierin het bos komt doen. Karel denkt er niet aan als eerste zijn naam te noemen en te

vertellen wat de ander vraagt. Hij daagt hem uit tot een tweestrijd.





De zwarte neemt de handschoen op. In korte tijd is er een felle strijd aande gang. De

koning vreest een ogenblik dat die zwarte ruiter hem zal verslaan, dan zou hij zich dood

schamen. Dan brengt de zwarte de koning zo'n harde slag toe, dat zijn eigen zwaard in

tweeën breekt. Nu staat hij weerloos tegenover de koning. Maar deze spaart z'n

tegenstander. Wel eist hij nu, dat de zwarte zijn naam noemt, "Heere ic heete

Elegast", zegt die en hij vertelt onder welke ellendige omstandigheden hij moet

leven. Hij is roofridder geworden, maar hij besteelt alleen de rijken en laat de armen met

rust. Nu verwacht hij, dat zijn tegenstander zich ook bekend maakt. Wat is Karel blij dat

hij Elegast tegenover zich heeft, al kan hij zich niet als koning bekend maken. "Ic

ben gehiten Adelbrecht", hij is ook roofridder, maar steelt en rooft zonder aanziens

des persoons. Hij vraagt Elegast of die deze nacht met hem uit wil gaan stelen. Hij weet

een schat bij de koning! Verontwaardigd wijst Elegast dit voorstel af; de koning blijft

voor hem "gherechtich heere", ondanks alles wat er gebeurd is. De koning is blij

om dit bewijs van aanhankelijkheid. Elegast heeft een beter voorstel: inbreken bij Eggeric

van Eggermonde, die getrouwd is met 's konings zuster. Dat is zo'n schurk, dat het jammer

is dat hij leeft, zegt Elegast.





Op weg naar Eggeric' s kasteel vindt Karel een ploegijzer, dat hem bij inbreken een

geschikt stuk gereedschap lijkt. Als zij bij de burcht aankomen stelt Elegast voor, dat

zijn makker zegt hoe zij te werk zullen gaan, want het zou hem spijten als zijn maat door

zijn toedoen schade zoe lijden. De koning zegt dan dat hij nooit in dit kasteel geweest

is, Elegast moet het maar doen. Elegast vindt dit goed, spoedig zal hij bemerken of zijn

maat zijn vak verstaat of niet. "laten wij een gat maken op een geschikte plaats om

er door te kruipen", zegt Elegast. Wat moet hij lachen als hij ziet wat voor

breekijzer Karel heeft. Waar heeft hij dat laten maken? , spot hij. Wist hij het adres,

dan zou hij er ook een laten maken! Karel bedenkt een smoesje: Drie dagen geleden is hij

ternauwernood ontsnapt, met achterlating van zijn gereedschap. Hij durfde uit vrees voor

schande niet terug om het te halen. Nu heeft hij in de maneschijn dit ploegijzer

gevonden."Goed",zegt Elegast, "als wij er maar in komen" .





hij zag wel, dat Karel er geen verstand van had en maakte toen zelf handig een gat in

de muur. Hij zou ook maar naar binnen gaan, dat leek hem wel het verstandigste bij zo'n

onhandige dief.





Als hij binnen is, steekt hij een wonderkruid in de mond, waardoor hij de taal van

hanen en honden kan verstaan. Die dieren vertellen hem, dat de koning buiten staat! Wat

moet dit betekenen? Elegast schrikt en gaat snel terug. Hij vertelt Karel wat hij heeft

gehoord, die lacht hem uit: "Soudi gheloven an een hoen, Oft dat een hont bast, so en

is ghelove niet vast!" Karel wil het zelf ook wel eens horen en steekt het kruid in

de mond. Weer vertellen de dieren, dat de koning in de buurt is. Karel vindt dat niet erg,

hij hoopt dat Elegast niet bang geworden is. Die moet doen wat zij van plan zijn, of zij

moeten terug gaan. Dan maar stelen, wat er ook van komt, oordeelt Elegast. Maar eerst eist

hij zijn kruid terug. Hoe de koning ook in zijn mond voelt, het kruid is weg! Elegast

lacht: hij heeft het de koning afgenomen, zonder dat deze het heeft gemerkt. hij begrijpt

niet dat ze deze man nog nooit hebben gepakt!





Elegast kruipt weer naar binnen. Iedereen in het kasteel kan door zijn

"beheyndichede" in een zware slaap dompelen, zodat hij ongestoord zijn gang kan

gaan. Als hij met de buit bij Karel komt, vindt deze die groot genoeg, hij wil wegrijden.

Elegast zegt hem nog even te wachten, hij moet nog terug omdat hij zijn zinnen gezet heeft

op het zeer kostbare zadel van Eggeric. Er zitten wel honderd gouden belletjes aan, maar

het hangt in de echtelijke slaapkamer. Elegast sluipt de kamer binnen, pakt het zadel,

maar daar beginnen de belletjes te rinkelen. Meteen springt Eggeric op uit zijn slaap, hij

wil zijn zwaard grijpen, maar zijn vrouw weerhoudt hem. Zij zegt hem, dat niemand de

slaapkamer is binnen gekomen, maar dat haar man iets dwars zit. Hij is al enkele dagen zo

onrustig. Zij houdt aan " Vrouwen list is menichfout, / Sijn si jonc, sijn si

out!" en dan gaat Eggeric opbiechten. Hij bekent een samenzwering tegen de koning

gesmeed te hebben en morgen op de hofdag zal Karel vermoord worden. Heftig verontwaardigd

valt zijn vrouw nu tegen hem uit; zij zou liever zien dat men haar man ophing, dan dat

haar broer op zo'n manier het leven verloor. Eggeric slaat haar dan in het gezicht, dat

het bloed haar uit neus en mond "uutbrac". " Si rechte haer op ende stac /

Haer aenschijn over tbeddeboom." Behendig kruipt Elegast naar haar toe en vangt wat

bloed in zijn rechterhandschoen op. Daarna spreekt hij een toverspreuk uit, waarmee het

echtpaar doet inslapen en gaat terug naar Karel, met Eggeric's zadel en zwaard.





Als hij bij Karel terug is, vertelt hij waarom hij zolang is weggebleven. Hij wil weer

naar binnen om Eggeric het hoofd af te slaan. - Nu begrijpt Karel waarom hij moest gaan

stelen. Maar wat maakt Elegast zich toch druk over deze zaak. "Sterft die coninc, so

is hi doot", daar behoeft de verbannen Elegast geen hartzeer om te hebben. Elegast

reageert hier fel op: de koning moet worden ingelicht. Dan neemt Karel de leiding. Hij zal

de zaak met de koning gaan bespreken, Elegast moet naar zijn makkers terug gaan.





Karel rijdt naar zijn paleis en komt even ongemerkt weer binnen als hij vertrokken is.

Nauwelijks is hij daar, of de poortwachters kondigden de nieuwe dag aan.





Karel roept zijn getrouwen bijeen en brengt hen op de hoogte. Als de eerste

samenzweerders komen, worden zij allen gevangen genomen. Onder hun kleren dragen zij

bortsharnassen en scherpe messen. Dan komt de verwaten Eggeric aanrijden. Ook hij wordt

gevangen genomen; hij blijkt beter bewapend te zijn dan een van zijn mannen. Eggeric wordt

ervan beschuldigd leider van de samenzwering te zijn, maar hij ontkennt alles. Nu wordt

een boodschapper naar Elegast gestuurd. Als deze is aangekomen, vertelt hij wat hij die

nacht in de slaapkamer gehoord heeft en toont als bewijs de handschoen met bloedsporen.

Eggeric vraagt om zijn onschuld te bewijzen, om een tweekamp. Hij weigert evenwel tegen

zo'n verbannen dief als Elgast te strijden. Karel beslist echter, dat de strijd gestreden

moet worden.





Elegast rijdt als eerste het strijdperk binnen. Hij bidt vurig tot God en belooft, als

hij het leven er goed afbrengt, het roofridderschap te zullen opgeven. Daarna treedt

Eggeric in het krijt. "Hi en seide noch en dede, / Te Gode waert gheene bede".

Het wordt een uiterst fel gevecht. Op zeker ogenblik stoot Elegast zijn tegenstander uit

het zadel, zodat het gemakkelijk voor hem zou zijn, Eggeric te verslaan. Maar hij wil eer

aan hem behalen en laat hem weer opstijgen. Opnieuw begint de strijd, maar nu zo fel, dat

het vuur uit de helmen slaat! Karel bidt God om uitkomst. Dan gaart Elegast al zijn

krachten, hij slaat hard toe en klooft Eggeric's schedel.





De koning dankt God voor deze afloop. De dode Eggeric wordt opgehangen. De andere

verraders delen dit lot. Elegast wordt in ere hersteld en ontvangt van de koning diens

zuster, Eggeric's weduwe, tot vrouw.





Thema





Er is een tweezijdig thema. Het belangrijkste is de trouw aan de leenheer als

belangrijkste ridderdeugd. De andere is het (Christelijke) geloof.





Ook komen in het verhaal diverse sprookjeselementen voor (toverkruid en toverspreuken

bv.).





Titelverklaring





Karel (koning en keizer) en leenman Elegast zijn de hoofdpersonen, vandaar de titel

"Karel ende Elegast".





Analyse





personages:





Alle personages zijn flat characters.





Karel de Grote is de koning en keizer Hij is vroom en edelmoedig.





Elegast is een roofridder (zwarte wapenrusting). Hij is verbannen door koning Karel.

Hij ontziet de armen en steelt alleen van de rijken. Hij is ondanks alles trouw aan de

koning en een vroom en rechtschapen ridder.





Eggeric van Eggemonde is Karels zwager. Hij beraamt een samenzwering tegen Karel. Hij

is oververmoedig en onsympathiek.





Vrouw van Eggeric is de zuster van Karel. Ze wordt door Eggeric geslagen als zij zegt

dat ze liever heeft dat haar man wordt opgehangen dan dat haar broer zou sterven. Ze

trouwt later met Elegast.





perspectief:





Het perspectief is een auctoriaal-ik perspectief, want er wordt gezegd aan het begin

van het verhaal "Mach ic u tellen,hoort naer" (kan ik u vertellen luister maar).





tijd:





De gebeurtenissen zijn chronologisch en beslaan een nacht en de daaropvolgende dag.





Het verhaal speelt rond 788. Het verhaal is geschreven in ca. 1230.





ruimte:





Het verhaal speelt zich af in en rond het kasteel van Karel, in het bos en bij het

kasteel van Eggeric. De ruimte heeft een beeldvormende functie.





Beoordeling





Ik vond "Karel en Elegast" een leuk verhaal. Het was , zoals de meeste

verhalen uit de Middeleeuwen, niet zo erg meeslepend, maar door de humor die erin zat was

het heel prettig om te lezen. Ook was het geen moeilijk boekje en het verhaal was niet

langdradig.





Informatie over boek en schrijver





boek:





Karel en Elegast is de enige volledig overgeleverde voorhoofse ridderroman. Bij het

lezen ervan moet je eraan denken dat de historische gegevens rond Karel de Grote niet

helemaal betrouwbaar zijn. Dit komt doordat het verhaal eeuwenlang mondeling is

overgeleverd, voordat ze zijn opgeschreven. Zo zijn er vele elementen ingeslopen die

moeten worden toegeschreven aan de tussenliggende tijd.





schrijver:





De auteur is onbekend, waarschijnlijk was het een Westvlaamse monnik of een Brabander

uit het midden van de 13e eeuw.





Geraadpleegde literatuur





- Prisma uittrekselboek 1200-1880





- Nederlandse literatuur door J.A. Dautzenberg





- Encarta 98 Encyclopedie, Wnkler prins editie





- Internetsite: www.internetcollege.nl

Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen